CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL H. MAYRAS
VAN 13 DECEMBER 1979 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne beren Rechters,
De twee prejudiciële zaken die ons thans bezighouden, hebben een zelfde oorsprong: een strafvervolging, ingesteld tegen een Belgische kleinhandelaar in vlees, die ervan wordt verdacht bij de verkoop aan de consument prijzen te hebben toegepast die niet in overeenstemming zijn met het bepaalde bij het ministerieel besluit van 27 maart 1975, zoals gewijzigd bij het ministerieel besluit van 14 juli 1976.
De zaken zijn naar het Hof verwezen door respectievelijk de Vijfde (zaak 95/79) en de Vierde kamer (zaak 96/79) van de Rechtbank van eerste aanleg te Namen — de alleenrichtende rechter is in de twee gevallen dezelfde —, die hebben te beslissen op het door de twee verdachten gedane verzet tegen verstekvonnissen, door de Vijfde kamer van die rechtbank gewezen op 6 november 1978, respectievelijk 21 maart 1979.
Hoewel het om twee afzonderlijke verwijzingen gaat en de verdachten in het hoofdgeding ieder hun eigen advocaat hebben, heeft het Hof op 3 oktober 1979 besloten de zaken wegens hun verknochtheid te voegen voor de mondelinge behandeling en het arrest. Wij zullen derhalve in beide tegelijk concluderen.
In beide zaken gaat het om de uitlegging van verordening nr. 805/68 van de Raad van 27 juni 1968 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees, met name — wij citeren de verwijzingsbeschikking —, of „artikel 5, 3, 1 in strijd (is) met artikel 6, lid 1, sub a en b, en de verordeningen tot vaststelling van de basisprijs voor rundvlees, meer in het bijzonder die, uitvoerbaar gemaakt bij de verordeningen nrs. 1652/72 van 31 juli 1972, nr. 1192/73 van 8 mei 1973, nr. 667/74 van 28 maart 1974”.
De eerste zaak (vonnis van 7 mei 1979) heeft evenwel tevens betrekking op de uitlegging van verordening nr. 121/67 van de Raad van 13 juni 1967 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector varkensvlees, met name — wij citeren weer — of „artikel 3, 4, 1 in strijd (is) met artikel 5, lid 1, tweede alinea, en met de verordeningen tot vaststelling van de basisprijs voor varkensvlees, meer in het bijzonder die, uitvoerbaar gemaakt bij de verordeningen nr. 2305/71 van 29 oktober 1971, nr. 1351/73 van 15 mei 1973, nr. 1133/74 van 29 april 1974”.
Ten aanzien van het eerste punt moet worden opgemerkt dat de verwijzende rechter in de eerste zaak (vonnis van 30 mei 1979) reeds heeft beslist — „op grond van nieuwe bepalingen” dat het ministerieel besluit van 27 maart 1975, door in artikel 3 het bedrag te bepalen dat de kleinhandelaren in varkensvlees niet te boven mogen gaan, „indruist tegen de doelstellingen van de gemeenschappelijke landbouwmarkt en aldus het communautaire handelsverkeer belemmert”; bijgevolg heeft híj „op basis van artikel 103 van de Grondwet” vastgesteld dat „dit ministerieel besluit in strijd is met artikel 39 EEG-Verdrag en met verordening nr. 121/67 van de Commissie”.
Men dient zich dan ook ernstig af te vragen, of de uitlegging van de gemeenschapsregeling voor de sector varkensvlees, waarom de Belgische rechter vraagt, nog wel noodzakelijk is — in de zin van artikel 177, tweede alinea, EEG-Verdrag — om hem in staat te stellen vonnis te wijzen in de eerste zaak, en of hij zijn verzoek betreffende dit punt niet tenminste stilzwijgend heeft teruggenomen.
Wij zullen ons echter niet verder verdiepen in de vraag of een nieuwe discussie over de uitlegging van de gemeenschapsregeling voor deze sector wenselijk is. Het lijkt in elk geval niet overbodig dit probleem nog eens te onderzoeken, want de nationale rechters die zich bij hun uitspraken hebben gebaseerd op het juist dit punt beroerende arrest-Dechmann van 29 juni 1978 (Jurispr. 1978, blz. 1574), zijn tot diametraal tegengestelde beslissingen gekomen.
Immers, de Rechtbank van eerste aanleg te Neufchâteau (Correctionele kamer, bestaande uit één rechter) heeft, op basis van 's Hofs antwoord op de door hem gestelde vraag in de zaak-Dcchmann, op 17 mei 1979 in een op het eerste gezicht deugdelijk gemotiveerd vonnis beslist, dat de bij het ministerieel besluit van 27 maart 1975 bepaalde handelsmarge geen belemmering vormde voor het intracommunautaire handelsverkeer in varkensvlees, en bijgevolg de overtreding ervan strafbaar verklaard. Daarentegen heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Namen (Correctionele kamer, bestaande uit één rechter) in een nogal summier vonnis van 30 mei 1979 beslist, dat uit het arrest-Dechmann volgde dat de strafbaarheid voor wat de prijzen van varkensvlees betreft, was komen vast te staan, eraan toevoegende dat hij genoemd arrest „ten volle aanvaardde”. Het zal zelden voorkomen dat een arrest zo eenstemmig wordt begroet (want allen — rechters, verdachten en regering — kunnen zich er volledig in vinden) en dat er tegelijkertijd zo volstrekt tegenstrijdige conclusies uit worden getrokken.
