CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL H. MAYRAS
VAN 24 APRIL 1980 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne beren Rechters,
Onze conclusie in deze zaak zal uiterst kort zijn, want het beroep van de heer Belfiore is kennelijk niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding.
Terwijl immers het besluit van de Commissie, waarbij verzoekers klacht werd afgewezen, op 12 februari 1979 is gedateerd, is het beroep eerst op 4 juli daaropvolgende ter griffie van het Hof ingeschreven. De termijn van drie maanden, genoemd in artikel 91 van het Statuut, is dus ruimschoots overschreden.
Weliswaar stelt de heer Belfiore, het besluit van 12 februari eerst op 5 april te hebben ontvangen en wijt hij deze vertraging uitsluitend aan de nalatigheid van de verwerende instelling: deze had het besluit aan zijn oude adres gezonden, terwijl zij, volgens verzoeker, toch op de hoogte was of moest zijn van zijn adreswijziging.
Gelet op de omstandigheden van de zaak, lijkt deze bewering zeer twijfelachtig. De heer Belfiore heeft de Commissie zijn adreswijziging pas meegedeeld bij brief van 5 februari 1979, ingekomen bij de administratie op 13 februari, dat wil zeggen daags na de verzending van het afwijzende besluit. Deze brief kan dus niet in aanmerking worden genomen.
Voordien heeft verzoeker, naar zijn zeggen, zijn nieuwe adres enkel vermeld op de achterzijde van de enveloppen waarin zijn brieven van 11 september en 23 oktober 1978 werden verzonden. Waar de brief van 23 oktober verloren schijnt te zijn gegaan, hebben wij de juistheid van zijn verklaring enkel kunnen constateren aan de hand van de brief van 11 september. Maar is deze vermelding voldoende om het beroep ontvankelijk te achten?
Om tot dat besluit te komen, zou men moeten aannemen dat de Commissie nalatig is geweest door het nieuwe adres van verzoeker op de achterzijde van één of misschien twee enveloppen niet op te merken. Maar hiermee zou men van de Commissie wel buitensporig veel verlangen, gezien met name de hoeveelheid post die haar diensten dagelijks hebben te verwerken.
Daarentegen lijkt het ons niet een te zware belasting voor een ambtenaar of voormalig ambtenaar, die weet dat hij nog brieven van de administratie te verwachten heeft, wanneer men hem aansprakelijk houdt wegens het feit dat hij zijn nieuwe adres niet ten spoedigste officieel aan de administratie heeft meegedeeld. Uit het dossier blijkt zelfs niet dat de heer Belfiore de elementaire voorzorg heeft genomen om zijn post te laten doorzenden.
Reeds om deze enkele reden zouden wij geneigd zijn te concluderen tot de niet-ontvankelijkheid van het beroep.
Wij neigen hier nog meer toe vanwege het belang dat het Hof in zijn rechtspraak terecht hecht aan de naleving van termijnen, inzonderheid in ambtenarenzaken.
De aandacht die het Hof hieraan schenkt, houdt vooreerst verband met het feit dat de exceptie van niet-ontvankelijkheid een punt van openbare orde beroert. In de arresten van 7 juli 1971 (zaak 79/70, Müllers, Jurispr. 1971, blz. 699) en 8 mei 1973 (zaak 33/72, Gunella, Jurispr. 1973, blz. 480) heeft het Hof overwogen „dat het, zelfs ambtshalve, heeft na te gaan of de beroepstermijnen, die van openbare orde zijn, in acht zijn genomen” (arrest-Gunella, r.o. 4).
Nog duidelijker, lijkt ons, was het Hof in zijn arrest in de zaak-Collignon, waarin de Commissie had verklaard, zich niet te willen „verschuilen achter” de niet-ontvankelijkheid van het beroep op grond van de tardiviteit ervan, maar zich met betrekking tot de ontvankelijkheid aan 's Hofs oordeel te refereren. In bijzonder duidelijke bewoordingen heeft het Hof er toen op gewezen, dat „procestermijnen van openbare orde zijn en derhalve niet naar believen van partijen of de rechter kunnen worden ingeroepen” (arrest van 12 december 1967, zaak 4/67, Collignon, Jurispr. 1967, blz. 456, 565).
Deze strikte opvatting, aldus het Hof elders, wordt gerechtvaardigd door het feit dat „het beginsel van de rechtszekerheid meebrengt dat de rechtskracht van beschikkingen van het gemeenschapsgezag, waarbij bepaalde rechtsposities en rechtsbetrekkingen worden geregeld, behoudens op grond van nieuwe en dwingende overwegingen” — die zich in casu niet voordoen — „niet gedurende onbepaalde tijd aan twijfel onderhevig mag blijven” (arrest van 15 december 1966, zaak 34/65, Mosthof, Jurispr. 1966, blz. 750, 764); en elders: de termijnen om een klacht in te dienen en vervolgens beroep in te stellen, hebben tot doel „binnen de instellingen van de Gemeenschap de voor hun behoorlijk functioneren onontbeerlijke rechtszekerheid te waarborgen” (arrest van 14 april 1970, zaak 24/69, Nebe, Jurispr. 1970, blz. 145, 152).
In deze omstandigheden, en zonder dat wij behoeven in te gaan op de door de Commissie opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid of op het geschil ten gronde, kunnen wij slechts concluderen tot niet-ontvankelijkverklaring van het door de heer Belfiore ingestelde beroep tot nietigverklaring van het besluit van de Commissie van 12 juni 1978, waarbij verzoeker ambtshalve is ontslagen. Overeenkomstig artikel 70 van het Reglement voor de procesvoering concluderen wij tenslotte dat de kosten die de Commissie heeft gemaakt, te haren laste blijven.
( 1 ) Vertaald uit het Frans.
Full & Egal Universal Law Academy