CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL H. MAYRAS
VAN 20 NOVEMBER 1980 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
I —
Na vanaf 1 mei 1975 als bijzonder adviseur (artikel 5 van de Regeling die van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen) in dienst van het Europees Parlement te zijn geweest, werd B. op 1 februari 1977 benoemd tot ambtenaar van die instelling in de functie van raadgevend arts.
Op 22 februari 1978 beklaagde hij zich bij de heer Nord, secretaris-generaal van het Parlement, over de verslechtering van zijn gezondheid, die hij meende te moeten toeschrijven aan de deplorabele hygiënische toestand van zijn spreekkamer. Hij herinnerde eraan, dat hij de administratie reeds herhaaldelijk daarover had benaderd en dat hij wegens zijn gezondheidstoestand sedert 31 januari 1978 slechts voor halve dagen had kunnen werken. Hij vroeg daarom om een onpartijdig onderzoek naar de oorzaken en de ernst van wat hij zijn „beroepsziekte” noemde.
Daarmee beriep hij zich stilzwijgend, doch onmiskenbaar, op artikel 73 Ambtenarenstatuut en op de Regeling voor de verzekering van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen tegen ongevallen en beroepsziekten (hierna: de Regeling), krachtens genoemd artikel en voor wat het Europees Parlement betreft vastgesteld op 27 januari 1977. De artikelen 17-23 hiervan regelen de procedure en de werkwijze van de „medische commissie” die moet onderzoeken of een arbeidsongeschiktheid het gevolg is van de beroepsuitoefening.
Op 6 maart 1978 gaf de secretarisgeneraal B. de verzekering, dat hij alles zou doen wat in zijn vermogen lag, om bij te dragen aan het herstel van zijn gezondheid. Hij beloofde dat zo snel mogelijk een deskundigenonderzoek zou plaatsvinden om na te gaan welke verbeteringen in B.'s spreekkamer konden worden aangebracht. Als zijn „persoonlijke” mening gaf hij te kennen, dat het verzoek om een medisch onderzoek naar de ernst en oorsprong van B.'s kwalen diende te worden ingewilligd, en hij deelde mee dat de heer Vinci, directeur-generaal Administratie, personeel en financiën van het Europees Parlement, daaromtrent contact met B. zou opnemen.
Op 21 of 22 maart 1978 inspecteerde de raadgevend arts van de Raad van Europa, in gezelschap van de andere leden van een „studiecommissie”, van een architect en van B. zelf, de ruimten die deze in het „Bâtiment Schuman” ter beschikking stonden. Bedoelde arts concludeerde dat de omstandigheden waarin B. zijn werk moest doen, middelmatig waren en dat zijn spreekkamer niet aan de eisen voldeed, en hij deed een aantal voorstellen ter verbetering van de situatie.
Op 16 april 1978 deelde B. de secretarisgeneraal mee, voldaan te zijn over het verloop van de expertise; tevens maakte hij enkele opmerkingen over de ambtenaren van de administratie van het secretariaat van het Parlement, en hij vroeg opnieuw om inleiding van een beroepsziekteprocedure overeenkomstig het Statuut,„aangezien het expertiserapport duidelijk had geconcludeerd dat de omstandigheden in zijn spreekkamer ziekteverwekkend waren.” Hierbij had hij blijkbaar het oog op artikel 17 van de Regeling.
Op 13 juni legde B. een medisch attest over van zijn behandelend geneesheer, dokter Stein, inhoudende dat zijn gezondheidstoestand een ziekteverlof van drie maanden noodzakelijk maakte. Op dezelfde dag staakte hij zijn werkzaamheden bij het Parlement volledig.
Op 16 juni 1978 deelde de directeur-generaal Administratie aan B. mee, dat hij voornemens was een „college médical” in te stellen, met de. taak uitspraak te doen over
—
zijn gezondheidstoestand op dat moment,
—
het eventuele verband tussen zijn gezondheidstoestand en zijn werkomstandigheden bij het Parlement,
—
de wenselijkheid van een invaliditeitsprocedure als bedoeld in het Ambtenarenstatuut.
