CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL G. REISCHL
VAN 14 FEBRUARI 1980 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne beren Rechters,
In de bij beschikking van 21 november 1979 gevoegde zaken waarin ik thans heb te concluderen, gaat het om de uitlegging van post 20.06 B I van het gemeenschappelijk douanetarief (GDT), die volgens verordening nr. 950/68 in de versie van verordening nr. 1/74 (PB L 1 van 1974, blz. 1) luidt als volgt:
„Op andere wijze bereide of verduurzaamde vruchten, ook indien met toegevoegde suiker of alcohol:
...
B. andere:
I. met toegevoegde alcohol:
...”
Om deze post gaat het bij door de verzoeksters in de hoofdgedingen in september en november 1974 uit Joegoslavië geïmporteerde kersen (morellen en zoete kersen), bestemd voor de chocolade-industrie. Ter conservering tijdens het vervoer waren de vruchten in vaten verpakt en in Joegoslavië ingelegd in een mengsel van water en gearomatiseerde alcohol of in een mengsel van alcohol en water. In de eerste zaak ging het volgens de verwijzingsbeschikking om produkten die voor 70 % uit vruchten en voor 30 % uit sap bestonden, terwijl dit sap weer 12 % alcohol bevatte. In de tweede zaak bevatte het alcohol- en watermengsel 15,9 volumepercenten alcohol, en in de derde zaak 12,5 respectievelijk 16,3 gewichtspercenten alcohol.
Volgens de importeurs moesten de produkten worden ingedeeld onder post 08.11:
„vruchten, voorlopig verduurzaamd, (bijvoorbeeld door middel van zwaveldioxyde of in water waaraan zout, zwavel of andere stoffen voor het voorlopig verduurzamen zijn toegevoegd), doch als zodanig ongeschikt voor dadelijke consumptie”
, voor welke post — letter D — een douanerecht van 11 % gold. Daarentegen was de douane, in de derde zaak het Hauptzollamt Bad-Reichenhall, van mening dat post 26.06 B I e) 1 van toepassing was, zodat een douanerecht van 32 % van de waarde der produkten verschuldigd was. Hiertoe beriep de douane zich op artikel 1 van verordening nr. 1709/74 van de Commissie van 2 juli 1974 (PB L 180 van 1974, blz. 15), luidende als volgt:
„Kersen, ingelegd in een mengsel van water en ethylalcohol, worden in het gemeenschappelijk douanetarief als vruchten geschikt voor dadelijke consumptie ingedeeld onder de postonderverdeling
20.06
op andere wijze bereide of verduurzaamde vruchten, ook indien met toegevoegde suiker of alcohol:
B.
andere:
I.
met toegevoegde alcohol.”
Tegen de desbetreffende beschikkingen zijn alle importeurs in beroep gekomen bij de Finanzgerichten.
In de eerste zaak betwistte verzoekster de geldigheid van genoemde verordening op grond van overschrijding van de regelgevende bevoegdheid die bij verordening nr. 97/69 van de Raad van 16 januari 1969 (PB L 14 van 1969, blz. 1) is toegekend met betrekking tot besluiten tot indeling van produkten in het GDT. Daarop verzocht het Finanzgericht Berlijn bij beschikking van 25 maart 1975 om een eerste prejudiciële beslissing (arrest van 11 november 1975, zaak 37/75, Bagusat, Jurispr. 1975, blz. 1339) over de volgende vragen :
„Moeten kersen, ingelegd in een mengsel van water en ethylalcohol, die op 9 september 1974 in West-Berlijn werden ingevoerd, worden ingedeeld onder post 08.11 of onder post 20.06 B I van het gemeenschappelijk douanetarief?
Is met name verordening (EEG) nr. 1709/74 van de Commissie van 2 juli 1974 (PB L 180/15 van 3 juli 1974) geldig, inzover daarin goederen worden ingedeeld onder postonderverdeling 20.06 BI van het gemeenschappelijk douanetarief?”
In antwoord daarop verklaarde het Hof bij arrest van 11 november 1975 voor recht:
„1.
Bij onderzoek van de gestelde vraag is niet gebleken van gegronde bezwaren tegen de geldigheid van verordening (EEG) nr. 1709/74 dei-Commissie.
2.
Ingevolge verordening (EEG) nr. 1709/74 der Commissie moeten kersen, ingelegd in een mengsel van water en ethylalcohol, worden ingedeeld onder postonderverdeling 20.06 B I van het gemeenschappelijk douanetarief.”
