CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL J.-P. WARNER
VAN 27 MAART 1980 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne beren Rechters,
Deze zaak is ter prejudiciële beslissing aan het Hof voorgelegd door de Arbeidsrechtbank te Charleroi. Verzoekster in het hoofdgeding is de Verrekenkas voor Gezinsvergoedingen voor de gebieden Charleroi en Namen (hierna te noemen: „VGV”). Verweerder is Cosimo Laterza. Het omstreden punt in het hoofdgeding is de vraag of Laterza al dan niet recht heeft op Belgische kinderbijslag.
Uit de overgelegde stukken blijkt dat, naast de VGV, ten minste drie andere Belgische instellingen voor sociale zekerheid betrokken zijn bij Laterza's geval, te weten het Nationaal Pensioenfonds voor mijnwerkers, de Caisse de Prévoyance du Centre en de Caisse de Compensation des Allocations familiales de l'Industrie Charbonnière des bassins de Charleroi et de la Basse Sambre. De rol van deze respectieve instellingen is voor de oplossing van de aan het Hof voorgelegde vraag evenwel niet relevant; ik zal ze dan ook eenvoudigheidshalve aanduiden als „de Belgische organen”.
De feiten van de zaak zijn de volgende.
Laterza werd in 1936 in Italie geboren en was aldaar werkzaam van 1950 tot 1955. Vervolgens werkte hij ongeveer 14 jaar als mijnwerker in België. Op 14 december 1969 staakte hij wegens invaliditeit zijn werkzaamheden en op 16 februari 1970 vroeg hij bij de Belgische organen invaliditeitspensioen aan. Dit pensioen werd hem op 12 mei 1970 met ingang van 1 juni 1970 toegekend. Op dat pensioen kon Laterza aanspraak maken, zo werd ons gezegd, enkel op grond van de in België vervulde tijdvakken van verzekering. Het bedroeg BFR 4826,50 per maand. Enkele dagen later, op 11 juni 1970, werd Laterza's dossier naar het bevoegde Italiaanse orgaan gestuurd, het Istituto nazionale delle Previdenza sociale (hierna: „INPS”), om na te gaan of aan Laterza op grond van zijn werkzaamheden in Italië een invaliditeitspensioen verschuldigd was, zulks overeenkomstig de artikelen 30 en volgende van verordening nr. 4 van 1958, waarin wordt bepaald dat in het algemeen een aanvraag voor een invaliditeitspensioen in de eerste plaats dient te worden gericht aan het bevoegde orgaan van de Lid-Staat waarin de werknemer woonachtig was, en dat dit orgaan de aanvraag dient te zenden an het bevoegde organ van die andere Lid-Staten waar de werknemer tijdvakken van verzekering heeft vervuld.
In februari van het volgende jaar keerde Laterza naar Italië terug, waar hij acht maanden later, op 18 oktober 1971, in het huwelijk trad. De Belgische organen besloten derhalve op 13 december 1971 dat hij recht had op een verhoging van zijn pensioen, welke werd toegekend met ingang van 1 november 1971. Zijn pensioen bedroeg nu BFR 6921 per maand. Op 12 juni 1972 werd Laterza's eerste kind, Antonio, geboren. Het INPS had op dat moment nog geen besluit genomen over Laterza's recht op een Italiaanse invaliditeitsuitkering. De Belgische organen keerden hem Belgische kinderbijslag uit voor Antonio.
Voor de houding van de Belgische organen zijn twee verklaringen mogelijk: ofwel kon Laterza uitsluitend naar Belgisch recht aanspraak maken op deze bijslag; ofwel kon hij dat in de gegeven omstandigheden krachtens het gemeenschapsrecht.
De desbetreffende Belgische wet is niet helemaal duidelijk. In het verwijzingsvonnis zegt de Arbeidsrechtbank hierover niets. De Commissie heeft de aandacht van het Hof gevestigd op artikel 51, tweede alinea, sub 3, en in fine, van de Belgische samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, waarin wordt bepaald dat „de gezinsvergoedingen niet verschuldigd zijn ten bate van de buiten het Rijk opgevoede kinderen”. In het antwoord van Laterza op een door het Hof aan het einde van de schriftelijke behandeling gestelde vraag wordt eveneens naar die bepaling verwezen. Daarbij wordt evenwel melding gemaakt van enkele uitdrukkelijke afwijkingen die, voor zover betrekking hebbend op de onderhavige zaak, blijkbaar hierop neerkomen, dat artikel 51, tweede alinea, in fine, slechts geldt onverminderd de vereisten van het gemeenschapsrecht. Dit spreekt dunkt mij vanzelf. Merkwaardig genoeg is de VGV op de door het Hof gestelde vraag het antwoord schuldig gebleven. Het lijkt mitsdien waarschijnlijk dat Laterza niet krachtens het Belgische recht alleen aanspraak kon maken op Belgische kinderbijslag. Maar of dit zo is, is uiteindelijk een vraag die enkel door de Belgische rechter kan worden beantwoord.
