CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL G. REISCHL
VAN 31 JANUARI 1980 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Ook in dit geding gaat het weer om de bijzondere regeling inzake de invoer van bevroren rundvlees, die ons uit de zaak 92/78 (Simmenthal SpA t. Commissie, arrest van 6 maart 1979, Jurispr. 1979, blz. 777) reeds bekend is. Voor het juridisch kader — verordening nr. 535/79 houdende tijdelijke schorsing van het koppelingsstelsel (PB L 71 van 22. 3. 1979, blz. 15) en verordeningen nrs. 1136, 1137 en 1138/79 tot wijziging der regeling (PB L 141 van 9. 6. 1979, blz. 10, 13 en 15) waren nog niet in werking getreden — kan ik dus aan de zaak 92/78 refereren.
Verzoekster, die in haar vleeswarenfabriek ook rundvlees in de zin van artikel 14 van verordening nr. 805/68 (PB L 148 van 28. 6. 1968, blz. 24) verwerkt, nam deel aan de inschrijving „nr. D P 5 — verordening (EEG) nr. 2900/77 — voor de verkoop van bevroren rundvlees met been uit de voorraden van het Duitse interventiebureau”, waarvoor blijkbaar het „algemeen bericht inzake periodieke inschrijvingen voor de verkoop van bevroren rundvlees dat in het bezit is van de interventiebureaus teneinde de invoer, met totale schorsing van de heffing van bevroren rundvlees voor de verwerking mogelijk te maken (PB C 11 van 13. 1. 1978, blz. 16 e.V.), gold. Zij deed het Duitse interventiebureau, de Bundesanstalt für landwirtschaftliche Marktordnung, onder meer vijf biedingen toekomen, één voor in Bremen, dus in de Bondsrepubliek Duitsland, opgeslagen vlees van jonge stieren en vier voor in Denemarken opgeslagen ossevlees. Overeenkomstig artikel 4 van verordening nr. 2900/77 deed het interventiebureau de biedingen aan de Commissie toekomen. Pas uit het in deze zaak ingediende verweerschrift blijkt dat daarbij een vergissing moet zijn begaan. Volgens de telex van de Bundesanstalt dienden alle biedingen van verzoekster in Duitsland opgeslagen vlees te betreffen. Volgens voormeld algemeen bericht inzake de periodieke inschrijvingen hadden de biedingen per land van opslag moeten zijn ingediend en ook had de Commissie volgens artikel 3 van verordening nr. 1805/77 (PB L 198 van 5. 8. 1977, blz. 19) voor iedere Lid-Staat waar produkten opgeslagen waren, bijzondere minimumverkoopprijzen moeten vaststellen. De fout, door de Bundesanstalt bij het doorzenden der biedingen begaan, leidde er dus toe dat bij de vaststelling van minimumprijzen voor in Denemarken opgeslagen vlees verzoeksters biedingen buiten beschouwing bleven.
Over de minimumprijzen en de hoeveelheden met vrijstelling van de heffing te importeren rundvlees werd op 29 januari 1979 in het bevoegde beheerscomité beslist, en van die beslissing werd het Duitse interventiebureau blijkbaar terstond in kennis gesteld. De te dezen nodige formele beschikking der Commissie kwam de volgende dag af en werd in het Publikatieblad van 16 februari 1979 (PB L 41, blz. 49) geplaatst.
Omdat verzoekster beneden de minimumprijs voor de Bondsrepubliek Duitsland bleef, ook voor zover het om in Denemarken opgeslagen vlees ging, kwam zij bij de inschrijving niet aan haar trekken. Dit werd haar reeds in een brief van de Bundesanstalt van 29 januari 1979 medegedeeld, waarin onder meer het volgende stond: „Wir mussen Ihnen ... mitteilen, daß nach der Entscheidung des Verwaluingsausschusses Rindfleisch Ihrem Angebot kein Zuschlag erteilt werden kann.”
Verzoekster wendde zich toen op 7 mei 1979 tot het Hof van Justitie; zij wenst genoemde beschikking der Commissie te haren aanzien te zien nietigverklaard. Zij motiveerde haar vordering met een beroep op het inmiddels in de zaak 92/78 uitgesproken arrest en de in die zaak door de firma Simmenthal voorgedragen argumenten.
De Commissie acht het beroep echter om een aantal aanstonds te bespreken redenen niet-ontvankelijk. Zij wenst primair die niet-ontvankelijkheid te zien uitgesproken en vordert subsidiair dat de vordering in ieder geval ten aanzien van het in Denemarken opgeslagen vlees van het Duitse interventiebureau ongegrond zal worden verklaard.
