CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL J.-P. WARNER
VAN 20 MAART 1980 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Het lijkt mij in dit geval niet nodig dat ik u tijd vraag om de zaak te overdenken.
De feiten liggen u nog vers in het geheugen, zodat ik ze niet behoef te herhalen.
Drie punten zou ik voor het moment even terzijde willen laten: de al dan niet voldoende motivering van het besluit van de directeur Personeelszaken van de Commissie van 14 augustus 1979; de vraag betreffende de ontvankelijkheid van het beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 3 april 1979, en de al dan niet voldoende motivering van dit laatste besluit.
Het voornaamste punt in geschil tussen mevr. Schuerer en de Commissie is, of — zoals zij stelt — haar invaliditeit het gevolg is van haar ongeval op 26 oktober 1976, van het door haar ingeademde stof doordat de klimaatregeling in haar bureau defect was, of van een combinatie van deze factoren, dan wel of — zoals de Commissie stelt — die invaliditeit te wijten is aan wat artikel 78 Ambtenarenstatuut „een andere oorzaak” noemt.
Mijns inziens kan het Hof niet van dit geschilpunt kennisnemen, en wel omdat volgens de desbetreffende bepalingen van het Ambtenarenstatuut (inzonderheid artikel 78 en artikel 13 van bijlage VIII) het de invaliditeitscommissie is die over de oorzaak of oorzaken van de invaliditeit van een ambtenaar heeft te oordelen, voor zover het daarbij om de medische aspecten gaat. Dit lijkt mij noodzakelijkerwijze besloten te liggen in de bewoordingen van die artikelen en voorts voort te vloeien uit 's Hofs overwegingen in zaak 29/71 (Vellozzi, Jurispr. 1972, blz. 513), met name de rechtsoverwegingen 8 en 15. Bovendien blijkt uit 's Hofs arrest in de tweede zaak-Vellozzi (gevoegde zaken 42 en 62/74, Jurispr. 1975, blz. 871) dat een geldig tot stand gekomen beslissing van een invaliditeitscommissie definitief is zolang geen nieuw feit aan het licht komt. Ik geloof niet dat de verklaring van andere artsen, hoe eminent ook, die menen dat de Commissie zich vergist heeft of zou kunnen hebben -— zoals de verklaringen door de doktoren Stein, Lequime en Schußler in de onderhavige zaak ten behoeve van mevr. Schuerer afgelegd —, zulk een nieuw feit vormen.
Mijns inziens zou het Hof in deze zaak dan ook enkel tussenbeide kunnen komen indien vaststond dat het besluit van de directeur Personeelszaken — als het tot aanstelling bevoegde gezag —, waarbij mevr. Schuerer het laagste pensioen is toegekend, onverenigbaar was met de conclusies van de invaliditeitscommissie, of dat die conclusies zelf om enigerlei reden niet betrouwbaar waren. In het laatste geval zou het de juiste weg voor het Hof zijn, die conclusies terzijde te schuiven en de samenstelling van een nieuwe invaliditeitscommissie te gelasten. Het zou echter niet een „supercommissie” of een „beroepscommissie” moeten benoemen, zoals mevr. Schuerer voorstelt. Daarvoor bestaat geen enkele rechtsgrond, in het Ambtenarenstatuut noch elders. Benoeming van zo'n nieuwe commissie zou mijns inziens ook niet mogelijk zijn bij wege van instructiemaatregel, want het doel daarvan is het Hof in staat te stellen geschillen over feiten te beslissen, en zoals ik reeds zei, het ligt niet op de weg van het Hof om een feitelijk geschil als hier in geding, te beslechten. Zou het dit doen, dan zou het optreden als beroepsinstantie tegen beslissingen van de invaliditeitscommissie, en dat is het Hof stellig níet.
Was dan het besluit van de directeur Personeelszaken onverenigbaar met de conclusies van de invaliditeitscommissie? Ja, zegt mevr. Schuerer, want de invaliditeitscommissie had verklaard dat haar invaliditeit het gevolg kan zijn van het ongeval, en daarom moest haar het voordeel van de twijfel worden gegund. Ik geloof niet dat dit rechtens zo moet zijn. Wil een ambtenaar aanspraak kunnen maken op het hogere invaliditeitspensioen, dan is er mijns inziens, voor zover dat van medische feiten afhangt, een positieve conclusie van de invaliditeitscommissie vereist dat de invaliditeit het gevolg is van een van de in de tweede alinea van artikel 78 genoemde oorzaken. Daarbij behoeft de invaliditeitscommissie niet tot een boven alle twijfel verheven overtuiging te komen, maar zij dient die overtuiging wel te hebben verkregen na afweging van alle waarschijnlijkheden. Ook hier wijst 's Hofs uitspraak in de eerste zaak-Vellozzi de weg.