Hij verzocht B. zo spoedig mogelijk de naam mee te delen van de arts die hij wenste aan te wijzen als lid van dat „college médical”, waarin ook een door de instelling aangewezen arts en een door de eerste twee gekozen derde medicus zitting zouden hebben.
De term „college médical” is dubbelzinnig, want hij schijnt zowel te slaan op de invaliditeitscommissie, bedoeld in artikel 53 van het Statuut en artikel 7 van bijlage II daarvan, als op de medische commissie, bedoeld in artikel 23 van de Regeling. Het gaat om een „tertium genus”, want in geen van genoemde bepalingen wordt gesproken van een „college”; het lijdt echter geen twijfel dat zowel de administratie als B. daarbij in de eerste plaats aan de „medische commissie” hebben gedacht, waarbij de procedure leidende tot pensionering wegens invaliditeit eerst zou worden geopend nadat de. conclusies van deze commissie bekend zouden zijn.
Op 13 juli 1978 deelde B. de directeur Personeel van het Europees Parlement, de heer Van Nuffel, mee dat hij dokter P. Stein had aangewezen om zijn belangen in de „onderzoekcommissie” te behartigen. Vervolgens ontving B. op 1 december 1978 bericht dat de instelling door dokter H. Maddens in het „college médical” zou worden vertegenwoordigd.
De samenstelling van het „college” stuitte op tal van moeilijkheden, en het beëindigde zijn werkzaamheden eerst op 12 oktober 1979, de dag waarop het onderhavige beroep is ingeschreven. De schuld voor deze vertraging wordt door partijen aan elkaar toegeschoven.
Op 21 juni 1979, deelde de heer Opitz, secretaris-generaal a.i. van het Europees Parlement, aan B. mee dat, aangezien zijn totale ziekteverlof over een periode van drie jaar meer dan 12 maanden bedroeg (artikel 59, lid 1, laatste alinea, Ambtenarenstatuut), besloten was zijn geval aan de invaliditeitscommissie voor te leggen, en hij verzocht hem een arts aan te wijzen om zijn belangen in die commissie te behartigen.
B. antwoordde op 2 juli 1979 dat hij daarvoor dokter Stein had aangewezen, de arts die bijna een jaar eerder ook was belast met de behartiging van verzoekers belangen in de „onderzoekcommissie”. Daarbij wees B. erop, dat zijns inziens de beroepsziekteprocedure voorrang diende te hebben boven de invaliditeitsprocedure en dat deze laatste eerst zou kunnen aanvangen nadat de eerste was afgesloten.
Van haar kant wees de administratie dokter Maddens aan, die haar ook al inhet „collège médical” vertegenwoordigde.
De verhouding tussen beide artsen verslechterde dermate, dat dokter Stein een klacht tegen dokter Maddens deponeerde bij de Belgische Orde van Geneesheren, terwijl B. de administratie zelfs verweet hem te hebben verhinderd een invaliditeitsverzekering af te sluiten bij het verzekeringskantoor Van Breda, dan wel niet te hebben bevorderd dat hij een dergelijke verzekering kon afsluiten. Een op dit verwijt betrekking hebbend verzoek in kort geding werd echter afgewezen bij beschikking van 5 december 1979 (zaak 794/79 R).
Op 10 augustus 1979 liet B. de directeur Personeel weten, dat hij voornemens was een klacht in te dienen in de zin van artikel 90, lid 2, van het Statuut, tegen het feit dat de invaliditeitscommissie was samengesteld voordat het „collège médical” haar conclusies had ingediend.
Aangezien de artsen die B. en de administratie in de invaliditeitscommissie vertegenwoordigden, geen overeenstemming konden bereiken over een derde arts, wees de president van het Hof van Justitie, op verzoek van de secretaris-generaal van het Parlement van 10 september en 21 december 1979, ambtshalve dokter De Ren aan (beschikking van 8 januari 1980, gegeven krachtens artikel 7 van afdeling 4 van bijlage II bij het Statuut).
