CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL H. MAYRAS
VAN 22 MEI 1980 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne beren Rechters,
I —
Verzoeker, die de Luxemburgse nationaliteit bezit, trad op 1 oktober 1954 in dienst bij de Hoge Autoriteit van de EGKS. Volgens een „nota voor het dossier”, die op 13 oktober 1978 in aanwezigheid van betrokkene werd opgesteld maar die hem niet werd overhandigd, was zijn plaats van herkomst Luxemburg. In werkelijkheid woonde hij bij zijn aanstelling te Dudelange, een plaats die minder dan 25 km van de hoofdstad is verwijderd. Op 10 september 1962 werd hij benoemd tot ambtenaar in vaste dienst van de EGKS. Bij brief van 1 juli 1968 van de directeur-generaal van de directie „Personeelszaken en algemeen beheer” werd hij bij deze directie te Brussel tewerkgesteld. Naar aanleiding van deze „benoeming” veranderde betrokkenes standplaats uiterlijk per 5 november 1968 en werd hem na zijn verhuizing naar Brussel de ontheemdingstoelage toegekend als bedoeld in artikel 4 van bijlage VII bij het Personeelsstatuut van de EGKS van 1 januari 1962.
Ongeveer tien jaar later — op 14 april 1978 — maakte betrokkene aan het hoofd van de afdeling „Individuele rechten en voorrechten” te Brussel zijn wens kenbaar naar Luxemburg te worden overgeplaatst met behoud van de „ont-heemdingspremie”. Laatstgenoemde antwoordde op 20 april daaropvolgende dat deze toelage in dat geval zou worden ingetrokken, tenzij hij zich zou vestigen in een plaats welke meer dan 25 km was verwijderd van Dudelange, de plaats waar hij voor zijn indiensttreding woonachtig was, zulks overeenkomstig artikel 9, sub b, van het Algemeen Reglement van de EGKS, juncto artikel 97, lid 4, van het Ambtenarenstatuut van de EGKS, die krachtens artikel 2, laatste alinea, van verordening nr. 259/68 van de Raad van 29 februari 1968 op hem van toepassing waren gebleven.
Op grond van deze informatie stelde verzoeker zich op 14 juni 1978 kandidaat voor een vacante functie te Luxemburg met verzoek om overplaatsing in de zin van artikel 29, lid 1, sub a, van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen. Hij motiveerde zijn keuze in een nota van 5 juli 1978, die zich niet onder de stukken bevindt. Op 8 augustus 1978 gaf het hoofd van de afdeling „Individuele rechten en voorrechten” betrokkene toestemming, op 1 oktober 1978 zijn functie te Luxemburg te aanvaarden. Op 21 augustus 1978 beval het directoraat-generaal XX „Financiële controle” het hoofd van de afdeling „Personeelszaken” te Luxemburg betrokkenes overplaatsing per 1 oktober 1978 aan, nadat het directoraat „Personeelszaken” en het directoraat-generaal „Personeelszaken en algemeen beheer” te Brussel daarvoor hun goedkeuring hadden gegeven. Verzoeker werd inderdaad met ingang van deze datum overgeplaatst naar de gespecialiseerde dienst „Beheer van de kredieten, gebouwen, inkoop” te Luxemburg.
Bovengenoemde „nota voor het dossier” van 13 oktober 1978 vermeldt dat hij geen recht had op de ontheemdingstoelage noch op de toelage voor verblijf in het buitenland. Dezelfde dag verzocht verzoeker het hoofd van de afdeling Personeelszaken te Luxemburg, het nodige te ondernemen opdat hem de ontheemdingstoelage zou worden toegekend: na zijn overplaatsing naar Luxemburg had hij namelijk zijn „woonplaats” gevestigd te Ehnen, een plaats die minder dan 25 km hemelsbreed verwijderd is van Luxemburg, maar meer dan 25 km van Dudelange; derhalve dacht hij te voldoen aan de in de nota van het hoofd van de afdeling „Individuele rechten en voorrechten” te Brussel van 20 april 1978 gestelde voorwaarden.
Op 12 februari 1979 werd zijn verzoek door het hoofd van de afdeling Personeelszaken te Luxemburg afgewezen: betrokkene voldeed namelijk noch aan de bepalingen van artikel 4, lid 1, sub b, van bijlage VII van het Statuut, waarin de voorwaarden voor toekenning van de ontheemdingstoelage zijn vastgesteld, noch aan de bepalingen van de artikelen 97, lid 4, 47, lid 3, van het oude EGKS-Statuut en artikel 9, sub b, van het Algemeen Reglement van de EGKS, betreffende de separatievergoeding. Volgens het EGKS-Statuut van 1956 werd deze vergoeding slechts toegekend aan de ambtenaren die vóór hun indiensttreding blijvend en sedert meer dan zes maanden woonachtig waren in een plaats, die meer dan 25 km van de zetel van de instelling was verwijderd. Vóór zijn indiensttreding woonde verzoeker echter te Dudelange, een plaats die minder dan 25 km van de zetel van de voormalige Hoge Autoriteit van de EGKS is verwijderd. Bovendien was Ehnen verzoekers „privé-verblijfplaats” en niet zijn „woonplaats”.