Op grond van dit arrest verwierp het Finanzgericht Berlijn het beroep.
Ook verzoekster in de tweede en de derde zaak betwistte de geldigheid van verordening nr. 1709/74, omdat zij in de praktijk leidde tot wijziging van de tekst van het gemeenschappelijk douanetarief en — daar verordening nr. 97/68 tariefbesluiten slechts op bijzonder moeilijke technische gebieden toestaat — omdat de noodzaak tot het vaststellen van deze verordening in casu niet bestond. Voorts becritiseerde zij het arrest in de prejudiciële zaak 37/75 en betoogde zij dat het in dat geval om een enigszins andere casuspositie ging. Maar ook in deze twee zaken werden de beroepen, zonder dat een nieuwe prejudiciële beslissing werd gevraagd, door de Finanzgerichten Hamburg en München afgewezen.
Daarop voorzagen verzoeksters zich in cassatie bij het Bundesfinanzhof. Verzoekster in zaak 87/79 beriep zich in de eerste plaats op een arrest van het Bundesfinanzhof van 16 januari 1973, dat — eveneens in een tariferingsgeschil — betrekking had op een gelijksoortig produkt, en betoogde dat de door het Finanzgericht juist geoordeelde tarifering in feite in strijd was met post 08.11. Voorts achtte zij verordening nr. 1709/74 in verschillende opzichten onduidelijk. Bovendien zou het arrest in de prejudiciële zaak 37/75 niet geheel in overeenstemming zijn met de door het Finanzgericht bevestigde tarifering en omdat het arrest niet op alle voor de procedure relevante punten inging, zou het geen volledige duidelijkheid verschaffen en dus niet alle twijfel wegnemen. In de beide andere procedures beriep verzoekster zich, in de overtuiging dat de beoordeling van de smaak door de eindverbruiker, dus de afzetmogelijkheid van het produkt op de markt, van doorslaggevende betekenis is, onder meer op een reeds aan het Finanzgericht voorgelegd deskundigenrapport van de „Gesellschaft für Marktforschung”, volgens hetwelk een representatieve consumententest zou hebben aangetoond dat de betrokken kersen niet voor dadelijk gebruik dooide eindverbruiker geschikt zijn. Daarom zou het produkt niet onder post 20.06 kunnen worden ingedeeld. Bovendien zou de situatie die tot het arrest in zaak 37/75 had geleid op verschillende punten van de onderhavige verschillen. Destijds was er sprake van toevoeging van aromaten, hetgeen thans niet het geval is. Bovendien waren de onderhavige produkten ingelegd in alcohol die volgens de Duitse regeling onzuiver is, hetgeen stellig van invloed moest zijn op de geschiktheid voor de consumptie.
Het Bundesfinanzhof kwam bij de beoordeling van deze zaken tot de slotsom, dat 's Hofs uitspraak in de prejudiciële zaak 37/75, gedaan naar aanleiding van een algemeen geformuleerde vraag van het Finanzgericht Berlijn, geen betrouwbaar hulpmiddel was voor zijn beslissing in de onderhavige zaak. Nu de posten 20.06 B I en 08.11, aldus het Bundesfinanzhof, onderscheid maken tussen voorlopige verduurzaming en de geschiktheid voor dadelijk gebruik dus een beslissend onderscheidingscriterium is, is het denkbaar dat niet alle in een mengsel van water en alcohol ingelegde kersen, ongeacht de aard en de concentratie van het conserveringsmiddel, vallen onder post 20.06 B I, en dat derhalve verordening nr. 1709/74 niet alle kersen van die aard op het oog heeft. Vooral ook met het oog op zijn eerder genoemde uitspraak uit 1973, dat dergelijke produkten op grond van een advies van de Staatliche Chemische Untersuchungsanstalt München — inhoudende dat de kersen slechts voorlopig verduurzaamd en niet voor onmiddellijk gebruik geschikt zijn — moeten worden ingedeeld onder post 08.11, besloot het Bundesfinanzhof verzoeksters suggestie te volgen en het Hof van Justitie nogmaals om een prejudiciële beslissing te vragen. Dit geschiedde bij beschikkingen van 24 april en 26 juni 1979, waarin de volgende vragen werden gesteld:
1.
Moet post 20.06 B I van het gemeenschappelijk douanetarief aldus worden uitgelegd, dat daaronder ook vruchten vallen die in een alcohol-, aromaen watermengsel met twaalf gewichtspercenten alcohol zijn ingelegd (70 % vruchten, 30 % vloeistof) om ze voor de duur van het vervoer in vaten te verduurzamen, en die voor de chocolade-industrie zijn bestemd? (Zaak 87/79)
2.