Ik meen te dezen als volgt mijn standpunt te moeten bepalen.
I — De ontvankelijkheid der vordering
1.
De ontvankelijkheid wordt allereerst wegens overschrijding van de beroepstermijn betwist:
Bij een inschrijvingsprocedure als de onderhavige, die met een beschikking van de Commissie wordt afgesloten en -— blijkens artikel 13 van verordening nr. 216/69 en cijfer 6, letter d, van voormeld algemeen bericht — medebrengt dat de inschrijvers individueel moeten worden in kennis gesteld van het lot dat aan hun biedingen is beschoren, zou de beroepstermijn bij ontvangst dier mededelingen ingaan, wanneer die werden gedaan vóór de publikatie van de beschikking dei-Commissie, die volgens artikel 191 van het EEG-Verdrag voor hun inwerkingtreding niet nodig is. Omdat de individuele kennisgeving in casu op 5 februari 1979 heeft plaatsgehad, zou het beroep, ondanks de in artikel 81 van het Reglement voor de procesvoering voorziene termijn wegens afstand, moeten worden geacht te laat te zijn ingesteld.
Verzoekster beroept zich daartegenover op artikel 81, paragraaf 1, van dat Reglement, luidende als volgt:
„De termijn voor het instellen van een beroep tegen een handeling van een deiinstellingen vangt, in geval van kennisgeving, aan op de dag volgende op die, waarop de handeling ter kennis van de betrokkene werd gebracht en in geval van bekendmaking, op de vijftiende dag volgende op die, waarop de handeling in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen werd bekendgemaakt.”
Hieruit zou zoiets als een meestbegunstigingsbeginsel kunnen worden afgeleid, volgens hetwelk in gevallen waarin een aangevochten besluit niet slechts, zij het eigenlijk ten overvloede, wordt gepubliceerd, maar ook ter kennis van de individuele betrokkenen wordt gebracht, de laatste datum voor de instelling van het beroep mag worden aangehouden. Gerekend vanaf de publikatie van de beschikking der Commissie zou het beroep echter, naar ook door de Commissie wordt erkend, tijdig zijn ingesteld. Al zou men dit beginsel niet in zijn algemeenheid aanvaarden, dan nog zou in ieder geval in casu de dag van publikatie moeten worden aangehouden. De verzoekster geworden „mededeling” van de Bundesanstalt zou namelijk niet volledig zijn geweest, omdat er een belangrijk element, de door de Commissie vastgestelde minimumprijs, aan ontbrak. Er zou zelfs helemaal niet van mededeling van een dooide Commissie genomen beschikking mogen worden gesproken, immers de beschikking kwam pas op 30 januari 1979 af, terwijl de brief van de Bundesanstalt 29 januari was gedateerd. Tenslotte zou er uit de brief van de Bundesanstalt van een beschikking van het beheerscomité voor rundvlees, dus niet van een beschikking van de Commissie, worden gesproken.
Bij de uitlegging van het stellig niet geheel ondubbelzinnige artikel 81 van het Reglement voor de procesvoering dient men er mijns inziens om te beginnen van uit te gaan dat men in dat Reglement het door het Verdrag gewilde stelsel niet fundamenteel heeft willen wijzigen. Hoogstens heeft in artikel 81 de bedoeling voorgezeten de beroepstermijn nauwkeurig te bepalen en in gevallen waarin het op de plaatsing in het Publikatieblad aankomt, voor verlenging willen zorgen in verband met het feit dat met de verschijning van het Publikatieblad in de Lid-Staten tijd gemoeid is, terwijl zij ook op verschillende tijdstippen plaatsvindt. Doorslaggevend is dus artikel 173, lid 3, van het EEG-Verdrag, dat als volgt luidt:
„Het in dit artikel bedoelde beroep moet worden ingesteld binnen twee maanden te rekenen, al naar het geval, van de dag van bekendmaking van de handeling, van die van kennisgeving aan de verzoeker, of bij gebreke daarvan, van de dag waarop de verzoeker van de handeling heeft kennis gekregen.”
Het is wel duidelijk dat bekendmaking hier als openbaarmaking (publikatie) moet worden opgevat. Volgens dit artikel mag het er feitelijk voor worden gehouden — en de woorden „al naar het geval” zijn ook in die zin te verstaan — dat er niet zoiets als een „mecstbegunstigings” beginsel in tot uitdrukking is gebracht; het ligt veel meer voor de hand het tijdstip van bekendmaking als beslissend te beschouwen wanneer dat tijdstip voor het inwerkingtreden van een besluit van betekenis is en bij individuele mededelingen in beginsel het tijdstip aan te houden waarop zij betrokkenen bereikten.
