CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL
F. CAPOTORTI
VAN 30 SEPTEMBER 1982 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1.
In de zaken waarin ik thans heb te concluderen, gaat het allereerst om de gevolgen, aan 's Raads verordening nr. 3087 van 21 december 1978 verbonden voor ambtenaren, tewerkgesteld in de kleine stad Ispra, gelegen in de provincie Varese (Noord-Italië). Omstreden zijn met name twee kwesties: de vraag of de bij genoemde verordening vastgestelde nieuwe aanpassingscoëfficiënt op de kosten van levensonderhoud is afgestemd, en de dag waarop die coëfficiënt van kracht werd. In enkele zaken komen voorts de negatieve gevolgen ter sprake die voor de overmaking van een deel der bezoldiging naar het buitenland aan 's Raads verordeningen nrs. 3085 en 3086/78 verbonden zijn, maar daarover heeft het Hof zich, in voor de betrokken ambtenaren ongunstige zin, reeds uitgesproken in drie nog niet gepubliceerde arresten, op 4 februari 1982 gewezen in de zaken 817/79, 828/79 en 1253/79.
Ik geef nu eerst een korte samenvatting van het procesverloop der zaken waarin u zich thans hebt uit te spreken,
Zaak 158/79
A —
Bij schriftelijke klacht van 11 april 1979 heeft mevrouw M. Roumengous Carpentier, ambtenares van de Commissie, werkzaam op het Centrum voor Onderzoek te Ispra, haar salariëring volgens 'Raads voornoemde verordening nr. 3087/78 aangevochten, omdat de aanpassing van de coëfficiënt pas op 1 januari 1978 zou ingaan, zodat 1976 en 1977 er buiten vielen. De Commissie wees haar klacht af bij circulaire van 12 juli 1979, waarna mevrouw Roumengous op 11 oktober 1979 beroep in rechte heeft ingesteld, stellende verordening nr. 3087/78, c.q. het uitvoeringsbesluit der Commissie, onrechtmatig te achten. Zij wenst de verordening te haren aanzien niet-toepasselijk te zien verklaard; zij vordert nietigverklaring van de afrekening van het haar nog toekomende salaris en maakt aanspraak op een bedrag overeenkomende met een verhoging van de aanpassingscoëfficiënt met 6,4 % met ingang van 1 januari 1976, waarmede haar salaris had moeten worden verhoogd vanwege het feit dat het prijsniveau te Varese dat te Rome te boven gaat; voorts vordert zij interessen.
De Commissie heeft zich gesteld en een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen. De behandeling heeft aanvankelijk alleen die exceptie betroffen en, na de op 19 en 20 februari 1981 gehouden mondelinge behandeling, heeft de advocaat-generaal op 14 mei 1981 zijn conclusie genomen (Jurispr. 1981, blz. 1512). Bij beschikking van 30 juni 1981 heeft het Hof verstaan dat de exceptie tegelijk met de zaak ten principale zal worden uitgewezen. De procedure is toen hervat; de mondelinge behandeling heeft op 14 juli van dit jaar plaatsgevonden.
Zaak 737/79
B —
Op 26 maart en 6 april 1979 heeft D. Battaglia, werkzaam op het Centrum te Ispra, bij de Commissie twee schriftelijke klachten ingediend, waarin hij ertegen opkomt dat hem, bij de afrekening van januari 1979, de bedragen die hem in verband met de opwaardering van de aanpassingscoëfficiënt voor Italië (volgens genoemde verordening nr. 3087/78) nog toekwamen, met ingang van 1 januari 1978 en niet met ingang van 1 januari 1976 waren toegekend. Hij verzocht de Commissie om passende maatregelen ten compensatie van in 1976 en 1977 gederfde koopkracht. De Commissie beschikte — in haar voormelde circulaire van 12 juli 1979 — afwijzend, waarna Battaglia op 17 oktober 1979 beroep in rechte instelde tegen de Commissie, stellende die afwijzende beschikking en toepassing — te zijnen aanzien — van verordening nr. 3987/78 onrechtmatig te achten en concluderende tot:
a)
nietigverklaring van het besluit van de wederpartij om, bij de uitbetaling van de aan verzoeker verschuldigde achterstallige bedragen niet verder terug te gaan dan tot 1 januari 1978, en wel zulks ongeacht het niveau van de kosten van levensonderhoud in de provincie Varese;
b)
niet-toepasselijkverklaring te zijnen aanzien van verordening nr. 3087/78, voorzover daaraan slechts tot 1 januari 1978 terugwerkende kracht was toegekend;
c)
de vaststelling dat aan verzoeker over de jaren 1976 en 1977 een aanvulling op zijn salaris verschuldigd is, vast te stellen op grondslag van de kosten van levensonderhoud in de provincie Varese, met interessen;
d)
subsidiair: veroordeling van de wederpartij tot vergoeding van de hem opgekomen schade;
e)
meer subsidiair: de vaststelling dat de voorwaarden die tôt aanpassing der bezoldigingen hebben geleid, reeds in 1976 waren vervuld, zodat de Raad passende maatregelen had moeten nemen om te verzekeren dat aan de ambtenaren, zonder discriminatie, wordt uitbetaald hetgeen hun krachtens de artikelen 64 en 65 van het Statuut toekomt.
De Commissie achtte het beroep niet-ontvankelijk; het Hof stelde een mondelinge behandeling vast welke uitsluitend die exceptie heeft betroffen en op 14 mei 1981 heeft de advocaat-generaal te dien aanzien geconcludeerd. Bij beschikking van 30 juni 1981 heeft het Hof, evenals in de zaak Roumengous, verstaan dat de exceptie tegelijk met de zaak ten principale zal worden uitgewezen. De tweede fase van de mondelinge behandeling heeft ten slotte ter terechtzitting van 14 juli 1982 plaatsgevonden.
Zaak 543/79
C —
A. Birke, een eveneens op het Centrum te Ispra tewerkgestelde ambtenaar van de Gemeenschappen, heeft zich met twee schriftelijke klachten, gedagtekend 27 maart en 11 april 1979, tot de Commissie gewend; hij komt er in de eerste plaats tegen op dat zijn bezoldiging er door toepassing van verordeningen nrs. 3085 en 3086 aanzienlijk op achteruit is gegaan, terwijl de verhoging van de aanpassingscoëfficiënt — bij verordening nr. 3087 — niet ook de jaren 1976 en 1977 heeft betroffen. Met een nieuwe schriftelijke klacht van 21 juni 1979 (ingericht volgens het model waar- van een groot aantal op dezelfde standplaats tewerkgestelde ambtenaren zich heeft bediend), kwam Birke er tegen op dat verordeningen nrs. 3085 en 3086 op zijn bezoldiging werden toegepast, waarbij hij met name wees op de cosequenties, aan die verordeningen verbonden voor de wijze van overmaking van een deel der bezoldiging naar het buitenland.
De Commissie lichtte haar standpunt toe in twee brieven van 12 juli onderscheidenlijk 28 september 1979, waarin voor-.melde verzoeken werden afgewezen. Birke wendde zich toen tot ons Hof met een op 11 april 1979 ingediend, tegen Raad en Commissie gericht beroepschrift, waarin hij concludeert tot:
a)
nietigverklaring van de salarisafrekeningen over de maanden januariapril 1979 en van de op zijn klachten genomen besluiten van 12 juli en 28 september 1979;
b)
de verklaring voor recht dat hij aanspraak kan maken op een salaris dat aan de kosten van levensonderhoud in de provincie Varese, althans te Rome, geëvenredigd is, zulks te rekenen vanaf 1976;
c)
de verklaring voor recht dat hij voor de periode vanaf 1 april 1979 aanspraak kan maken op een salaris in lire dat ten minste overeenkomt met hetgeen hem in maart 1979 in lire werd uitbetaald, in aanmerking genomen het effect dat voor betalingen naar het buitenland volgens artikel 17, bijlage VII, van het Statuut op de totale bezoldiging uitgaat en de aanpassing van het niveau der bezoldigingen sedert 1 april 1979;
d)
subsidiair: de verklaring voor recht dat de aanpassing der bezoldiging aan de nieuwe criteria van verordening nrs. 3085 en 3086 dient te geschieden langs de weg van passende, aan toekomstige (effectieve) salarisverhogingen gerelateerde overgangsmaatregelen;
e)
meer subsidiair: de verklaring voor recht dat hij mag verlangen dat de nieuwe regeling op zijn salaris zal worden toegepast overeenkomstig de modaliteiten in artikel 4 van verordening nr. 3085 voor de pensioenen voorzien (i.e. met ingang van 1 oktober 1979, zo al niet met ingang van 1 april 1979, en met geleidelijke verlaging over een periode van tien maanden);
f)
in ieder geval: rectificatie — door de Commissie — van de hem toekomende bezoldiging in voege als voormeld en veroordeling van Commissie en Raad het verschil tussen het werkelijk betaalde en het verschuldigde bedrag — met interessen — uit te keren.
