CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL F. CAPOTORTI
VAN 18 MAART 1982 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne beren Rechters,
1.
De zaken waarin ik thans heb te concluderen, betreffende de voorwaarden waaronder bouwleningen, door de Commissie aan ambtenaren van de Gemeenschappen verleend, moeten worden terugbetaald, en meer met name de gevolgen, voor de regeling inzake de terugbetaling verbonden aan 's Raads verordeningen nrs. 3085 en 3086 van 21 december 1978.
Er zij aan herinnerd dat de Raad bij besluit van 2 maart 1970 over de aanwending van het op de EGKS-balans onder de post „Pensioenfonds” opgenomen bedragen, onder meer heeft bepaald dat die bedragen voor 40 % zullen worden gereserveerd voor bouwleningen, in het kader van een huisvestingsbeleid ten gunste van de ambtenaren te verstrekken. Op 17 juni 1971 stelde de Commissie de uitvoeringsbepalingen vast, die in Personeelskoerier nr. 170 bis van 8 juli 1971 werden gepubliceerd. Het gaat in deze zaken met name om artikel 9, dat de monetaire aspecten van de betalingen regelt. De bepaling luidde aanvankelijk als volgt: „De in deze bepaling bedoelde leningen worden uitgedrukt in Belgische franken. De dienovereenkomstige betalingen geschieden in de valuta van het land waar zich de gefinancierde woning bevindt, op basis van de op het ogenblik van de betaling geldende pariteit.” Bij besluit van 25 juli 1975 wijzigde de Commissie de eerste zin in dier voege dat de leningen niet alleen in Belgische franken werden uitgedrukt, maar ook betaald, terwijl de tweede zin door de volgende werd vervangen: „De inhoudingen en betalingen bedoeld in artikel 7, lid 2, geschieden, evenals iedere terugbetaling door de lener aan de Commissie, in Belgische franken.” Men dient hierbij te bedenken dat in artikel 7, lid 2, onder meer bepaald is dat de Commissie in de van deze leningen op te maken contracten moet worden gevolmachtigd om „op de bezoldiging van de ambtenaar” de opeisbare rente en aflossingen in te houden.
In artikel 2 van ditzelfde besluit van 25 juli 1975 heeft de Commissie, sub a, voorts het volgende bepaald: „Degene die het bedrag van de lening heeft ontvangen in de valuta van het land waar de woning zich bevindt tegen een koers die afwijkt van de gemiddelde notering van die valuta op de wisselmarkt te Brussel op de dag van betaling, kan ... verzoeken om verlaging van zijn kapitaalschuld, voor zover hij geldelijk nadeel heeft geleden als gevolg van het feit dat de terugbetaling in Belgische franken geschiedt.” Onder b worden vervolgens de maatstaven vastgesteld ter bepaling van het nieuwe (verlaagde) bedrag der kapitaalschuld, terwijl onder c, overeenkomstig de nieuwe versie van artikel 9, is bepaald dat „alle terugbetalingen na het besluit tot verlaging der schuld in Belgische franken [moeten] geschieden”.
De met betrekking tot de valuta's getroffen nieuwe regeling is, met haar wijziging van artikel 9, niet aanstonds volledig uitgevoerd. Aanvankelijk beperkte de Commissie zich ertoe de verzoeken om verlaging van de kapitaalschuld af te doen zonder wijziging te brengen in de ten titel van terugbetaling ingehouden bedragen. In 1977 werd (in een circulaire die in „Mededelingen van de administratie” van de Commissie, nr. 134 van 24 januari, is verschenen), ter kennis van het personeel gebracht dat de inhoudingen ter aflossing van de schuld zouden worden berekend op grondslag van de geactualiseerde wisselkoers, met dien verstande dat een ambtenaar in het kader van — en binnen de grenzen gesteld voor — de bepalingen ter uitvoering van artikel 17, bijlage VII, van het Statuut nog de toepassing van de IMF-pariteit mocht verlangen. Op die manier kon er van de oorspronkelijke koersen worden geprofiteerd tot 1 april 1979, toen genoemde verordeningen nrs. 3085 en 3086 van 1978 in werking traden.
Aan de inhoud van die verordeningen heb ik alle aandacht besteed, toen ik op 14 mei 1981 had te concluderen in de zaak 153/79, Bowden e.a. (Jurispr. 1981, blz. 1512). Er zij voor het ogenblik slechts aan herinnerd dat bij verordening nr. 3085 wijziging werd gebracht in de bepalingen van het Statuut van de ambtenaren betreffende de monetaire pariteiten waarmede bij de uitvoering van het Statuut zelf moet worden gewerkt, in die zin dat er aan de toepassing van de IMF-pariteit een eind werd gemaakt en dat voor de berekening van in andere munteenheden dan Belgische franken betaalde salarissen, voortaan de wisselkoersen zouden worden aangehouden die per 1 juli 1978 ter uitvoering van de begroting van de Gemeenschappen werden gebruikt. In verordening nr. 3086 is een wijziging van de aanpassingscoëfficiënten van toepassing op de bezoldigingen en pensioenen in de Gemeenschappen voorzien in dier voege dat zij qua niveau op de nieuwe muntpariteiten werden afgestemd. Want wij weten dat de handhaving van de oude IMF-pariteiten gepaard was gegaan met een oneigenlijk gebruik van de aanpassingscoëfficiënten, bedoeld om de wanverhouding tussen die pariteiten uit 1965, en de werkelijke situatie op de deviezenmarkt, waartoe een snellere devaluatie in bepaalde Europese landen had geleid, te verhelpen. Toen er dus eenmaal weer een systeem van reële pariteiten was ingevoerd, moesten de voor zulke landen geldende aanpassingscoëfficiënten worden verlaagd, opdat ze, als vanouds, weer konden worden gebruikt voor de aanpassing aan het van land tot land verschillend niveau van de kosten van levensonderhoud.