Anderzijds dient te worden erkend, dat juist voor zulk een uitlegging ook goede gronden kunnen worden aangevoerd. De Commissie heeft bijvoorbeeld gelijk met haar opmerking dat aan de behoefte aan rechtsbescherming alleszins wordt tegemoetgekomen wanneer men de beroepstermijn laat ingaan op het tijdstip waarop een individuele mededeling aan betrokkene wordt bezorgd. Zou men — bij wege van „meestbegunstiging” — die termijn laten lopen vanaf het tijdstip ener latere, niet per se nodige publikatie, dan zou die termijn, in aanmerking genomen de vertraging waarmede zulk een nietvoorgeschreven publikatie pleegt te geschieden, vaak aanmerkelijk worden verlengd, ja zelfs zouden reeds verstreken termijnen kunnen herleven, waarmede de „rechtsvrede” stellig niet zou worden bevorderd. Ook zou de Commissie, als verzoeksters opvatting de juiste zou zijn, in de verleiding kunnen komen om, ter vermijding van zulk een effect, van de publikatie van zulke besluiten af te zien, waarmede de deelnemers aan de markt weer niet gebaat zouden zijn.
Als men evenwel in beginsel de door de Commissie voorgestane uitlegging van het Verdrag en van het Reglement voor de procesvoering aanvaardt, moet voorts nog worden nagegaan of de mededeling welke men in casu aan verzoekster deed toekomen, voldoet aan de eisen die moeten zijn vervuld, wil de beroepstermijn ingaan.
Men mag ervan uitgaan dat niet de hele beschikking behoeft te worden medegedeeld; als voorwaarde voor de inwerkingtreding in de zin van artikel 191 van het EEG-Verdrag is zulk een volledige mededeling slechts jegens de adressaten, in een geval als het onderhavige dus jegens de Lid-Staten, nodig te achten. Om de termijn jegens derden te doen lopen, zou het voldoende zijn als de wezenlijke, juist voor hen belangrijke, inhoud der beschikking officieel, maar niet per se door het orgaan waarvan de beschikking is uitgegaan, dus eventueel door een hulporgaan, te hunner kennis wordt gebracht op een wijze die hen in staat stelt te besluiten zich al dan niet tot het Hof van Justitie te wenden. In verband hicrmede kan worden gewezen op artikel 19 van het Statuut van het Hof van Justitie van de EEG, volgens hetwelk de tekst van het litigieuze besluit ook na afloop van de beroepstermijn nog kan worden overgelegd, hetgeen toch wil zeggen dat de ingang van de beroepstermijn niet van volledige kennisneming is afhankelijk gesteld. Interessant is ook dat in het Algemeen bericht inzake de periodieke inschrijvingen, evenals trouwens in artikel 13 van verordening nr. 216/69, met zoveel woorden is bepaald dat iedere inschrijver door het interventiebureau onverwijld van het resultaat van zijn deelneming aan de inschrijving in kennis wordt gesteld.
Het lijdt geen twijfel dat in casu, door de aan verzoekster gerichte brief van de Bundesanstalt, aan die eis is voldaan. Het doet er niet toe dat er in die brief van een beschikking van het beheerscomité voor rundvlees wordt gesproken en dat de brief op 29 januari 1979 was gedateerd, terwijl de beschikking formeel pas op 30 januari 1979 werd vastgesteld. Wij vernamen dat dit laatste een gevolg is geweest van het feit dat de resultaten van het in bedoeld comité gevoerde overleg ten spoedigste aan de nationale gezagsorganen worden medegedeeld, opdat zij betrokkenen onverwijld schriftelijk op de hoogte kunnen stellen. In ieder geval mag niet worden aangenomen dat verzoekster die, naar zij niet ontkent, de inschrijvingsprocedure heel goed kent, op deze manier op een dwaalspoor werd gebracht; zij moet terdege hebben beseft dat het hier alleen maar om een advies van het beheerscomité voor rundvlees ging en dat de eigenlijke beschikking door de Commissie moest worden genomen. Eveneens irrelevant acht ik de omstandigheid dat uit de mededeling alleen bleek dat er op verzoeksters biedingen niet was ingegaan omdat zij beneden de minimumprijzen waren gebleven en dat die minimumprijzen zelf (ook in de beschikking van de Commissie is alleen maar van die minimumprijzen sprake) in de mededeling niet worden genoemd. Dit belette verzoekster niet in beroep te komen; haar grieven betreffen slechts het koppelingsstelsel als zodanig, zodat het er niet om kan gaan of verzoekster wel precies van de minimumprijzen op de hoogte was.