Op 19 februari 1979 diende betrokkene tegen de afwijzing van zijn verzoek en tegen wat hij noemde het „besluit tot intrekking van de ontheemdingstoelage” een klacht in als bedoeld in artikel 90 van het Statuut. Hij betoogde inzonderheid dat indien hij tengevolge van zijn overplaatsing naar Luxemburg de ontheemdingstoelage had moeten verliezen, hij nooit overplaatsing zou hebben aangevraagd. Bovendien zou hij wegens zijn overplaatsing zijn huis in België met een verlies van BFR 1500000 op de huidige waarde hebben moeten verkopen en reeds een bedrag van BFR 4000000 hebben geïnvesteerd in een bouwprojekt te Ehnen, waarvan de kosten BFR 9200000 beliepen.
Op 5 juli 1979 zond betrokkene de directeur Personeelszaken te Brussel een nota, waarin hij onder meer verklaarde al zijn onderhandelingen om van de BHW te Hameln een lening te verkrijgen voor de aankoop van het huis te Ehnen waarin hij sedert zijn terugkeer naar Luxemburg woonde en van een bouwterrein in dezelfde plaats, reeds voor zijn vertrek uit Brussel te hebben gevoerd in de overtuiging dat hij de ontheemdingstoelage zou behouden. De intrekking van deze toelage zou een verzwaring betekenen van de voorwaarden van zijn lening — in Duitse marken — bij voornoemd orgaan (een instelling die zonder onderscheid naar nationaliteit, bouwspaarovereenkomsten afsluit met een groot aantal ambtenaren van de Europese instellingen).
Het onderhavige beroep strekt tot nietigverklaring van het formele besluit van het met personeelszaken belaste lid van de Commissie van 29 juni 1979 tot afwijzing van verzoekers klacht. Subsidiair vordert verzoeker toekenning van LFR 5250000 vermeerderd met interessen, als vergoeding voor de schade die hij tengevolge van de administratieve fout van de Commissie zou hebben geleden.
II —
Artikel 97, lid 4, van het EGKS-Statuut van 1962 bepaalt: „indien de in artikel 93 bedoelde ambtenaar als gevolg van een wijziging van zijn standplaats niet meer voldoet aan de voorwaarden van artikel 4 van bijlage VII voor toekenning van de ontheemdingstoelage, blijft hij niettemin in het genot dezer toelage indien hij op grond van het oude personeelsstatuut van de EGKS recht zou hebben op separatievergoeding.”
1.
Zoals advocaat-generaal Gand in zijn conclusie van 25 juni 1970 in de zaak-Chuffart (Jurispr. 1970, blz. 659) reeds duidelijk heeft uiteengezet, is artikel 97, lid 4, een overgangsbepaling; en een „bij de overgang naar een minder gunstige regeling gegeven overgangsbepaling heeft normaliter niet ten doel aan ambtenaren verdergaande rechten toe te kennen dan zij krachtens de afgeschafte regeling genoten.”
Het is niet mogelijk artikel 9, sub b, van het Algemeen Reglement van 1956 in theorie voor een ogenblik te laten herleven, noch om daaruit a contrario de regel af te leiden dat het recht op de in dat artikel voorziene separatievergoeding zelfs na 29 februari 1968zou blijven herleven, indien de ambtenaar zich in aansluiting op de toewijzing van een andere standplaats moest vestigen in een plaats welke meer dan 25 km verwijderd is van de plaats waar hij voor zijn indiensttreding woonachtig was. Artikel 2, laatste alinea, van verordening nr. 259/68 van 29 februari 1968 kan niet aldus worden uitgelegd, dat op grond daarvan bepalingen van twee opeenvolgende statutaire regelingen mogen worden gecombineerd.
2.
Bovendien is de Commissie van mening, dat verzoekers tewerkstelling te Luxemburg niet noodzakelijkerwijze betekende, dat deze zijn nieuwe verblijfplaats moest verleggen naar een plaats welke meer dan 25 km was verwijderd van de plaats waar hij woonde voordat hij voor het eerst in dienst trad. Op dit punt ben ik nog niet zo zeker: de vrijheid van vestiging moet eveneens gelden voor de ambtenaren van de Gemeenschappen, mits de plaats waar zij zich vestigen verenigbaar is met de normale uitoefening van hun beroepswerkzaamheden en ook al is deze vrijheid dikwijls afhankelijk van de omstandigheden op de huizenmarkt. Maar bij de keuze van de woonplaats moeten de mogelijke gevolgen daarvan voor de verdere toekenning van de separatievergoeding buiten beschouwing worden gelaten. Ik zou bereid zijn toe te geven, dat verzoeker zijn verblijfplaats wel te Ehnen had moeten vestigen, indien deze wijziging „in tempore non suspecto” was opgetreden, dat wil zeggen indien hij zich reeds vóór zijn overplaatsing naar Luxemburg had gevestigd in een plaats welke meer dari 25 km van Dudelange is verwijderd. Een eerste bewijs van de objectiviteit van de keuze van de woonplaats zou zijn geweest, dat verzoeker zijn plaats van herkomst zou hebben gewijzigd vóór de inwerkingtreding van verordening nr. 259/68. De bouw van verzoekers nieuwe huis was evenwel op de datum van zijn klacht nog niet voltooid.
