CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL J.-P. WARNER
VAN 7 FEBRUARI 1980 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne beren Rechters,
De onderhavige zaak betreft een verzoek om een prejudiciële beslissing van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel.
Verzoekster in de aldaar aanhangige procedure is de SA Caterpillar Overseas (hierna: „Caterpillar Overseas”). Het is een Zwitserse vennootschap met een hoofdkantoor te Genève en met een wat ik, zonder op enige vraag vooruit te willen lopen, filiaal zou willen noemen, te Grimbergen, België. Dit filiaal zal ik eenvoudig „Grimbergen” noemen. Caterpillar Overseas is een honderd procent dochteronderneming van Caterpillar Tractor Co., de bekende Amerikaanse fabrikant van grondwerkapparatuur (hierna: „Caterpillar Tractor”).
Verweerder wordt in de verwijzingsbeschikking omschreven als de Belgische Staat, in de persoon van de minister van Financiën van het Koninkrijk, tevens bevoegd inzake douane en accijnzen (hierna: „verweerder”)
Het onderwerp van geschil is de methode voor de bepaling van de douanewaarde van de door Caterpillar Tractor aan Grimbergen geleverde reserveonderdelen voor Caterpillar-apparatuur. De vordering van Caterpillar Overseas strekt tot terugbetaling door verweerder van de bedragen die Caterpillar Overseas (onder protest) als douanerechten heeft betaald boven het bedrag dat volgens Caterpillar Overseas juist was, omdat de betrokken reserveonderdelen naar haar mening door de Belgische douane zijn overgewaardeerd. Het gaat om zeer grote bedragen. Op de dag dat het beroep werd ingesteld beliepen zij naar schatting BFR 16 miljoen; het bedrag neemt dagelijks toe daar de importen doorgaan. Ter terechtzitting werd ons verklaard dat dit was opgelopen tot BFR 100 miljoen.
Uit de conclusies in de hoofdzaak blijkt dat men het praktisch vanaf het begin erover eens was dat aan het Hof vragen moesten worden voorgelegd over de uitlegging van de gemeenschapswetgeving inzake de bepaling van de douanewaarde van goederen. Na wat getouwtrek bereikten partijen overeenstemming over de formulering van deze vragen, die daarop door de rechtbank ongewijzigd aan het Hof zijn voorgelegd.
Er zijn zes vragen, waarvan drie als „algemene” en drie als „meer bijzondere” vragen worden omschreven. Zij worden voorafgegaan door een „preambule” waarin de feiten worden weergegeven op basis waarvan het Hof wordt verzocht de vragen te beantwoorden.
Dat het Hof verplicht is de vragen op basis van deze feiten te beantwoorden, lijdt voor mij geen twijfel. In de „preambule” zijn echter alle eigennamen weggelaten. De namen Caterpillar Tractor, Caterpillar Overseas en Grimbergen zijn door symbolen vervangen, de namen van de betrokken landen door omschrijvingen: zo wordt de USA een „overzees derde land”, Zwitserland een „Europees land dat geen lid is van de Europese Gemeenschap”, en België een „Lid-Staat van de Gemeenschap”.
Deze symbolen worden niet in de „algemene” vragen, maar wel in de meer bijzondere vragen gebruikt. Hierdoor wordt de indruk gewekt dat de „meer bijzondere” vragen zuiver vragen van gemeenschapsrecht zijn en geen vragen voor de beantwoording waarvan dit recht op het concrete geval moet worden toegepast.
Dit is niet de eerste zaak waarin deze kunstgreep is toegepast. Dit gebeurde ook in de EMI-zaken, 51/75, 86/75 en 96/75 (Jurispr. 1976, blz. 811, 871 en 913); toen weigerde het Hof deze symbolen in zijn antwoorden te hanteren. Ik vind dat het Hof ze in casu evenmin moet gebruiken. Uiteraard denk ik hierbij aan het argument van de raadsman van Caterpillar Overseas dat het Hof moet trachten antwoorden te geven waarmee de rechtbank zo goed mogelijk is gediend. Ook zie ik niet voorbij aan de door hem aangehaalde jurisprudentie, ter adstructie van zijn stelling dat het Hof onder meer in zaken betreffende de douanewaarde waar nodig in details is getreden. Ik heb echter ook oor voor de waarschuwing van de Commissie dat het Hof zich niet moet laten verleiden om bij een verzoek om een prejudiciële beslissing, het recht op het concrete geval toe te passen.