Intussen had B. op 16 september 1979 zoals aangekondigd een klacht ingediend bij de directeur Personeel van het Europees Parlement.
Op 12 oktober 1979 stelde hij vervolgens het onderhavige beroep bij het Hof in, en diende hij tegelijkertijd krachtens artikel 91, lid 4, van het Statuut, een verzoek in kort geding in, strekkende tot opschorting van de werkzaamheden van de invaliditeitscommissie totdat definitief zou zijn vastgesteld of hij al dan niet aan een beroepsziekte leed.
Dit verzoek werd afgewezen bij beschikking van 5 december 1979 (zaak 731/79 R). Op 15 januari 1980 wees de voorzitter van het Europees Parlement verzoekers klacht van 16 september 1979 uitdrukkelijk af.
II —
Bij de opening van de mondelinge behandeling op 18 september 1980 luidden de conclusies van verzoeker:
—
dat het Hof zou verklaren dat de benoeming of de werkzaamheden van een invaliditeitscommissie als bedoeld in artikel 59, lid 1, van het Statuut, onwettig waren en bijgevolg moesten worden opgeschort; subsidiair dat het Hof het Europees Parlement zou gelasten de benoeming of de werkzaamheden van die commissie stop te zetten of op te schorten totdat een definitieve beslissing over het bestaan van een beroepsziekte zou zijn genomen;
—
dat het Hof het Parlement zou gelasten alles na te laten wat de werkzaamheden van het met het onderzoek naar een beroepsziekte belaste „collège médical” zou kunnen belemmeren, vertragen of onmogelijk maken; en tenslotte,
—
dat het Hof zou gelasten dat de werkzaamheden van het „collège médical” overeenkomstig de Regeling met voortvarendheid zouden worden voortgezet.
Het Europees Parlement concludeerde daartegenover tot niet-ontvankelijkverklaring, althans ongegrondverklaring van het beroep.
III —
Letten wij enkel op het financiële aspect van de zaak, dan blijkt het belang van verzoeker hieruit, dat de gevolgen van pensionering wegens invaliditeit en die van de vaststelling van een beroepsziekte aanmerkelijk verschillen.
Bij blijvende algehele invaliditeit wordt ingevolge artikel 73, lid 2, sub b (welke bepaling deeluitmaakt van het hoofdstuk betreffende de sociale zekerheid), een kapitaal uitgekeerd gelijk aan acht maal het jaarlijks basissalaris.
Bij blijvende gedeeltelijke invaliditeit (lid 2, sub c) wordt het kapitaal berekend volgens de tarieven van de invaliditeitsschaal. In plaats van het kapitaal kan een lijfrente worden toegekend (artikel 13 van de Regeling). Bovendien worden ingevolge artikel 10, lid 1, van de Regeling, alle kosten vergoed welke noodzakelijk zijn voor een zo volledig mogelijk lichamelijk of geestelijk herstel, en voor de gehele verzorging en behandeling die eventueel noodzakelijk zijn voor de wederaanpassing, zowel functioneel als met het oog op de beroepsuitoefening van de betrokkene.
Invaliditeit die wordt vastgesteld uit hoofde van artikel 78 van het Statuut (welke bepaling voorkomt in het hoofdstuk betreffende pensioenen), is daarentegen een vorm van vervroegde pensionering; het toegekende invaliditeitspensioen is gelijk aan het ouderdomspensioen waarop de ambtenaar recht zou hebben gehad indien hij tot zijn 65e in dienst was gebleven. Alleen wanneer de invaliditeit het gevolg is van een ongeval of beroepsziekte, bedraagt het invaliditeitspensioen 70 % van het basissalaris (artikel 78, tweede alinea).
Weliswaar kunnen volgens artikel 73, lid 2, in fine, de sociale-zekerheidsuitkeringen wegens beroepsziekte worden gecumuleerd met de pensioenuitkeringen bedoeld in hoofdstuk 3, maar dit veronderstelt dat de twee procedures, „zo zij al niet worden gecoördineerd, dan toch parallel verlopen en tegelijkertijd of althans zonder, groot tijdsverschil worden afgesloten” (beschikking in zaak 731/79 R, r.o. 5).
