CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL H. MAYRAS
VAN 19 JUNI 1980 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Bij u is beroep aangetekend tegen de Commissie door drie ambtenaren van deze instelling. Deze beroepen hebben betrekking op de voorwaarden voor belastingaftrek voor ten laste komende kinderen, wanneer beide ouders ambtenaar zijn van de Gemeenschappen.
Voor wat de aan deze zaken ten grondslag liggende, niet weersproken, feiten betreft, moge ik kortheidshalve naar het rapport ter terechtzitting verwijzen.
Verzoekers verwijten de Commissie dat zij een ambtenaar van de Gemeenschap met een ten laste komend kind geen recht op belastingaftrek toekent wanneer ook de echtgenoot, die eveneens ambtenaar van de Gemeenschap is, dit voordeel geniet. Hun eerste middel houdt in, dat deze handelwijze in strijd is met de toepasselijke voorschriften en overschrijding van bevoegdheid vormt. Het tweede en subsidiaire middel houdt in, dat deze handelwijze ten opzichte van hen discriminatoir is.
I —
In het eerste middel stellen zij schending van de volgende bepalingen:
—
artikel 3, lid 4, tweede alinea, van verordening nr. 260/68 van 29 februari 1968 betreffende de belasting welke de Gemeenschappen heffen over het salaris van hun ambtenaren, en
—
artikel 2, lid 2, eerste alinea, en lid 6 van bijlage VII bij het Statuut, houdende bepalingen betreffende bezoldiging en vergoeding van kosten.
De voor het geschil belangrijkste bepaling is artikel 3, lid 4, tweede alinea, van de belastingverordening. Dit bepaalt dat „voor elk ten laste van de belastingplichtige komend kind, alsmede voor elke met een ten laste komend kind gelijkgestelde persoon ... een bedrag wordt afgetrokken, gelijk aan tweemaal de kindertoelage.” Dit artikel geeft dus zowel het beginsel als bepaalde toepassingsregels voor de aftrek voor ten laste komende kinderen.
Artikel 2, lid 2, van bijlage VII geeft een omschrijving van ten laste komend kind. Niet betwist is, dat verzoekers ten laste komende kinderen hebben in de zin van de eerste alinea van deze bepaling, en evenmin dat het begrip „ten laste komend kind” in de fiscale context overeenkomt met de door genoemd artikellid daaraan gehechte betekenis.
Lid 6 van hetzelfde artikel behelst een anti-cumulatiebepaling ten aanzien van de kindertoelage voor ten laste komende kinderen. Het vormt een herhaling van het algemene non-cumulatiebeginsel van artikel 67, lid 2, van het Statuut voor de daar bedoelde gezinstoelagen.
1°)
Verweerster nu zou deze bepalingen schenden en haar bevoegdheid overschrijden door het anti-cumulatievoorschrift dat artikel 2, lid 6, voor gezinsbijslagen vastlegt, in haar praktijk ook op fiscaal gebied toe te passen. Nauwkeuriger gezegd, zou zij voor het toekennen van belastingaftrek twee extra voorwaarden stellen, die in de belastingverordening niet voorkomen:
—
de belastingplichtige dient recht te hebben op de kindertoelage krachtens artikel 2, lid 1, van bijlage VII bij het Statuut juncto — in voorkomend geval — lid 6 van hetzelfde artikel; zie de uiteenzetting in een nota aan verzoekster in zaak 81/79;
—
er móet een ten laste komend kind zijn waarvoor recht op kindertoelage bestaat; deze voorwaarde blijkt, zoals verzoekers beklemtoonden, uit de memories van de Commissie.
Hiermee zou verweerster de strekking van de fiscale bepaling, die helder en nauwkeurig is en derhalve niet voor interpretatie vatbaar is, miskennen.
Voor de Commissie daarentegen is artikel 3, lid 4, tweede alinea, niet zo helder als voor verzoekers. Zij geeft weliswaar toe dat men de klemtoon op de woorden „elk kind” zou kunnen leggen, zodat het bestaan van een ten laste van de belastingplichtige komend kind automatisch toekenning van de belastingaftrek zou meebrengen. Haar stelling is echter, dat even goed valt vol te houden dat het kind ten laste van de belastingplichtige moet komen, zodat de aftrek de functie zou hebben van een aanvullende gezinstoelage ter compensatie van de lasten die een kind meebrengt. Voor de Commissie is de bepaling dan ook zeer wel voor interpretatie vatbaar.