Raad en Commissie hebben ten exceptieve verklaard het beroep niet-ontvankelijk te achten. Het Hof volgde dezelfde gedragslijn als in de zaken Roumengous en Battaglia, dat wil zeggen het stelde een mondelinge behandeling vast, waarop uitsluitend de ontvankelijkheid ter discussie stond. Op 14 mei 1981 nam de advocaat-generaal in zoverre zijn conclusie. Bij arrest van 12 november 1981 verklaarde het Hof het beroep, voor zover tegen de Raad gericht, niet-ontvankelijk; voor zover diezelfde exceptie door de Commissie was opgeworpen, verklaarde het Hof „geen uitspraak te doen voordat partijen argumenten ten gronde hebben voorgedragen en de desbetreffende documenten hebben overgelegd” (Jurispr. 1981, blz. 2269, r.o. 30). Op 10 december 1981 heeft tenslotte de tweede fase van de mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarin alleen de Commissie als verwerende partij is opgetreden.
Zaak 799/79
D —
G. Brückner, een op het Centrum te Ispra tewerkgestelde ambtenaar van de Gemeenschap, heeft op 21 juni 1979, samen met een groot aantal andere ambtenaren, een tegen de Commissie gerichte schriftelijke klacht ingediend, waarin hij er tegen opkomt dat zijn bezoldiging er door toepassing van verordeningen nrs. 3085 en 3086 aanzienlijk op achteruit is gegaan. De klacht was van dezelfde strekking als Birke's voormelde, eveneens 21 juni 1979 gedagtekende klacht.
De Commissie lichtte in de reeds genoemde circulaires van 12 juli en 28 september 1979 haar houding toe en beschikte afwijzend op Brückners verzoeken. Brückner wendde zich toen bij op 12 november 1979 tegen Commissie en Raad gericht beroepschrift tot het Hof; zijn vorderingen komen goeddeels met die van Birke overeen; hij beklaagt zich echter niet over de salarisafrekening van januari 1979 en maakt daarom ook geen aanspraak op een salaris dat aan de kosten van levensonderhoud in de provincie Varese, althans te Rome, geëvenredigd is, te rekenen vanaf 1 januari 1976. De Raad verklaarde ten exceptieve het beroep niet-ontvankelijk te achten. Op 17 december 1979 vocht verzoeker alsnog de salarisafrekening over januari 1979 aan, waarin voor het eerst uitvoering was gegeven aan verordening nr. 3087. Bij nota van 11 februari 1980 verklaarde de Commissie deze aanvullende vordering niet-ontvankelijk te achten. Het Hof besloot de mondelinge behandeling tot de ontvankelijkheid te beperken, waarna de advocaat-generaal ter terechtzitting van 14 mei 1981 concludeerde. Bij arrest van 12 november 1981 (Jurispr. 1981, blz. 2689) verklaarde het Hof het tegen de Raad ingestelde beroep niet-ontvankelijk. Op 10 december 1981 heeft tenslotte de tweede fase van de mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarin alleen de Commissie als verwerende partij is opgetreden.
Gevoegde zaken 532, 534, 567, 600, 618 en 660/79)
E —
In gelijkluidende schriftelijke klachten, ingediend op 27 maart en 11 april 1979, kwamen de heren J. Amesz, R. Bauch, J. Flamm, H. Hoffmann, H. Knoeppel en H. Nijman, die als ambtenaren van de Gemeenschap op het Centrum voor Onderzoek te Ispra tewerkgesteld zijn, ertegen op dat hun werkelijke bezoldiging er door toepassing van verordening nrs. 3085 en 3086/78 aanzienlijk op achteruit is gegaan, terwijl de verhoging van de aanpassingscoëfficiënt — bij verordening nr. 3087 — niet ook de jaren 1976 en 1977 heeft betroffen. Met nieuwe schriftelijke klachten van 21 juni 1979 kwamen zij er voorts tegen op dat verordeningen nrs. 3085 en 3086/78 op hun bezoldiging werden toegepast, waarbij zij met name wezen op de consequenties, aan die verordeningen verbonden voor de wijze van overmaking van een deel der bezoldiging naar het buitenland. Hun grieven zijn dus dezelfde als de hiervoor besproken grief van A. Birke.
De Commissie lichtte haar standpunt toe in haar circulaire van 12 juli onderscheidenlijk 28 september 1979, waarin de verzoeken der ambtenaren werden afgewezen. Zij wendden zich toen tot het Hof met op 11 oktober 1979 ingediende, tegen Raad en Commissie gerichte beroepschriften, waarvan de conclusies goeddeels gelijkluidend zijn aan die van Birke. De Raad verklaarde ten exceptieve het beroep niet-ontvankelijk te achten. Bij beschikking van 10 november 1981 heeft het Hof de zes zaken, vanwege hun objectieve samenhang, voor de mondelinge behandeling en de uitspraak gevoegd. Bij afzonderlijke beschikking van dezelfde datum verklaarde het Hof vervolgens de zes beroepen, voorzover tegen de Raad gericht, niet-ontvankelijk. Op 10 december 1981 heeft — tussen verzoekers en de Commissie — de mondelinge behandeling plaatsgevonden.
2.
De eerste kwestie die wederom onze aandacht vraagt, is de ontvankelijkheid.
In de zaken Roumengous en Battaglia (158/79 en 737/79) blijf ik bij mijn conclusie van 14 mei 1981: ik acht de beroepen alleen ontvankelijk voorzover zij de aanpassingscoëfficiënt voor 1978 wensen te zien gewijzigd — cum sequelis —. In hun vordering tot wijziging van die coëfficiënt voor 1976 en 1977 acht ik betrokkenen niet-ontvankelijk op grond dat zij hun salarisafrekeningen over die periode niet tijdig hebben aangevochten (men zie hetgeen ik in die conclusie sub 16 en 18 heb gesteld). Met betrekking tot de ontvankelijkheid van het beroep van A. Birke kwam ik bij diezelfde gelegenheid tot de conclusie dat hij in zijn vordering betreffende de dag van ingang van de bij verordening nr. 3087/78 vastgestelde aanpassingscoëfficiënt niet kan worden ontvangen, omdt hij, zoals ook Roumengous en Battaglia, de salarisafrekeningen over 1976 en 1977 niet tijdig heeft aangevochten, terwijl hij volgens mijn vroegere conclusie in zijn vordering strekkende tot herziening van die coëfficënt al evenmin kan worden ontvangen omdat zijn klacht (waarin het alleen om de dag van inwerkingtreding ging) en zijn beroepschrift inhoudelijk niet overeenstemmen. Ik verwijs in zoverre naar hetgeen ik in de conclusie van 14 mei 1981 sub 17 heb opgemerkt. Kortom, Birke zou in zijn beroep slechts kunnen worden ontvangen voorzover het om de overmaking van een deel der bezoldiging naar het buitenland gaat. Ik handhaaf die opvatting, behoudens dat ik thans, in afwijking van hetgeen ik uw Hof op 14 mei 1981 in overweging gaf, Birke in zijn vordering ontvankelijk verklaard zou willen zien, voorzover hij nietigverklaring vordert van de afrekening van zijn salaris over de maand april 1979.
Wij zagen dat de beroepschriften van de heren Amesz, Bauch, Flamm, Hoffmann, Knoeppel en Nijman (gevoegde zaken nrs. 532, 534, 567, 600, 618 en 660/79) inhoudelijk nagenoeg gelijkluidend zijn aan het door Birke ingediende beroepschrift, terwijl de procedure ook eenzelfde verloop heeft gehad; vermeld zij nog dat de Commissie op dezelfde gronden als in de zaak Birke heeft gesteld ze niet ontvankelijk te achten. Ook in zoverre verwijs ik naar hetgeen ik op 14 mei 1981 met betrekking tot de ontvankelijkheid van Birkes beroep heb betoogd. Ook de heren Amesz c.s. kunnen
mijns inziens in hun beroepen alleen worden ontvangen voor zover het gaat om de overmaking van een deel van de bezoldiging naar het buitenland.