Dient tariefpost 20.06 B I van het gemeenschappelijk douanetarief aldus te worden uitgelegd, dat hieronder ook vruchten vallen die zijn ingelegd in een mengsel van water en alcohol met 15,9 volumepercenten ethylalcohol, om ze voor de duur van het vervoer in vaten te verduurzamen? (Zaak 112/79)
3.
Dient tariefpost 20.06 B I van het gemeenschappelijk douanetarief aldus te worden uitgelegd, dat hieronder ook vruchten vallen die zijn ingelegd in een mengsel van water en alcohol met 12,5 of 16,3 gewichtspercenten ethylalcohol, om ze gedurende het vervoer in vaten houdbaar te maken? (Zaak 113/79)
Over deze vragen wil ik het volgende opmerken :
1.
Op het eerste gezicht wekt het verbazing dat het Bundesfinanzhof om een concrete uitlegging van post 20.06 B I in verband met een bepaald soort produkten heeft verzocht. Want op grond van artikel 3 van verordening nr. 97/68, die het vaststellen van regelingen inzake de indeling van produkten in het stelsel van het GDT mogelijk maakt, is verordening nr. 1709/74 van de Commissie vastgesteld. Zij geeft juist voor produkten als door het Bundesfinanzhof omschreven, een tariferingsinstructie waarin de hicrbedoelde post wordt uitgelegd. Daar deze verordening rechtstreeks bindend is voor administratieve en rechterlijke instanties, kan men haar ook niet zonder meer naast zich neerleggen zolang zij niet ongeldig verklaard of ingetrokken is. Dit is tot dusver niet gebeurd; in zijn arrest in zaak 37/75 heeft het Hof zelfs uitdrukkelijk verklaard, dat niet is gebleken van gegronde bezwaren tegen de geldigheid van verordening nr. 1709/74.
Nu het Bundesfinanzhof niettemin om een directe uitlegging van post 20.06 B I vraagt, kan dit dus slechts worden opgevat als volgt:
—
ofwel is het van mening dat verordening nr. 1709/74 niet geheel duidelijk is, doch uitlegging behoeft, en het wil daarvoor aanknopingspunten vinden door een verklaring van post 20.06 B I, die eventueel aanleiding kan geven tot een beperkende uitlegging van verordening nr. 1709/74, zonder echter haar geldigheid aan te tasten;
—
ofwel stelt het toch implicite de geldigheid van de verordening aan de orde; aangezien de verordening betrekking heeft op post 20.06 B I, kan die geldigheid natuurlijk slechts worden aangenomen wanneer het dwingende kader van deze post niet is overschreden.
Principieel moet het verzoek om uitlegging dus in deze zin worden verstaan, vooral ook gezien de door verzoeksters aangevoerde argumenten, welke eveneens in die richting wijzen.
2.
Ik wil mij echter eerst bezighouden met de uitlegging van verordening nr. 1709/74 zelf, om te zien of zij elementen bevat die aanleiding geven tot een beperking van de tariferingsinstructie. Dit lijkt mij wenselijk met het oog op de de door verzoeksters aangevoerde argumenten, die betrekking hebben op twee punten.
In de eerste plaats werd aangevoerd, dat in de considerans van verordening nr. 1709/74 onderscheid wordt gemaakt tussen voorlopige verduurzaming en verduurzaming voor een bepaalde tijd. Het zou dan voor de hand liggen, „voorlopige verduurzaming” op te vatten in die zin, dat de duur niet kan worden vastgesteld, terwijl „voor een beperkte tijd verduurzamen” zou betekenen dat hiermee een langere houdbaarheid dan alleen een voorlopige is bedoeld. Dit laatste veronderstelt uiteraard, wanneer geen suiker wordt toegevoegd, een hogere alcoholconcentratie, en wel tenminste 25-30 volumepercenten, en alleen in dat geval zou kunnen worden aangenomen dat de produkten geschikt zijn voor dadelijke consumptie, en dus direct kunnen worden verkocht. Dan zou echter duidelijk zijn dat de in het hoofdgeding bedoelde kersen niet vallen onder verordening nr. 1709/74, daar uit de deskundigenrapporten zou blijken dat hun houdbaarheid door het inleggen in een mengsel met een lagere alcoholconcentratie en door de verpakking in niet-luchtdichte vaten niet kon worden gegarandeerd.
