CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL
G. F. MANCINI
van 11 december 1984 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1.
Bij interlocutoire arresten, op 15 december 1982 gewezen in de zaken 158/79, Roumengous/Commissie, Jurispr. 1982, blz. 4379, 543/79, Birke/Commissie, Jurispr.1982, blz. 4425, 737/79, Battaglia/Commissie, Jurispr. 1982, blz. 4497, en in de gevoegde zaken 532, 534, 567, 600, 618 en 660/79, Amesz e.a./Commissie, Jurispr. 1982, blz. 4465, stelde het Hof de betrokken verzoekers, die 's Raads verordening van 21 december 1978 nr. 3087/78 (PB L 369 van 29 december 1978, biz. 10) met de artikelen 64 en 65 van het Statuut in strijd hadden geacht, in het gelijk.
Het dictum luidde als volgt: „1) De afrekening... over de maand januari 1979 voor zover daarin ten aanzien van het bedrag van de aanpassing van de aanpassingscoëfficiënt alsook ten aanzien van de terugwerkende kracht dier aanpassing slechts uitvoering wordt gegeven aan 's Raads verordening nr. 3087/78, alsmede de besluiten tot afwijzing van [de] klachten worden nietigverklaard. Verordening nr. 3087/78 is... niet toepasselijk, voor zover daarin niet de kosten van levensonderhoud te Varese in aanmerking zijn genomen en aan de aanpassing van de aanpassingscoëfficiënt slechts tot 1 januari 1978 terugwerkende kracht is toegekend; 2) De Commissie zal het Hof vóór 15 juli 1983 verslag uitbrengen over de maatregelen die ter uitvoering van dit arrest zijn genomen; 3) Voor zover... [de] schadevergoedingsaktie nog onderzoek behoeft, wordt dit tot nader te bepalen datum uitgesteld; 4) De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden.”
Wat er nadien is gebeurd, is gauw verteld. In voege als door het Hof verlangd, heeft de Commissie met betrekking tot de onderscheiden punten van geschil op 14 juli 1983 een eerste, voorlopig, rapport en in februari 1984 een definitief verslag uitgebracht. Blijkens het definitief verslag heeft de Raad bij verordening van 19 december 1983, nr. 3681/83 (PB L 368), de halfjaarlijkse aanpassingscoëfficiënten, zoals die worden toegepast op de salarissen van ambtenaren en andere personeelsleden die enerzijds in Italië met uitzondering van Varese, anderzijds te Varese zijn tewerkgesteld, per 1 januari 1976 gewijzigd. Op grondslag van 's Raads regeling is de Commissie vervolgens tussen eind 1983 en begin 1984 tot afrekening van de achterstallige bedragen aan verzoekers overgegaan.
Betrokkenen namen hiermede evenwel geen genoegen; zij maken namelijk bovendien aanspraak op vergoeding van tweeërlei schade: schade ontstaan door de vertraging waarmede de coëfficiënt is aangepast; schade veroorzaakt door de ontwaarding van de Italiaanse lire vóór restitutie. De Commissie is harerzijds van mening dat het geschil van partijen door verordening nr. 3681 — met uitvoeringsvoorschriften — definitief is beëindigd. In deze stoere houding van de Commissie vonden verzoekers aanleiding te concluderen dat het Hof verweerster zou veroordelen hun, op grond van hun aanvankelijke (algemene) vordering te betalen: a) vertragingsrente; b) een vergoeding voor extra nadeel, hun door de ontwaarding van de lire in het tijdvak waarin de vertraging zich heeft voorgedaan, opgekomen, een en ander met dien verstande dat er in zaak 158/79, wat dit tweede bedrag betreft, van compensatoire interesten worden gesproken.
In haar conclusie van repliek beriep de Commissie zich ten exceptieve allereerst op niet-ontvankelijkheid (lees: ontoelaatbaarheid) van de sub b) geformuleerde vordering: er zou in zoverre sprake zijn van een vordering welke, ten opzichte van het introductief request, als nieuw is te beschouwen. In ieder geval meende de Commissie dat deze — en andere — schadevorderingen moeten worden afgewezen omdat haar, wat de vertraagde betaling betreft, geen verwijt treft.