Hoewel het gaat om een bepaling van fiscaal recht, volgt daar niet uit dat zij per se in het voordeel van de belastingplichtige moet worden uitgelegd, of dat men geen rekening zou hoeven te houden met de rechtsgrond en het doel ervan. Rechtsgrond en doel van de belastingaftrek voor ten laste komende kinderen is ongetwijfeld, bij te dragen in de kosten van opvoeding en levensonderhoud van de kinderen. De belastingaftrek vormt voor de Commissie zo niet formeel, dan toch wel functioneel, een aanvullende toelage voor ten laste komende kinderen, waarvan de werkelijke begunstigde het kind zelf is. Hieruit volgt dat deze aftrek slechts eenmaal per kind kan worden toegepast. Bovendien is het, in haar opvatting, in zekere zin feitelijk onmogelijk dat de vader en moeder tegelijkertijd geheel de lasten van een enkel kind dragen.
Verweerster merkt nog op, dat haar praktijk ook door de andere instellingen van de Gemeenschap wordt toegepast, in overeenstemming met artikel 10 van verordening nr. 260/68, volgens hetwelk „de administratieve instanties van de instellingen der Gemeenschap onderling overleg plegen teneinde een eenvormige toepassing (van deze verordening) te verzekeren.” Verder wijst zij erop, dat ook in alle Lid-Staten de belastingaftrek voor ten laste komende kinderen — of een overeenkomstige voorziening — slechts eenmaal per kind wordt verleend. Met name is dit het geval in Italië wanneer het inkomen van elk der echtgenoten afzonderlijk wordt belast, dat wil zeggen volgens een systeem van individuele belastingheffing overeenkomend met dat wat voor de ambtenaren van de Gemeenschappen geldt.
2°)
Met verzoekers ben ik van mening dat, hoe men artikel 3, lid 4, tweede alinea, ook dient te bezien, de enige voorwaarde die de bepaling voor het toekennen van belastingaftrek stelt, het bestaan van een ten laste van de belastingplichtige komend kind is en dat verweerster, door aan de duidelijke bewoordingen ervan iets toe te voegen, het artikel heeft geschonden.
Zo men zich evenwel niet wenst te beperken tot een beschouwing van de letter van de bepaling, doch er ook problemen bij betrekt als de rechtsgrond en het doel van de aftrek voor kinderen ten laste, of de situatie dienaangaande in de Lid-Staten, dan heeft verweerster stellig gelijk. Maar de vraag is nu juist of men haar op die weg kan volgen.
Om dit probleem op te lossen moet men, naar mijn mening, de te interpreteren tekst als uitgangspunt nemen en niet uit het oog verliezen dat de Commissie, ter rechtvaardiging van een praktijk die niet met de letter van de bepaling te verenigen valt, gedwongen is beroep te doen op de rechtsgrond en het doel van het belastingvoorschrift via een extensieve interpretatie die in het nadeel is van de belastingplichtigen.
In feite hebben wij te doen met een bepaling waarvan gevoeglijk kan worden gezegd — zoals ook de vertegenwoordiger van verweerster ter terechtzitting deed — dat het spijtig is dat zij het probleem niet duidelijker afbakent of, ronduit gezegd, dat zij onnauwkeurig en onvolledig is.
Onder deze omstandigheden meen ik dat de rechter eerder toepassing dient te geven aan de tekst zoals hij is, dan te pogen de daaraan gegeven toepassing te sauveren. Het Hof mag zich niet in de plaats stellen van de opstellers van de communautaire belastingverordening. Wetgeving is niet de taak van de rechter, hij controleert; evenmin van de vergaderde hoofden der administratie, die, wanneer zij tot een akkoord komen over een gemeenschappelijke toepassing van voor de ambtenaren geldende verordeningen, daaraan niets mogen toevoegen. Indien, zoals ik meen, wijziging van artikel 3, lid 4, tweede alinea, van verordening nr. 260/68 noodzakelijk is, kan dit enkel door de communautaire wetgever geschieden.