Anderzijds zou ook van belang zijn dat de onderhavige situatie deze bijzonderheid vertoont, dat ten dele Joegoslavische alcohol is gebruikt, die naar Duitse maatstaven onzuiver is. Ook dit zou tegen toepassing van verordening nr. 1709/74 pleiten.
Evenals de Commissie meen ik echter deze redenering van verzoeksters niet te kunnen volgen.
a)
Met betrekking tot eerstgenoemd punt kan worden opgemerkt, dat artikel 1 van verordening nr. 1709/74 in zeer algemene bewoordingen is gesteld en kersen in een mengsel van water en ethylalcohol zonder onderscheid indeelt onder post 20.06 B I. Ook uit de considerans van de verordening valt niet af te leiden dat een zodanig onderscheid moet worden gemaakt. Weliswaar is in de eerste overweging van de considerans sprake van „voorlopige verduurzaming” en in de derde van „voorlopig verduurzamen”, terwijl volgens de vierde overweging de alcoholconcentratie voldoende moet zijn „om de kersen voor een beperkte tijd te verduurzamen”, maar het lijkt mij zeer gezocht daarin een opzettelijke tegenstelling te willen zien. Volgens mij hebben deze zinswendingen dezelfde betekenis en doelen zij op niets anders dan de beperkte periode waarop ook de IDR-toelichtingen doelen, waar wordt gezegd dat vruchten „een behandeling hebben ondergaan, welke uitsluitend ten doel heeft ze voolopig te verduurzamen ter bewaring onderweg of tijdens de periode van opslag.” Wanneer de verordening inderdaad de daarin genoemde produkten slechts ten dele onder post 20.06 B I had willen indelen, afhankelijk van het alcoholgehalte, dan zou dit stellig op duidelijke wijze tot uitdrukking zijn gebracht door vermelding van een minimum alcoholgehalte in de considerans of door een dienovereenkomstige toevoeging in artikel 1 van de verordening.
b)
Met betrekking tot de vraag of het gebruik van naar Duits recht onzuivere alcohol relevant is voor de toepassing van de verordening, kan verder worden opgemerkt dat dit hoogstens een rol zou kunnen spelen in verband met de zinsnede „vruchten geschikt voor dadelijke consumptie.” Deze zinsnede moet volgens de Commissie, die verantwoordelijk is voor de tariferingsbesluiten, worden opgevat in die zin, dat er sprake dient te zijn van geschiktheid voor consumptie zonder gevaar voor de gezondheid. Met name gezien de andere taalversies is een dergelijke uitlegging van de verordening — waartoe ik mij thans kan beperken — zeer wel te verdedigen.
Hiervan uitgaande zal men echter mét de Commissie moeten aannemen dat het gebruik van enigszins verontreinigde alcohol voor de bereiding van het water- en alcoholmengsel niet meebrengt, dat aldus behandelde kersen niet onder verordening nr. 1709/74 vallen. Aangezien de kersen voor de chocolade-industrie, dus voor de produktie van eetbare produkten, waren bestemd, ligt de conclusie voor de hand dat de gebruikte alcohol niet zo sterk verontreinigd was, dat de daarin ingelegde kersen ongeschikt werden voor consumptie. Dit wordt overigens ook bevestigd door een door verzoekster overgelegd rapport van het Institut für Gärungsgewerbe und Biotechnologie van 14 april 1976, waaruit blijkt dat in de onzuivere alcohol zo weinig nevenprodukten voorkwamen, dat er geen bezwaren tegen bestonden om hem te gebruiken voor het inleggen van kersen.
c)
Zodoende kan in de eerste plaats worden vastgesteld dat uitlegging van verordening nr. 1709/74 niet zonder meer leidt tot de conclusie dat de toepassing van die verordening moet worden beperkt in die zin, dat de in het hoofdgeding bedoelde produkten niet daaronder vallen.
3.
Ik kom dan op de door het Bundesfinanzhof gevraagde uitlegging van post 20.06 B I, die eventueel tot de conclusie zou kunnen leiden dat verordening nr. 1709/74, wil zij geldig zijn, restrictief moet worden uitgelegd, of — mocht dit niet mogelijk zijn — dat de verordening in afwijking van 's Hofs oordeel in zaak 37/7.5 ongeldig moet worden geacht.