Aan verordeningen nrs. 3085 en 3086 waren voor ambtenaren, dienstdoende in Lid-Staten met zwakke valuta, die ook hun bezoldiging in die valuta ontvingen, nadelige gevolgen verbonden, wanneer hun vroeger bouwleningen waren verstrekt. Ik wees er reeds op dat de inhoudingen, in verband met zulke leningen op de salarissen toegepast, tot 1 april 1979 op grondslag van koersverhoudingen uit 1965 geschiedden. Sedert 1 april 1979 worden met het oog op die inhoudingen de geactualiseerde wisselkoersen in aanmerking genomen, hetgeen betrokkenen duurder komt te staan.
Nemen wij om een idee te krijgen van de betekenis van deze wijziging, het geval van een ambtenaar die, net als verzoekers, in Italië dienstdoet en in 1972 een bouwlening van 500000 Belgische franken heeft ontvangen. Het overeenkomstig bedrag in lire werd hem uitgekeerd tegen de IMF-koers van 12,50 lire per Belgische, frank (zodat hij 6250000 lire ontving), en de maandelijkse inhoudingen werden aanvankelijk berekend over het (in Belgische franken uitgedrukte) salaris vermeerderd met de aanpassingscoëfficiënt voor Italië die, ter compensatie van de fictieve wisselkoers, boven de 100 was vastgesteld; voorts kwam er per inhouding op de bezoldiging een à raison van 12,50 berekend bedrag in lire in mindering. Toen verordeningen nrs. 3085 en 3086 in werking traden, werden de inhoudingen toepasselijk op de bezoldigingen in Belgische franken, zoals die waren verlaagd door toepassing van de Italiaanse aanpassingscoëfficiënt (die na de wederinvoering van reële wisselkoersen tot beneden de 100 is gedaald), hetgeen het niveau van de bezoldigingen, uitgedrukt in lire, nog sterker deed dalen, immers het koersverschil tussen de Belgische frank en de Italiaanse lire is ongeveer verdubbeld.
2.
De feiten die aan de hierbedoelde zaken ten grondslag liggen, kunnen worden samengevat als volgt:
a)
Zaken 567/79 A en 618/79 A J. Flamm en H. Knoeppel, die als ambtenaren van de Commissie op het Centrum voor Onderzoek te Ispra werkzaam zijn, gingen op 23 december 1971 met hun instelling, voor de bouw van woningen in Italië, een lening aan. In 1975 gaf de Commissie hun in overweging hun kapitaalschuld te verlagen in voege als bij het besluit van 25 juli was toegestaan. Flamm wilde er niet op ingaan, Knoeppel wel, zodat zijn schuld met 150000 Belgische franken kon worden verlaagd. Toen de inhoudingen om de geschetste redenen bezwarender werden, wendden beiden zich — op 27 maart 1979 — tot de administratie met een klaagschrift, waarin zij de toepasselijkheid van verordeningen nrs. 3085 en 3086 op de terugbetaling der aan hen toegekende leningen aanvochten. In een tweede, op 11 juli 1979 ingediend klaagschrift bestreden zij dat verordening nr. 3085 op de bezoldiging over april 1979 kon worden toegepast. De Commissie wees beide klachten, bij brieven van 12 juli en 28 september 1979, af. Op 17 december 1979 maakten Flamm en Knoeppel de zaak toen aanhangig; zij vorderen:
a)
nietigverklaring van de salarisstroken over april 1979, althans van het stilzwijgend genomen besluit tot afwijzing van hun klaagschriften, voor zover betreffende de ten titel van terugbetaling op hun salarissen toegepaste inhoudingen;
b)
subsidiair: nietigverklaring van de salarisstrook over april 1979 en het besluit tot afwijzing van de klacht alleen ten aanzien van Knoeppel, die in 1979 een nieuw contract had aanvaard, en wel zulks omdat er meer werd ingehouden dan bij de vernieuwing van het contract was bepaald;
c)
de verklaring voor recht dat, wat de aflossingstermijnen betreft, ook voor de maanden na april 1979, het tevoren aangehouden bedrag is blijven gelden, onafhankelijk van weigering of aanvaarding van actualisering der lening:
d)
subsidiair: de verklaring voor recht dat verzoekster bevoegd is de verschillende leningen op grondslag van de voor betaling van het kapitaal geldende koers terug te betalen gedurende twee jaren nadat het door het Hof te wijzen arrest in kracht van gewijsde zal zijn getreden;
e)
veroordeling van de Commissie om aan verzoekers in lire te betalen het verschil tussen hetgeen zij ter aflossing van hun onderscheiden leningen hebben betaald en de lagere bedragen die zij hadden moeten betalen;
f)
veroordeling van de Commissie om aan verzoekers de door hen geleden vermogensschade te vergoeden, met de wettelijke interessen vanaf de verschijning der onderscheiden termijnen.