Daarom zal ik uitgaan van de feiten uit de „preambule”, maar daarbij de symbolen en omschrijvingen van de landen door eigennamen vervangen.
Caterpillar Tractor fabriceert machines en reserveonderdelen van deze machines en brengt die onder haar handelsmerk „Caterpillar” in de handel. Ook betrekt zij onderdelen voor de door haar gefabriceerde machines van onafhankelijke leveranciers en brengt deze in de handel. Grimbergen is een distributiecentrum voor deze onderdelen.
De reserveonderdelen worden op initiatief van Grimbergen besteld bij Caterpillar Tractor, bij andere dochterondernemingen van Caterpillar of bij met haar verbonden ondernemingen. De verkopers verzenden ze rechtstreeks naar Grimbergen, dat ze bij binnenkomst in België in ontvangst neemt. Zij worden door Grimbergen opgeslagen en behandeld en uiteindelijk doorverkocht, hetzij aan distributeurs die een distributieovereenkomst met Caterpillar Overseas hebben gesloten, hetzij rechtstreeks aan de klanten. De prijs hangt af van het handelsniveau van de koper. Verkoop vindt plaats binnen de Gemeenschap, naar Europese landen buiten de Gemeenschap, het Midden-Oosten en Afrika. Wanneer de verkopen buiten de Gemeenschap plaatsvinden zijn de onderdelen niet onderworpen aan communautaire douanerechten; zij staan dan ook buiten deze zaak. Voor het overige oefent de Belgische douane toezicht uit op de importen en beschikt Grimbergen over een douane-entrepôt in België. In de uitoefening van zijn werkzaamheden vervult Grimbergen met name de volgende taken:
—
ramen van de behoeften van al zijn klanten, met inbegrip van de distributeurs;
—
ervoor zorgen dat de voorraden tijdig worden besteld en op het noodzakelijk peil worden gehouden;
—
zorgen voor snelle levering aan zijn klanten waarvan het overgrote deel reserveonderdelen koopt om ze door te verkopen aan de eigen klanten.
De distributeurs en de overige klanten bestellen hun reserveonderdelen bij Grimbergen. Grimbergen neemt deze bestellingen op en voert ze uit en levert de goederen met de rekeningen aan de kopers. De kopers betalen de gefactureerde bedragen rechtstreeks aan Caterpillar Overseas die zorg draagt voor de inning van de vorderingen bij de klanten en Grimbergen voor de aldus geïnde bedragen crediteert.
Grimbergen heeft een bedrijfsterrein van 5,4 hectare en heeft meer dan 640 mensen in dienst, waarvan 240 in beheersfuncties. Het bezit bij de uitoefening van zijn werkzaamheden een grote mate van zelfstandigheid hoewel het een filiaal is van Caterpillar Overseas, die de distributieovereenkomsten met distributeurs van de onder het merk Caterpillar verkochte produkten sluit.
Grimbergen staat in België in het handelsregister ingeschreven en is een filiaal in de zin van het Belgische vennootschapsrecht. Het vertoont alle kenmerken van een vaste inrichting in de zin van het Belgische belastingrecht, van de overeenkomsten ter voorkoming van dubbele belasting van het type OESO en van de door België gesloten handels-, vriendschaps-en scheepvaartverdragen. Bovendien wordt het door dit land als vaste inrichting behandeld: België heft directe belastingen op de inkomsten uit zijn werkzaamheden als filiaal van Caterpillar Overseas. Daarom voert het een eigen boekhouding als bezat het een eigen persoonlijkheid.