Bespreking vraagt nog de zaak Brückner (799/79), waarin ik mij op 14 mei 1981 — in zoverre — niet met zoveel woorden heb uitgesproken. Ik wijs erop dat de procedure, vergeleken met die in de zaak Birke en Amesz c.s., in zoverre een ander verloop heeft gehad dat:
a)
Brückner — in juni 1979 — bij de administratie alleen heeft geklaagd over de consequenties, aan toepassing van verordeningen nrs. 3085 en 3086 voor de overmaking van een deel der bezoldiging naar het buitenland verbonden;
b)
zijn beroep ook alleen de afrekening over april 1979 betreft, terwijl het gedeelte van het petitum dat de herziening van de aanpassingscoëfficiënt — en een eerdere dag van ingang van die coëfficiënt — betrof, met de pen is doorgehaald.
Er zij echter aan herinnerd dat Brückner bij brief van 27 december 1979 zijn beroep in rechte in zoverre heeft aangevuld dat hij ook de afrekening over januari 1979 (op grondslag van verordening nr. 3087/78) aanvecht, terwijl de Commissie bij brief van 11 februari 1980 ten exceptieve de niet-ontvankelijkheid van deze aanvullende eis heeft ingeroepen.
Gezien een en ander, acht ik Brückners beroep, voorzover de in januari 1979 toegepaste aanpassingscoëfficiënt betreffende, niet-ontvankelijk en wel allereerst omdat hij deze grief niet in zijn klacht heeft opgeworpen. Ware dit anders geweest dan zou zijn beklag te laat zijn gedaan, omdat er in juni sedert het beweerdelijk bezwarend besluit, i.e. sedert de afrekening over januari, meer dan drie maanden waren verlopen (men zie artikel 90, lid 2, eerste streepje, van het Statuut).
Ook met haar exceptie tegen de nieuwe verordening van 27 december 1979 heeft de Commissie het gelijk aan haar zijde: ook gezien de datum van het naar aanleiding van de klacht genomen besluit, is die vordering te laat ingesteld. Volgens artikel 91, lid 3, van het Statuut moet het beroep drie maanden daarna zijn ingesteld; in casu zijn er echter tussen dat besluit — van 12 juli 1979 — en de aanvullende vordering — van 27 december 1979 — meer dan vijf maanden verstreken.
3.
Ik zou thans willen overgaan tot bespreking van de zaken ten principale, met dien verstande dat ik allereerst zou willen stilstaan bij de aanpassingscoëfficiënt die op de ambtenaren van het Centrum voor Onderzoek te Ispra werd toegepast. Ik zal die kwestie heel in het algemeen bespreken, ongeacht hetgeen ik op dit punt met betrekking tot de ontvankelijkheid der verschillende beroepen heb opgemerkt. Met hun grieven is het verzoekers om twee dingen begonnen; in de eerste plaats wensen zij 's Raads verordening nr. 3087/78, waarbij de nieuwe aanpassingscoëfficiënt voor Italië werd vastgesteld op 146,4, met dien verstande dat zij een jaar eerder, namelijk op 1 januari 1978 toepasselijk zou worden, met ingang van 1 januari 1976 te zien toegepast. In de tweede plaats verlangen zij een wijziging van de coëfficiënt, in dier voege dat daarbij niet van de kosten van levensonderhoud in de hoofdstad zal worden uitgegaan, maar van de kosten van levensonderhoud in het gebied waar de ambtenaren tewerkgesteld zijn, in casu in de provincie Varese. De prijzen zouden er in de jaren 1976-1978 veel hoger zijn geweest dan te Rome.
Zij betwisten het besluit waarbij de Commissie hun bezoldiging — krachtens 's Raads verordening nr. 3087/78 — heeft vastgesteld, omdat er in die verordening een aantal fouten zou zijn begaan.
Met name achten zij geschonden: de artikelen 64 en 65 van het Statuut van de ambtenaren betreffende de geografische aanpassingscoëfficiënt, artikel 24 van het Statuut betreffende de bijstandsplicht, alsook het non-discriminatiebeginsel en de regelen welke eerbiediging van wezenlijke vormvoorschriften verlangen.
4.
Volgens artikel 64, lid 1, van het Statuut wordt „op de bezoldiging van de ambtenaar, uitgedrukt in Belgische franken, ... een aanpassingscoëfficiënt van meer dan, minder dan, of gelijk aan 100 % toegepast, naar gelang van de levensomstandigheden in de verschillende plaatsen van tewerkstelling.” Binnen een termijn van twee maanden beslist de Raad, volgens lid 2, „bij aanzienlijke wijziging van de kosten voor levensonderhoud ... welke maatregelen tot wijziging van de aanpassingscoëfficiënten dienen te worden getroffen, en zo nodig, of dit met terugwerkende kracht dient te geschieden.”
Verzoekers achten verordening nr. 3087/78 in strijd met artikel 64 omdat de sonderingen ter vaststelling van de wijzigingen der levensomstandigheden, die op hun beurt voor de aanpassingscoëfficiënt bepalend zijn, de hoofdstad, Rome, hebben betroffen en niet de provincie Varese, waar zij tewerkgesteld zijn. Voorts zou in strijd met artikel 65 de aanpassingscoëfficiënt niet tijdig, dat wil zeggen toen van een aanzienlijke stijging van de kosten van levensonderhoud bleek, zijn aangepast, en met name zou er in verordening nr. 3087/78, waarin de nieuwe coëfficiënt voor Italië met ingang van 1 januari 1978 van toepassing verklaard werd, geen rekening zijn gehouden met de omstandigheid dat de kosten van levensonderhoud in Italië, en vooral in de provincie Varese, reeds voordien sterk waren gestegen.
In de op artikel 64 van het Statuut gebaseerde grieven, komt de betekenis ter sprake van de in lid 1 van dat artikel ge- bezigde term „plaats van tewerkstelling”: is hier bedoeld de staat waar het kantoor gevestigd is waar de ambtenaar van de Gemeenschap zijn dienst verricht, dan wel de plaats waar dat kantoor zich bevindt? In het eerste geval kan dan nog zijn gedacht aan de kosten van levensonderhoud in de hoofdstad van de staat die, voor de levensstandaard in het gehele land representatief is te achten, maar ook aan de gemiddelde kosten van levensonderhoud in het gehele land. Vroeger heeft de Raad deze bepaling in die zin uitgelegd dat gedacht is aan de plaats van vestiging van het kantoor waar betrokkene zijn dienst verricht. Ik herinner er in dit verband aan dat er in 's Raads verordening nr. 1/67/EGKS, nr. 988/67/EEG en nr. 9/67/Euratom van 12 december 1967 twee coëfficiënten waren voorzien voor Frankrijk (130,5 % voor Parijs en een aantal departementen en 122,5 % voor het overige gedeelte van Frankrijk) en Italië (114 % voor Ispra en 114,5 % voor het overige gedeelte van Italië). In 's Raads verordening nr. 1748/68 van 29 oktober 1968 werd het verschil voor Frankrijk gehandhaafd in die zin dat de coëfficiënt voor Parijs en een aantal departementen 137,5 % en overigens 128,5 % zou bedragen. Pas in oktober 1968 onderscheidenlijk oktober 1969 werd het systeem voor Italië en Frankrijk verlaten (men zie 's Raads verordening nr. 95/70 van 19 januari 1970): in elk van beide Lid-Staten zou er met één enkele coëfficiënt worden gewerkt, zonder dat er met het (dikwijls aanmerkelijk) verschil in kosten van levensonderhoud in verschillende gebieden van hetzelfde land rekening werd gehouden. Met deze beleidswijziging zou zijn beoogd verschillen in bezoldiging binnen één en hetzelfde land te voorkomen. In werkelijkheid is het nieuwe systeem dikwijls in het voordeel van de ambtenaar, want in de hoofdstad gaan de kosten van levensonderhoud die in de rest van het land meestal te boven; dit verklaart dat het jarenlang heeft gefunctioneerd zonder in brede kringen van het personeel bezwaar te ontmoeten. De situatie in Italië is echter in zoverre een bijzondere, dat de kosten van levensonderhoud er niet alleen in de hoofdstad en de grote steden, maar ook in een aantal middelgrote en kleine steden, met name in het noorden — waar tegen 1970 een snelle en vergaande industriële ontwikkeling op gang kwam — hoger zijn dan elders. De economische crisis leidde ertoe dat deze situatie zich handhaafde, mèt sterke inflatie en sterke devaluatie van de lire; in bepaalde gebieden van het noorden bleef het levensonderhoud daardoor meer kosten dan te Rome.