Er zij aan herinnerd dat Flamm en Knoeppel met de Commissie ook de Raad in rechte betrokken en dat het Hof hen bij beschikkingen van 14 oktober 1981 in zoverre in hun vordering niet-ontvankelijk verklaard heeft, op grond dat de Raad jegens verzoekers noch als tot aanstelling bevoegd gezag noch als partij bij de leningen was te beschouwen.
b)
Zaak 1205/79. R. Adam, eveneens als ambtenaar van de Commissie werkzaam op het Centrum te Ispra, sloot in 1972 met de Commissie een contract af, waarbij hij geld leende voor een woning in Italië. Toen de leninggever aan Adam als nemer een verlaging van de kapitaalschuld in overweging gaf, ging hij daarop in, hetgeen voor hem op een verlaging met ongeveer 35000 franken neerkwam. Na de inwerkingtreding van verordeningen nrs. 3085 en 3086/1978 wendde hij zich (op 10 juli 1979) met een klaagschrift tot de administratie; hij achtte genoemde verordeningen niet van toepassing op de voorwaarden waaronder hij zijn lening had terug te betalen. Toen de Commissie niet in voor hem gunstige zin besliste, maakte hij de zaak in rechte aanhangig; hij vordert:
a)
nietigverklaring van het stilzwijgend genomen besluit tot afwijzing van de door hem ingediende klacht, zulks op grond van schending van algemene rechtsbeginselen en afgeleid gemeenschapsrecht, althans wegens misbruik van bevoegdheid;
b)
subsidiair: nietigverklaring van het stilzwijgend genomen individueel „besluit” tot afwijzing van zijn klacht, besloten liggende in een circulaire van 28 september 1979 (die volgens verzoekster niet als besluit is te beschouwen), en wel zulks op grond van dezelfde gebreken en voorts wegens schendig van wezenlijke vormvoorschriften;
c)
de verklaring voor recht dat de Commissie op de terugbetaling van bouwleningen ten onrechte een wisselkoers heeft toegepast die afwijkt van de tus-sen partijen overeengekomen koers, waaraan men zich in de voorafgegane jaren steeds had gehouden;
d)
mitsdien: de verklaring voor recht dat de Commissie verplicht was te gedogen dat de maandelijkse afbetalingen en eventuele vervroegde aflossing tegen de oorspronkelijke koers ofwel rechtstreeks in lire zouden geschieden, alsook dat zij in elk van beide gevallen gehouden was de afrekeningen vanaf 1 april 1979 te rectificeren en restitutie — door verzoeker — te aanvaarden van het bedrag dat hem in 1975 ten titel van verlaging van de kapitaalschuld werd uitgekeerd.
c)
Gevoegde zaken 5 en 18/80. D. Battaglia en A. Cocco Bevilacqua, die als ambtenaren van de Commissie op het Centrum te Ispra werkzaam zijn, sloten op 23 december 1971 onderscheidenlijk 16 november 1972 beiden een contract af waarbij zij voor de bouw van een woning geld leenden. Geen van beiden ging op het voorstel der Commissie tot verlaging van de kapitaalschuld in. Op 29 mei 1979 heeft Battaglia zich bij de administratie beklaagd over de nieuwe omrekeningskoersen die op de aflossingen werden toegepast, maar de Commissie ging niet met zoveel woorden op zijn klacht in. Mevrouw Cocco Bevilacqua wendde zich niet met een klaagschrift tot de administratie. Geconfronteerd met de in hoofdzaak afwijzende houding van de Commissie, maakten beiden op 7 januari 1980 een rechtszaak aanhangig; zij vorderen:
a)
de verklaring voor recht dat de Commissie, door de wijze van berekening der aflossingsmensualiteiten eenzijdig te wijzigen, de leningscontracten heeft geschonden;
b)
veroordeling van de verwerende instelling om aan verzoekers de blijkens de salarisstrook over april 1979 extra ingehouden bedragen te betalen;
c)
alleen ten aanzien van Battaglia —: nietigverklaring van de maatregelen, door de instelling ten aanzien van de betalingen genomen, alsook van het stilzwijgend genomen besluit tot afwijzing van de klacht, met veroordeling van de Commissie tot terugbetaling van de wederrechtelijk ingehouden bedragen.
3.