Volgens Caterpillar Overseas wordt de prijs waartegen zij reserveonderdelen koopt, vastgesteld door bij de produktiekosten van Caterpillar Tractor ongeveer 50 % op te tellen van de, door Caterpillar Tractor en Grimbergen uit de verkoop van reserveonderdelen aan onafhankelijke kopers behaalde geconsolideerde winst. In deze berekening omvatten de produktickosten van Caterpillar Tractor niet alleen de kosten voor de vervaardiging van de onderdelen, of de prijs waartegen de onderdelen als afgewerkte produkten worden verkregen, maar ook het totale bedrag van de vracht- en opslagkosten, administratieve en algemene kosten. Verweerder verklaart, de boekhoudkundige gegevens waarop deze bewering berust, niet te kunnen toetsen, maar bij de vragen die aan het Hof zijn gesteld, is van de juistheid van deze bewering uitgegaan, waarbij de Rechtbank zich de bevoegdheid voorbehoudt dit later zo nodig door middel van een deskundigenonderzoek te laten verifiëren. Volgens Caterpillar Overseas komt de prijs in ieder geval overeen met de prijzen die gewoonlijk voor soortgelijke onderdelen worden betaald in verkooporganisaties op het niveau van vergelijkbare distributiivein rales, wanneer die distributiecentrale.s niet tot dezelfde groep behoren als de verkoperleverancier.
Caterpillar Overseas stelt dat deze prijs, verhoogd met de kosten van levering aan Grimbergen, de douanewaarde vormt. De „preambule” eindigt met de zin dat de Belgische douane anderzijds van mening is dat dit bedrag met 20 % moet worden verhoogd ofwel dat de douanewaarde bestaat in de prijs die door Grimbergen aan distributeurs in rekening wordt gebracht, verminderd met de kosten van levering, opslag en bewaring in het douanegebied van de Gemeenschap. Op een vraag van een van de rechters heeft verweerder ter zitting meegedeeld dat deze zin zijn standpunt niet helemaal juist weergeeft. Verweerder heeft niet gesteld dat dit de twee alternatieve methodes waren om de douanewaarde van goederen te bepalen. Hem ging het erom dat hij de „terugrekenmethode” had toegepast, waarbij hij de door Grimbergen bij wederverkoop bedongen prijzen als uitgangspunt voor zijn berekening had genomen, en dat uit deze berekening douanewaarden waren voortgevloeid die ongeveer 21,5 % boven de door Caterpillar Overseas aan Caterpillar Tractor betaalde prijzen lagen. Dit percentage had men naar beneden afgerond op 20 %.
De eerste algemene vraag die aan het Hof wordt voorgelegd luidt:
„Geeft artikel 9 van verordening nr. 803/68, waar het bepaalt dat ‚de betaalde of te betalen prijs’ (onder bepaalde voorwaarden) ‚als douanewaarde [kan] worden aanvaard’, een definitie van de douanewaarde die onafhankelijk, ja zelfs verschillend is van de definitie die artikel 1 daarvan geeft, waar dit spreekt van ‚de normale prijs’, of derogeert het aan laatstgenoemd artikel?”
Zij die schriftelijke opmerkingen bij het Hof hebben ingediend — Caterpillar Overseas, verweerder en de Commissie — waren unaniem van oordeel dat het antwoord op deze vraag ontkennend moet luiden. Ik ben het hiermee eens. De verhouding tussen de artikelen 1 en 9 van verordening nr. 803/68 heb ik behandeld in mijn conclusies in zaak 91/74 (HZA Hamburg-Ericus tegen Hamburger Import-Kompagnie (Jurispr. 1975, blz. 652), zaak 1/77, Bosch (Jurispr. 1977, blz. 1484) en het uitvoerigst en meest recent in zaak 38/77, Enka (Jurispr. 1977, blz. 2217). Ik zal niet herhalen wat ik daar heb gezegd. Kort gezegd is de situatie aldus, dat krachtens artikel 1 de douanewaarde van goederen in alle gevallen de „normale prijs” is zoals gedefinieerd in dat artikel in samenhang met de artikelen 2 tot en met 8. In artikel 9 wordt erkend dat, indien de ingevoerde goederen ingevolge een bonafide koop en verkoop worden geleverd, de daarvoor betaalde of te betalen prijs, met de nodige waarborgen en aanpassingen in het algemeen als waardevolle indicatie kan dienen voor de normale prijs en zo als basis voor de waardering kan worden gebruikt, of, zoals de Internationale Douaneraad („IDR”) in zijn toelichtingen op het Verdrag van Brussel nopens de waarde van goederen in douanezaken zegt: „de betaalde of te betalen prijs die voortvloeit uit een overeenkomst die op alle punten in overeenstemming is met de voorwaarden van de definitie [is] slechts de praktische verwezenlijking ... van de conceptie zoals die in de definitie is uitgedrukt”.
