CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL J.-P. WARNER
VAN 28 FEBRUARI 1980 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
In de onderhavige zaak lijkt het mij om twee redenen niet juist, uw Hof om een voorbereidingstijd voor mijn conclusie te verzoeken.
De eerste is het spoedeisend karakter van de zaak zelf. De verwijzing werd dooide voorzitter van het College van Beroep voor het Bedrijfsleven gelast in een procedure in kort geding. Hij heeft de verzochte voorlopige voorziening getroffen zodat de toewijzing van het Nederlandse aandeel van het betrokken „GATT-quotum” is geschorst. Het College heeft ons derhalve verzocht, snel te beslissen.
In de tweede plaats komt het mij, in weerwil van het moedige betoog van verzoeksters raadsman van heden middag, voor dat het antwoord op de door de voorzitter van het College aan uw Hof voorgelegde vraag moet worden gevonden in 's Hofs arrest in zaak 35/79, de tweede Grosoli-zaak, hetwelk werd gewezen op 23 januari 1980, dat wil zeggen nadat de verwijzingsbeschikking in de onderhavige zaak was gegeven en ook nadat de schriftelijke behandeling hiervan was voltooid.
De enige moeilijkheid die ik kan zien is te wijten aan de tekst van de door de voorzitter van het College aan het Hof voorgelegde vraag. Daarin wordt gezegd dat in de door het Produktschap (verweerder) gehanteerde verdelingsregeling een deel van het contingent „is voorbehouden aan de verwerkende industrie”. Hierdoor lijkt het alsof wellicht inbreuk is gemaakt op de beslissing van het Hof in zaak 131/73, de eerste Grosoli-zank (Jurispr. 1973, blz. 1555). In feite, zo werd ons ter zitting verklaard, houdt de betrokken regeling eenvoudig in dat het Nederlandse aandeel van het contingent wordt toegewezen aan handelaren op basis van hun gemiddelde importen in de drie voorafgaande jaren, exclusief de importen die volledig vrij van heffing zijn verricht, tenzij zij ingevolge het GATTcontingent zelf hebben plaatsgevonden. Dit betekent dat importen die door of voor de verwerkende industrie zijn verricht tegen een verlaagde heffing krachtens artikel 14, lid 1, sub b, van 's Raads verordening (EEG) nr. 805/68 (zoals gewijzigd bij 's Raads verordening (EEG) nr. 425/77) worden meegeteld. Dit houdt uiteraard geen willekeurige discriminatie in tegen handelaren in de positie van verzoekster. De verwerkende industrie zou zich met recht kunnen beklagen over discriminatie indien haar importen krachtens artikel 14, lid 1, sub b niet werden meegeteld.
Ik concludeer dan ook dat u, voor zover passend in navolging van 's Hofs beslissing in de tweede Grosoli-zaak, op de door de voorzitter van het College aan uw Hof voorgelegde vraag moet antwoorden dat noch artikel 3, lid 1, van 's Raads verordening nr. 3063/78, noch enige andere regel of bepaling van gemeenschapsrecht verbiedt dat een nationale instantie waarop de verplichting rust om een gedeelte van het bij deze verordening geopende quotum toe te wijzen, zulks doet op basis van de door de betrokken handelaren in voorafgaande jaren verrichte importen, met inbegrip van overeenkomstig artikel 14, lid 1, sub b van verordening nr. 805/68 (zoals nadien gewijzigd) verrichte importen, zolang de door die instantie gehanteerde regeling niet de toepassing van willekeurige criteria tussen deze handelaren met zich meebrengt.
( 1 ) Vertaald uit liet Engels.
Full & Egal Universal Law Academy