De exceptie van niet-ontvankelijkheid lijkt mij dan ook in beginsel terecht te zijn opgeworpen; in het arrest zullen er dus in zoverre in ieder geval overwegingen aan de beroepstermijn moeten worden gewijd. Men kan zich hoogstens afvragen of er per se een niet-ontvankelijkverklaring moet volgen. De desbetreffende voorschriften zijn nu eenmaal niet geheel duidelijk en in de jurisprudentie is het nog niet tot uitlegging van hun inhoud gekomen. Om die reden, maar vooral ook gezien de tekst van de mededeling van de Bundesanstalt, zou men dus zeer zeker kunnen overwegen het onderhavig beroep, bijvoorbeeld onder inroeping van het beginsel dat ten grondslag ligt aan artikel 43 van het (EEG)-Statuut van het Hof van Justitie — betreffende verzuim van termijnen door toeval of overmacht —, niet als te laat ingesteld te beschouwen. Ik zal om die reden dan ook geen niet-ontvankelijkverklaring vorderen en ook op de verdere ten processe aangevoerde argumenten ingaan.
2.
Een tweede exceptie van niet-ontvankelijkheid betreft het gedeelte dei-aangevochten beschikking waarin minimumprijzen zijn vastgesteld voor het in Denemarken opgeslagen vlees van het Duitse interventiebureau. Wij vernamen dat er bij de doorzending van verzoeksters biedingen door. liet interventiebureau een vergissing is begaan: verzoeksters biedingen voor in Denemarken opgeslagen interventievices zouden verzeild zijn geraakt tussen de biedingen betreffende in Duitsland opgeslagen interventievlees. De Commissie stelt nu dat verzoeksters biedingen haar bij het nemen van de beschikking betreffende Denemarken niet bekend waren; het hierbedoelde gedeelte der beschikking had er dus geen betrekking op en raakte verzoekster niet.
Ik acht dit standpunt niet houdbaar en denk daarbij aan de gang van zaken bij een inschrijving, zoals die in verordening nr. 216/69 is vastgelegd en ook in het reeds meermalen genoemde algemene bericht inzake de pcrodieke inschrijvingen (PB C 11 van 13. 1. 1978, blz. 16 c.v.) is beschreven. Zo is in artikel 9 dier verordening bepaald dat de belanghebbenden aan de inschrijving deelnemen door hun schriftelijke aanbiedingen bij het interventiebureau af te geven en volgens artikel 11 worden de minimumverkoopprijzen met inachtneming van de ontvangen biedingen overeenkomstig de procedure van artikel 27 van verordening (EEG) nr. 865/68 vastgesteld. Volgens artikel 12 wordt de bieding afgewezen wanneer de geboden prijs beneden de minimumprijs ligt. Tenslotte moet volgens artikel 13 elke inschrijver door het interventiebureau onverwijld van het resultaat van zijn deelneming aan de inschrijving in kennis worden gesteld.
Het is dus duidelijk dat biedingen reglementair en rechtsgeldig ter afdoening zijn aangeboden wanneer ze bij het bevoegde interventiebureau zijn ingediend. Ook staat vast dat door de vaststelling van de minimumprijzen door de Commissie, waarbij in hoofdzaak, zij het niet uitsluitend, op de gedane biedingen gelet wordt, verbindend over het lot van alle biedingen wordt beslist. In die zin dient mijns inziens het aangehaalde artikel 12 van verordening nr. 216/69 te worden verstaan en ik kan mij dus niet voorstellen dat het lot dat aan regulier ingediende biedingen beschoren is in de lucht blijft hangen omdat het interventiebureau ze bij de doorzending niet in het goede vakje heeft gelegd of dat ze om die reden zonder meer tussen het schip en de wal verdwijnen. In die zin moeten mogelijkerwijs ook rechtsoverwegingen 23-26 van het arrest 92/78 worden begrepen, waarin gezegd wordt dat de Commissie rechtstreeks over het al dan niet gunstig lot, aan de biedingen beschoren, beslist.
Omdat verzoeksters biedingen echter ongetwijfeld regulier bij het Duitse interventiebureau zijn binnengekomen, moet het ervoor worden gehouden dat dooide vaststelling van minimumprijzen voor in Denemarken opgeslagen interventievlees ook definitief is uitgemaakt wat er met bedoelde biedingen moet gebeuren, met andere woorden: het interventiebureau, waarmede immers de eventuele koopcontracten moeten worden afgesloten, kan er op grond van de beschikking der Commissie geen acht op slaan. Derhalve kan niet worden gezegd dat de beschikking der Commissie een gedeelte der litigieuze aanbiedingen geheel niet heeft betroffen — zodat het beroep, wat betreft de afwijzing van de Deense biedingen, niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard.