Zodoende komen de tweede en derde „algemene” vraag, die uitsluitend zijn gesteld voor het geval dat de eerste vraag bevestigend moet worden beantwoord, niet aan de orde.
Ik kom thans tot de „meer bijzondere vragen”. Bij de weergave hiervan zal ik, evenals bij de „preambule”, de symbolen door eigennamen vervangen.
Aldus gewijzigd, luidt de eerste „meer bijzondere” vraag als volgt:
„Kan de door Caterpillar Tractor gefactureerde prijs (fob-vertrekhaven), met als enige aanpassing de kosten van levering aan Grimbergen, worden aangemerkt als de prijs die de douanewaarde in de zin van artikel 9 van verordening nr. 803/68 vormt, gelet op de in verordening nr. 603/72 neergelegde voorwaarde en kan men met name ervan uitgaan:
a)
dat die prijs, op het moment dat hij wordt bedongen, overeenstemt met de prijs bij een onder voorwaarden van vrije mededinging tot stand gekomen koop en verkoop tussen een koper en een verkoper die onafhankelijk van elkaar zijn?
b)
dat die verkopen geschieden aan een in het douanegebied van de Gemeenschap gevestigde koper?”
Een puntje van kritiek op de bewoording van deze vraag kan zijn, dat indien de fob-prijs die Caterpillar Tractor in rekening heeft gebracht, als basis moet dienen voor de waardebepaling, hierbij niet de kosten van de levering in Grimbergen zelf mogen worden geteld, maar alleen de kosten van de levering in de haven of op een andere plaats waar de goederen het douanegebied van de Gemeenschap zijn binnengekomen: zie de artikelen 1, lid 2, en 6 van verordening nr. 803/68.
Wat de subvragen a en b betreft, lijkt het mij aangewezen om, zoals de Commissie, eerst subvraag b te behandelen. Hierover zijn ter zitting gecompliceerde betogen gevoerd, maar zij is in feite heel eenvoudig.
In de considerans van verordening nr. 603/72 wordt onder meer overwogen dat:
Uit artikel 1 van verordening nr. 803/68 „mag worden afgeleid dat in het begrip normale prijs een verkoop besloten ligt welke de invoer van de goederen in het douanegebied van de Gemeenschap en hun opneming in het economisch verkeer van dat gebied beoogt;
... de feitelijke gegevens nodig voor de toepassing van de bovengenoemde beginselen in de praktijk slechts kunnen worden vastgesteld indien de betaalde of te betalen prijs die als grondslag voor de bepaling van de douanewaarde is aangegeven een prijs is voor een in het douanegebied van de Gemeenschap gevestigde koper; dat een koper geacht kan worden in dat douanegebied te zijn gevestigd indien hij aldaar zijn woonplaats of zijn bedrijfszetel heeft”.
Artikel 1 van de verordening bepaalt:
„Voor de toepassing van verordening (EEG) nr. 803/68 ... en onverminderd de andere in die verordening vermelde voorwaarden kan de betaalde of te betalen prijs slechts als douanewaarde worden aanvaard indien die prijs is overeengekomen bij een verkoop aan een in het douanegebied van de Gemeenschap gevestigde koper”.
De bij een transactie betaalde of te betalen prijs kan dus slechts als grondslag voor de bepaling van de douanewaarde van goederen dienen als:
1.
er sprake is van koop en verkoop;
2.
de koper in het douanegebied van de Gemeenschap is gevestigd; hij wordt geacht aldaar gevestigd te zijn „indien hij aldaar zijn woonplaats of zijn bedrijfszetel heeft”.