Wat nu de uitlegging van artikel 64 van het Statuut betreft: ik geloof dat aldaar onder „plaats van tewerkstelling” is te verstaan de plaats waar de Gemeenschap haar kantoren heeft gevestigd en niet het land waar die kantoren zich bevinden. Vóór die opvatting pleiten een aantal argumenten. Gaat men met de tekst van het artikel te rade, dan is het mijns inziens van niet te onderschatten betekenis dat de term „plaats van tewerkstelling” preciezer en restrictiever is dan een algemene verwijzing naar de Lid-Staat waar de ambtenaar dienstdoet. Logischerwijze is het alleszins gerechtvaardigd dat er, als het om de vaststelling van de kosten van levensonderhoud gaat, met name gelet wordt op de stad waar de ambtenaar zijn werk heeft te verrichten; het gaat niet aan interregionale verschillen van ontwikkeling, die voor veel landen, en vooral voor de grootste landen, kenmerkend zijn, buiten beschouwing te laten. De gelijkheid van behandeling van het personeel zou ermee gemoeid zijn als de gelijkstelling van de plaats van tewerkstelling met het land van vestiging van het betrokken kantoor zou worden aanvaard. Slechts wie uitgaat van de levensomstandigheden ter plaatse waar dè kantoren gevestigd zijn, kan de bezoldiging op zodanige wijze vaststellen dat, ceteris paribus, aan alle ambtenaren, ongeacht het land waar zij hun dienst vervullen, evenveel koopkracht wordt gegarandeerd.
Anderzijds acht ik het arbitrair de bepaling in die zin uit te leggen dat de kosten van levensonderhoud op grondslag van de gegevens voor de hoofdsteden moeten worden bepaald. Dat zulk een uitlegging zich wist door te zetten, moet waarschijnlijk worden toegeschreven aan de omstandigheid dat de meeste kantoren van de Gemeenschap in de hoofdsteden der Lid-Staten zijn gelegen; wordt dan aan de kosten van levensonderhoud in de hoofdsteden gerefereerd, dan draagt zodanige referte een specifiek karakter: het zijn toevallig de kosten van levensonderhoud ter plaatse waar de ambtenaar dienst doet. Wie de in artikel 64 gebezigde term „plaats van tewerkstelling” zonder meer aan de hoofdsteden der Lid-Staten relateert, moet wel met letter en geest van de bepaling in strijd komen.
Men zou hiertegen kunnen inbrengen dat onmogelijk te allen tijde overal aan alle ambtenaren precies evenveel koopkracht kan worden gegarandeerd : de uitkomsten van het statistisch onderzoek zijn onvermijdelijk approximatief en de indiening en verwerking der gegevens is in technisch opzicht geen eenvoudige zaak. Er zij evenwel aan herinnerd dat er volgens genoemd artikel 65, lid 2, slechts tot aanpassing van de coëfficiënten behoeft te worden overgegaan wanneer de kosten van levensonderhoud aanzienlijk zijn gestegen. Daaruit mag worden afgeleid dat het de wetgever van de Gemeenschap, niet om een volkomen gelijke bezoldiging („identieke” koopkracht, ongeacht de plaats van tewerkstelling) begonnen is, maar om een salariëring die redelijkerwijs als wezenlijk dezelfde bezoldiging is te beschouwen in die zin, dat er ruimte blijft voor verschillen van bescheiden omvang.
Het behoeft wel nauwelijks betoog dat verordening nr. 3087/78 in het Statuut van de ambtenaren geen wijziging kan brengen. De verordening geeft er uitvoering aan en werd volgens de procedure van de artikelen 64, tweede alinea, en 65, lid 3, vastgesteld. Het beginsel dat de hiërarchie der rechtsbronnen wenst te zien inachtgenomen, brengt dan mede dat de verordening niet kan afwijken van regelen, vastgesteld bij het besluit waaraan de verordening uitvoering gaf.
5.
Hoe de aanpassingscoëfficiënt voor Italië, zoals zij bij verordening nr. 3087/78 werd vastgesteld, is berekend, blijkt uit de posita der Commissie en de door haar ten processe overgelegde stukken. Uitgegaan werd van een in 1975 verricht onderzoek, dat alleen de kosten van levensonderhoud in de hoofdsteden betrof, en van een in 1965-1967 verricht onderzoek naar het gezinsbudget, waarvan de uitkomsten voor Italië met behulp van op de ontwikkeling dier kosten te Rome gebaseerde statistische berekeningen zijn bijgewerkt. Anderzijds had het Bureau voor de statistiek van de Commissie in mei 1976 te Varese een enquête verricht, waarbij 230 posten in aanmerking zijn genomen (niet de huren en de kosten van verwarming en elektriciteit, die later afzonderlijk zijn onderzocht) en daarbij was gebleken dat het levensonderhoud te Varese meer kostte dan in de toen voor Italië geldende aanpassingscoefficiënt tot uitdrukking kwam. Terwijl die coëfficiënt 112,04% bedroeg waren de kosten van levensonderhoud te Varese tot 126,4 gestegen. Om de gegevens geheel vergelijkbaar te maken, moest bij het cijfer voor Rome 6,7 %, overeenkomende met het verschil in ontwikkeling van de kosten voor levensonderhoud in Italië en België — in juni 1976 —, worden opgeteld; het verschil tussen Rome en Varese blijkt dan 7,66 % te bedragen (112,04 + 6,7 = 118,74; 126,4 — 118,74 = 7,66). Het cijfer voor Varese moest verder, ingevolge het onderzoek naar de huren te Varese, van 126,4 worden verlaagd tot 121,5 (men zie de nota van het Bureau voor de statistiek van de Commissie van 17 augustus 1976, die als bijlage gevoegd is bij de opmerkingen van de Commissie van 12 januari 1982). Het verschil tussen Rome en Varese bedroeg dus uiteindelijk slechts 2,76 % ( = 121,5 — 118,74). Het was echter nog altijd een aanzienlijk verschil, dat evenwel werd verwaarloosd, toen men in verordening nr. 3087/78 een coëfficiënt vaststelde die uitsluitend aan de kosten van levensonderhoud in de hoofdstad was gerelateerd.
De uitkomsten van de onderzoeken van de Bureaus voor de statistiek van de Gemeenschappen vinden bevestiging in de resultaten van de enquêtes van het Italiaanse instituut voor de statistiek (ISTAT), dat ten aanzien van Rome en Varese tot de volgende verschillen kwam: uitgaande van een indexcijfer van 100 voor 1970, moest in 1976 de index voor Rome op 195,1 en die voor Varese op 199,4 worden gesteld; uitgaande van een indexcijfer van 100 voor 1976, moest de index in 1977 en 1978 voor Rome worden gesteld op 115,8 onderscheidenlijk 127,4 en voor Varese op 119,7 onderscheidenlijk 132,5 (men zie het telexbericht van de directeur-generaal van het ISTAT, dat als bijlage bij de opmerkingen van de Commissie van 12 januari 1982 is gevoegd).
Dat de Commissie met de handen in het haar heeft gezeten toen eind 1978 de aanpassingscoëfficiënt voor Italië moest worden herzien, blijkt ten duidelijkste uit een passage van de redengeving van het op 10 november 1978 door de Commissie bij de Raad ingediende voorstel dat tot verordening nr. 3087/78 zou leiden. In de zesde alinea lezen wij: „De Commissie wijst er anderzijds op dat het gebruik van één enkele correctiecoëfficiënt per land van tewerkstelling, in casu de hoofdstad, de ambtenaren met standplaats Ispra in een enigszins merkwaardige situatie plaatst: uit de beschikbare statistieken blijkt dat de ontwikkeling van de kosten van levensonderhoud te Rome minder snel zijn gestegen dan in de regio van Varese. Hieruit kan worden geconcludeerd dat het prijsniveau te Rome thans lager is dan te Varese. Een dergelijk verschijnsel komt in de negen Lid-Staten hoogst zelden voor. Derhalve zou te Ispra een speciale prijsenquête moeten worden gehouden gezien de grote concentratie van ambtenaren aldaar. De Commissie heeft er evenwel de voorkeur aangegeven op dit terrein geen nieuwe stappen te doen en zich te houden aan het besluit van de Raad van 1968 dat nadrukkelijk betrekking heeft op de prijsindices van de hoofdstad.”
Aan deze passage kunnen twee dingen worden afgelezen: de aanpassingscoëfficiënt voor Italië werd vastgesteld op grondslag van gegevens betreffende de prijsindices voor Rome, en blijkens de gegevens die het Bureau voor de statistiek van de Commissie voor de provincie Varese heeft ingewonnen, lagen de prijzen er in de periode van onderzoek (1976-1978) hoger dan te Rome. Maar met name trof mij de verlegenheid van , de Commissie die enerzijds vaststelt dat te Ispra dienstdoende ambtenaren door toepassing van een aanpassingscoëfficiënt die op grond van gegevens voor Rome was berekend, in ongunstige omstandigheden waren komen te verkeren — en tersluiks de mogelijkheid oppert voor Varese een afzonderlijke coëfficiënt te berekenen —, anderzijds uiteindelijk toch voorstelt de coëfficiënt voor de hoofdstad ook elders toe te passen, en wel zulks om geen andere reden dan dat zij aldus niet behoeft af te wijken van de weg die tevoren door de Raad was ingeslagen.