Het lijkt raadzaam te dezen duidelijkheid te scheppen met betrekking tot de rechtsgrondslag van 's Hofs bevoegdheid tot kennisneming van de zojuist beschreven gedingen. In de leningscontracten die eraan ten grondslag liggen en door de leninggever volgens een uniform model zijn opgemaakt, komt onder artikel 20 het navolgende compromissair beding voor: „Partijen verbinden zich elk geschil dat tussen hen mocht rijzen ter zake van de geldigheid, de interpretatie of de uitvoering van deze overeenkomst te doen beslechten door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen.” Gezien die clausule ben ik, op grond van de overweging dat het verstrekken van leningen aan het personeel buiten de dienstverhouding tussen de ambtenaren en de instellingen staat (ook al wordt er in de leningscontracten meermalen met de dienstverhouding rekening gehouden; men denke slechts aan de voorschriften betreffende terugbetaling), van mening dat 's Hofs bevoegdheid berust op artikel 181 EEG-Verdrag, volgens hetwelk „het Hof van Justitie ... bevoegd [is] uitspraak te doen krachtens een arbitragebeding vervat in een door of namens de Gemeenschap gesloten publiekrechtelijke of privaatrechtelijke overeenkomst.”
Dit heeft voor de procedure een belangrijke consequentie. De verwijzing naar artikel 181 van het Verdrag impliceert dat partijen niet de in artikel 90 van het Statuut van de ambtenaren bedoelde bijzondere procedure behoeven aan te spannen. Wij zagen dat mevrouw Cocco Bevilacqua niet een klaagschrift als aldaar bedoeld heeft ingediend; gezien de aard van het geschil waarbij zij betrokken is, doet dat in het geheel niet terzake.
4.
Tegen de criteria waarmede de Commissie sedert april 1979 heeft gewerkt bij de inhoudingen die zij, ter aflossing van de lening, op de salarissen heeft toegepast, wordt allereerst opgekomen omdat zij met het contract in strijd zouden zijn. Allereerst zij derhalve vastgesteld welke munteenheid er in het contract wordt aangehouden. Verzoekers betogen in hoofdzaak dat het de lire is, immers het geleende kapitaalbedrag werd in die munteenheid betaald. Voort betogen verzoekers dat de leningnemers de met de fluctuaties van de lire samenhangende risico's niet op zich konden nemen, zodat de in lire berekende aflossingsmensualiteiten nominaal ongewijzigd dienden te blijven. Subsidiair hebben verzoekers, voor het geval dat de lening geacht mag worden in Belgische franken te zijn aangegaan, zich beroepen op genoemd artikel 9 van de uitvoeringsbepalingen, volgens hetwelk de met de lening samenhangende betalingen, in de valuta van het land waar zich de gefinancierde woning bevindt, geschieden „op basis van de op het ogenblik van de betaling geldende pariteit.” Verzoekers menen dat men diezelfde pariteit op de inhoudingen had moeten blijven toepassen.
Bij het bespreken van deze preliminaire kwestie zullen wij zowel de contractsclausule in aanmerking nemen als de uitvoeringsbepalingen die de Commissie bij haar voormelde besluit van 17 juni 1971 heeft vastgesteld. Zijn die bepalingen enerzijds te beschouwen als voorschriften voor intern gebruik, bedoeld om de met de bouwleningen verband houdende activiteiten van de Commissie te regelen, anderzijds zijn ze in ieder contract terug te vinden, zodat er ook in zoverre tussen partijen wilsovereenstemming werd bereikt. In de preambule van het standaardcontract staat onder meer het volgende te lezen: „Gelet op de door de Commissie van de Europese Gemeenschappen op 17 juni 1971 vastgestelde uitvoeringsbepalingen betreffende het onder bepaalde voorwaarden verstrekken van bouwleningen tot steun bij de bouw, aankoop of verbouwing van een voor zijn persoonlijk gebruik en dat van zijn gezin bestemde woning.”
Nu dit punt werd opgehelderd, wil ik erop wijzen dat de Belgische frank in tal van bepalingen van het contract wordt genoemd als de munteenheid waarin de geldelijke verplichtingen van partijen worden uitgedrukt. Bijzonder veelzeggend acht ik in zoverre de artikelen 1, 4, 5, 15, 16 en 17; in artikel 1 (alsook in de laatste alinea van de preambule) wordt het bedrag der lening uitsluitend in Belgische franken uitgedrukt; in de artikelen 4, 5 en 16 wordt verwezen naar de aflossingstabel, die op zijn beurt de verschillende periodieke aflossingsbedragen in Belgische franken vermeldt; volgens artikel 15 geschieden de betalingen ten gunste van de leninggever, ter vervroegde aflossing of ter betaling van mensualiteiten, in Belgische franken of in de valuta van het land waar de gefinancierde woning is gelegen, maar in dit laatste geval moet die valuta in Belgische franken worden omgerekend; en volgens artikel 17 moet het risico van overlijden of blijvende algehele invaliditeit van de leningnemer worden gedekt door een ten gunste van de Commissie afgesloten verzekering waarvan de hoofdsom in Belgische franken moet luiden. Van de uitvoeringsbepalingen is met name van belang artikel 9, eerste alinea, dat naar wij zagen in de versie van 1971 inhield dat „de leningen ... worden uitgedrukt in Belgische franken.”. Er zijn dus mijns inziens voldoende redenen aanwezig om aan te nemen dat partijen hun verplichtingen over en weer in Belgische franken wensten uit te drukken.
