CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL H. MAYRAS
VAN 6 DECEMBER 1979 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Deze zaak betreffende het niet-nakomen van verdragsverplichtingen vertoont een duidelijke overeenkomst met gelijkaardige, eerder door het Hof beoordeelde zaken. Ik zal mij dan ook tot een vrij korte conclusie beperken.
I —
De Commissie verwijt de Italiaanse Republiek dat zij haar communautaire verplichtingen niet is nagekomen door niet binnen de voorgeschreven termijn de nodige maatregelen te nemen om richtlijn nr. 75/410/EEG van de Raad van 24 juni 1975 (PB L 183 van 1975, blz. 25) in nationaal recht om te zetten. Deze richtlijn heeft betrekking op de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten inzake continu totaliserende bandwegers, dat zijn automatische weegwerktuigen die tijdens een ononderbroken bandtransport het totale, niet systematisch verdeelde gewicht van los gestorte produkten bepalen.
Deze richtlijn is er één van een reeks inzake weegwerktuigen; zij werd aangekondigd in het op 28 mei 1969 door de Raad goedgekeurde algemeen programma voor de opheffing van de technische belemmeringen van het handelsverkeer die het gevolg zijn van verschillen tussen de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der Lid-Staten. De harmonisatie van dwingende nationale voorschriften, die van staat tot staat verschillen, is er binnen de werkingssfeer van de richtlijn op gericht de belemmeringen van het handelsverkeer in deze sector op te heffen.
Bij artikel 4 van de richtlijn werd de Lid-Staten een termijn van achttien maanden vanaf de kennisgeving gelaten om aan de bepalingen te voldoen en om de Commissie in kennis te stellen van de maatregelen die zij terzake hadden genomen. De kennisgeving van de richtlijn vond plaats op 27 juni 1975 en de termijn liep dus af op 27 december 1976. Verweerster betwist niet dat op die datum de Italiaanse wettelijke bepalingen nog niet waren aangepast.
Wegens dit nalaten verzocht de Commissie bij brief van 16 juni 1977 de Italiaanse regering, overeenkomstig de bepalingen van artikel 169, eerste alinea, EEG-Verdrag, binnen twee maanden haar opmerkingen mee te delen. De enige reactie van de Italiaanse regering was een verzoek om de termijn te verlengen, hetgeen werd toegestaan en wel tot 16 september 1977. Op 31 oktober diende de permanente vertegenwoordiger van Italië bij de Commissie een nieuw verzoek om verlenging van de termijn in en deelde tegelijk mee dat de betrokken nationale instanties hun best deden om de richtlijn in het nationale recht uit te voeren; blijkbaar kostte dit nogal wat moeite.
In mei 1978 deelde de permanente vertegenwoordiging aan de Commissie mee, dat de Italiaanse regering op 14 april een besluitwet had uitgevaardigd waarbij voornoemde richtlijn in het Italiaanse recht was opgenomen. Ongelukkigerwijs verliest krachtens artikel 77 van de Italiaanse grondwet een besluitwet elke werking, en dit zelfs „ex tunc”, als zij niet binnen 60 dagen na de bekendmaking ervan in een wet wordt omgezet. De Commissie heeft daarna nooit meer iets gehoord waaruit zij had kunnen concluderen dat die omzetting inderdaad had plaats gehad. De Italiaanse regering betwist dit trouwens niet.
Op 13 juli 1978, meer dan twee jaar na de brief waarbij zij de Italiaanse regering om opmerkingen had verzocht, bracht de Commissie het met redenen omkleed advies uit, bedoeld in artikel 169, eerste alinea, EEG-Verdrag. Omdat Italië niet antwoordde binnen de in het advies bepaalde termijn van twee maanden voor het opvolgen ervan, stelde de Commissie op 22 mei 1979 beroep in bij het Hof van Justitie. In haar verzoekschrift vraagt zij het Hof, vast te stellen dat de Italiaanse regering de krachtens richtlijn nr. 75/410 van de Raad op haar rustende verplichting niet is nagekomen door niet binnen de voorgeschreven termijn de nodige maatregelen te nemen om aan voornoemde richtlijn te voldoen.