Wat dit laatste punt betreft, zij er al aanstonds aan herinnerd dat in het arrest 37/75 werd beklemtoond dat verordening nr. 97/69 de Commissie bij tariferingsbesluiten „een ruime beoordelingsvrijheid” toekent. De omstandigheid dat ook indeling van bedoelde produkten onder een andere post denkbaar is, is dus onvoldoende om aan de juistheid van dergelijke besluiten te twijfelen. Daarvoor moeten veel sterkere argumenten worden aangevoerd. In casu zou moeten worden aangetoond dat indeling van de hierbedoelde produkten onder post 20.06 B I met zekerheid en ten duidelijkste uitgesloten lijkt.
a)
In casu zijn alle partijen het erover eens dat in de bij het Bundesfinanzhof aanhangige tariferingszaak alleen de genoemde posten 08.11 of 20.06 B I in aanmerking komen en dat het daarom om de juiste afbakening van deze posten gaat. Om vast te stellen of die afbakening met betrekking tot produkten als hierbedoeld, in verordening nr. 1709/74 al dan niet juist is geschied, moet eerst worden ingegaan op de stelling van verzoeksters, dat een argument tegen genoemde verordening kan worden ontleend aan aantekening 1 a) bij hoofdstuk 20 van het GDT. Daarin staat namelijk dat dit hoofdstuk niet omvat vruchten welke verduurzaamd zijn op een wijze als bedoeld in hoofdstuk 8. De wijze van verduurzaming is dus beslissend. Wordt een zodanige methode gevolgd, dat slechts van voorlopige verduurzaming kan worden gesproken — hetgeen het geval is bij een laag alcoholgehalte en wanneer geen suiker wordt toegevoegd —, dan zou in feite alleen indeling onder een post van hoofdstuk 8 denkbaar zijn.
Mijns inziens terecht meent de Commissie dat dit een te enge uitlegging van genoemde aantekening is. Ook ik lees ze niet zo, dat hoofdstuk 20 niet in aanmerking komt zodra vaststaat dat vruchten slechts voorlopig verduurzaamd zijn. Als „wijze van verduurzaming” in de zin van deze aantekening moet veeleer een procédé worden beschouwd dat tot toepassing van hoofdstuk 8 leidt. Voor post 08.11 komt daar als criterium bij, of het produkt dan ongeschikt is voor dadelijke consumptie. Anders zou er sprake zijn van een leemte in het tarief. Hiervoor kan ook naar het arrest in zaak 37/75 worden verwezen. Blijkens de negende rechtsoverweging werd in die zaak dit aspect — aantekening 1 a) bij hoofdstuk 20 — wel degelijk gezien, zonder dat daarom kritiek werd geoefend op het feit dat verordening nr. 1709/74 voorlopig verduurzaamde kersen onder post 20.06 B I brengt.
Aan bedoelde aantekening bij hoofdstuk 20 kan dus voor de afbakening slechts een beslissend argument worden ontleend, wanneer ook duidelijkheid is verkregen over de zinsnede „niet geschikt voor dadelijke consumptie.” Daarop zal ik aanstonds uitvoerig ingaan.
b)
Een ander belangrijk argument, dat ik eerst wil bespreken en dat eveneens pleit tegen indeling van de in het hoofdgeding bedoelde produkten onder post 20.06 B I, menen verzoeksters te kunnen ontlenen aan de IDR-toelichtingen op de hier relevante posten. Zo leest men enerzijds in de toelichting op post 08.11 :
„Deze post omvat vruchten, welke een behandeling hebben ondergaan, welke uitsluitend ten doel heeft ze voorlopig te verduurzamen ter bewaring onderweg of tijdens de periode van opslag, welke aan de verwerking voorafgaat (b. v. vruchten in water, waaraan zout, zwavel of andere stoffen zijn toegevoegd, vruchten welke droog zijn behandeld met zwaveligzuuranhydride, zwavcldioxyde, enz.) mits de aldus verduurzaamde vruchten in die staat niet voor dadelijke consumptie geschikt zijn. Vorenbedoelde produkten, welke in hoofdzaak bestemd zijn voor de voedselindustrie (de jamfabricage, het verwerken tot gekonfijte vruchten, enz.), zijn voornamelijk sinaasappelen, cederappelen, abrikozen, kersen, mirabellen, aardbeien en andere rode besvruchten; gewoonlijk zijn zij verpakt in vaten of in houten bakjes of kratten.”