Uiteraard ben ik het met de Commissie eens dat een dergelijke bedrijfszetel een werkelijk centrum van handelsactiviteiten moet zijn en niet een wat de Commissie „établissement fictif” noemt. Op grond van de verwijzing naar de vaststelling van „de feitelijke gegevens nodig voor de toepassing van de bovengenoemde beginselen” in de considerans, stelt de Commissie dat de desbetreffende bedrijfszetel een zetel moet zijn waar voldoende boeken en bescheiden aanwezig zijn om de douane in staat te stellen de haar verstrekte gegevens over de betaalde of te betalen prijs te verifiëren. Het is zeer aannemelijk dat de opstellers van de verordening iets dergelijks voor ogen stond, maar ik geloof niet dat uit de karige bewoordingen van de verordening met betrekking tot het voeren van een boekhouding een duidelijke eis kan worden afgeleid die nauwkeurig genoeg is om rechtsgevolg te hebben. Uit de woorden van de verordening kan mijns inziens echter wel worden afgeleid dat, nu de onderhavige bedrijfszetel een filiaal is, de verkoop voor rekening van deze vestiging moet zijn om aan de eisen van de verordening te voldoen.
Door verweerder is betoogd dat in casu niet aan de vereisten van de verordening is voldaan, daar de koper, Caterpillar Overseas, een Zwitserse vennootschap is die, onder meer, haar hoofdkantoor en financiële dienst buiten de Gemeenschap heeft, en daar zij een dochteronderneming is van Caterpillar Tractor die ook buiten de Gemeenschap is gevestigd. Verweerder achtte het ontoereikend dat Caterpillar Overseas ook binnen de Gemeenschap een vestiging heeft, te weten Grimbergen.
Verweerder heeft echter niet ontkend dat Grimbergen een aan Caterpillar Overseas toebehorende vestiging (in de zin van een werkelijke bedrijfszetel) binnen de Gemeenschap was. Evenmin heeft hij gesteld dat een vennootschap voor de toepassing van verordening nr. 603/72 slechts één bedrijfszetel kan hebben.
Partijen verschillen derhalve niet van mening over de twee essentiële punten. De transacties tussen Caterpillar Tractor en Caterpillar Overseas zijn verkopen; en Caterpillar Overseas heeft een werkelijke bedrijfszetel binnen de Gemeenschap en is daarom aldaar gevestigd.
Ik hoef zodoende wel niet verder in te gaan op de subsidiaire vragen waarover opmerkingen zijn gemaakt, zoals de vraag of Grimbergen, zelfs als een zuiver filiaal van de Caterpillar Groep, voor de toepassing van verordening nr. 603/72 als „koper” kan worden beschouwd.
Ik kom nu tot subvraag a
Op een gegeven moment leek een van de argumenten van verweerder te zijn dat een koopovereenkomst tussen in zaken verbonden ondernemingen nooit de basis kon vormen voor een waardebepaling krachtens artikel 9 van verordening nr. 803/68. Ter zitting deelde verweerders raadsman ons op mijn vraag echter na enige aarzeling mee, dat deze bewering geen deel uitmaakte van verweerders betoog. Ook op dit punt bestaat dus eenstemmigheid en ik hoef hierbij dus niet lang stil te staan. Mijns inziens had de raadsman gewoonweg gelijk. Dat de verkoop tussen twee geassocieerde ondernemingen als basis voor de vaststelling van de waarde mag worden genomen, is uitdrukkelijk door de IDR aanvaard in zijn toelichtingen op het Verdrag van Brussel (zie hoofdstuk VIII van deze toelichtingen) en meer in het bijzonder in zijn „Studie nr. 5” (bijlage I bij de opmerkingen van de Commissie). Het is uitdrukkelijk aanvaard door het Bundesfinanzgericht in een arrest van 13 juli 1960 (VII 99/59 U), waarnaar Caterpillar Overseas heeft verwezen. Bovendien ligt het, zoals de Commissie naar voren bracht, besloten in de bewoordingen van de artikelen 2, lid 1, sub b, en 9, lid 1, sub b, van verordening nr. 803/68 zelf.