Deze gedragslijn acht ik in strijd met artikel 64, eerste alinea, van het Statuut van de ambtenaren, en ik meen voldoende te hebben uiteengezet waarom. Ik zou er alleen aan willen toevoegen dat artikel 65, lid 2, van hetzelfde Statuut, volgens hetwelk de coëfficiënten bij aanmerkelijke stijging van de kosten van levensonderhoud moeten worden aangepast, ook voor de uitlegging van genoemd artikel 64 houvast biedt. Dat de instellingen der Gemeenschap verplicht zijn voor de onderscheiden in één Lid-Staat gelegen standplaatsen verschillende aanpassingscoëfficiënten vast te stellen heeft, gezien artikel 65, te meer te gelden wanneer de kosten van levensonderhoud zich op één dier standplaatsen sterker wijzigen dan in de hoofdstad des lands, waarvan de economische omstandigheden ter berekening van de aanpassingscoëfficiënt in aanmerking werden genomen.
6.
Een tweede grief van verzoekers betreft het tijdstip waarop verordening nr. 3087/78 van toepassing is geworden. Wij zagen dat de nieuwe, bij die verordening vastgestelde aanpassingscoëfficiënt met ingang van 1 januari 1978 werd toegepast. Maar volgens verzoekers had het 1 januari 1976 moeten zijn, immers reeds in 1976 zijn de kosten van levensonderhoud sterk gestegen, zodat de coëfficiënt had moeten worden aangepast. De Raad heeft dit nagelaten, en zou daarmede in strijd zijn gekomen met artikel 65, lid 2, van het Statuut.
Ook deze grief komt mij gegrond voor. Uit de sonderingen van de Commissie blijkt dat de kosten van levensonderhoud te Rome en in nog sterkere mate te Varese ten opzichte van het niveau dier kosten te Brussel aanzienlijk waren gestegen. Men zie de rapporten van het Bureau van de statistiek van 17 en 29 juni 1976 en de nota van dat bureau van 17 augustus 1976. Ik merk nog op dat het ging om stijgingen met meer dan 2 %, zodat de Raad ontegenzeglijk tot aanpassing van de coëfficiënt gehouden was. Anderzijds zijn blijkens de prijsindex van het Italiaanse instituut voor de statistiek de kosten van levensonderhoud te Varese sterker gestegen dan te Rome (0,9 % meer) zodat het verschil nog — enigszins — toenam (men zie de ter terechtzitting van 14 juli 1982 overgelegde nota van het Bureau voor de statistiek van de Commissie de dato 28 juni 1982).
Volgens artikel 65, lid 2, heeft de Raad, naar wij weten, bij aanzienlijke wijziging van de kosten voor levensonderhoud, binnen een termijn van twee maanden te beslissen welke maatregelen tot wijziging van de aanpassingscoëfficiënt dienen te worden getroffen „en, zo nodig, of dit met terugwerkende kracht dient te geschieden.”
De Commissie schijnt aan te nemen dat in deze laatste zinsnede aan de Raad de volkomen discretionaire bevoegdheid wordt toegekend om maatregelen tot aanpassing van de coëfficiënten al dan niet met terugwerkende kracht te nemen, ook wanneer de kosten van levensonderhoud in enkele jaren tijds aanzienlijk zijn gestegen en die stijging pas naderhand is vastgesteld. Zulk een uitlegging verdraagt zich evenwel niet met het feit dat maatregelen tot aanpassing van de coëfficiënten dwingend zijn voorgeschreven en dat er aan de Raad een termijn van twee maanden (telkens ingaande wanneer zich een aanzienlijke wijziging van de kosten van levensonderhoud voordoet) is gesteld om te beslissen in voege als in de bepaling voorzien. Met andere woorden, als de administratie werkelijk gehouden is de coëfficiënten ten spoedigste aan te passen zodra de kosten van levensonderhoud een aanzienlijke wijziging ondergaan, is het bijwoord „zo nodig”, betrokken op de terugwerkende kracht van de aanpassingsmaatregel, in die zin te verstaan dat de Raad aan die aanpassing terugwerkende kracht moet toekennen wanneer zijn besluit te laat, i.e. na de termijn van artikel 65, lid 2, is genomen. Alleen in zulk een uitlegging wordt het doel der bepaling, waarin men aan alle ambtenaren, ongeacht hun standplaats, evenveel koopkracht heeft willen verzekeren, verwezenlijkt. Men bedenke dat aanpassingen van geografische coëfficiënten geen loonsverhogingen zijn en alleen dienen om er voor te zorgen dat de bezoldigingen van ambtenaren te Brussel met die van elders dienstdoende ambtenaren gelijke tred houden.
7.
Uitgezonderd mevrouw Roumengous, menen alle verzoekers voorts dat de Commisie de jegens de ambtenaren op haar rustende bijstandsplicht, omschreven in artikel 24 van het Statuut, niet is nagekomen, hetzij door bij de Raad een — in verordening nr. 3087/78 ongewijzigd overgenomen — voorstel in te dienen dat het verschil in kosten van levensonderhoud te Rome en te Varese geen recht deed wedervaren en bovendien de nieuwe coëfficiënt slechts tot 1 januari 1978 deed terugwerken, hetzij door zich naar die verordening te gedragen.
Deze grief is in beide opzichten ongegrond. Nadat in artikel 24 van het Statuut bepaald is dat „de Gemeenschappen ... bijstand aan de ambtenaar [verlenen]”, wordt in de eerste alinea bij wege Van voorbeeld (dit volgt uit het aan de opsomming voorafgaande woord „inzonderheid”) genoemd: bijstand bij rechtsvervolgingen van hen die zich hebben schuldig gemaakt aan vergrijpen tegen persoon of goed waaraan de ambtenaar of de leden van zijn gezin bloot staan. In de lijn van de daartoe strekkende verplichting is in de tweede alinea bepaald dat de schade die de ambtenaar door zulke feiten heeft geleden, hem door de Gemeenschappen wordt vergoed wanneer hij van degene die de schade heeft veroorzaakt geen vergoeding heeft kunnen verkrijgen, terwijl de derde alinea de door de Gemeenschappen te vergemakkelijken bij- en nascholing betreft. Wij hebben hier te maken met heel algemeen luidende bepalingen, die niet verder zijn uitgewerkt dan ik hiervoor heb gereleveerd. De op de Raad rustende plicht de geografische coëfficiënten aan te passen, is echter in zoverre specifiek van aard, dat er een speciale bepaling aan gewijd is (het reeds genoemde artikel 65, lid 2, van het Statuut). Het lijkt daarom onjuist artikel 24 van het Statuut erbij te pas te brengen en de verplichting de coëfficiënten tijdig, althans met de nodige retroactiviteit aan te passen — en de kosten van levensonderhoud op betrokkenes standplaats in aanmerking te nemen — er aan af te lezen.
Ik wijs er voorts op dat het Hof in het arrest, op 17 december 1981 gewezen in de zaak 178/80, Bellardi-Ricci e. a. t. Commissie (Jurispr. 1981, blz. 3187), artikel 24 in die zin heeft uitgelegd dat de bijstandsplicht „de verdediging van de ambtenaren door de instelling tegen handelingen van derden” betreft, „niet [die] tegen handelingen van de instelling zelf”, aangezien het toezicht daarop in andere bepalingen van het Statuut wordt geregeld (r. o. 23). Ik meen voor de in casu door mij voorgestane opvatting steun in deze overweging te vinden.
8.
Tenslotte beklagen alle verzoekers zich erover dat in verordening nr. 3087/78, waarin één enkele aanpassingscoëfficient voor Italië is vastgesteld, die pas op 1 januari 1978 inging, het beginsel ener gelijke behandeling zou zijn geschonden, omdat hetgeen de ambtenaren van het Centrum te Ispra aan bezoldiging ontvingen hun minder koopkracht in handen gaf dan waarover elders tewerkgestelde ambtenaren beschikten. Ik acht deze grief gegrond. De gelijke behandeling kwam echter reeds ter sprake bij mijn bespreking van de grief dat artikel 64 van het Statuut van de ambtenaren zou zijn geschonden, welk artikel, naar ik betoogde, in het licht van dat beginsel moet worden uitgelegd. De door mij in casu gesignaleerde schending van artikel 64 houdt dus tevens schending van bedoeld beginsel in.
9.