Deze uitlegging komt niet in strijd met de tweede alinea van genoemd artikel 9, waarin wordt bepaald dat „de ... betalingen geschieden in de valuta van het land waar zich de gefinancierde woning bevindt...”. Wij zagen dat de contractsvaluta volgens verzoekers is gelijk te stellen met de valuta waarin het geleende bedrag in feite werd betaald en waarin betrokkenen de aflossingstermijnen zien ingehouden. Maar wie zich op dat standpunt stelt, maakt zowel de eerste alinea van datzelfde artikel 9 tot een dode letter, alsook de contractsclausule die ik hiervoor in de eerste plaats noemde; een alleen op deductie berustend argument zou dan moeten prevaleren boven hetgeen zwart op wit staat. Doorslaggevend acht ik dat partijen in hun contract de over en weer aangegane geldelijke verplichtingen steeds in Belgische franken hebben gekwantificeerd en ter vaststelling van leensom èn aflossingstermijnen aan die valuta refereerden. Hieruit blijkt dat partijen als parameter voor de met de lening verband houdende betrekkingen de Belgische frank wilden zien aangehouden.
5.
Heeft men in zoverre met betrekking tot de uitlegging zijn keus bepaald, dan moet nog een oplossing worden gezocht voor de vraag naar de wisselskoers die op bedoelde termijnen dient te worden toegepast. Aan twee reeds genoemde bepalingen dient dan aandacht te worden geschonken, en wel aan artikel 9, tweede alinea, van de uitvoeringsbepalingen van 1971 (dat betaling verlangt in de valuta van het land waar zich de gefinancierde woning bevindt, en wel „op basis van de op het ogenblik van de betaling geldende pariteit”) en artikel 15 van het standaardcontract, waarin het volgende is bepaald: „Elke betaling door de geldnemer aan de geldgever ter vervroegde aflossing of ter betaling van mensualiteiten geschiedt in Belgische franken, ofwel in de valuta van het land waar de gefinancierde woning is gelegen (i.e. de valuta die gebruikt wordt voor de betaling van het geleende bedrag). De omrekening van deze bedragen in Belgische frank geschiedt op basis van de op de datum van de betaling geldende pariteit.”
De betekenis van de formuleringen „op basis van de op het ogenblik van de betaling geldende pariteit” en „op basis van de op de datum van de betaling geldende pariteit” dient nader te worden gepreciseerd; met name dient te worden vastgesteld of de hierbedoelde pariteit de marktkoers is dan wel de destijds voor het Internationale Monetaire Fonds vastgestelde fictieve pariteit. In het laatste geval doen zich wederom twee mogelijkheden voor: men wenst de IMF-pariteit als zodanig te zien aangehouden, of wel men wenst artikel 63 van het Statuut van de ambtenaren te zien toegepast (en toen de contracten werden afgesloten werd daarin, naar wij weten, verwezen naar de IMF-koersen van 1965); in het eerste geval was het de bedoeling dat wijzigingen van de IMF-koersen de door partijen aangegane verbintenissen rechtstreeks zouden beïnvloeden, terwijl zulke gevolgen in het andere geval alleen aan wijziging van artikel 63 van het Statuut verbonden zouden zijn. Als dit probleem zal zijn opgelost, zal nog moeten worden uitgemaakt of partijen een vaste pariteit in de zin hadden, die zou gelden voor alle nadien te verrichten geldelijke prestaties, dan wel hebben gedacht aan een last die zich mettertijd zou kunnen wijzigen
6.
Ik ben, wat het eerste vraagpunt betreft, van mening dat in het redeverband van de uitvoeringsbepalingen èn van het standaardcontract de term „geldende pariteit” moet worden geacht een rechtstreekse verwijzing naar het in het Statuut aanvaarde systeem (en derhalve naar artikel 63 van het Statuut) in te houden. Terecht heeft de Commissie dienaangaande opgemerkt dat in contracten door haar met haar personeel afgesloten, redelijkerwijs kan worden gerefereerd aan de koersen die ook op het dienstverband van toepassing waren (dat wil zeggen: de in artikel 63 voor de uitbetaling van de bezoldiging aangewezen koersen).