Ik meen dat een dergelijke wijziging des te dringender is, nu wij te maken hebben met een fiscale bepaling. In alle Lid-Staten geldt het beginsel, dat fiscale bepalingen strikt moeten worden geïnterpreteerd en dat in het geval van twijfel de voor de belastingplichtige meest gunstige uitlegging wordt gevolgd. Er is geen enkele reden waarom dit anders zou zijn bij de belasting die de Gemeenschap over het salaris van haar ambtenaren heft.
Wanneer bijgeval deze beginselen wijken voor hun tegendeel, is daar een gegronde reden voor nodig, die meestal op billijkheid zal zijn gebaseerd. Wat dit laatste betreft, stellen verzoekers in hun tweede middel dat zij, in hun hoedanigheid van echtgenoot van een andere ambtenaar van de Gemeenschappen, worden gediscrimineerd ten opzichte van ambtenaren waarvan de echtgenoot buiten de Gemeenschappen werkt en belastingaftrek voor ten laste komende kinderen of een overeenkomstige faciliteit geniet. Maar verweerster werpt hen tegen, dat het stelsel dat zij voorstaan, namelijk dat beide echtelieden/ambtenaar belastingaftrek voor hetzelfde kind krijgen, eveneens discriminerend zou zijn en wel tegenover ambtenaren waarvan de echtgenoot niet werkt of wel werkt, maar een gelijksoortige faciliteit mist.
Zonder nu al dit twistpunt te willen beslechten, meen ik dat er geen sprake is van een zo evidente discriminatie, dat deze een handelen in strijd met de beginselen zou kunnen rechtvaardigen.
De gewraakte handelwijze van verweerster, namelijk het invoeren van een niet op een wettelijk voorschrift gebaseerde anti-cumulatieregel, is bovendien in strijd met het algemeen erkend beginsel dat het bestaan van een anti-cumulatieregel zich niet laat veronderstellen. Hadden de opstellers van verordening nr. 260/68 een dergelijke regel willen opstellen, dan hadden zij dit uitdrukkelijk moeten aangeven. Nu een uitdrukkelijke wilsverklaring daaromtrent ontbreekt, staat het niet aan de administratie deze leemte op te vullen door een praktijk in te voeren die tot hetzelfde resultaat leidt, maar waaraan iedere rechtskracht moet worden ontzegd. Onaanvaardbaar is dan ook de rechtvaardiging van de Commissie, dat de belastingaftrek voor ten laste komende kinderen functioneel gezien, dus in verband met het doel ervan, als een aanvullende gezinstoelage is te beschouwen; deze kwalificatie is immers alleen maar bedoeld om haar in staat te stellen er het algemene non-cumulatiebeginsel op toe te passen, dat zelfs zonder geschreven regel van toepassing zou zijn en dat zij meent te kunnen afleiden uit artikel 67, lid 2, van het Statuut, hoewel deze bepaling uitdrukkelijk slechts ziet op de in het eerste lid van het artikel genoemde toelagen.
Deze stelling blijkt bij nadere beschouwing ook niet geheel recht te doen aan de realiteit. Volgens een stuk met de titel „Nomenclatuur en codenummers voor de personeelskaart” voor ambtenaren van de Commissie, wordt belastingaftrek toegekend aan ambtenaren die een kind hebben waarvoor evenwel geen recht bestaat op de gezinstoelage voor ten laste komende kinderen. Nu dus het bestaan van een ten laste komend kind waarop geen aanspraak op gezinstoelage bestaat, toch recht kan geven op belastingaftrek, zou men daaruit logischerwijze moeten afleiden dat die aftrek niet noodzakelijkerwijs gekoppeld is aan het bestaan van een ten laste komend kind waarvoor recht op de gezinstoelage bestaat. Deze redenering loopt echter stuk op het feit dat in het geval dat beide echtelieden ambtenaar zijn, alleen degene die de toelage ontvangt, dus daar recht op heeft, voor belastingaftrek in aanmerking komt.
Er kan dan ook geen twijfel over bestaan dat de gelaakte anti-cumulatiepraktijk de aard van het communautaire belastingstelsel miskent. Omdat de communautaire wetgever een stelsel van individuele belastingheffing heeft geschapen, is verweerster niet gerechtigd de fiscale positie van een andere belastingplichtige in aanmerking te nemen — zelfs indien dat de echtgenoot van een van haar ambtenaren is — om deze laatste de belastingaftrek te weigeren waarop hij — gelet op de desbetreffende bepaling — ontegenzeglijk recht heeft.