Hoe het ook zij, verzoeker verkeert in de onjuiste veronderstelling dat hij zijn recht op de ontheemdingstoelage had kunnen behouden, enkel door zich te vestigen in een plaats welke meer dan 25 km is verwijderd van die waar hij vóór zijn indiensttreding bij de EGKS woonde: de separatievergoeding heeft hij nooit ontvangen en het recht op deze vergoeding is definitief vervallen. Het besluit tot intrekking van de ontheemdingstoelage met ingang van zijn wedertewerkstelling te Luxemburg lijkt mij dus in overeenstemming met het Statuut.
3.
Ten slotte is het zo, dat de verzoeker op 20 april 1978 verstrekte informatie op zijn minst voor meerdere uitlegging vatbaar was en dat dit te wijten was aan het tweehoofdige karakter van het directoraat-generaal „Personeelszaken en algemeen beheer”, dat is verdeeld over Brussel en Luxemburg, alsmede aan het dooreenlopen van de bevoegdheden van het hoofd van de afdeling „Individuele rechten en voorrechten” te Brussel en die van het hoofd van de afdeling „Personeelszaken” te Luxemburg.
Het Hof heeft (in de zaken Richez-Parise, Jurispr. 1970, blz. 325, en Fiehn, Jurispr. 1970, blz. 547) overwogen „dat een onjuiste uitlegging (van bepalingen in het Statuut) op zichzelf niet reeds een dienstfout oplevert”; voor het verstrekken van onjuiste gegevens kan de administratie derhalve alleen onder bepaalde omstandigheden aansprakelijk worden gesteld.
Ofschoon zij dit bestrijdt, heeft de Commissie mijns inziens zelf toegegeven dat deze onjuiste informatie een zekere aansprakelijkheid van haar diensten teweeg bracht, doordat zij uiteindelijk ervan heeft afgezien de over de maand oktober 1978 betaalde ontheemdingstoelage terug te vorderen. De verklaring van een lid van de afdeling Personeelszaken van 7 december 1979 (het beroep is ingeschreven op 29 oktober 1979), dat betrokkene reeds vóór 13 oktober 1978 zou zijn meegedeeld dat „toekenning van de ontheemdingstoelage ondanks de schriftelijke informatie van Brussel op grond van zijn persoonlijke omstandigheden niet mogelijk was”, lijkt mij aan deze bevinding niet af te doen.
Deze informatie vormt weliswaar geenszins een „besluit”, maar zij is afkomstig van het gezag dat bevoegd is uitspraak te doen over de verdere toekenning van de separatievergoeding aan de in artikel 93 van het oude EGKS-Statuut bedoelde ambtenaren, zoals ook blijkt uit de Personeelskoerier van 17 november 1977.
Anderzijds heeft verzoeker blijk gegeven van een op zijn minst overmatig vertrouwen; hij had inlichtingen moeten inwinnen bij de Administratie te Luxemburg, waaronder hij na zijn tewerkstelling in deze stad zou gaan vallen. Bovendien ben ik er niet geheel van overtuigd, dat hij niet enigszins overhaast te werk is gegaan bij zijn investeringen in onroerend goed, die bijna LFR 10000000 beliepen. In dat verband kan ik niet nalaten erop te wijzen, dat de door verweerster overgelegde leningsovereenkomst tussen verzoeker en de instantie die de lening heeft verstrekt, is gedateerd op 9 april en 22 mei 1979, terwijl het hoofd van de afdeling Personeelszaken te Luxemburg verzoeker reeds op 12 februari 1979 had meegedeeld dat de betrokken toelage zou worden ingetrokken. De verantwoordelijkheid ligt derhalve grotendeels bij beide partijen.
Gezien de omstandigheid dat de Commissie verzoeker de toelage voor een maand onverplicht heeft uitgekeerd, en de onzekerheid met betrekking tot zowel het bestaan van de schade als het oorzakelijk verband tussen de fout en de schade, komt het mij billijk voor de kosten geheel ten laste van de Commissie te brengen.
Ik concludeer dat het beroep zal worden verworpen en dat de kosten om de hierboven uiteengezette redenen ten laste van de Commissie zullen worden gebracht.
( 1 ) Vertaald uit het Frans.
Full & Egal Universal Law Academy