Verzoeker meende dat, zo de procedure van artikel 78 werd bespoedigd voordat die van artikel 73 was afgesloten, terwijl deze laatste toch eerder was aangevangen, en zo de samenstelling van de medische commissie dezelfde was als die van de invaliditeitscommissie, dat hij dan onherstelbare schade zou kunnen lijden; hij zou bijvoorbeeld wel eens gedwongen kunnen zijn, zijn huis te verkopen. Verder wijst hij erop, dat de taak van de twee commissies verschillend is: het onderzoek van de medische commissie is voor alles gericht op het opsporen van de ziekteoorzaak, dat van de invaliditeitscommissie is meer constaterend en prognosticerend van aard.
Volgens het Parlement was het besluit om de invaliditeitsprocedure in te leiden, ontegenzeglijk in overeenstemming met de voorschriften, want op de dag waarop het werd genomen, 21 juni 1979, was verzoeker al meer dan 12 maanden met ziekteverlof, namelijk sinds 1 juni 1978. Zolang niet was vastgesteld dat B. al dan niet invalide was, kreeg hij ondanks zijn afwezigheid het volle salaris van een ambtenaar die halve dagen werkt; omwille van een goed beheer der openbare middelen, diende de administratie erop toe te zien dat de Gemeenschap niet voor ongerechtvaardigde lasten werd gesteld. Het Parlement voegde hieraan toe, dat de post van verzoeker langere tijd vakant dreigde te blijven, terwijl het toch van goed bestuur getuigt wanneer men een vacature zo snel mogelijk weer bezet.
In rechte draait dus alles om de vraag of de administratie, wanneer zij heeft besloten de procedure tot vaststelling van een beroepsziekte in te leiden, vervolgens een invaliditeitsprocedure mag openen en afsluiten voordat de eerste, waaraan de betrokkene toch een grotere rechtsbescherming ontleent, is beëindigd.
Volgens de administratie staat het onderzoek van de vraag of de ziekte van de ambtenaar een beroepsziekte is, los van het onderzoek naar zijn arbeidsgeschiktheid. Maar ofschoon volgens artikel 25 van de Regeling „de vaststelling van een blijvende algehele of gedeeltelijke invaliditeit met toepassing van artikel 73 van het Statuut en van deze regeling, niet de toepassing prejudicieert van het bepaalde in artikel 78 van het Statuut, en omgekeerd”, toch is het mogelijk — en wij zullen zien dat dit in casu inderdaad het geval is — dat de afwezigheid van een blijvende algehele of gedeeltelijke invaliditeit in de zin van artikel 73 de toepassing van artikel 78 prejudicieert.
IV —
Het Hof behoeft deze interessante kwestie echter niet te beslissen indien, gelijk wij menen, het beroep zijn zin heeft verloren doordat de bestreden besluiten zijn vervangen door administratieve handelingen die de statu quo ante herstellen.
In rechtsoverweging 4 van de beschikking van 5 december 1979 in zaak 794/79 R werd vastgesteld dat ten aanzien van verzoeker, „op diens eigen wens een procedure was ingeleid tot vaststelling van een beroepsziekte als bedoeld in artikel 73 Ambtenarenstatuut, en daarenboven een procedure die eventueel kan leiden tot beëindiging van zijn werkzaamheden bij het Europees Parlement wegens blijvende invaliditeit in de zin van de artikelen 53 en 59 van het Statuut.”
In de beschikking van dezelfde datum in zaak 731/79 R werd overwogen dat „feitelijk noch rechtens ook maar iets is aangevoerd wat zou kunnen doen geloven dat verweerder met het inleiden van de (invaliditeits-)procedure andere doelen voor ogen heeft gehad dan waarvoor zij is ingesteld.” Ook tijdens de verdere behandeling van de zaak is daaromtrent niets gebleken.