II —
Ook het tweede middel, dat verzoekers zeggen te ontlenen aan de schending van de beginselen van gelijke behandeling, verdelende rechtvaardigheid en billijkheid, zal ik bezien vanuit de fiscale aard van de omstreden bepaling.
Deze schending zou, zoals gezegd, hierin bestaan, dat wanneer beide echtgenoten gemeenschapsambtenaar zijn en een kind te hunnen laste hebben, alleen degene die de kindertoelage ontvangt, recht heeft op belastingaftrek, terwijl wanneer de ene echtgenoot ambtenaar is en de andere buiten de Gemeenschap werkzaam is, de ambtenaar in elk geval belastingaftrek krijgt, dat wil zeggen ook wanneer zijn echtgenoot een vergelijkbare faciliteit geniet krachtens de wettelijke regeling die op zijn salaris van toepassing is.
1°)
Verweerster meent dat deze vergelijking niet opgaat en zij beroept zich daarbij op het arrest van 16 juni 1971 (gevoegde zaken 63-75/70, Bode e. a., Jurispr. 1971, blz. 549). Zou men, aldus verweerster, rekening houden met een eventuele aftrek krachtens de belastingregeling waaronder de echtgenoot/niet-ambtenaar valt, dan zou men een extern element inbrengen waar de administratie geen vat op heeft.
Tot zover gaan verzoekers akkoord. Zij menen echter dat, ook indien men binnen het raam van de communautaire wetgeving blijft, de gelijkheid van behandeling desondanks niet wordt geëerbiedigd. De ter discussie staande anti-cumulatiepraktijk gaat immers niet gepaard met het noodzakelijk corollair ervan, namelijk de verplichting, opgave te doen van de voordelen die men elders ontvangt.
De Commissie stelt daartegenover dat aan een dergelijke verplichting gemakkelijk moge zijn te voldoen met betrekking tot gezinstoelagen, maar dat het voordeel van een belastingaftrek daarentegen veel moeilijker te berekenen is. Enerzijds krijgt men die aftrek bij de Commissie maandelijks, in tegenstelling tot de praktijk in de meeste Lid-Staten, waar men hem eens per jaar krijgt. Anderzijds is het vaak moeilijk, ook als men de regels voor de nationale belastingaftrek kent, te berekenen hoeveel deze voor de echtgenoot van de ambtenaar precies bedraagt.
Het komt mij echter voor dat deze tegenwerping het bezwaar van verzoekers niet geheel dekt. Als het werkelijk technisch onmogelijk is rekening te houden met een eventuele belastingaftrek krachtens een ander rechtsstelsel dan het communautaire, is de enige mogelijkheid om discriminaties te voorkomen, de anti-cumulatiepraktijk af te schaffen in plaats van ze op sommigen wel en op anderen niet toe te passen, zoals in casu het geval is.
2°)
De tweede stelling van de Commissie houdt in dat voor het geval de aangedragen vergelijking in aanmerking zou worden genomen, daaruit niet het bestaan van een discriminatie blijkt, omdat overeenkomstig 's Hofs arrest van 16 december 1960 (zaak 6/60, Humblet, Jurispr. 1960, blz. 1167) de vergelijking gericht moet zijn op de financiële situatie van beide echtgenoten gezamenlijk.
Wat dit betreft, meen ik vooreerst dat de uit het arrest-Humblet gekozen passages („... uit een oogpunt van gezonde economische en financiële overwegingen, de totale inkomsten van een belastingplichtige een organisch geheel vormen” — tot goed begrip diene dat met die totale inkomsten de inkomens van beide echtgenoten Humblet werden bedoeld —; „... een vergelijking dient te worden getrokken tussen de ambtenaren van de Gemeenschap die tot verschillende nationaliteiten behoren, die dezelfde bruto-inkomsten genieten en die voorts in hun eigen land belastbare neveninkomsten van gelijke omvang hebben”) niet de algemene strekking hebben die de Commissie daaraan toekent.
Het komt mij voor dat deze passages buiten hun context alleen met de nodige voorzichtigheid kunnen worden aangehaald: zij lijken mij hoofdzakelijk schakels in de redenering van het Hof te zijn ter ondersteuning van zijn betoog. Het ging daar om een volstrekt andere vraag dan in het onderhavige geval, namelijk of door de Gemeenschappen aan haar ambtenaren uitbetaalde salarissen in aanmerking genomen konden worden bij de berekening van het belastingtarief voor de overige inkomsten of voor die van hun echtgenote. Zoals bekend, heeft het Hof die vraag zeer beslist ontkennend beantwoord.