Mevrouw Roumengous acht verordening nr. 3087/78 onvoldoende gemotiveerd en dus met de wezenlijke vormvoorschriften in strijd. Ik acht die grief evenwel ongegrond. Het lijdt, gezien artikel 190 van het EEG-Verdrag, geen twijfel dat verordeningen met redenen omkleed moeten zijn; de hierbedoelde verordening is evenwel voldoende, zij het bondig, gemotiveerd. In de enige overweging van haar considerans lezen wij „dat de aanpassingscoëfficiënt voor Italië moet worden gewijzigd overeenkomstig de uitkomsten van de door het Bureau voor de statistiek van de Europese Gemeenschappen verrichte statistische studies”, waarmede op niet analytische wijze wordt verwezen naar de gegeven welke de Raad aan zijn beslissing ten grondslag heeft gelegd. De statistische bevindingen waren de ambtenaren te Varese waarschijnlijk ook zeer wel bekend, de vertegenwoordigers van hun vakorganisaties hadden ongeveer drie jaar lang onderhandeld over aanpassing van de coëfficiënt waartoe vervolgens in bedoelde verordening werd besloten. Anderzijds is in de considerans der verordening ook melding gemaakt van het voorstel der Commissie, waarvan de tekst met die van 's Raads verordening overeenstemt, en bij dat voorstel was een rapport gevoegd waarin de redenen die tot de maatregel aanleiding hadden gegeven, uitvoerig zijn toegelicht. Ik acht bij normatieve handelingen zulk een redengeving, getoetst aan genoemd artikel 190 van het EEG-Verdrag, voldoende.
Verzoekster Roumengous beklaagt zich er voorts over dat het besluit waarbij de Commissie haar klacht verwierp, haar niet individueel, maar per circulaire (voormeld rondschrijven van 12 juli 1979) is medegedeeld. Ook dit komt op schending van wezenlijke vormvoorschriften neer; ik acht de grief evenwel ongegrond. Men bedenke slechts dat de Commissie niet eens verplicht is met zoveel woorden op klachten te antwoorden en dat er in het Statuut geen bepaalde wijze van kennisgeving is voorzien. Er is nattuurlijk veel voor te zeggen dat de administratie in den regel aan de ambtenaren individueel mededeling doet van besluiten die hen aangaan. Dit komt ontegenzeglijk aan het contact met het personeel ten goede. Het wil evenwel niet zeggen dat mededeling van een op klachte gegeven beslissing bij circulaire niet door de beugel kan. Verzoekster heeft in ieder geval van de wijze waarop de Commissie van haar besluit mededeling heeft gedaan, geen nadeel ondervonden; het enige nadeel dat zij, in haar klaagschrift en in rechte, stelt te hebben geleden, zou uit de toepassing van verordening nr. 3087/78 zijn voortgevloeid.
10.
Verzoekers Birke, Bruckner, Amcsz, Bauch, Flamm, Hoffmann, Knoeppel en Nijman hebben zich er met betrekking tot de afrekening van hun salaris over de maand april 1979 voorts over beklaagd dat dat salaris wederrechtelijk zou zijn ingekort doordat er sinds verordeningen nrs. 3085 en 3086/78 aan de overmaking van een gedeelte der bezoldiging naar andere landen hogere kosten verbonden zijn.
In mijn conclusie van 14 mei 1981 heb ik de verschillende problemen die genoemde verordeningen deden rijzen, besproken. Naar mijn desbetreffende beschouwingen moge ik voor het normatief kader van (onder meer) de onderhavige zaken verwijzen. Ik zou thans alleen bij de regeling van de overmaking van een gedeelte der bezoldiging naar het buitenland willen stilstaan.
Er zij aan herinnerd dat verordening nr. 3085/78 wijziging bracht in twee bepalingen van het Statuut van de ambtenaren, en wel: in artikel 63 — betreffende de monetaire pariteiten — en in artikel 17 van bijlage VII — betreffende de overmaking van een deel der inkomsten naar het buitenland.
Volgens artikel 63 (oud), derde alinea, moest de niet in Belgische franken uitbetaalde bezoldiging worden berekend op basis van de op 1 januari 1965 geldende wisselkoersen van het Internationale Monetaire Fonds. Daarentegen luidt de bij verordening nr. 3085 geïntroduceerde nieuwe tekst van artikel 63, tweede alinea, als volgt: „De bezoldiging, uitbetaald in een andere valuta dan de Belgische frank, wordt berekend op basis van de wisselkoersen, die gebruikt worden voor de uitvoering van de algemene begroting der Europese Gemeenschappen op 1 juli 1978.” Deze wijziging die in hoofdzaak op een aanpassing van de wisselkoersen neerkomt, ging gepaard met de in verordening nr. 3086/78 voorziene wijziging der aanpassingscoëfficiënten.
Tot goed begrip van het verband tussen monetaire pariteiten en aanpassingscoëfficënten dient men te letten op het reeds genoemde artikel 64, van het Statuut, volgens hetwelk op de bezoldiging van de ambtenaar, uitgedrukt in Belgische franken, een aanpassingscoëfficient wordt toegepast naar gelang van de levensomstandigheden in de verschillende plaatsen van tewerkstelling. Dat er aan één van de elementen van het bezoldigingssysteem van vóór 1978 (de van de gangbare koersen sterk verschillende IMF-pariteiten) niet te tornen viel, had de Raad aanleiding gegeven de coëfficiënt te gebruiken als een variabele factor, waarmede op zodanige wijze kon worden gemanoeuvreerd dat ambtenaren, tewerkgesteld in landen met door inflatie gedevalueerde munteenheid, een bezoldiging werd gegarandeerd welke hun evenveel koopkracht bood als in België dienstdoende ambtenaren aan hun salaris ontleenden. Met zijn verordening nr. 3086 heeft de Raad deze situatie in die zin genormaliseerd dat er voor landen met hoge kosten van levensonderhoud hogere en voor landen met lagere kosten van levensonderhoud lagere coëfficiënten werden vastgesteld, waardoor de aanpassingscoëfficiënt wederom de rol kon spelen die er in het Statuut aanvankelijk aan was toegedacht.
Volgens de oude versie van artikel 17, lid 2, van bijlage VII van het Statuut, kon iedere ambtenaar — in de valuta van de Lid-Staat waarvan hij onderdaan is, c.q. in die van de Lid-Staten waarin hij zelf woonachtig is dan wel waar een gezinslid te zijnen laste verblijfplaats houdt — maandelijks een deel van zijn inkomsten overmaken. En in lid 4 werd nog bepaald dat zulke overmakingen geschiedden tegen de officiële wisselkoers op de dag van overmaking, welke koers vóór de inwerkingtreding van verordening nr. 3085 met de pariteit van het Internationale Monetaire Fonds samenviel. Voor de onderhavige zaken is nu van belang dat in artikel 17, lid 3 (nieuw) is bepaald dat zulke overmakingen geschieden „op basis van de in artikel 63, tweede alinea, van het Statuut bedoelde wisselkoersen” i. e. tegen de nieuwe wisselkoersen van artikel 63, zoals bij verordening nr. 3085 gewijzigd en dat «op de over te maken bedragen ... de coëfficiënt [wordt] toegepast die verkregen wordt door deling van de aanpassingscoëfficiënt voor het land in welks valuta de overmaking geschiedt door de aanpassingscoëfficiënt die is vastgesteld voor het land waarin de ambtenaar zijn standplaats heeft. Zoals ik in mijn conclusie van 14 mei heb betoogd, komt men dan, wat betreft de valuta's van landen met hoge inflatiepercentages, zoals Italië en het Verenigd Koninkrijk, uit op koersverhoudingen die ongeveer het midden houden tussen de IMF-pariteiten van 1965 en de dagkoers. In dezelfde conclusie heb ik er op gewezen dat de nieuwe overmakingsregeling de aan zulke transacties verbonden kosten sterk had doen stijgen, in die zin dat een ambtenaar, ter verkrijging van evenveel buitenlandse valuta als hij vroeger naar het buitenland overmaakte, op de plaats van tewerkstelling meer geld heeft uit te geven.
11.
Volgens verzoekers in de zaken 543/79 en in de gevoegde zaken 532, 534, 567, 600, 618 en 660/79 zouden de regelen volgens welke met ingang van de maand april 1979 de kosten worden bepaald die aan overmakingen van een deel der bezoldiging naar het buitenland verbonden zijn, aanvechtbaar zijn:
a)
wegens schending van wezenlijke vormvoorschriften: tijdens de procedure die aan de totstandkoming van verordening nr. 3085 voorafging zou het Europees Parlement niet zijn geraadpleegd;
b)
wegens schending van algemene beginselen van de communautaire rechtsorde, en wel met name van het gelijkheidsbeginsel en van het principe dat aan verkregen rechten niet mag worden getornd;
c)
wegens schending van de bijstandsplicht, in genoemd artikel 24 van het Statuut van de ambtenaren omschreven.