Deze redenering lijkt mij juist, vooral wanneer men uitgaat van uitlegging van artikel 9 van de uitvoeringsbepalingen, die door de Commissie zelf zijn opgesteld, en bedenkt dat de maandelijkse aflossingen door inhouding op de bezoldiging dienden te geschieden. Weliswaar wordt in het standaardcontract en in de uitvoeringsbepalingen nergens naar artikel 63 van het Statuut van de ambtenaren verwezen; voor de uitlegging acht ík evenwel doorslaggevend welke houding partijen na de afsluiting van het contract hebben aangenomen. Dat de Commissie bij de betaling van de geleende bedragen en voor de berekening van de maandelijkse aflossingen tot 1 april 1979 jaar in jaar uit de wisselkoers van het IMF heeft aangehouden, ondanks het feit dat die sterk van de courante waarde afweek, houdt een bevestiging in van het feit dat de formulering „geldende pariteit” volgens elk van beide partijen geacht moest worden een verwijzing in te houden naar de pariteit die volgens het Statuut voor de uitbetaling der bezoldiging moest worden aangehouden. Anderzijds ware een in de houding van partijen besloten liggende aanvaarding van de IMF-koersen, onafhankelijk van de stilzwijgende verwijzing naar artikel 63 van het Statuut, onbegrijpelijk: welke andere redenen en welke andere grond kunnen partijen hebben gehad om over en weer hun betalingen te verrichten op basis van wisselkoersen die reeds bij de afsluiting der contracten een fictief karakter dragen?
7.
Wij zullen nog moeten nagaan of partijen de in het Statuut van de ambtenaren aanvaarde wisselkoersen wensten te zien beschouwd als mobiele parameters (die automatisch zouden meegaan met wijzigingen, van artikel 63 van het Statuut of met de invoering van nieuwe pariteiten) dan wel als vaste parameters, onlosmakelijk verbonden met de pariteiten die bij afsluiting der contracten in het Statuut werden vastgelegd en alleen krachtens door de verstrekker en de ontvanger der lening ad hoc bereikte wilsovereenstemming konden worden gewijzigd. Verzoekers wijzen er met nadruk op dat, waar in artikel 9 van de uitvoeringsbepalingen van het „ogenblik van de betaling” wordt gesproken, bedoeld is de dag waarop de hoofdsom der lening werd uitbetaald; huns inziens kan dat alleen maar een vaste datum zijn, wezenlijk samenvallend met die waarop het contract werd afgesloten en waarnaar ter vaststelling van de pariteit die ter bepaling vaň de aflossingstermijnen moet worden aangehouden, steeds weer moet worden gerefereerd. De Commissie is daarentegen van mening dat er in genoemd artikel, evenals in artikel 15 van het standaardcontract, wordt gewezen naar de telkens op bet tijdstip van betaling geldende ; er zouden dus evenveel mogelijkerwijs toepasselijke wisselkoersen zijn als — van tijd tot tijd door partijen te verrichten — betalingen.
Vóór het standpunt dat men hier met een vaste pariteit te maken heeft, spreekt mijns inziens niet artikel 9 van de uitvoeringsbepalingen (in de versie van 1971). Inderdaad heeft dit artikel, blijkens de context en zijn plaatsing tussen twee andere bepalingen, onderscheidenlijk betreffende het bedrag van de lening (artikel 8) en een later te vervullen formaliteit (artikel 10), alleen betrekking op de betaling van het bedrag der lening. Maar die betaling kon in termijnen geschieden: volgens artikel 4, lid 1, kan de lening „in twee gedeelten” worden verstrekt; in artikel 6, lid 4, is sprake van de mogelijkheid van een lening „in gedeelten”; volgens artikel 8 wordt de lening, in geval van bouw of verbouwing, „naar gelang van de voortgang van de werkzaamheden en tegen overlegging van een bewijsstuk inzake de stand van de werkzaamheden, ondertekend door de architect”, in gedeelten uitgekeerd, terwijl tenslotte volgens artikel 10 de ontvanger van de lening gehouden is „uiterlijk één jaar na het laatste deel” [se. van de betaling] aan te tonen dat hij eigenaar van de woning is. De bewoordingen van de tweede alinea van artikel 9, volgens welke de hierbedoelde betalingen geschieden op basis van de op het ogenblik van betaling geldende pariteit, moeten derhalve mijns inziens in die zin worden uitgelegd dat de telkens bij betaling geldende wisselkoers dient te worden toegepast.
Nog meer steun voor het standpunt dat de aanvaarde wisselkoersen variabel zijn, kan worden ontleend aan artikel 15 van het standaardcontract. Ik mocht reeds in herinnering brengen dat de eerste alinea van dat artikel betrekking heeft op „elke betaling door de geldnemer ten gunste van de Gemeenschap ter vervroegde aflossing of ter betaling van de mensualitei-ten”. Het lijdt geen twijfel dat hier sprake is van periodieke betalingen, zoals die geruime tijd en- op verschillende tijdstippen zullen moeten geschieden. Wanneer dan ook in de tweede alinea wordt bepaald dat „de omrekening ván deze bedragen in Belgische frank” — kennelijk in geval van aflossing in de valuta van het land waar zich de woning bevindt — „geschiedt op basis van de op de datum van de betaling geldende pariteit”, is de toepasselijke wisselkoers natuurlijk de telkens op de dag van betaling geldende koers. Ten duidelijkste ligt mijns inziens in deze clausule besloten dat partijen de mogelijkheid van wijziging der wisselkoersen hebben voorzien en dat de leningnemer het risico van ėen nadeliger wisselkoers op het tijdstip van omrekening van de plaatselijke valuta in Belgische franken — ter nakoming van zijn verplichting tot maandelijkse aflossing — voor zijn rekening heeft genomen. Het standaardcontract bood betrokkenen dus geen enkele zekerheid.