De Italiaanse regering heeft dat verwijt niet beantwoord met een formeel verweerschrift, maar enkel met een korte brief. Daarin deelt zij mee dat zij in weerwil van haar inspanningen haar verplichtingen niet kon nakomen wegens politieke gebeurtenissen en vooral wegens de vervroegde ontbinding van de kamers. Daardoor werd de omzetting door het parlement van de op 23 april 1978 van kracht geworden besluitwet in een wet onmogelijk gemaakt, zodat zij haar werking verloor. Wegens deze bekentenis zag de Commissie af van repliek.
II —
Het Hof is vertrouwd met de juridische problemen die in dergelijke zaken rijzen. In zijn conclusie in zaak 100/77 (Commissie t. Italië, Jurispr. 1978, blz. 879, inzonderheid blz. 891) heeft advocaat-generaal Reischl gewezen op de duidelijke en gedetailleerde rechtspraak van het Hof inzake de uitvoering van richtlijnen binnen de voorgeschreven termijn. Ik verwijs hier naar de arresten in de zaken 79/72 (Commissie t. Italië, Jurispr. 1973, blz. 667), 52/75 (Commissie t. Italië, Jurispr. 1976, blz. 277), 10/76 (Commissie t. Italië, ibid., blz. 1359). Aan deze ook door advocaat-generaal Reischl geciteerde arresten kunnen thans nog worden toegevoegd het arrest van 11 april 1978 (de reeds vermelde zaak 100/77) en dat van 22 februari 1979 (zaak 163/78, Commissie t. Italië, Jurispr. 1979, blz. 771).
In het arrest van 26 februari 1976 heeft het Hof er de nadruk op gelegd hoe belangrijk het is dat de Lid-Staten zich houden aan de in de richtlijnen voorgeschreven termijnen. Het overwoog daar:
„dat stipte naleving van een richtlijn van te meer belang is waar de uitvoeringsmaatregelen ter discretie van de Lid-Staten zijn gelaten, en dat zulke handelingen niet het beoogde effect kunnen sorteren wanneer de beoogde doelen niet binnen de gestelde termijnen worden bereikt; dat de werking der voorschriften van een richtlijn ten aanzien van de Lid-Staten tot welke zij zijn gericht, niet minder dwingend is dan die welke aan andere bepalingen van het gemeenschapsrecht is verbonden, hetgeen te meer geldt voor voorschriften betreffende de termijnen binnen welke de daarin voorziene maatregelen in werking moeten zijn getreden, en wel zulks met name in verband met het feit dat wanneer er na het verstrijken dier termijnen in de Lid-Staten nog steeds verschillende regelingen zouden blijven toegepast, discriminatie het gevolg zou kunnen zijn.”
Anderzijds is het vaste rechtspraak dat een Lid-Staat zich niet kan beroepen op interne bepalingen, praktijken of situaties, zelfs van grondwettelijke aard, om het niet-nakomen van in gemeenschapsrichtlijnen neergelegde voorschriften en termijnen te rechtvaardigen; hierop wordt nog eens gewezen in het arrest van 22 februari 1979, het jongste, en door zijn beknoptheid opvallende, arrest in de hiervoor aangehaalde reeks.
Ik kan derhalve slechts in overweging geven om, in de zin van het verzoek van de Commissie, vast te stellen dat de Italiaanse Republiek, door niet binnen de voorgeschreven termijn de nodige maatregelen vast te stellen om te voldoen aan richtlijn nr. 75/410/EEG betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake continu totaliserende bandwegers, de krachtens die richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen. Het is dan tevens duidelijk dat de Italiaanse Republiek in de kosten moet worden verwezen.
( 1 ) Vertaald uit het Frans.
Full & Egal Universal Law Academy