Tot staving van hun standpunten beroepen partijen zich vervolgens op tal van arresten, door het Hof en een aantal nationale rechterlijke instanties gewezen. Dit indrukwekkend materiaal helpt ons evenwel niet verder, omdat de argumenten die er, vóór en tegen de onderscheiden standpunten, aan kunnen worden ontleend, elkander in evenwicht houden. Ik ga dan ook over tot bespreking van de ten principale gestelde vraag.
2.
Een opmerking vooraf. In een conclusie van 30 september 1982 (Jurispr. 1982, blz. 4404) heeft advocaatgeneraal Capotorti het Hof in overweging gegeven met betrekking tot de afrekening der geldelijke vorderingen te verstaan dat verzoekers „jegens de Commissie aanspraak kunnen maken op het verschil tussen hetgeen hun zal blijken toe te komen op grond van de nieuwe berekening van de — met ingang van 1 januari 1978 toe te passen en aan de kosten van levensonderhoud in de provincie Varese gerelateerde — aanpassingscoëfficiënt, en hetgeen zij krachtens dezelfde titel hebben ontvangen, met wettelijke interesten à 6 %.” In de thans aanhangige zaken hebben partijen evenwel geen nieuwe gegevens aangedragen, noch ook ophelderingen verschaft, die mij aanleidingen zouden moeten geven bedoeld standpunt te corrigeren; ik neem het dus over en sluit er mij ten volle bij aan. Onverminderd van kracht schijnen mij Capotorti's opmerkingen betreffende: de argumenten, door verzoekers voorgedragen ten betoge dat de instelling de bijstandsplicht heeft geschonden, alsook haar argumenten betreffende het ritme der restituties; verweersters stellingen betreffende de bevoegdheden waarover de Raad beschikt wanneer er regels moeten worden opgesteld die economische beleidskeuzen impliceren.
Daarmede ben ik toegekomen aan de gevorderde betaling van moratoire compensatoire interesten. Beide begrippen zijn omschreven in het arrest, door uw Hof op 15 juli 1960 gewezen in de gevoegde zaken 27 en 35/59, Campolongo/Hoge Autoriteit, Jurispr. 1960, blz. 819. Vormen „moratoire interesten... in beginsel het bedrag... waarop volgens de wet de schade wordt gewaardeerd, die ontstaat door verzuim in de nakoming van een verplichting, welk verzuim bij een voorafgaande ingebrekestelling behoort te worden geconstateerd”, compensatoire interesten zijn „zonder voorafgaande ingebrekestelling verschuldigd... wegens wanprestatie..., met dien verstande evenwel dat voor toewijzing van de schadeactie „een schade vereist is”, die moet zijn gesteld en bewezen.
Houden wij dit duidelijk onderscheid voor ogen, dan blijkt het onderhavige geval twee bijzonderheden te vertonen: a) het gaat om geldelijke verplichtingen en dus om brengschulden, hetgeen wil zeggen dat de crediteur tot ingebrekestelling geen stappen behoeft te ondernemen; het verzuim treedt automatisch in op het ogenblik waarop de verplichting had moeten zijn nagekomen (dies interpellât pro hornine); b) de compensatoire interesten worden niet wegens niet-nakoming van een verplichting gevorderd, maar om verzoekers schadeloos te stellen wegens nadeel, hun opgekomen door ontwaarding van de munteenheid in het tijdvak waarin men met de betaling in gebreke bleef.
Het begripmatig verschil tussen beide vorderingen blijft evenwel zonneklaar. Bij moratoire interesten gaat het om vergoeding van nadeel waaraan alleen de vaststelling van een aan de schuldenaar toe te schrijven verzuim ten grondslag is gelegd. De desbetreffende verplichting is dus „wettelijk” van aard, hetgeen tot een aantal consequenties leidt: zo hoeft de crediteur geen nadeel te bewijzen (de schade wordt juist volgens de wet afgewikkeld), anderzijds houdt verzuim in dat de schuldenaar heeft te bewijzen het nodige te hebben verricht om vertraging te voorkomen. Processueel gesproken, moet de gevorderde vergoeding van moratoire interesten, juist omdat zij een „wettelijk” karakter draagt, geacht worden in de algemene schadevordering besloten te liggen.