Welke consequenties er verder aan bedoelde vergissing bij het doorgeven der biedingen begaan, moeten worden verbonden, of het feit dat de grondslag der beschikking onder verantwoordelijkheid van het interventiebureau werd scheefgetrokken betekent dat de beschikking van de Commissie in zoverre mank gaat aan een speciaal gebrek dat tot nietigverklaring moet leiden dan wel of te dier zake alleen het Duitse interventiebureau — bijvoorbeeld tot schadevergoeding — aansprakelijk kan worden gesteld, zal later worden nagegaan.
3.
Ten slotte acht de Commissie het beroep niet-ontvankelijk omdat geen rechtens voor bescherming in aanmerking komend belang de nietigverklaring dei-bestreden beschikking zou rechtvaardigen.
Zulk een belang zou met een langs de weg van kritiek op de rechtsgrondslagen van de beschikking te bewerken wijziging van het stelsel zeker niet meer gemoeid zijn sinds het Hof in zijn arrest nr. 92/78 zulke kritiek gerechtvaardigd heeft geoordeeld. Ook een door de instelling van eventuele schadeacties te realiseren belang zou ontbreken, omdat daartoe volgens het rechtsbeschermingssysteem van de Gemeenschap een onrechtmatige en schadeveroorzakende handeling niet eerst behoeft te worden nietigverklaard. Evenmin kan zulk een belang worden ingeroepen voor zover verzoekster haar rechtspositie door de Commissie mocht willen zien gecorrigeerd, immers het zou de Commissie rechtens en feitelijk onmogelijk zijn de biedingen van verzoekster alsnog aan te nemen dan wel vergunningen voor de invoer vrij van heffing, van bevroren rundvlees te verlenen.
a)
Naar aanleiding van dit betoog zij in beginsel toegegeven dat voor het instellen van een tot nietigverklaring strekkende vordering de onrechtmatigheid van het aangevochten besluit op zichzelf niet voldoende is. Daarnaast moet zijn aangetoond dat aan de vaststelling der onrechtmatigheid, in casu: de verklaring dat de beschikking der Commissie, voor zover zij ertoe leidde dat verzoekers biedingen niet werden gehonoreerd, niet rechtmatig is geweest, voor verzoekster relevante consequenties verbonden zijn geweest, met andere woorden dat het niet blijft bij een herhaling van de tegen het bijzondere invoerregime ingebrachte grieven welker juistheid het Hof reeds erkende.
b)
Voldoende belang bij haar beroep heeft verzoekster stellig niet voor zover haar bezwaren de rechtsgrondslag van de aangevochten beschikking betreffen; die grieven zijn namelijk reeds vóór dit geding in 's Hofs arrest in de zaak 92/78 juist bevonden. Dit verplichtte de Commissie tot correcties en zonder meer mocht worden aangenomen dat de Commissie zich naar die verplichting zou gedragen, hetgeen zij met haar verordeningen nrs. 1136, 1137 en 1138/79 ook heeft gedaan. Waar er in dit geding geen nadere met de rechtsgeldigheid der regeling verband houdende aspecten ter sprake zijn gekomen, immers verzoekster stelde zich helemaal op het standpunt door de firma Simmenthal in de zaak 92/78 ingenomen, kan er in zoverre inderdaad niet van een voor bescherming in aanmerking komend belang worden gesproken.
c)
Voor zover het om eventueel in te stellen schadeacties gaat, kan men zeker niet met de stelling komen aandragen dat ze kennelijk tot mislukking gedoemd zijn; de Commissie stelde enerzijds dat de beweerdelijk schadeveroorzakende besluiten als rechtsgrondslag van de aangevochten beschikking van algemene strekking waren en ingegeven door als discretionair te beschouwen economische beleidsoverwegingen, terwijl ze anderzijds mijn beoordeling van het kóppelingsstelsel, vervat in mijn conclusie in de zaak 92/78, ter sprake bracht, alsook de tegen de nieuwe regeling ingebrachte grieven, waaruit zou blijken dat er in ieder geval van een gekwalificeerde schending ener hogere rechtsregel niet kon worden gesproken. Het gaat inderdaad niet aan om, wanneer de ontvankelijkheid in geding is van een beroepsmiddel dat ook voor de behandeling van een tegen de overheid gerichte aansprakelijkheidsactie van belang kan zijn, als het ware bij voorbaat over zulk een actie, wanneer het om meer dan de onrechtmatigheid alleen gaat, te beslissen. Daarmede zou men op een mogelijkerwijs aanhangig te maken zelfstandig geding vooruitlopen, hetgeen juist omdat de ontvankelijkheid in het kader van een op nietigverklaring gerichte actie maar in beperkte mate ten toets komt, moet worden vermeden.
