CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL H. MAYRAS
VAN 15 JANUARI 1980 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
De onderhavige zaak betreft een verzoek van de Cour d'appel te Parijs om een prejudiciële beslissing over de vraag of de communautaire regeling, en met name de bepalingen van de verordeningen nrs. 974/71 van de Raad en 648/73 en 649/73 van de Commissie, bij invoer van wijnen uit Marokko door een Franse firma, de Franse importeur verplicht de door hem ontvangen monetaire compenserende bedragen aan de Marokkaanse exporteur af te dragen.
Het bodemgeschil vindt zijn oorsprong in een overeenkomst van 18 juni 1974 tussen het Office de Commercialisation et d'Exportation (O.C.E.), een Marokkaans overheidsbedrijf, en de S.A. Méditerranéenne et Atlantique des Vins (Samavins).
Op grond van de verordeningen van de Commissie van 1 maart 1973, nr. 648/73 houdende uitvoeringsbepalingen betreffende de monetaire compenserende bedragen, en nr. 649/73 tot vaststelling van de monetaire compenserende bedragen, heeft Samavins bij de invoer van wijnen in Frankrijk monetaire compenserende bedragen ontvangen, die in mindering werden gebracht op de door haar betaalde douanerechten. Het O.C.E. verlangde dat die bedragen aan hem zouden worden terugbetaald, doch Samavins weigerde dat.
De verwijzing van de Cour d'appel te Parijs naar verordening nr. 974/71 van de Raad geeft mij aanleiding tot een opmerking. In haar oorspronkelijke redactie gold deze verordening, waarbij zoals u weet, het stelsel van de monetaire compenserende bedragen is ingevoerd, niet voor het handelsverkeer met landen met een gedevalueerde munt, zoals Frankrijk in 1974. Advocaat-generaal Warner heeft er in zijn conclusie in zaak 94/77 (Zcrbone, Jurispr. 1978, blz. 121) op gewezen, dat artikel 1, lid 1, van verordening nr. 974/71 eerst bij 's Raads verordening nr. 509/73 van 22 februari 1973 in die zin is gewijzigd, dat monetaire compenserende bedragen ook van toepassing werden in een Lid-Staat met een gedevalueerde munt.
Om de vraag van de Cour d'appel te Parijs te beantwoorden, kan worden volstaan met de opmerking dat de gemeenschapsregeling op landbouwgebied enkel bepaalt dat degene die de douaneformaliteiten vervult, de compenserende bedragen ontvangt respectievelijk verschuldigd is. Of een gedeelte van die bedragen dan ten goede, respectievelijk ten laste komt van zijn contractspartner, is een vraag die duidelijk buiten het kader van het gemeenschapsrecht valt. Dit regelt enkel de betrekkingen tussen de douane en degene die rechtstreeks contact met de douane heeft. De betrekkingen tussen degene die de douaneformaliteiten vervult, en zijn contractspartners hangt af van hun autonome partijwil, zoals die tot uitdrukking komt in de tussen hen bestaande overeenkomst, en alleen in dat kader kan het antwoord op de gestelde vraag worden gevonden.
Mitsdien concludeer ik dat uw Hof de vraag van de Cour d'appel te Parijs beantwoorde als volgt:
—
Bij een goedereninvoer waarvoor monetaire compenserende bedragen worden toegekend, is de importeur die deze monetaire compenserende bedragen heeft ontvangen, ingevolge het gemeenschapsrecht geenszins verplicht die bedragen aan de exporteur af te dragen.
( 1 ) Vertaald uit het Frans.
Full & Egal Universal Law Academy