Is het argument niet ook in tegenspraak met de eerdere stelling van verweerster? Brengt het bezien van de totale financiële situatie van beide echtgenoten niet mee, dat tevens rekening wordt gehouden met de inkomsten van de echtgenoot van de ambtenaar en met de daarvoor geldende belastingregeling, elementen die buiten de communautaire sfeer staan? Bovendien lijkt mij deze benaderingswijze moeilijk te verenigen met de algemene gedachtengang en de oplossing van het aangehaalde arrest.
3°)
Tenslotte poogt de Commissie de tegen haar geuite grief in haar voordeel om te zetten door te stellen dat het door verzoekers voorgestane stelsel zelf discriminaties veroorzaakt. Het werkt volgens haar discriminatoir zowel ten opzichte van ambtenaren waarvan de echtgenoot geen inkomen heeft, als jegens ambtenaren waarvan de echtgenoot een inkomen heeft in een staat die niet het communautaire stelsel van belastingaftrek kent. Beide groepen zouden per kind slechts eenmaal belastingaftrek krijgen, terwijl, in het systeem van verzoekers, deze faciliteit per kind tweemaal zou worden toegekend indien beide ouders gemeenschapsambtenaar zijn.
Dit antwoord zou de doorslag kunnen geven als verweerster niet eens te meer had verzuimd rekening te houden met de aard van de onderhavige voorziening: het gaat om een belastingaftrek, dat wil zeggen dat over een gedeelte van het belastbare bedrag geen belasting wordt berekend. Deze aftrek vindt zijn grond in de belasting waarop hij in mindering wordt gebracht en die betrekking heeft op het salaris van de belastingplichtigen — de tegenprestatie voor hun arbeid. Wanneer iemand dus niet werkt, kan hij ook geen aftrek van belasting op salaris en neveninkomsten krijgen. En wat personen betreft die buiten de Gemeenschap werken en geen belastingaftrek voor een ten laste komend kind krijgen, lijkt het wat misplaatst van verweerster om nu het haar zo uitkomt, weer een element van buiten de communautaire sfeer in aanmerking te nemen, hetgeen zij eerder terecht heeft geweigerd.
III —
Omdat de door hen gewraakte praktijk een dienstfout zou zijn, vorderen verzoekers bovendien de veroordeling van verweerster tot betaling van moratoire, of tenminste van gerechtelijke interessen. Op dit punt bestaat tussen partijen verschil van mening omtrent de toepasselijkheid in casu van de in het arrest van 9 juli 1970 gegeven oplossing, volgens welke, „afgezien van uitzonderlijke gevallen, een onjuiste uitlegging op zichzelf niet reeds een dienstfout oplevert” (zaak 23/69, Fiehn, Jurispr. 1970, blz. 549).
In de onderhavige zaken vindt verweerster geen bijzondere omstandigheden die een afwijking van dat beginsel mogelijk zou maken. Met de zaak-Fiehn zouden zij juist gemeen hebben, dat het ook hier gaat om een ondersteld onjuiste uitlegging van de betrokken bepalingen.
Verzoekers daarentegen voeren twee argumenten aan om dat beginsel niet toe te passen — argumenten die samenvallen met de twee middelen die zij hebben opgeworpen tot staving van hun beroep tot nietigverklaring: de geïncrimineerde praktijk zou eerder een verdraaiing van een „acte clair” zijn dan een verkeerde uitlegging van een gewone bepaling; ook zou zij discriminerend zijn, omdat zij niet op alle ambtenaren wordt toegepast.
Ten aanzien van dit probleem zal ik mij baseren op het arrest van 13 juli 1972 (zaak 70/71, Heinemann, Jurispr. blz. 579), volgens hetwelk de vordering tot schadevergoeding een zelfstandige beroepsweg is, die niet kan worden geacht samen te vallen met de vordering tot nietigverklaring, aangezien zij haar grondslag niet vindt in een onwettig handelen, doch in een dienstfout.