Ofschoon door de Commissie anderzijds terecht is opgemerkt dat de onrechtmatigverklaring van een besluit in een op nietigverklaring gerichte procedure niet als een voorwaarde voor het instellen van acties wegens onrechtmatige overheidsdaad is te beschouwen, mag toch worden betwijfeld of alleen daarom mag worden gezegd dat verzoekster bij haar actie geen belang heeft. Daarbij denk ik niet zozeer aan het door verzoekster aangedragen argument dat in het Duitse recht een belang bij onrechtmatigheidverklaring van een bestuurshandeling aanwezig wordt geacht omdat daarmede een belangrijke stap zou zijn gezet op de weg naar een later tegen de administratie in te stellen aansprakelijkheidsactie. Ontegenzeglijk kan echter mijns inziens worden gesteld dat verzoekster in zulk een procedure wellicht te horen zou krijgen dat zij ten onrechte geen pogingen in het werk heeft gesteld het door haar onrechtmatig geachte besluit nietigverklaard te krijgen en — krachtens artikel 176 van het EEG-Verdrag — althans ten dele herstel van de rechtmatige situatie te bereiken, waarmee zij haar belang bij het onderhavig beroep genoegzaam zou hebben aangetoond.
Wij behoeven ons hierin evenwel niet verder te verdiepen om redenen die met de derde exceptie, door de Commissie opgeworpen ten betoge dat een rechtens voor bescherming in aanmerking komend belang ontbreekt, samenhangen.
d)
Zoals men zich zal herinneren, heeft de Commissie met name betoogd dat het procesbelang ontbreekt omdat nietigverklaring van de aangevochten beschikking toch niet zou leiden tot een nieuw, voor verzoekster gunstige, beschikking.
Anders dan in de zaak 243/78 stelde zij niet dat verzoeksters biedingen in geen geval tot toeslag konden leiden omdat zij beneden de normale verkoopsprijs van interventievlees lagen; in werkelijkheid lagen ze er aanzienlijk boven. De Commissie kon ook niet met stelligheid zeggen dat een heronderzoek van alle biedingen in dier voege dat alleen acht zou worden geslagen op inschrijvingen van verwerkers of personen die in opdracht en voor rekening van verwerkers handelen, ook zou hebben geleid tot minimumprijzen gelegen boven het niveau van verzoeksters biedingen. Zij heeft er alleen maar op gewezen — en dat is te dezen stellig niet voldoende —, dat verzoeksters biedingen tot de allerlaagste behoorden en stelde zich, nu de inschrijvingsprocedure als zodanig niet werd aangevochten, geenszins verplicht te achten iedere boven het niveau van de normale verkoopprijs liggende bieding te aanvaarden.
Veeleer acht de Commissie het in ieder geval onmogelijk na nietigverklaring van de bestreden beschikking alsnog een voor haar gunstige beslissing te nemen. De inschrijving betrof alleen partijen vlees van bepaalde kwaliteiten, die op bepaalde plaatsen waren opgeslagen en had ook betrekking op een bepaalde marktsituatie. Die prijzen zouden in het daartoe voorziene tijdvak restloos zijn afgezet. Zou aan verzoekster uit thans nog bestaande voorraden van vergelijkbare kwaliteit een bepaalde hoeveelheid vlees worden toegezegd, dan zou er, vanwege de gewijzigde marktomstandigheden en de thans vigerende andere verkoopsregelen, in zoverre geen sprake zijn van een soort nieuwe „inzet”, maar van een plaatsvervangende prestatie in de zin van het schadevergoedingsrecht, zoal niet van ongerechtvaardigde bevoordeling. En denkt men alleen maar aan de verstrekking van invoercertificaten waarom het verzoekster eigenlijk alleen maar begonnen is, omdat vlees uit interventievoorraden ten alle tijde tegen normale verkoopsprijzen kan worden verkregen, dan zou op de hierbedoelde onmogelijkheid, rechtens en feitelijk, het volle licht vallen. De invoercontingenten, voorzien in het kader van de door de Raad opgestelde jaarbalansen zijn dan namelijk intussen allemaal gegund. Om verzoekster aan haar trekken te doen komen, zou men dus hetzij alsnog certificaten voor 1979 moeten voorzien, hetzij bij voorbaat certificaten voor de voor 1980 voorziene contingenten moeten verstrekken. Daarmede zou men echter in strijd komen met een besluit van de Raad — de in de jaarbalans vastgelegde begrenzing der in te voeren hoeveelheden — ofwel — in het laatstbedoelde geval — in 1980 andere bieders benadelen.