Anderzijds luidt de toelichting op post 20.06 onder meer:
„Deze post omvat hele vruchten, stukken van vruchten en vruchtenpulp, welke anders zijn bereid of verduurzaamd dan omschreven in de posten van hoofdstuk 8 of in de vorige posten van dit hoofdstuk. Hieronder vallen onder meer: 1. vruchten geconserveerd in eigen sap, vruchten in stroop of op alcohol en vruchten, welke met behulp van conserveringsmiddelen zijn verduurzaamd ... In de regel zijn de tot de post behorende vruchten verpakt in blikken, potten of andere luchtdichte verpakkingen, maar zij komen ook voor in fusten, vaten, kuipjes en dergelijke bergingsmiddelen.”
Met betrekking tot post 08.11 volgt hieruit volgens verzoeksters, dat ook moet worden gelet op de bestemming — grondstoffen voor de levensmiddelenindustrie — en de verpakking in vaten. Daarentegen zou voor post 20.06 van belang zijn dat de vruchten met behulp van siroop of alcohol zijn verduurzaamd, dat zij in luchtdicht afgesloten recipiënten zijn verpakt en zo direct in de handel worden gebracht. Nu echter vaststaat dat de onderhavige produkten niet als zodanig in de handel worden gebracht, doch uitsluitend grondstoffen voor de industrie zijn, dat zij verpakt zijn in niet luchtdicht afgesloten vaten die slechts een beperkte houdbaarheid bieden, en dat zij niet zijn ingelegd in alcohol, maar in een mengsel van water en alcohol, zou het op grond van de geciteerde toelichtingen voor de hand liggen ze onder post 08.11 in te delen.
In de eerste plaats moet hier echter worden opgemerkt, dat de IDR-toelichtingen volgens 's Hofs rechtspraak slechts dan een hulpmiddel bij de interpretatie zijn, wanneer gemeenschapsbesluiten terzake ontbreken. Zodanig besluit bestaat in casu echter in de vorm van verordening nr. 1709/74 die, ook al spreekt zij alleen over tarifering in post 20.06 B I, in feite is vastgesteld om deze post tegenover post 08.11 af te grenzen. Anderzijds mag niet uit het oog worden verloren dat de toelichting op post 08.11 spreekt van vruchten welke in hoofdzaak bestemd zijn (als grondstof) voor de voedselindustrie en die gewoonlijk zijn verpakt in vaten, waaruit blijkt dat het níet alleen daarom gaat. Zo blijkt ook uit het gebruik van de woorden „onder meer” in de toelichting op post 20.06, dat hier slechts voorbeelden worden gegeven en geen limitatieve opsomming. Bovendien wordt hier enkel gezegd dat onder deze post vallende produkten in de regel zijn verpakt in blikken etc, waaruit blijkt dat niet alleen daarop moet worden gelet.
Daarom kan ook aan de IDR-toelichtingen geen argument worden ontleend voor een restrictieve uitlegging van verordening nr. 1709/74 of voor de stelling dat zij wegens onverenigbaarheid met post 20.06 ongeldig is.
c)
Dan moet alleen nog worden ingegaan op de in post 08.11 gestelde voorwaarde „ongeschikt voor dadelijke consumptie”, waaraan — naast de voorlopige verduurzaming —, moet zijn voldaan, opdat een produkt onder deze post kan worden ingedeeld.