Anderzijds bestaat er geen twijfel over, dat Laterza in zijn omstandigheden krachtens het gemeenschapsrecht aanspraak kon maken op Belgische kinderbijslag. De toen geldende desbetreffende bepaling was artikel 42 van verordening nr. 3, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1/64 van de Raad, dat ook aan de orde was in zaak 19/76 (Triches, Jurispr. 1976, blz. 1243). Zoals het Hof zich van die zaak zal herinneren, had de Raad in de oorspronkelijke bepalingen van verordening nr. 3 betreffende de kinderbijslagen voor gepensioneerden, gepoogd voor de berekening van deze bijslagen een regeling in te stellen waarbij de rechten in verschillende Lid-Staten in aanmerking werden genomen; deze regeling was in de praktijk echter zo ingewikkeld gebleken, dat ze onuitvoerbaar was. Als gevolg daarvan kreeg Triches inderdaad gedurende lange tijd geen enkele kinderbijslag. Verordening nr. 1/64 hief deze ingewikkelde regelingen op en verving ze door een eenvoudiger stelsel, gebaseerd op het beginsel dat slechts één Lid-Staat verantwoordelijk is voor de betaling van kinderbijslag aan een gepensioneerde. Het is deze regeling die op Laterza's geval van toepassing is.
Lid 1 van het gewijzigde artikel 42 luidt als volgt:
„Zij, die in het genot zijn van een pensioen of rente, verschuldigd krachtens de wettelijke regeling van een enkele Lid-Staat, en die op het grondgebied van een andere Lid-Staat woonachtig zijn, hebben recht op kinderbijslag overeenkomstig de bepalingen van de wettelijke regeling van het land dat het pensioen of de rente verschuldigd is alsof zij in dit land woonachtig waren”.
Lid 2 heeft betrekking op het geval van degenen
„die in het genot zijn van pensioenen of renten, verschuldigd krachtens de wettelijke regeling van verschillende Lid-Staten”.
In lid 3 wordt bepaald als volgt:
„De bepalingen van de leden 1 en 2 van dit artikel zijn van toepassing, ongeacht de Lid-Staat op welks grondgebied de kinderen woonachtig zijn”.
Aangezien het INPS op het tijdstip van de geboorte van Antonio nog geen besluit had genomen, zodat Laterza enkel een Belgisch pensioen ontving, was dientengevolge artikel 42, lid 1, van toepassing en had hij, hoewel hij en zijn gezin in Italië woonden, recht op Belgische kinderbijslag.
Op 1 oktober 1972 werden's Raads verordeningen nrs. (EEG) 1408/71 en 574/72 van kracht, waardoor verordeningen nrs. 3 en 4 werden opgeheven. De bepalingen van het gewijzigde artikel 42 van verordening nr. 3 betreffende kinderbijslagen voor pensioentrekkers, waren nagenoeg ongewijzigd overgenomen in artikel 77 van verordening nr. 1408/71. De in casu relevante bepalingen van voornoemd artikel luiden als volgt:
„1.
Voor de toepassing van dit artikel worden onder ‚bijslagen’ verstaan ... kinderbijslag voor rechthebbenden op pensioen of rente wegens ouderdom, invaliditeit, arbeidsongeval of beroepsziekte ...
2.
Ongeacht op het grondgebied van welke Lid-Staat de rechthebbende op een pensioen of rente dan wel de kinderen wonen, worden de bijslagen toegekend volgens onderstaande regels:
a)
aan de rechthebbende op pensioen of rente, verschuldigd krachtens de wettelijke regeling van een enkele Lid-Staat, overeenkomstig de wettelijke regeling van de Lid-Staat welke inzake het pensioen of de rente bevoegd is;
b)
aan de rechthebbende op pensioenen of renten verschuldigd krachtens de wettelijke regelingen van meer dan een Lid-Staat:
(i)
overeenkomstig de wettelijke regeling van die van deze staten, op het grondgebied waarvan hij woont, indien het recht op een van de in lid 1 bedoelde bijslagen aldaar wordt ontleend aan de wettelijke regeling van deze staat, eventueel met inachtneming van artikel 79, lid 1, sub a), of
(ii)
in de overige gevallen ...”