Wat de betrouwbaarheid van de conclusies van de invaliditeitscommissie betreft, geeft mevr. Schuerer toe dat de commissie met de nodige zorgvuldigheid te werk is gegaan. Waar zij tegen opkomt, is de formulering van de conclusies van de invaliditeitscommissie. Het is dit punt dat mij het meest heeft beziggehouden. Het is stellig waar dat die conclusies in hun oorspronkelijke vorm uiterst beknopt en daardoor onduidelijk waren. Het ware beter geweest als de directeur Personeelszaken terstond, alvorens zijn besluit te nemen, om een toelichting had gevraagd, in plaats van een situatie te scheppen waarin ze achteraf moesten worden toegelicht teneinde mevr. Schuerers administratieve klacht naar behoren te kunnen behandelen. Het lijkt mij echter duidelijk dat de directeur Personeelszaken, zo hij de later door de invaliditeitscommissie gegeven uitleg voor zich had gehad, geen ander besluit zou hebben genomen.
Zorgen heeft mij ook het feit gebaard dat de wijze waarop de invaliditeitscommissie haar conclusies heeft geformuleerd, de Commissie noopte zich een oordeel te vormen over wat artikel 78 met „beroepsziekte” bedoelt. Dit is niet een medisch, maar een juridisch probleem. De invaliditeitscommissie had etbeter aan gedaan, uitsluitend te verklaren dat mevr. Schuerers invaliditeit niet viel toe te schrijven aan het inademen van stof. Uit de formulering van de conclusies zou men kunnen afleiden dat de invaliditeitscommissie meende dat de invaliditeit het gevolg was van een ziekte, veroorzaakt door het inademen van stof, maar dat die ziekte geen „beroepsziekte” was. Gezien de latere toelichtingen van de commissie, lijkt het mij evenwel duidelijk dat dit niet haar opvatting was.
Ik concludeer derhalve dat de conclusies van de invaliditeitscommissie niet zo gebrekkig waren, dat de daarop steunende besluiten ongeldig zouden zijn. Hierbij zie ik niet het probleem over het hoofd in verband met de vraag of mevr. Schuerer bij haar val op 26 oktober 1976 al dan niet met de borst tegen de rand van de traptrede is gestoten. Dit is uiteraard een feitelijk gegeven dat het Hof kan vaststellen door het horen van getuigen, waaronder mevr. Schuerer zelf, degenen die erbij waren toen zij viel, en degenen met wie zij terstond daarna heeft gesproken. Maar ik zie niet in, dat een vaststelling van het Hof op dit punt tot terzijdestelling van de conclusies van de invaliditeitscommissie zou kunnen leiden, al was het maar omdat mevr. Schuerer alle gelegenheid heeft gehad de omstandigheden van haar val voor de leden van de invaliditeitscommissie te beschrijven, en dat op een tijdstip toen zij zich dat alles nog veel beter kon herinneren.
Komen wij thans tot de ondergeschikte punten.
De reden waarom mevr. Schuerer zegt dat het besluit van de directeur Personeelszaken ongenoegzaam is gemotiveerd, is in wezen, dat hij niet heeft gezegd waarom hij de tweede alinea van artikel 78 in casu niet van toepassing achtte. Dit lijkt mij op een misvatting te berusten. Een instantie die een besluit neemt, is in het algemeen niet gehouden duidelijk te maken waarom zijn besluit niet anders is uitgevallen. Bovendien leverden de conclusies van de invaliditeitscommissie geen steun voor de opvatting dat artikel 78, tweede alinea, van toepassing was, en mevr. Schuerer ontving een afschrift van die conclusies tezamen met het formele besluit.
Ik zal geen beslag leggen op uw tijd met een bespreking van het betoog van de Commissie ter zake van de ontvankelijkheid van het beroep voor zover dit tegen het besluit van 3 april 1979 is gericht. Ik wil slechts opmerken, dat mijns inziens moeilijk valt staande te houden dat dat besluit zuiver bevestigend was, terwijl het in feite steunde op de toelichtingen van de invaliditeitscommissie op haar oorspronkelijke conclusies.
De motivering van dat besluit wordt door mevr. Schuerer betwist met argumenten die van dezelfde gedachte uitgaan, namelijk dat de Commissie gehouden was te verklaren wat haars inziens de oorzaak van mevr. Schuerers invaliditeit was. Ik geloof niet dat de Commissie daartoe verplicht was. Integendeel, zij mocht — ja, moest — de zienswijze van de invaliditeitscommissie dienaangaande overnemen. Mevr. Schuerer bezat al een afschrift van de oorspronkelijke conclusies van de invaliditeitscommissie, en een afschrift van de toelichting was bij het besluit gevoegd.
Samenvattende concludeer ik tot verwerping van het beroep, kosten rechtens.
( 1 ) Vertaald uit het Engels.
Full & Egal Universal Law Academy