Kortom, ik ben van mening dat de in het contract aangehouden valuta de Belgische frank is en dat als wisselkoers werd voorzien de koers die volgens het Statuut van de ambtenaren voor de betaling van de bezoldiging moet worden aangehouden. Die koers kan wijziging ondergaan: vaststelling van verordeningen nrs. 3085 en 3086/1978 heeft tot zulke wijzigingen geleid. Er kwam een realistische koers en degenen die de hierbedoelde bedragen hadden geleend, ondervonden de nadelige gevolgen van de nieuwe situatie. Toch wilden deze grotere inhoudingen niet zeggen dat de Commissie haar contractuele verplichtingen niet nakwam; er werd alleen maar toepassing gegeven aan de clausule waarin voor het geval dat de wisselkoersen zouden worden gewijzigd, het risico dat de lire meer zou devalueren dan de Belgische frank, wederom op de leningnemer werd afgewenteld.
8.
Ik mocht er reeds aan herinneren dat de Commissie in juli 1975 artikel 9 van de uitvoeringsbepalingen in die zin heeft gewijzigd dat de bedragen der leningen, terugbetalingen en inhoudingen in Belgische franken moesten worden uitgekeerd of betaald, in dier voege dat zowel het systeem van betaling in plaatselijke valuta als de daarmede verband houdende vermelding van de wisselkoers zou komen te vervallen. Voor lopende contracten creëerde de Commissie bij die gelegenheid ten behoeve van betrokkenen de mogelijkheid hun kapitaalschuld te verlagen met het verschil tussen het bedrag van de lening tegen de officiële koers en datzelfde bedrag tegen de dagkoers. Het desbetreffend aanbod werd herhaald in een nota van juni 1977 (bijlage 9 bij het verweerschrift van 17 mei 1980 in de zaken 5 en 18/80) en tevens — in paragraaf 2 — in dier voege toegelicht dat zij die de hierbedoelde leningen hadden afgesloten, maar niet om verlaging hadden verzocht, bevoegd bleven de termijnen in plaatselijke valuta te betalen, zij het op grondslag van de telkens bij overmaking geldende pariteit. In lid 4 van de nota werd er, ter voorkoming van misverstand, voorts op gewezen dat er geen enkele zekerheid kon worden geboden dat de toen door de Commissie voor de omrekening van de inhoudingsbedragen in Belgische franken aangehouden koers zou worden gehandhaafd.
Twee van de verzoekers in de onderhavige zaken, Adam en Knoeppel, aanvaardden de verlaging van hun kapitaalschuld. Mijn standpunt met betrekking tot de wisselkoers voor uit leningscontracten voortvloeiende geldelijke verplichtingen brengt mede dat ik het irrelevant acht. Het zou anders zijn indien het er voor mocht worden gehouden dat partijen een vaste koers hadden aanvaard; de ontvangers van de lening zouden dan, door verlaging van hun schuld te accepteren, in een wijziging van de contractsvoorwaarden — omzetting van de vaste pariteit in een variabele pariteit (i.e. een pariteit gekoppeld aan eventuele wijzigingen van artikel 63 van het Statuut ) — hebben bewilligd.
Uitgaand van een dergelijke premisse, schijnt de raadsman van Adam te willen volhouden dat de Commissie de ontvangers van de lening bedrieglijk tot aanvaarding van wijziging der contractsvoorwaarden had overgehaald; de wijziging zou dus bij gebreke van toestemming als nietig zijn te beschouwen. Ik heb er hiervoor reeds op gewezen dat het aanbod tot verlaging van de hoofdsom met de wijziging van artikel. 9 der uitvoeringsbepalingen gepaard ging en er kennelijk mee samenhing. Wij weten evenwel dat er in artikel 9, dat in zijn nieuwe versie bepaalt dat de terugbetaling der lening in Belgische franken moet geschieden, nergens aan welke pariteit ook wordt gerefereerd. Ik zie dan ook niet in dat zulk een formulering een kunstgreep kan zijn, bedoeld om betrokkenen er in te laten lopen; zij moge leemten vertonen, het gaat mijns inziens niet aan haar als bedrieglijk aan te merken.
In ieder geval heeft mijns inziens aanvaarding van de verlaging, wat de koersen betreft, niet tot een nieuwe regeling geleid, en dat moet, naar ik meen, de doorslag geven. Het is dan ook uitgesloten te achten dat de Commissie de wederpartij heeft kunnen misleiden; de contractsinhoud is ongewijzigd gebleven.
9.
De raadsman van Adam komt er ook tegen op dat de Commissie, naar hij meent, bij de leningnemers het vertrouwen heeft gewekt dat de IMF-pariteiten voor onbepaalde tijd zouden worden gehandhaafd en hen aldus tot aanvaarding van een verlaging van hun kapitaalschuld zou hebben bewogen, terwijl vervolgens, met ingang van april 1979, de nieuwe, bij verordening nr. 3085/78 geïntroduceerde wisselkoersen op de inhoudingen zouden zijn toegepast.