In de eerste plaats menen verzoeksters dat de Commissie bedoelde zinsnede ten onrechte heeft uitgelegd in die zin, dat consumptie zonder schadelijke gevolgenvoor de gezondheid niet mogelijk mag zijn, en dat de Commissie daarom ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat kersen ingelegd in een mengsel van water en alcohol, niet onder post 08.11 vallen, zodat alleen de overblijvende post 20.06 B I in aanmerking komt. Van belang zou juist zijn dat in post 08.11 de term „Verzehr” (consumptie) ontbreekt, die elders in het Duitse levensmiddelenrecht wordt gebezigd en die alleen doelt op het opnemen van eetbare stoffen, doch dat hier de term „Genuß” (genot) wordt gebruikt. Deze zou een geheel andere inhoud hebben. Het zou daarbij gaan om de gewaarwordingen waarmee het opnemen gepaard gaat; voor „Genuß” geschikt zou dus alleen iets zijn wat met smaak gegeten wordt, waarbij uiterlijk, smaak en geur een rol spelen. Voor dit noodzakelijke onderscheid zou overigens niet alleen pleiten, dat de term ook in andere gemeenschapsbesluiten wordt gebruikt — bijvoorbeeld in de richtlijn van de Raad van 15 februari 1971 inzake gezondheidsvraagstukken op het gebied van het handelsverkeer in vers vlees en pluimvee, volgens welke het bij de afgifte van een „ Gerøi/fcauglich-keitsbescheinigung” (gezondheidscertificaat) niet enkel zou aankomen op het ontbreken van ziektekiemen, doch ook op andere nevenvoorwaarden, die de hygiënische gesteldheid in de zin van de smakelijkheid moeten waarborgen. Alleen een uitlegging in die zin zou in overeenstemming zijn met het feit dat in de Duitse tekst hoofdstuk 8 als titel draagt „Genießbare Früchte” en dat volgens aantekening 1 vruchten welke niet eetbaar zijn, niet onder dit hoofdstuk worden ingedeeld. Niet in de laatste plaats zou hier ook kunnen worden gewezen op de IDR-toelichtingen, volgens welke post 08.11 vruchten omvat welke in hoofdzaak bestemd zijn voor de voedselindustrie, en dat zouden dus bepaald geen vruchten kunnen zijn waarvan de consumptie gevaar voor de gezondheid kan opleveren. Gaat men echter van deze interpretatie uit, dan zou men ook moeten erkennen dat de onderhavige produkten, die tengevolge van het geringe alcoholgehalte van het water- en alcoholmengsel en omdat zij niet luchtdicht verpakt zijn, hun goede smaak zouden verliezen, ongeschikt zijn voor dadelijke consumptie. Dit zou blijken uit een reeds aan het Bundesfinanzhof voorgelegd rapport uit 1972, waarin wordt verklaard dat dergelijke kersen hun geur en smaak hebben verloren. Verder zou te dezen verwezen kunnen worden naar een rapport dat reeds in zaak 37/75 een rol heeft gespeeld, en waarin eveneens op grond van het ontbreken van de zoete smaak, het overheersen van zuren, de brandende smaak en het ontbreken van aromaten werd verklaard dat het enkel om tussenprodukten ging die ongeschikt waren voor „Genuß”. Tenslotte ware te wijzen op een door verzoekster overgelegde — in mei 1976 door de Gesellschaft für Marktforschung uitgevoerde — consumententest, waaruit blijkt dat de smaak van de hierbedoelde produkten overwegend negatief werd beoordeeld.
Dit betoog kan men wellicht enigszins plausibel achten wanneer men zich alleen baseert op de Duitse tekst van het GDT, hoewel ook daarbij moet worden opgemerkt dat het woord „genießbar” (eetbaar), dat in hoofdstuk 8 stellig alleen de door de Commissie juist geachte betekenis heeft, namelijk eetbaar zonder schadelijke gevolgen voor de gezondheid, dezelfde stam heeft als het woord „Genuß”. Het is echter volkomen duidelijk dat het standpunt van verzoeksters volstrekt onhoudbaar wordt wanneer men — hetgeen bij gemeenschapsteksten noodzakelijk is — ook ziet naar de andere taalversies en vooral naar die waarin de IDR-Nomenclatuur die ook aan het GDT ten grondslag ligt, is vastgesteld. Zo bezigt de Franse versie van post 08.11 de woorden ‚impropre à la consommation en l'état”, de Engelse versie de woorden „unsuitable in that state for immediate consumption”, de Italiaanse versie de woorden „non atte per il consumo nello stato in cui sono presentate”, en de Nederlandse tekst de woorden „als zodanig ongeschikt voor dadelijke consumptie”. Geen van deze versies bevat een kwalificatie in de zin van de door verzoeksters voorgestelde uitlegging, en dit wordt nog duidelijker wanneer men de opschriften van hoofdstuk 8 met elkaar vergelijkt (fruits comestibles, edible fruit, frutta comestibili, fruit) en wanneer men voor ogen houdt, hoe het begrip „Genuß” anders in deze talen wordt omschreven. Zij zeggen namelijk niets anders dan dat het om „eßbare”, „genießbare” (eetbare) vruchten moet gaan. Bovendien pleit naar mijn mening voor deze opvatting dat reeds in het in zaak 37/75 overgelegde rapport is gewezen op de ontbrekende Geniißeignung (smakelijkheid), doch dat het Hof daarin geenszins aanleiding heeft gevonden om bezwaar te maken tegen de in verordening nr. 1709/74 vastgestelde tarifering.