(Artikel 79, lid 1, sub a, bevat enkel een regeling voor de erkenning, waar nodig, van tijdvakken van verzekering, van arbeid of van wonen om uit te maken of iemand krachtens de wetgeving van een Lid-Staat recht heeft op de bijslagen.)
Op 23 januari 1974 deelde het INPS de Belgische organen mee dat het de aanvraag om een Italiaanse invaliditeitsuitkering had afgewezen omdat Laterza krachtens de Italiaanse wettelijke regeling niet als medisch arbeidsongeschikt werd beschouwd. Bij brief van 17 februari 1974 verzochten de Belgische organen het INPS terug te komen op zijn beslissing op grond van artikel 4, lid 3, van verordening nr. 1408/71. Deze bepaling luidt als volgt:
„De door het orgaan van een Lid-Staat genomen beslissing omtrent de toestand van invaliditeit van de aanvrager is bindend voor het orgaan van iedere andere betrokken Lid-Staat, mits in bijlage IV is vermeld dat de voorwaarden van de wettelijke regelingen van deze Lid-Staten met betrekking tot de toestand van invaliditeit met elkaar overeenstemmen”.
In bedoelde bijlage wordt de overeenstemming tussen de Belgische en Italiaanse wettelijke regelingen vermeld.
Artikel 40, lid 3, van verordening nr. 1408/71 was nieuw, in die zin dat verordening nr. 3 noch verordening nr. 4 een vergelijkbare bepaling hadden bevat. Dientengevolge diende acht te worden geslagen op artikel 118, lid 1, van verordening nr. 574/72 (zoals per 1 oktober 1972 gewijzigd bij verordening nr. 878/73 van de Raad, artikel 1, lid 25, en artikel 2), dat luidt als volgt:
„Wanneer de datum waarop de verzekerde gebeurtenis heeft plaatsgevonden vóór de datum van toepassing van de verordening [nl. verordening nr. 1408/71] ligt en er op grond van de aanvraag om pensioen of rente vóór die datum nog geen uitkering werd vastgesteld, dan moeten er voor deze aanvraag twee uitkeringen worden vastgesteld, voor zover naar aanleiding van deze verzekerde gebeurtenis uitkeringen moeten worden gedaan voor het aan laatstgenoemde datum voorafgaande tijdvak:
a)
voor het aan de datum van toepassing van de verordening voorafgaande tijdvak: een uitkering overeenkomstig de bepalingen van verordening nr. 3 of van verdragen tussen de desbetreffende Lid-Staten;
b)
voor het tijdvak vanaf de datum van toepassing van de verordening: een uitkering overeenkomstig de bepalingen van de verordening.
Indien evenwel het bedrag dat is berekend krachtens de sub a) bedoelde bepalingen, hoger is dan het bedrag dat is berekend krachtens de sub b) bedoelde bepalingen, blijft betrokkene in aanmerking komen voor het bedrag dat is berekend krachtens de sub a) bedoelde bepalingen”.
Laterza's recht op een Italiaans invaliditeitspensioen moest met andere woorden voor de periode vóór 1 oktober 1972 overeenkomstig de bepalingen van verordeningen nrs. 3 en 4 worden vastgesteld, en voor de periode daarna overeenkomstig de bepalingen van verordeningen nrs. 1408/71 en 574/72, tenzij het bepaalde in de laatste alinea van artikel 118, lid 1, van toepassing was.
Maar laat ik verder gaan met het verhaal. Op 21 maart 1974 werd Laterza's tweede kind, Pietro, geboren. De zaak werd toen nog steeds door het INPS onderzocht. Naar ik heb begrepen, kenden de Belgische organen het gezin Laterza ook kinderbijslag toe voor Pietro. Op 31 oktober 1975 evenwel schorsten zij de betaling van kinderbijslagen aan Laterza in afwachting van een beslissing van het INPS.
Op 27 december 1976 besloot het INPS dat het krachtens artikel 40, lid 1, gehouden was de Belgische beslissing over Laterza's gezondheid te erkennen en dat Laterza recht had op een Italiaans invaliditeitspensioen van LIT 130650 per jaar met ingang van 1 oktober 1972. Deze beslissing werd ter kennis van de Belgische organen gebracht.