Aan de in de eerste plaats gesignaleerde gebreken heb ik, zowel in mijn reeds genoemde conclusie van 14 mei 1981 als in de conclusie, die ik op 14 januari 1982 heb genomen in de zaken 127/80 (Jurispr. 1982, blz. 886), 164/80 (Jurispr. 1982, blz. 930) en 167/80 (Jurispr. 1982, blz. 949), uitvoerige beschouwingen gewijd. De argumenten door verzoekers in de onderhavige zaken ontwikkeld, komen nagenoeg overeen met die waarop ik in genoemde conclusies inging. Ik meen derhalve te kunnen volstaan met een verwijzing naar hetgeen ik destijds, en wel met name in mijn conclusie van 14 mei 1981, met betrekking tot de regeling inzake de overmaking van een deel der bezoldiging naar het buitenland heb betoogd.
Anderzijds heeft het Hof zich onlangs in drie gelijkluidende, nog niet gepubliceerde, arresten van 4 februari 1982, gewezen in de zaken 817/79 (Buyl t. Commissie), 828/79 (Adam t. Commissie) en 1253/79 (Battaglia t. Commissie) over dit probleem uitgesproken. Het ging in die zaken uitsluitend om de overmaking van de bezoldiging naar het buitenland en de gevolgen, aan de nieuwe overmakingsregeling verbonden voor het bezoldigingspeil. Het Hof sprak uit dat verordening nr. 3085 na reguliere raadpleging van het Parlement was totstandgekomen, dat het verhoor van het Economisch en Sociaal Comité en van de Rekenkamer niet was voorgeschreven en dat er derhalve van de gestelde schending van wezenlijke vormvoorschriften geen sprake was. In de onderhavige procedure zijn geen nieuwe feiten of omstandigheden aan de dag getreden die mij aanleiding zouden kunnen geven van mijn destijds ingenomen standpunt — en van de koers die door ons Hof wordt ingeslagen — af te wijken.
12.
Onder inroeping van het gelijkheidsbeginsel stellen verzoekers dat de instellingen, toen zij het bezoldigingspeil en — met name — de wijze van overmaking van de bezoldiging naar het buitenland regelden in aanmerking hadden moeten nemen dat de ambtenaren hun inkomen niet alleen uitgeven in het land waar hun dienst gevestigd is, doch ook in andere staten. Dit zou met name gelden voor ambtenaren die hun arbeid elders dan in het land van herkomst hebben te verrichten; de instellingen zouden hen in staat moeten stellen om, naar het hun goeddunkt, hun gezin mee te nemen of elders te doen verblijven, hun kinderen in het vaderland te laten studeren dan wel in het land van tewerkstelling of in een derde land, enzovoorts. Door. voor dit alles te zorgen zou de Gemeenschap zich gedragen naar de verplichting om aan ambtenaren die elders dan in de staat van herkomst worden tewerkgesteld, een gelijke behandeling te verzekeren als aan ambtenaren die uit het land van tewerkstelling afkomstig zijn.
Nog altijd volgens verzoekers, zouden de voordelen die vóór april 1979 uit de regeling inzake de overmaking van een deel der bezoldiging naar het buitenland voortvloeiden, het de ambtenaren hebben mogelijk gemaakt om, zij het niet ten volle, aan voormelde behoeften te voldoen. De nieuwe, voor de ambtenaren nadeliger regeling van verordeningen nrs. 3085 en 3086 zou hen echter, wat dit betreft, in een ongunstiger positie hebben gebracht en de discriminatie tussen ambtenaren uit het land van tewerkstelling en ambtenaren uit andere landen, hebben geaccentueerd. Als strijdig met het gelijkheidsbeginsel, zouden de beide verordeningen derhalve als niet rechtsgeldig zijn te beschouwen.
Ik acht deze grief niet gegrond. In de regeling welke de rechtspositie van het personeel der Gemeenschappen beheerst, is geen bepaling of beginsel te vinden waarin aan ambtenaren het recht wordt toegekend om hun gezin buiten het land van tewerkstelling te doen verblijven, hun kinderen elders te laten studeren, elders een huis te verwerven, voor één en ander het nodige uit te geven enzovoorts, zonder zich daarbij voor zwaardere lasten geplaatst te zien dan ambtenaren die in het land van tewerkstelling aan dezelfde behoeften voldoen. Weliswaar worden de ambtenaar in een reeks statutaire bepalingen met het oog op de bevrediging van behoeften als voormeld faciliteiten verleend; behalve aan de regeling betreffende de overmaking van een deel der bezoldiging naar het buitenland tegen gunstiger koersen dan de dagkoers (artikel 17, lid 2 en lid 3, bijlage VII van het Statuut) denke men aan de ontheemdingstoelage (artikel 4, bijlage VII van het Statuut) en aan de inrichtingsvergoeding bij beëindiging van de dienst (artikel 6, bijlage VII van het Statuut). Een recht van de ambtenaar op een bezoldiging waaruit hij alle hierbedoelde behoeften kan voldoen, kan aan deze bijzondere bepalingen evenwel niet worden afgelezen. Maar als hij daarop geen recht heeft, gaat het niet aan te beweren dat verordeningen nrs. 3085 en 3086, alleen omdat zij wijziging brachten in de regeling betreffende de overmakingen, in zoverre discrimineren. Anderzijds dient, naar ik in mijn conclusie van 14 mei 1981 heb betoogd, te worden bedacht dat de koersen van de tegenwoordige overmakingsregeling altijd nog gunstiger zijn dan de marktkoers, zij het niet meer zo gunstig als voorheen.
13.
Bij de gestelde schending van verkregen rechten en van het beginsel dat eerbiediging van gewettigd vertrouwen verlangt, zal ik niet stilstaan; beide onderwerpen heb ik in de door mij reeds genoemde conclusie van 14 mei 1981 besproken en in beide gevallen luidde mijn slotsom dat de grief niet gegrond is.
Ik wees er reeds op dat volgens sommige verzoekers ook artikel 24 van het Statuut, waarin, naar wij weten, de op de overheid jegens haar ambtenaren rustende bijstandsplicht is omschreven, is geschonden. De Raad zou zich aan die schending hebben schuldig gemaakt, toen hij de overmakingsregeling wijzigde ir die zin dat er voor de ambtenaren zwaardere lasten aan verbonden zouden zijn, en die schending zou verordeningen nrs. 3085 en 3086/78 ongeldig maken. Met hetgeen ik hiervoor in mijn bespreking van een soortgelijke, tegen verordening nr. 3087/78 gerichte grief heb opgemerkt, meen ik evenwel te hebben aangetoond dat het voor wie meent dat er aan bedoelde verordeningen fouten kleven geen zin heeft er artikel 24 bij te pas te brengen. Ik wil er slechts aan toevoegen dat de overheid er op grond van de bijstandsplicht in geen geval toe gehouden kan worden geacht een onwettige, scheve, situatie, zoals die door de vroegere overmakingsregeling in het leven was geroepen, te handhaven; en dat de oude regeling tot ernstige ontwrichting aanleiding gaf, heb ik aangetoond in mijn conclusie van 14 mei 1981, waarnaar ik te dezen verwijs.
14.
Sommige verzoekers beklagen zich er subsidiair over dat men in verordening nr. 3085/78 voor de inwerkingtreding van de nieuwe overmakingsregeling niet een overgangsmaatregel heeft genomen, ter verzachting van de nadelen die uit de regeling voortvloeiden, in die zin dat die nadelen met toekomstige werkelijke salarisverhogingen werden gecompenseerd. Meer subsidiair wensen zij op de overmakingsregeling de overgangsbepalingen van toepassing te zien verklaard welke bij artikel 4 van verordening nr. 3085 voor de pensioenen in het leven werd geroepen. Ik herinner eraan dat deze bepaling de nieuwe regeling eerst met ingang van 1 oktober 1979 van toepassing verklaarde, op pensioenen en vergoedingen waarvan het nettobedrag een vermindering onderging, terwijl het verschil tussen de nettobedragen, zoals die uit de toepassing der nieuwe verordening voortvloeiden en die welke in de maand september 1979 werden ontvangen, met ingang van 1 oktober 1979 maandelijks met 1/10 werd verminderd.