Ofschoon de rechterplaatsvervangend president van het Hof de partijen en hun artsen op 28 november 1979 had aangespoord al het mogelijke te doen om de werkzaamheden van het „collège médical” te bespoedigen, kwam er weinig schot in de zaak. Daarom verzocht verzoekers raadsman op 21 januari 1980 de president van het Hof, met toepassing van artikel 23 van de Regeling een „medisclie commissie” te benoemen om de situatie te „deblokkeren”. Gezien de Regeling, leek dit echter volstrekt onmogelijk, aangezien er een invaliditeitscommissie bestond, die wettig was samengesteld. Het verzoek werd dan ook afgewezen bij beschikking van 13 maart 1980 (nr. 122.164).
Wat het „college médical” betreft, heeft het Parlement thans het besluit genomen waarvan zij in haar opmerkingen van 23 februari 1980 had aangekondigd dat het binnenkort zou volgen.
Op 30 april 1980 deed de secretaris-generaal aan verzoeker weten, dat dokter Maddens overtuigend had aangetoond dat „zijn somatische gezondheidstoestand als volstrekt normaal moest worden beschouwd, dat hij niet aan een beroepsziekte leed en dat zijn arbeidsomstandigheden bij het Europees Parlement niet als schadelijk voor de gezondheid konden worden beschouwd.”
Hij deelde hem mitsdien mee, dat artikel 73 van het Statuut in zijn geval niet van toepassing was en dat deze mededeling was te beschouwen als een ontwerpbesluit in de zin van artikel 23 van de Regeling.
In die omstandigheden kon bezwaarlijk worden verwacht dat de invaliditeitscommissie tot de conclusie zou komen dat verzoeker op enigerlei wijze arbeidsongeschikt was. Ter terechtzitting van 18 september 1980, waarop verzoeker niet was vertegenwoordigd, deelde de raadsman van het Europees Parlement ons mee, dat de secretaris-generaal verzoeker op 8 juli 1980 had bericht dat, overeenkomstig artikel 9 van bijlage II van het Statuut, de invaliditeitscommissie eveneens had geconcludeerd dat hij niet arbeidsongeschikt was.
Op een desbetreffende uitnodiging heeft verzoeker zijn werkzaamheden bij het Parlement op 15 juli hervat, na toestemming te hebben gekregen tot 15 oktober halve dagen te werken, welke toestemming tot 31 december 1980 kan worden verlengd.
Op 25 juni 1980 evenwel heeft verzoeker krachtens artikel 21 van de Regeling gevraagd dat de in artikel 23 bedoelde medische commissie advies uitbrengt. Laten we hopen dat deze commissie goed zal kunnen functioneren en haar werkzaamheden tot een goed einde zal kunnen brengen.
Blijft nog een beslissing te nemen omtrent de kosten, daaronder begrepen de kosten van de korte gedingen die tot de beschikkingen van 5 december 1979 hebben geleid.
Verzoeker heeft gevraagd om verwijzing van het Parlement in de kosten, terwijl dit concludeert tot veroordeling van verzoeker in alle kosten overeenkomstig artikel 69, paragraaf 3, tweede alinea, van het Reglement voor de procesvoering. Aangezien geen van beide partijen vrijuit gaat en het Parlement in de laatste fase van de procedure dit onderdeel van zijn conclusies heeft laten vallen, geven wij u in overweging niet af te wijken van de regel van artikel 70 van het Reglement voor de procesvoering.
Gelet voorts op het feit dat verzoeker, ondanks zijn afwezigheid, steeds zijn salaris — voor een halve werktijd — is blijven ontvangen, lijkt de schade die hij beweert te hebben geleden, ruimschoots te zijn vergoed.
Wij concluderen dat het Hof beslisse:
dat het beroep in zaak 731/79 zijn belang heeft verloren,
en dat elk der partijen haar eigen kosten drage, daaronder begrepen die van de korte gedingen 731/79 R en 794/79 R.
( 1 ) Vertaald uit het Frans.
Full & Egal Universal Law Academy