Omgekeerd pleit tegen deze opvatting ook niet het opschrift van hoofdstuk 8 en aantekening 1 daarvan, waaruit — omdat volgens die aantekening hoofdstuk 8 steeds betrekking heeft op „genießbare” vruchten — volgens verzoeksters zou blijken dat voor post 08.11 onderscheid moet worden gemaakt tussen de woorden „genießbar” (eetbaar) en „zum Genuß geeignet” (smakelijk). Volgens mij betekenen de aanwijzingen niet meer, dan dat onder dit hoofdstuk alleen vruchten vallen, die in beginsel eetbaar zijn; dit sluit echter niet uit dat post 08.11 ook vruchten omvat die hieraan weliswaar voldoen, doch wegens voorlopige verduurzaming op een bepaalde wijze, als zodanig — want zo moet het woord dadelijk worden verstaan — niet geschikt zijn voor consumptie.
Acht men deze opvatting juist, dan zou echter een indeling van de in het hoofdgeding bedoelde produkten onder post 08.11 alleen aannemelijk zijn wanneer werd aangetoond dat bij die produkten de geschiktheid voor dadelijke consumptie zonder gevaar voor de gezondheid — dus niet de bestemming daartoe — ontbreekt. Dit is moeilijk denkbaar bij kersen die zijn ingelegd in een drinkbaar mengsel van water en alcohol, ongeacht in welke concentratie. Dit kan in elk geval niet worden aangetoond met behulp van de ook in deze zaak aangehaalde rapporten. Waar immers het rapport van de Gesellschaft für Marktforschung zegt dat de smaak negatief werd beoordeeld, dat de proefpersonen overwegend niet bereid waren de kersen zo te gebruiken, en dat er slechts een minimale koopwil kon worden vastgesteld, toont het niet meer aan dan een verkeersopvatting met betrekking tot consumentengewoonten, die ook reeds in het arrest in zaak 37/75 met betrekking tot een ander rapport irrelevant is verklaard. Uit het rapport van het Institut für Lebensmitteltechnologie van 2 oktober 1979 kan ook alleen worden afgeleid dat de geschiktheid voor dadelijke consumptie moet worden ontkend, daar dergelijke vruchten normaliter eerst na verdere verwerking worden geconsumeerd. Tenslotte zegt weliswaar het rapport van de Staatliche Chemische Untersuchungsanstalt München van 26 oktober 1972, waarop het Bundesfinanzhof zijn arrest van 16 januari 1973 heeft gebaseerd, dat deze vruchten ongeschikt zijn voor dadelijke consumptie, doch uit de motivering blijkt dat deze geschiktheid alleen werd ontkend omdat men een zure, weinig aantrekkelijke smaak en het ontbreken van de geur- en smaakeigenschappen die bij voor de consument bestemde eindprodukten noodzakelijk zijn, had vastgesteld.
4.
Zodoende moet worden vastgesteld dat verzoeksters er niet in zijn geslaagd, de juistheid van de tarifering van de door hen ingevoerde produkten onder post 08.11 aan te tonen, aangezien een voor deze tariefpost wezenlijk kenmerk ontbreekt. Zodoende komt voor de indeling van deze produkten alleen post 20.06 B I e) 1 in aanmerking. Mocht met betrekking tot het element „verduurzaamd” twijfel bestaan — met betrekking tot de andere elementen: „vruchten”, „met toegevoegde ... alcohol” doen zich geen problemen voor, daar over het alcoholgehalte niets wordt gezegd —, dan moet toch in ieder geval worden vastgesteld dat het om „bereide” vruchten kan gaan, omdat niets in de postomschrijving erop wijst dat „bereid” moet worden opgevat als definitief bereid en dus ook geschikt voor consumptie.
Er bestaat daarom ook geen reden om te twijfelen aan de geldigheid van verordening nr. 1709/74 of — wat het alcoholgehalte betreft — om een dusdanig beperkte uitlegging aan te nemen, dat de litigieuze waren niet daaronder zouden vallen.
5.
Mitsdien concludeer ik dat het Hof de vragen van het Bundesfinanzhof beantwoorde als volgt:
Post 20.06 B I van het gemeenschappelijk douanetarief moet worden uitgelegd in die zin, dat daaronder ook voor industriële verwerking bestemde vruchten vallen die zijn ingelegd in een mengsel van water en alcohol, ongeacht de concentratie hiervan. Ook in deze zaak is niet gebleken van gegronde bezwaren tegen de geldigheid van verordening nr. 1709/74 van de Commissie, waarin die indeling wordt voorgeschreven.
( 1 ) Vertaald uu het Duits.
Full & Egal Universal Law Academy