Met betrekking tot de periode vóór 1 oktober 1972 bleef het INPS erbij, dat Laterza geen recht had op een Italiaanse invaliditeitsuitkering omdat het INPS hem vóór die datum niet als invalide had erkend. Krachtens het (gewijzigde) artikel 42, lid 1, van verordening nr. 3 had hij dientengevolge voor dat tijdvak ontegenzeglijk recht op Belgische, maar niet op Italiaanse kinderbijslag.
Toen de Belgische organen kennis kregen van het feit dat het INPS Laterza een Italiaans pensioen hadden toegekend, verminderden zij aanstonds, zo werd ons gezegd, het bedrag van het Belgische pensioen met het bedrag van het Italiaanse. Deze Belgische maatregel vormt evenwel niet het onderwerp van het onderhavige geding. De relevantie van deze maatregel schuilt hierin dat de Belgische organen van oordeel waren dat Laterza's geval, ingevolge de toekenning van een Italiaans pensioen, in de werkingssfeer van artikel 77, lid 2, sub b-i, van verordening nr. 1408/71 viel, zodat hij sinds 1 oktober 1972 aanspraak had kunnen maken op Italiaanse en niet op Belgische kinderbijslag. Van 1 oktober 1972 tot 31 oktober 1975 hadden de Belgische organen Laterza een totaal bedrag aan kinderbijslag betaald van BFR 104189. Gebleken is dat zij vooreerst poogden, op grond van artikel 111 van verordening nr. 574/72, dat bedrag terug te vorderen van het INPS, maar dat zij daarin niet slaagden. Op 29 augustus 1977 leidde de VGV het onderhavige hoofdgeding in voor de Arbeidsrechtbank te Charleroi en vorderde van Laterza het bedrag van BFR 104189 terug. In reconventie vorderde Laterza het verschil tussen de Belgische en de Italiaanse kinderbijslag sinds 1 oktober 1972; de Belgische kinderbijslag is immers hoger dan de Italiaanse.
Onder verwijzing naar's Hofs arrest in zaak 32/76 (Saieva, Jurispr. 1976, blz. 1523) betoogde Laterza voor de Arbeidsrechtbank, dat zijn recht op Italiaans pensioen en Italiaanse kinderbijslag was vastgesteld op een met artikel 95, lid 5, van verordening nr. 1408/71 strijdige wijze, aangezien krachtens deze bepaling de rechten van verzekerden enkel op hun verzoek kunnen worden herzien. De Arbeidsrechtbank wees dit argument af op grond dat het besluit waarbij Laterza een Italiaans pensioen was toegekend (waardoor hij meteen ook aanspraak kon maken op Italiaanse kinderbijslag), ofschoon genomen door het INPS op initiatief van de Belgische organen, geen herziening van Laterza's rechten vormde, maar juist een toekenning van rechten die hij voorheen niet bezat. Aangezien het Hof op dit punt geen vragen worden gesteld, zal ik hierop niet verder ingaan.
Het tweede argument van Laterza, kennelijk aangevoerd ter ondersteuning van zijn tegeneis, luidde dat de toepassing van artikel 77, lid 2, sub b-i, van verordening nr. 1408/71 niet mag leiden tot een vermindering van zijn rechten op kinderbijslag.
De vraag die de Arbeidsrechtbank aan het Hof heeft voorgelegd, heeft betrekking op de uitlegging van artikel 77, lid 2, sub b-i, en luidt als volgt:
„Moet deze bepaling aldus worden uitgelegd, dat het recht op kinderbijslag in de staat op het grondgebied waarvan de rechthebbende op invaliditeitspensioen woonachtig is (in casu Italië), het voordien in een andere Lid-Staat (in casu België) verkregen recht op hogere kinderbijslag doet vervallen?”
Zou Laterza's recht op Belgische kinderbijslag enkel op het Belgische recht berusten, dan zou zich vanzelfsprekend geen enkel probleem voordoen. Volgens vaste rechtspraak van het Hof geeft artikel 51 EEG-Verdrag de Raad niet de bevoegdheid, verordeningen vast te stellen waardoor iemand rechten worden ontnomen die hij, los van het gemeenschapsrecht, krachtens de wetgeving van een Lid-Staat bezit. Ik zal dit beginsel het „Petroni-beginsel” noemen, naar de naam van de belangrijkste zaak (zaak 24/75, Petroni, Jurispr. 1975, blz. 1149) in de rechtspraak, waarop dit beginsel berust. Dienovereenkomstig kan artikel 77, lid 2, sub b-i, van verordening nr. 1408/71 niet aldus worden uitgelegd, dat Laterza rechten die hij krachtens het Belgische recht en los van het gemeenschapsrecht geniet, zou verliezen.