Ik geloof niet dat verweerster in het onderhavige geval een dienstfout heeft gemaakt: blijkens 's Hofs vaste rechtspraak veronderstelt dat immers dat zij zich aan een verzuim heeft schuldig gemaakt. Behalve op de reeds aangehaalde arresten-Fiehn en Heinemann, kan hier worden gewezen op de verwante casuspositie van het arrest van 28 mei 1970 (gevoegde zaken 19, 20, 29 en 30/69, Richez-Parise e.a., Jurispr. 1970, blz. 325), alsmede op de arresten van 15 december 1966 (zaak 62/65, Serio, Jurispr. 1966, blz. 807), 12 juli 1973 (gevoegde zaken 10 en 47/72, Di Pillo, Jurispr. 1972, blz. 763) en 24 juni 1976 (zaak 56/75, Elz, Jurispr. 1976, blz. 1097).
Naar mijn mening is van een dergelijk verzuim geen sprake, want met haar door verzoeksters terecht gelaakte praktijk heeft de Commissie, zoals zij uitdrukkelijk heeft gesteld (bijlage I bij het verweerschrift), zich slechts geconformeerd aan de conclusies waartoe de hoofden van administratie overeenkomstig artikel 10 van verordening nr. 260/68 waren gekomen. Wij zagen reeds dat dit artikel interinstitutioneel overleg eist teneinde een eenvormige toepassing van de verordening te verzekeren.
Mitsdien concludeer ik
—
dat het Hof voor recht verklare, dat verzoeksters sinds hun indiensttreding recht hadden en nog hebben op de aanvullende belastingaftrek voor elk ten laste komend kind, gelijk aan twee maal het bedrag van de kindertoelage (zaken 81 en 82/79),
—
dat verzoeker voor elk ten laste komend kind recht heeft op de aanvullende belastingaftrek, gelijk aan twee maal het bedrag van de kindertoelage (zaak 146/79);
—
dat het Hof de salarisafrekeningen van verzoeksters nietig verklare die in de drie maanden voorafgaand aan de klacht werden ontvangen, voor zover bij de berekening van de belasting geen rekening is gehouden met de aan verzoeksters toekomende belastingaftrek voor een ten laste komend kind, alsmede het stilzwijgend genomen besluit tot afwijzing van hun klacht (zaken 81 en 82/79);
—
dat het Hof het besluit vernietige, inhoudende dat bij de berekening van het belastbare salaris van verzoeker vanaf 1 april 1979, geen rekening wordt gehouden met de aanvullende aftrek voor de beide te zijnen laste komende kinderen, alsmede het stilzwijgend genomen besluit tot afwijzing van zijn klacht (zaak 146/79);
—
dat de beroepen voor het overige worden verworpen;
—
dat verweerster in de kosten worde veroordeeld.
Tot besluit wil ik nog een — mijns inziens niet onbelangrijke — opmerking maken over de tenuitvoerlegging van het arrest dat het Hof zal wijzen, voor zover het met mijn conclusie zou overeenkomen.
Als gevolg van de vernietiging van de genomen besluiten zal verweerster de te veel ingehouden belasting aan verzoekers moeten terugbetalen. Doch anders dan verzoeksters in de zaken 81 en 82/79 stellen, zal die terugbetaling slechts mogelijk zijn met betrekking tot de belasting over het salaris dat zij in de drie maanden voorafgaand aan hun klacht, hebben ontvangen.
Voor de periode daarvóór stuit teruggave af op artikel 90, lid 2, van het Statuut. Aangezien de omstreden bepaling in zijn huidige vorm in 1968 in werking is getreden, dus ruim vóór de datum van hun indiensttreding bij de Commissie (mevr. Sorasio-Allo in 1973, mevr. AimoCampogrande in 1974; zij hadden toen reeds kinderen ten laste, alleen het tweede kind van mevr. Sorasio-Allo is in 1974 geboren), hadden zij hun klacht moeten indienen:
—
mevr. Aimo-Campogrande: meteen na ontvangst van haar eerste salarisafrekening;
—
mevr. Sorasio-Allo: wat betreft de eerste belastingaftrek die verschuldigd was, meteen na ontvangst van de eerste salarisafrekening van haar man, de heer Allo, omdat hij na zijn echtgenote bij de Commissie in dienst is gekomen; ten aanzien van de tweede aftrek had zij moeten reageren na de ontvangst van de eerste salarisafrekening, volgend op de geboorte van haar jongste zoon.
( 1 ) Vertaald uit het Frans.
Full & Egal Universal Law Academy