Ik acht deze beide verzoeken ongegrond. Tot staving van het eerste verzoek, roepen verzoekers het beginsel in dat er aan verkregen rechten niet mag worden getornd; in mijn conclusie van 14 mei 1981 heb ik evenwel aangetoond dat dit beginsel niet van zo vergaande strekking is dat het in casu kan worden ingeroepen. Er zij aan herinnerd dat het Hof in zijn voormelde arresten van 4 februari 1982 de ingestelde beroepen, wat de overmaking van een gedeelte der bezoldiging naar het buitenland betreft, heeft verworpen, zonder aan dit ook toen door partijen te hunner verdediging aangevoerde argument enig belang toe te kennen. Ook voor zover verzoekers de eveneens bij verordening nr. 3085/78 voor de pensioenen gegeven overgangsregeling mede op de overmakingen van toepassing wensen te zien verklaard, verwijs ik naar mijn conclusie van 14 mei 1981, waarin ik betoogde dat de daartoe strekkende vorderingen niet kunnen worden toegewezen. Ik voeg daaraan toe, dat het Hof ten deze in voormelde arresten van 4 februari 1982 uitsprak dat „de rechtspositie van een dienstdoende ambtenaar [aanzienlijk] verschilt ... van die van een gepensioneerde, zodat er niet wordt gediscrimineerd wanneer de wetgever voor gepensioneerden een behandeling heeft weggelegd verschillend van die welke aan dienstdoende ambtenaren is toegedacht” (r. o. 29).
15.
Moet het ervoor worden gehouden dat aan verordening nr. 3085/78 niet de door verzoekers bedoelde gebreken kleven, dan komt aan alle op onrechtmatigheid dier verordening berustende betalings- en schadevergoedingsacties de grondslag te ontvallen.
Daarvan uitgaande, leg ik het Hof mijn conclusie voor. Daarbij herinner ik er in de eerste plaats aan, dat ik mij in mijn conclusie van 14 mei 1981 heb uitgesproken over de ontvankelijkheid van de beroepschriften, op 11 oktober 1979, 17 oktober 1979 en 11 oktober 1979 tegen de Commissie ingesteld door onderscheidenlijk M. Roumengous Carpentier (zaak 158/79), D. Battaglia (zaak 737/79) en A. Birke (zaak 543/79).
Onder handhaving van hetgeen ik in zoverre in de paragrafen 16-18 van die conclusie heb betoogd, geef ik het Hof in overweging:
a)
ontvankelijk te verklaren de beroepen, tegen de Commissie ingesteld door mevrouw Roumengous (zaak 158/79), voor zover gericht op wijziging van de aanpassingscoëfficiënt voor het jaar 1978; door D. Battaglia (zaak 737/79) — voor zover betreft de vordering strekkende tot wijziging van de aanpassingscoëfficiënt voor het jaar 1978 en de daarmede samenhangende vordering tot nabetaling van het verschil, alsook de aan laatstgenoemde vordering gesubordineerde vordering strekkende tot vergoeding van schaden hem door de onjuiste vaststelling van de coëfficiënt voor het jaar 1978 opgekomen; door A. Birke (zaak 543/79) — voor zover betreft de vordering tot nietigverklaring van de op verordeningen nrs. 3085 en 3086/78 gebaseerde afrekening van zijn bezoldiging over april 1979;
b)
niet-ontvankelijk te verklaren de beroepen, tegen de Commissie ingesteld door mevrouw Roumengous (zaak 158/79), D. Battaglia (zaak 737/79) en A. Birke (zaak 543/79), voorzover betreft de vorderingen die niet door mij sub a ontvankelijk zijn geacht, en wel, wat beide eerstgenoemden betreft, met name voor zover zij verordening nr. 3087/78 ook voor de jaren 1976 en 1977 van toepassing wensten te zien verklaard, en wat laatstgenoemde betreft, voor zover hij de bij verordening nr. 3087/78 vastgestelde aanpassingscoëfficiënt wenst te zien gewijzigd en met ingang van een eerdere datum van toepassing wenst te zien verklaard;
c)
in de zaak Bruckner (799/79) — waarin ik mij over de ontvankelijkheid van het verzoek, voorzover tegen de Commissie gericht, in mijn conclusie van 14 mei 1981 niet met zoveel woorden heb uitgesproken —: het beroep slechts ontvankelijk te verklaren voorzover verzoeker de afrekening van zijn bezoldiging over april 1979 — wegens onrechtmatigheid van de eraan ten grondslag liggende verordeningen nrs. 3085 en 3086/78 — wenst te zien nietigverklaard, cum sequelis;
d)
alsook, in de gevoegde zaken Amesz e. a. (532, 534, 567, 600, 618 en 660/79): de beroepen slechts ontvankelijk te verklaren voorzover de op verordeningen nrs. 3085 en 3086/78 gebaseerde afrekening van bezoldiging over april 1979 betreft, cum sequelis.
Ten principale geef ik het Hof in overweging:
a)
's Raads verordening nr. 3087/78, voorzover daarbij de aanpassingscoëfficiënt voor Italië is vastgesteld, op mevrouw Roumengous, zaak 158/79, en D. Battaglia, zaak 737/79, niet van toepassing te verklaren, alsook, ten aanzien van genoemde verzoekers, de afrekeningen van de hun over de maand januari 1979 uitbetaalde bezoldiging nietig te verklaren en te verstaan dat zij jegens de Commissie aanspraak kunnen maken op het verschil tussen hetgeen hun zal blijken toe te komen op grond van de nieuwe berekening van de — met ingang van 1 januari 1978 toe te passen en aan de kosten van levensonderhoud in de provincie Varese gerelateerde — aanpassingscoëfficiënt, en hetgeen zij krachtens dezelfde titel hebben ontvangen, met wettelijke interessen à 6 %;
b)
de vorderingen van de verzoekers Birke (zaak 543/79), Bruckner (zaak 799/79), Amesz, Bauch, Flamm, Hoffmann, Knoeppel en Nijman (gevoegde zaken 532, 534, 567, 600, 618 en 660/79) te verwerpen voor zover ik die vorderingen als zodanig ontvankelijk heb geacht, i. e. ten aanzien van de negatieve gevolgen, voor hun bezoldiging verbonden aan de nieuwe, bij verordening nr. 3085/78 juncto verordening nr. 3086/78 geïntroduceerde regeling inzake de overmaking van een deel der bezoldiging naar het buitenland.
Met betrekking tot de kosten geef ik uw Hof in overweging:
a)
in de zaken Roumengous (158/7) en Battaglia (737/79), twee derden der kosten ten laste van de Commissie te laten, en wel zulks op grond van gedeeltelijke ontvankelijkheid der beroepschriften;
b)
in de zaken Bruckner (799/79), Birke (543/79) en Amesz e. a. (gevoegde zaken 532, 534, 567, 600, 618 en 660/79) te verstaan dat alle partijen de eigen kosten zullen dragen, en wel zulks gezien de aard van het geschil (artikel 70 van het Reglement voor de procesvoering).
Subsidiair, bijaldien de excepties van niet-ontvankelijkheid in hun geheel mochten worden verworpen, zou het Hof ten principale:
a)
's Raads verordening nr. 3087/78 jegens alle verzoekers niet-toepasselijk moeten verklaren, voorzover daarbij — met ingang van 1 januari 1978 — de aanpassingscoëfficiënt voor Italië werd vastgesteld; jegens alle verzoekers de afrekening van hun bezoldiging over januari 1979 nietig moeten verklaren en hebben te verstaan dat genoemde verzoekers jegens de Commissie aanspraak kunnen maken op het verschil tussen hetgeen hun zal blijken toe te komen op grond van de nieuwe berekening van de — met ingang van 1 januari 1978 toe te passen en aan de kosten van levensonderhoud in de provincie Varese gerelateerde — aanpassingscoëfficiënt, en hetgeen zij krachtens dezelfde titel hebben ontvangen, met wettelijke interessen à 6 % ;
b)
de vorderingen van verzoekers Birke (zaak 543/79), Bruckner (zaak 799/79), Amesz e. a. (gevoegde zaken 532, 534, 567, 600, 618 en 660/79) voorzover betreffende de negatieve gevolgen, aan de nieuwe regeling inzake de overmaking van een deel der bezoldiging naar het buitenland voor hun bezoldiging verbonden, te verwerpen.
Tevens zou het Hof, voor het — subsidiair veronderstelde — geval dat alle excepties van niet-ontvankelijkheid worden verworpen, in de zaken Roumengous (158/79) en Battaglia (737/79), op grond van de regel dat de in het ongelijk gestelde partij in de kosten wordt verwezen, alle kosten ten laste van de verwerende instelling moeten laten, terwijl de kosten, in de zaken Birke (543/79), Bruckner (799/79) en Amesz e. a. (gevoegde zaken 532, 534, 567, 600, 618 en 660/79) gemaakt, voor twee derden ten laste van de — gedeeltelijk in het ongelijk gestelde — verweerster zouden moeten blijven.
( 1 ) Vertaald uit het Italiaans.
Full & Egal Universal Law Academy