Men bedenke dat in gevallen als de onderhavige de door partijen aangenomen houding dient te worden bezien in het kader van de door het leningscontract geschapen betrekkingen, In de zojuist genoemde grief komt derhalve in feite de vraag naar goede of kwade trouw aan de orde, en goede trouw is het beginsel waardoor alle contractspartijen zich bij hun onderhandelingen, bij het afsluiten van hun contract en bij de uitvoering ervan, moeten laten leiden. Het ligt ook in de lijn van de specifieke inhoud van de grieven welke Adam met een beroep op het vertrouwensbeginsel tegen de Commissie inbrengt: zij zou tot toepassing van de geactualiseerde wisselkoersen zijn overgegaan na sinds 1975 een reeks initiatieven te hebben ontwikkeld die tezamen één en dezelfde toeleg dienden: de leningnemers moesten worden bewogen een wijziging van de leningsvoorwaarden te aanvaarden. De raadsman van Adam wijst in dit verband op de wijziging van artikel 9 van de uitvoeringsbepalingen, het aanbod tot verlaging van de kapitaalschuld, en de handhaving van de IMF-pariteiten — tot 1979 — óók jegens leningnemers die de nieuwe pariteiten hadden aanvaard.
Men ziet al gauw dat hier de stelling dat de Commissie betrokkenen met bedrieglijke middelen tot aanvaarding van een wijziging der lening heeft willen bewegen, opnieuw om de hoek komt kijken. Ik beperk mij daarom tot de opmerking dat ik aan voormelde initiatieven een dergelijke bedoeling niet kan aflezen, en ik wil er in de tweede plaats op wijzen dat de Commissie, die contractueel gerechtigd was de wisselkoersen tegelijk met eventuele wijzigingen van artikel 63 van het Statuut aan te passen, helemaal geen nieuwe leningsvoorwaarden behoefde overeen te komen.
10.
Adam beklaagt zich er voorts over dat de Commissie het evenwicht tussen de contractueel bedongen prestaties in haar eigen voordeel zou hebben gewijzigd door, met behulp van verordeningen nrs. 3085 en 3086, eenzijdig op de maandelijkse aflossingen van de lening een andere wisselkoers toe te passen. Dit zou misbruik van bevoegdheid opleveren: de Commissie zou zich van beide voormelde verordeningen hebben bediend om zich een koersgarantie — eń daarmede de terugbetaling van een bedrag dat het verstrekte kapitaal verre te boven ging — te verschaffen.
Als ik geslaagd ben in mijn pogingen aan te tonen dat de nieuwe wisselkoersen van verordening nr. 3085 op de hierbedoelde leningscontracten op grond van artikel 15 van diezelfde contracten werden toegepast, is ook deze grief ongegrond. Of een contractuele gedraging van de Commissie wegens misbruik van bevoegdheid kan worden aangevochten, behoeft dus niet te worden onderzocht.
11.
De raadsman van verzoekers Battaglia en Cocco Bevilacqua heeft nog gesteld dat er wezenlijke vormvoorschriften zijn geschonden: het besluit der Commissie aan de inhoudingen wegens aflossing de geactualiseerde wisselkoersen ten grondslag te leggen, zou niet met redenen omkleed zijn en in strijd komen met artikel 25, tweede alinea, van het Statuut van de ambtenaren, volgens hetwelk voor de ambtenaren nadelige besluiten, te hunnen aanzien door de administratie genomen, met redenen omkleed dienen te zijn.
Ter weerlegging van die stelling wil ik er alleen nogmaals op wijzen dat niet de dienstverhouding tussen ambtenaren en administratie in geding is, maar de nakoming van verplichtingen, voortvloeiende uit leningscontracten door de Commissie met een aantal harer ambtenaren aangegaan. Dat de hierbedoelde leningen door een instelling aan een aantal ondergeschikten om redenen van sociale aard werden verstrekt en dat aflossing door inhouding op de maandelijkse bezoldiging geschiedt, doet de te dier zake gerezen geschillen nog niet onder het Statuut vallen. In de tweede alinea van genoemd artikel 25 wordt met zoveel woorden gesproken van „overeenkomstig bet Statuut genomen (individuele) besluiten”, en daartoe behoort stellig niet een besluit inzake de wijze van terugbetaling van bouwleningen. De grief faalt derhalve.
12.
Op grond van een en ander geef ik het Hof in overweging de beroepen, door R. Adam, J. Flamm en H. Knoeppel, D. Battaglia en A. Cocco Bevilacqua op onderscheidenlijk 10 december 1979, 17 december 1979 en 7 januari 1980 tegen de Commissie ingesteld, te verwerpen.
Gezien de complexe aard der gedingen en de nieuwheid van de behandelde vragen, dienen mijns inziens de onderscheiden partijen hun eigen kosten te dragen.
( *1 ) Vertaald uit het Italiaans.
Full & Egal Universal Law Academy