Verzoekster is evenwel van mening dat de Commissie, om zich naar een arrest houdende nietigverklaring te gedragen, niet zonder meer tot een soort restitutie in natura verplicht is; mocht daartegen bezwaar bestaan, dan zou verzoekster ook in geld genoegdoening kunnen worden verschaft.
Dit laatste acht de Commissie wederom uitgesloten; een rechtsbeginsel waarop zulk een betaling kan worden gebaseerd, zou in het gemeenschapsrecht niet bestaan. Voor zover verzoekster op Duitse rechtsinstituten doelt, zou moeten worden geconstateerd dat men ook daar niet zover gaat. De aangehaalde beginselen zouden hoogstens gelden bij ingrepen die zich blijvend doen gevoelen, maar niet in het bestek van de zogenaamde „Leistungsverwaltung”, waaronder de onderhavige kwestie ressorteert.
Hiermede wordt echter mijns inziens veel meer overhoop gehaald dan bij een onderzoek naar de vraag of er aan de zijde van verzoekster van een voor bescherming in aanmerking komend belang kan worden gesproken, mogelijk is. Verklaart het Hof een beschikking van de Commissie nietig, dan is zij volgens artikel 176 van het EEG-Verdrag gehouden „de maatregelen te nemen welke nodig zijn ter uitvoering van het arrest van het Hof van Justitie”. Hoe dit in concreto moet gebeuren, is zaak van het betrokken orgaan, dat te dezen met inachtneming van de bijzonderheden welke zich van geval tot geval voordoen, heeft te beslissen. Zo min als precies kan worden nagegaan welk succes aan een tevoren ingestelde actie tot nietigverklaring, op onrechtmatige overheidsdaad gebaseerd, zal zijn weggelegd, kan er mijns inziens sprake van zijn over de oplossingen welke na nietigverklaring van de beschikking der Commissie krachtens artikel 177 mogelijk zullen zijn, reeds thans, in het kader van een heel andere en op een ander doel gerichte procedure, als het ware bij voorbaat (mede) te beslissen. Of de houding die de Commissie, nadat bij arrest de nietigverklaring is uitgesproken, aanneemt en de consequenties welke zij aan die nietigverklaring verbindt, de juiste zijn en of zij mogelijkerwijs de voor haar uit artikel 176 van het EEG-Verdrag voortvloeiende verplichtingen — alsverdragsrechtelijke verplichtingen — te eng opvat, zal, zo nodig, in een latere procedure uitvoerig moeten worden onderzocht. Vooral ook in verband met de zaak 92/78 acht ik mij tot dit oordeel gerechtigd. In die zaak deed zich een vergelijkbare problematiek voor, immers de Commissie had er nadrukkelijk op gewezen dat de litigieuze inschrijvingsprocedure reeds had plaatsgevonden — en was afgesloten —. Nochtans heeft het Hof uitgesproken dat betrokkene, gezien de volgens het arrest nogmaals door de Commissie te onderzoeken mogelijkheid de situatie waarin verzoekster rechtens was komen te verkeren, op passende wijze te corrigeren, bij het aanspannen van een op nietigheid gerichte procedure belang had. Daarmede kan slechts zijn bedoeld dat het in een samenhang als de onderhavige, dat wil zeggen wanneer de ontvankelijkheid van een actie tot nietigverklaring ten toets komt, denkbaar moet worden geacht dat de rechtens bestaande situatie na nietigverklaring van de bestreden handeling, op enigerlei wijze wordt verholpen.
Na al hetgeen wij ten processe vernamen, moet daarvan ook in casu worden uitgegaan; dat de Commissie kennelijk in het geheel niet kan reageren, is in ieder geval niet gesteld, zodat ook niet kan worden gezegd dat verzoekster bij een procedure geen enkel belang heeft.
4.
Geen der door de Commissie opgeworpen excepties dwingt derhalve tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep.
II — De zaak ten principale
Dat het tweede gedeelte van ons onderzoek, vooral na het arrest 92/78, korter zal uitvallen, is wel duidelijk.
1.
Uitvoerig behoeft in ieder geval niet te worden stilgestaan bij het gedeelte dei-beschikking, waarin de minimumprijzen voor in Duitsland opgeslagen interventievlees zijn vastgesteld en dat ongetwijfeld mede in verband met verzoeksters inschrijving tot stand kwam.
Omdat deze beschikking was gebaseerd op de bijzondere regeling bij invoer, zoals die tot het begin van 1979 heeft gegolden en reeds in de zaak 92/78 werd besproken, terwijl verzoekster, onder verwijzing naar het in de zaak 92/78 gevoerde betoog, met dezelfde grieven kwam aandragen, kan slechts worden vastgesteld dat de beschikking van de Commissie van 30 januari 1979, voor zover verzoekster betreffende, als rechtens onvoldoende gegrond, moet worden nietigverklaard.