Anderzijds treedt, ook indien aan vertraagde betaling gerelateerd, ontwaardingsnadeel niet ope legis in; het is alleen maar een feit dat de door verzuim van de crediteur intredende schade kan verzwaren. De crediteur heeft dus bewijs bij te brengen, en die bewijslevering is niet eenvoudig. „In plaats van met de overlegging van statistieken en de inroeping van feiten van algemene bekendheid te kunnen volstaan”, heeft hij te „bewijzen dat hij de hem verschuldigde bedragen, als hij ze op tijd had ontvangen, zou hebben belegd in niet aan devaluatie onderhevige goederen”. Wie zich zulk „damnum emergens” wenst te zien vergoed, heeft zich van een speciale vordering te bedienen.
3.
In het licht van het arrest-Campolongo en van vorenstaande opmerkingen bezien, blijkt de ons gestelde vraag gemakkelijk te kunnen worden beantwoord. Van wie geacht mag worden door het instellen van een algemeen geformuleerde vordering als de onderhavige ook aanspraak te maken op de vergoeding van moratoire interesten, mag geen ingebrekestelling of schadebewijs worden verlangd. Bovendien is het zo dat de Commissie zulke interesten heeft te betalen zodra zij in verzuim is; het inroepen van verontschuldigingsgronden baat haar niet.
Daarentegen zal de tot betaling van compensatoire interesten strekkende vordering mijns inziens moeten worden verworpen. Geen der verzoekers heeft zich in het inleidend request van zulk een vordering bediend; zulke interesten komen voor het eerst ter sprake in de na het arrest van 15 december 1982 gemaakte opmerkingen. Met andere woorden, wij hebben hier te maken met een nieuwe — en derhalve: ontoelaatbare — vordering. Daargelaten dat verzoekers de devaluatieschade welke zij in de verzuimperiode zouden hebben geleden, ook geenszins hebben bewezen of gekwantificeerd.
Een slotopmerking. Alle verzoekers hebben zich beroepen op artikel 429, derde alinea, van de Codici di Procedura Civile, volgens hetwelk de rechter de schade heeft vast te stellen welke de werknemer door waardevermindering van zijn goed heeft geleden. Maar die bepaling geldt alleen voor Italië. Bovendien spreekt er een sociale beleidsoverweging uit — men heeft de „reële” bezoldigingen willen beschermen —, terwijl men daarvan in andere Lid-Staten niet wil weten of zich er minder inspanningen voor getroost. In het communautaire ambtenarenrecht kan er dus niet mee worden gewerkt.
4.
Voor de gevoegde zaken 543 en 532, 534, 567, 600, 618 en 660/79 (Birke en Amesz) waarin het om de aanpassing der aanpassingscoëfficiënten per 1 januari 1974 gaat, geldt hetgeen ik hiervoor over de ontoelaatbaarheid van de instelling van nieuwe vorderingen hangende het geding heb opgemerkt.
5.
Op grond van een en ander geef ik het Hof in overweging om, in de lijn van het voorbehoud dat in de arresten van 15 december 1982 besloten lag, te verstaan dat over de bedragen welke verzoekers ingevolge die arresten hebben ontvangen, met ingang van 1 januari 1976 een wettelijke rente van 6 % moet worden berekend.
Overeenkomstig het beginsel dat de in het ongelijk gestelde partij in de kosten wordt verwezen, heeft de Commissie in de zaken 158/79 (Roumengous) en 737/79 (Battaglia) voor alle kosten op te komen. Waar zij in de overige zaken slechts ten dele in het ongelijk blijkt te moeten worden gesteld, geef ik u in overweging te verstaan dat zij in die zaken tweederden van de kosten heeft te dragen.
( *1 ) Vertaald uit līci Italiaans.
Full & Egal Universal Law Academy