Caterpillar Overseas heeft gesteld dat de betaalde of te betalen prijs altijd als uitgangspunt moet worden genomen voor de vaststelling van de douanewaarde van goederen, tenzij er een bijzondere reden is om dit niet te doen. Ik vind dit een schokkende bewering. Neem de onderhavige feiten. Wij weten, althans men wil ons doen aannemen dat de winst van het concern gelijkelijk tussen Caterpillar Tractor en Caterpillar Overseas wordt verdeeld. Maar wij weten niet (en wij worden hierover in het ongewisse gelaten) of, als Caterpillar Tractor en Caterpillar Overseas los van elkaar zouden hebben gehandeld, een van hen in staat zou zijn geweest om zich van een groter aandeel in de winst te verzekeren. Pas bij ontkennende beantwoording van deze vraag — die uiteraard van feitelijke aard is — kan men zeggen dat aan de eis van artikel 9, lid 1, sub b, van verordening nr. 803/68 is voldaan, dat wil zeggen dat de door Caterpillar Overseas aan Caterpillar Tractor betaalde of te betalen prijs „op het ogenblik dat deze wordt overeengekomen, overeenstemt met prijzen welke zijn bedongen ingevolge een onder voorwaarden van vrije mededinging tot stand gekomen koop en verkoop tussen een koper en een verkoper die onafhankelijk van elkaar zijn”. Deze feitelijke vraag kan alleen door de bevoegde Belgische rechter worden beslist. Ik zal daarom geen beslag op uw tijd leggen voor een bespreking van het lijvige bewijs dat Caterpillar Overseas te dezen heeft aangedragen.
Voor zover ik kan nagaan, is er noch in het Verdrag van Brussel, noch in een van de publikaties van de IDR krachtens dat Verdrag steun te vinden voor de stelling van Caterpillar Overseas. In hoofdstuk VIII van zijn toelichtingen (op blz. 64/65) noemt de IDR integendeel onder „overeenkomsten die door hun aard tot prijzen kunnen leiden die niet als grondslag voor de waardebepaling worden aanvaard” onder meer „invoer door een met de leverancier in zaken verbonden firma (dochteronderneming ...)”, en over een koopovereenkomst tussen dergelijke geassocieerde ondernemingen zegt hij dat men „aan de hand van de feiten [moet] vaststellen of deze koop en verkoop niettemin kan worden beschouwd als een koop en verkoop waarbij een prijs is tot stand gekomen die als grondslag voor de waardebepaling kan worden aanvaard”. De structuur en de tekst van verordening nr. 803/68 pleiten mijns inziens eveneens tegen de stelling van Caterpillar Overseas. Terwijl de artikelen 1 t/m 8 dwingend recht vormen is artikel 9 regelend recht. Artikel 9 is ook niet het enige dat een „praktische” methode geeft ter vaststelling van de normale prijs. Artikel 13, dat de vaststelling van „forfaitaire waarden” mogelijk maakt, voor sommige goederen, verschaft een alternatieve methode.
Ik zou daarom de eerste „meer bijzondere” vraag willen beantwoorden als volgt:
i)
Voor de toepassing van verordening (EEG) nr. 603/72 van de Commissie moet een verkoop door een vennootschap aan haar dochteronderneming als „verkoop aan een in het douanegebied van de Gemeenschap gevestigde koper” worden beschouwd, indien de dochteronderneming in dat douanegebied een vaste inrichting heeft in de zin van een werkelijke bedrijfszetel en de verkoop voor rekening van deze vestiging komt.
ii)
Of de bij een dergelijke koopovereenkomst betaalde of te betalen prijs „op het ogenblik dat deze wordt overeengekomen, overeenstemt met de prijzen welke zijn bedongen ingevolge een onder voorwaarden van vrije mededinging tot stand gekomen koop en verkoop tussen een koper en een verkoper die onafhankelijk van elkaar zijn” is een feitelijke vraag die, als hij voor een rechterlijke instantie van een Lid-Staat aan de orde wordt gesteld, door deze instantie moet worden beslist.
iii)
Als het antwoord op deze vraag bevestigend luidt en de koopovereenkomst binnen de in artikel 10 van verordening nr. 803/68 genoemde termijn ten uitvoer wordt gelegd, dan kan deze prijs, zonodig aangepast aan de omstandigheden van de koopovereenkomst die verschillen van de omstandigheden waarop de normale prijs is gebaseerd, als douanewaarde worden aanvaard.
iv)
Wanneer het gaat om een prijs fob-vertrekhaven, moet deze aldus worden- aangepast dat daaronder ook worden begrepen alle kosten, lasten en uitgaven voor de levering van de goederen naar de haven of andere plaats van binnenkomst in het douanegebied van de Gemeenschap.