Het zou niet verbazen als de beide verwijzingsvonnissen van de rechtbank te Namen, evenals het vonnis van 17 mei 1979 van de rechtbank te Neufchâteau, in hoger beroep worden aangevochten, en het is niet uitgesloten dat het probleem van de uitlegging van de gemeenschapsregeling voor de sector varkensvlees wederom aan het Hof wordt voorgelegd, hetzij door de appèlrechter, hetzij door de rechter in cassatie.
In onze conclusie van 1 juni 1978 in de zaak-Dechmann hebben wij geconcludeerd (Jurispr. 1978, blz. 1595), dat „de eenzijdige oplegging, door een Lid-Staat, van de consumentenprijs van varkensvlees langs de weg van vastlegging van de handelsmarge, zich niet met verordening nr. 121/67 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de betrokken sector verdraagt, wanneer zij de doelstellingen of de goede werking van die ordening, en met name haar prijzenregeling, in gevaar brengt”.
Het Hof verklaarde in die zaak voor recht dat „verordening nr. 121/67 niet mag worden geacht in de weg te staan aan de eenzijdige vaststelling, door een Lid-Staat, ván een maximum handelsmarge voor de detailverkoop van varkensvlees, wanneer die marge in hoofdzaak wordt berekend naar de aankoopprijzen die in de voorafgaande handelsfasen worden toegepast, en zich met de ontwikkeling van die prijzen wijzigt, mits zij voorts wordt vastgesteld op een niveau dat voor het intracommunautaire handelsverkeer geen belemmeringen oplevert”.
Gezien de resultaten waartoe dit arrest heeft geleid, en vooral omwille van de met name in straf- en correctionele zaken zo belangrijke rechtszekerheid, waarover wij hebben gesproken in onze conclusie van 20 september jongstleden (gevoegde zaken 16-20/79, Danis e. a.), zouden wij geneigd zijn te zeggen dat „ten aanzien van een regeling als het litigieuze ministerieel besluit, verordening nr. 121/67 van de Raad en de verordeningen houdende vaststelling van de ba-. sisprijs van varkensvlees, aan de detaillisten geen enkel recht toekennen dat de nationale rechterlijke instanties hebben te handhaven”.
In diezelfde zaken evenwel heeft het Hof op 6 november jongstleden voor recht verklaard dat een nationale prijsbeheersingsregeling voor produkten die onder een gemeenschappelijke marktordening vallen, „met die ordening onverenigbaar (is), voor zover zij, toegepast op latere distributiestadia,... de doelstellingen of de werking dier ordeningen in gevaar brengt”, een formulering die wijzelf in onze conclusie in de zaak-Dechmann hadden gebezigd.
Bij de huidige stand van 's Hofs rechtspraak menen wij derhalve niet dezelfde oplossing te kunnen voorstellen als wij in de gevoegde zaken 16-20/79 in overweging gaven, en wij verlaten ons voor de formulering van het antwoord op de wijsheid van het Hof.
De nationale rechter zal evenwel moeten bedenken dat de feiten van de onderhavige zaken zich op een ander tijdstip hebben voorgedaan dan die van de zaak-Dechmann: deze laatste had betrekking op een periode in het jaar 1975, de onderhavige zaak speelde zich af op 13 april 1977. Hij zal eneneens rekening moeten houden met het antwoord van de Commissie op de vragen die het Hof haar op 13 april 1978 had gesteld (mededeling, blz. 9 en 10), welk antwoord overigens niet betrekking heeft op de verkoopseizoenen 1977/1978 en 1978/1979.
Wat de uitlegging van de gemeenschapsregeling in de sector rundvlees betreft, kunnen wij kort zijn.
Hierbij gaat het immers om een ordening die nog meer „gestructureerd” is dan de ordening van de varkensvleesmarkt, en de gemeenschapsregeling in deze sector laat nog minder ruimte voor ingrepen van de nationale overheid.
De nationale rechter zal rekening moeten houden met de feitelijke gegevens die door de Commissie — de enige die in staat is alle nodige informaties te verschaffen — zijn verstrekt met betrekking tot de richtprijzen (die echter enkel betrekking hebben op de zes oorspronkelijke Lid-Staten), de gemiddelde prijzen op de meest representatieve markten en het handelsverkeer in volwassen runderen (levend en geslacht) binnen de Gemeenschap en met derde landen.
De nationale rechter zal ook hier moeten bedenken dat de feiten van de onderhavige zaak zich op een ander tijdstip hebben voorgedaan dan die van de zaak-Dechmann: daar ging het om een periode in 1975, in zaak 96/79 om de maand april 1977.
( 1 ) Vertaald uit het Frans.
Full & Egal Universal Law Academy