2.
Voor zover de beschikking betrekking heeft op het in Denemarken opgeslagen vlees van het Duitse interventiebureau, heeft de Commissie betoogd dat verzoeksters biedingen niet op grond van het onrechtmatige systeem, doch wegens een vergissing, bij het doorgeven der inschrijving gedaan, niet in aanmerking zouden zijn genomen. Ook als er een ander, correct systeem zou zijn toegepast, zou verzoekster niet aan haar trekken zijn gekomen, zodat de oorzaak niet in de gewraakte regeling mag worden gezocht. Bovendien zou bedoelde vergissing onder de verantwoordelijkheid van het Duitse interventiebureau vallen, zodat die fout, bijvoorbeeld omdat de feiten waarvan de Commissie bij het nemen van haar beschikking, wat de minimumprijzen voor hel in Denemarken opgeslagen vlees betreft, is uitgegaan, onvolledig zouden zijn geweest, geen nadere grond tot nietigverklaring zou kunnen opleveren. Een andere beoordeling zou tot rechtsonzekerheid leiden, immers dan zouden vergissingen, buiten toedoen van de Commissie door een interventiebureau begaan, ertoe kunnen leiden dat een hele inschrijvingsprocedure geen effect sorteert.
Ik acht deze redenering evenwel niet overtuigend. Zoals gezegd, stel ik mij op het standpunt dat de beschikking ten aanzien van het in Denemarken opgeslagen interventievlees volgens verordening nr. 216/69 ook voor verzoeksters biedingen geldt — en die biedingen uitsluit —. Ook in zoverre is de beschikking op grond van het gewraakte stelsel tot stand gekomen. Zij berust derhalve mede op voorschriften die het Hof van Justitie onrechtmatig heeft geacht. Een andere regeling zou mogelijkerwijze tot vaststelling van een andere minimumprijs hebben geleid — en men bedenke dat er voor in Denemarken opgeslagen vlees maar één bieder was en dat de hoeveelheden kennelijk niet volledig werden opgenomen —; bij een andere prijsbepaling zouden verzoeksters biedingen wellicht niet buiten beschouwing zijn gelaten. Dat de oorzaak van de voor verzoekster nadelige beschikking niet in het gewraakte stelsel moet worden gezocht, kan dan ook bezwaarlijk worden volgehouden.
En ofschoon de fout die bij het doorgeven van de biedingen aan de Commissie zou zijn begaan, eigenlijk geen bespreking meer behoeft, neig ik er ook in zoverre toe mij bij de opvatting van verzoekster aan te sluiten. Het is in dit verband van belang dat zij haar biedingen bij het interventiebureau moest indienen, waarmede die biedingen in de machtssfeer van het marktordeningsmechanisme terecht kwamen en dienovereenkomstig effect sorteerden. Waar het interventiebureau in de inschrijvingsprocedure, naalin het arrest 92/78 werd overwogen, slechts tot taak had de biedingen in te zamelen en aan de Commissie door te geven en betrokkenen van-het resultaat der inschrijving op de hoogte te stellen, ligt het voor de hand het interventiebureau slechts als een hulporgaan van de Commissie te beschouwen. In de sfeer van het interventiebureau begane vergissingen dienen derhalve bij een beoordeling van de rechtmatigheid der door de Commissie genomen beschikking mede in aanmerking te worden genomen. De beschikking der Commissie dient derhalve ook onrechtmatig te worden geacht omdat zij, waar niet op alle in aanmerking te nemen biedingen acht werd geslagen, niet op een juiste grondslag berustte. De door de Commissie ter sprake gebrachte aspecten van de rechtszekerheid doen daaraan niet af, immers in zodanig geval behoeft de beschikking der Commissie niet volledig te worden nietigverklaard, doch slechts voor zover zij in rechte werd aangevochten en de betrokken verzoeker gold.
Ook het gedeelte der beschikking waarin de minimumprijzen voor in Denemarken opgeslagen vlees van het Duitse interventiebureau zijn vastgesteld, zal derhalve moeten worden nietigverklaard.
III —
Ik concludeer dat de firma Könecke in haar beroep ontvankelijk zal worden verklaard en dat de bestreden beschikking zal worden nietigverklaard voor zover zij ertoe leidde, dat verzoeksters biedingen niet in aanmerking werden genomen. De Commissie zou derhalve de kosten van het geding, hebben te dragen.
( 1 ) Vertaald uit liet Duits.
Full & Egal Universal Law Academy