De tweede „meer bijzondere” vraag luidt als volgt:
„Indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord, kan de douanewaarde in casu worden vastgesteld op basis van de aan de distributeurs of aan bepaalde-andere klanten in rekening gebrachte prijzen, met dien verstande dat die prijzen kunnen verschillen naar gelang het handelsniveau van die verkrijgers?”
Daar het antwoord op de eerste „meer bijzondere” vraag mijns inziens noch ontkennend noch bevestigend is, meen ik dat het Hof ook op deze tweede vraag moet ingaan.
Zij is gebaseerd op de veronderstelling dat de terugrekenmethode om tot de normale prijs te komen, slechts mag worden toegepast als de betaalde of te betalen prijs niet als grondslag voor de waardebepaling kan worden aanvaard. Na enige aarzeling ben ik tot de conclusie gekomen dat dit juist is, zij het dat ik het met de Commissie eens ben dat, waar het gaat om een koopovereenkomst tussen in zaken verbonden ondernemingen, de „terugrekenmethode” ook mag worden gebruikt om te controleren of de betaalde of te betalen prijs betrouwbaar is. Zomin in verordening nr. 803/68 als in het Verdrag van Brussel wordt de terugrekenmethode genoemd; hieruit mag worden afgeleid dat de methode een laatste redmiddel is. De IDR schijnt deze opvatting te delen. Zijn mening over het gebruik van de terugrekenmethode in geval van importen waarbij twee in zaken verbonden firma's zijn betrokken, wordt in de punten 7 tot en met 9 van zijn Studie nr. 5 samengevat. Zij schijnt hierop neer te komen dat de terugrekenmethode alleen de aangewezen methode is:
a)
wanneer de taken van de importeur eerder verwant zijn aan die van een vertegenwoordiger dan aan die van een koperwederverkoper of wanneer, hoewel hij als koperwederverkoper optreedt, deze bezigheden niet rendabel door een onafhankelijke handelaar zouden kunnen worden uitgevoerd (zodat aan de importeur, om in het jargon van de IDR te spreken, geen „niveau” kan worden toegekend) ;
b)
wanneer de importeur als koperwederverkoper optreedt en hij dit onder voorwaarden van vrije mededinging rendabel zou kunnen doen, maaide door hem betaalde of te betalen prijs niet kan worden geacht niet door de bijzondere relatie tussen koper en verkoper te zijn beïnvloed, noch kan worden gezegd dat „de invloed eenvoudig vast te stellen en te kwalificeren is en de situatie stabiel blijft”.
Hoewel verweerder heeft laten doorschemeren dat zijns inziens de vraag of Caterpillar Overseas een „niveau kan worden toegekend”, irrelevant is, heeft niemand in deze zaak gesuggereerd dat de taken van Caterpillar Overseas verwant zijn aan die van een vertegenwoordiger of dat haar taken onder voorwaarden van vrije mededinging niet commercieel levensvatbaar zouden zijn.
Ik zou derhalve op de tweede „meer bijzondere” vraag willen antwoorden dat wanneer de betaalde of te betalen prijs niet als basis voor de waardebepaling kan worden aanvaard, de douanewaarde mag worden vastgesteld op basis van de door de importerende dochteronderneming aan haar eigen klanten berekende prijzen. Op de omstandigheid dat deze prijzen kunnen veschillen naar gelang van het handelsniveau van de klanten ga ik eerst in bij mijn antwoord op de derde „meer bijzondere” vraag.
Deze vraag luidt als volgt:
„Indien op de tweede vraag bevestigend wordt geantwoord, moet met het oog op de eventuele aftrek van de overeenkomstig de in die vraag bedoelde methode vastgestelde prijzen rekening worden gehouden met:
a)
de kosten van opslag en bewaring van de goederen,
b)
de andere uitgaven die inherent zijn aan de werkzaamheden van Grimbergen,
c)
een bedrag ter hoogte van de aan de werkzaamheden van Grimbergen toe te rekenen commerciële winst?”
De Rechtbank wil met andere woorden weten welke posten bij toepassing van de terugrekenmethode moeten worden afgetrokken van de door Grimbergen aan haar klanten berekende prijzen, om weer tot de normale prijs te komen.
Over punt a van de vraag van de Rechtbank bestaat geen geschil. Zowel verweerder als de Commissie geven toe dat de kosten van opslag en bewaring van de goederen te Grimbergen aftrekbaar zíjn. Dit is in overeenstemming met het arrest van het Hof in de zaak-Enka en kan verder onbesproken blijven.
Ten aanzien van punt b hebben zowel verweerder als de Commissie in de loop van de procedure hun opstelling gewijzigd. In zijn schriftelijke opmerkingen stelde verweerder dat naast de onder punt a genoemde kosten niets kon worden afgetrokken. Ter zitting gaf verweerder echter toe dat de kosten van de, in de richtlijn van de Raad nr. 71/235/EEG opgesomde, „gebruikelijke behandelingen” ook konden worden afgetrokken. In haar schriftelijke opmerkingen zei de Commissie dat de enige kosten die naast die van punt a konden worden afgetrokken, de kosten van de in die richtlijn genoemde „behandelingen” waren. Ter zitting aanvaardde de Commissie echter dat indien andere uitgaven die Grimbergen na de import heeft moeten doen in de bij wederverkoop bedongen prijzen werden doorberekend, de logica van de terugrekenmethode gebiedt, dat deze uitgaven ook worden afgetrokken. Dit gewijzigd inzicht van de Commissie is mijns inziens juist. Ik twijfel er niet aan dat de in de richtlijn opgesomde kosten voor „behandelingen” aftrekbaar zijn, maar de richtlijn beoogt blijkens de considerans slechts de gebruikelijke behandelingen die in douane-entrepôts en vrije zones kunnen worden verricht, te specificeren. Het onderhavige probleem omvat echter meer. Vastgesteld moet worden welke kosten een onafhankelijke handelaar met dezelfde commerciële functie als Grimbergen na invoer (dat wil zeggen na een volgens de bepalingen van de artikelen 1 t/m 8 van verordening nr. 803/68 verrichte invoer) zou hebben gemaakt en in de prijs die hij van zijn klanten bedong, zou hebben doorberekend.
Ten slotte punt c: „een bedrag ter hoogte van de aan de werkzaamheden van Grimbergen toe te rekenen commerciële winst”. Verweerder betwist dat een dergelijk bedrag aftrekbaar is. De opmerkingen van de Commissie op dit punt waren zowel kort als duister gesteld, maar ik heb daaruit opgemaakt dat de Commissie onder bepaalde omstandigheden zou erkennen dat een dergelijk bedrag mag worden afgetrokken. De mening van de IDR, zoals uitgedrukt in punt 9 van zijn Studie nr. 5, is echter duidelijk. Hij meent dat „in dat geval” (d.w.z. wanneer de door de koperwederverkoper betaalde of te betalen prijs niet als basis voor de waardebepaling kan worden aanvaard) „de wederverkoopprijzen dienen te worden aangepast door aftrek van de toepasselijke winstmarge of een equivalent daarvan om tot het juiste niveau voor de waardebepaling te komen” (zie ook de punten 21 en 22 van de Studie). Dit moet mijns inziens juist zijn, want de essentie van de terugrekenmethode die in een dergelijk geval wordt toegepast, is dat de normale prijs wordt berekend door van de wederverkoopprijzen al die posten af te trekken die in het geval van een onafhankelijke handelaar die importeert krachtens een overeenkomst die aan de voorwaarden van de artikelen 1 t/m 8 voldoet, het verschil zou vormen tussen zijn prijzen bij wederverkoop en de door hem aan zijn buitenlandse leverancier betaalde prijs. De enige verfijning die hierop moet worden aangebracht is dat de desbetreffende marge zal verschillen naar gelang van het commerciële niveau van de klant aan wie wordt verkocht.
Samenvattend zou ik daarom op de derde „meer bijzondere” vraag willen antwoorden dat met al de hierin genoemde posten rekening moet worden gehouden bij de toepassing van de terugrekenmethode en dat bij de berekening van de aftrekbare winstmarge sub c, het commerciële niveau van iedere klant in aanmerking moet worden genomen.
( 1 ) Vertaald uit het Engels.
Full & Egal Universal Law Academy