Ervan uitgaande dat hij, zo zijn kinderen niet buiten België werden opgevoed, krachtens de enkele Belgische wetgeving recht zou hebben op Belgische kinderbijslag, verwees Laterza naar zaak 32/77 (Giuliani, Jurispr. 1977, blz. 1857). De redenering van het Hof in deze zaak is niet gemakkelijk te volgen en lijkt moeilijk te rijmen met de rechtspraak volgens welke iemand die zich op het gemeenschapsrecht beroept om de erkenning van een recht te zijnen gunste te verkrijgen, ook de door dat recht opgelegde beperkingen dient te aanvaarden (zie bijv. zaak 34/69, Duffy, Jurispr. 1969, blz. 597, r.o. 8; zaak 184/73, Kaufmann, Jurispr. 1974, blz. 517, r.o. 9 e.V.; zaak 50/75, Massonet, Jurispr. 1975, blz. 1473, r.o. 11; en zaak 83/77, Naselli, Jurispr. 1978, blz. 683, r.o. 12 en 13). In de zaak-Giuliani schijnt het Hof te hebben geoordeeld dat, hoewel Giuliani zich om betaling van zijn pensioen te verkrijgen, diende te beroepen op artikel 10 van verordening nr. 1408/71, de beperkingen in artikel 46, lid 3, van deze verordening krachtens het Petroni-beginsel niet op hem van toepassing waren, aangezien het bedrag van zijn pensioen uitsluitend op het Duitse recht berustte, zonder dat daartoe samentelling van verzekeringstijdvakken of proratisatie van uitkeringen noodzakelijk was. Het arrest kwam een week na de uitspraak in de zaken 22/77 (Mura) en 37/77 (Greco; Jurispr. 1977, blz. 1699 en 1711), waarin eveneens werd verwezen naar de voorschriften inzake de samentelling van verzekeringstijdvakken en proratisatie van uitkeringen, en wel in een context waarin — zoals later is gebleken in de arresten in zaken 98/77 (Schaap) en 105/77 (Boerboom-Kersjes; Jurispr. 1978, blz. 707 en 717) — het al dan niet toepassen van deze regels niet werkelijk beslissend was. Het is mogelijk dat een zelfde misverstand aan de uitspraak in zaak-Giuliani ten grondslag lag. Het zou naar mijn mening hoe dan ook onjuist zijn, de zaak-Giuliani te volgen in het onderhavige geval, waarin noch artikel 10 noch artikel 46 van verordening nr. 1408/71 aan de orde zijn.
Zowel Laterza als de Commissie verwijzen naar zaak 100/78 (Rossi, Jurispr. 1979, blz. 831). De Commissie gaat zelfs zo ver te beweren dat het Hof in de onderhavige zaak voor de keuze staat tussen de zaak-Triches en de zaak-Rossi. Ik meen dat dit niet juist is. Rossi had enkel aanspraak op een Belgisch invaliditeitspensioen. Op hem was dan ook duidelijk artikel 77, lid 2, sub a, van verordening nr. 1408/71 van toepassing, zodat hij krachtens het gemeenschapsrecht recht had op Belgische kinderbijslag. De vraag of hij ook uitsluitend krachtens Belgisch recht daarop aanspraak had, is niet ter sprake gekomen. De vraag waarover het Hof te oordelen had, was of krachtens artikel 79, lid 3, van verordening nr. 1408/71 Rossi's recht op Belgische kinderbijslag geheel, dan wel slechts ten belope van de (lagere) Italiaanse kinderbijslag werd geschorst indien Rossi's echtgenote, die in Italië werkzaam was, recht had op Italiaanse kinderbijslag voor hun kinderen. Advocaat-generaal Capotorti koos voor de tweede oplossing en wel om twee redenen. De eerste reden was, dat in artikel 60, laatste alinea, van het desbetreffende Belgische koninklijke besluit werd bepaald dat „indien de te anderen titel verschuldigde gezinsvergoedingen minder bedragen dan die waarvan deze wet de uitkering voorziet, de persoon die gerechtigd is deze in te roepen, het verschil mag opeisen”. Daardoor werd volgens advocaat-generaal Capotorti het Petroni-beginsel van toepassing, aangezien artikel 79, lid 3, aan Rossi niet kon ontnemen waarop hij krachtens de Belgische wet aanspraak kon maken. De tweede door advocaat-generaal Capotorti aangevoerde reden was dat artikel 79, lid 3, aldus moet worden uitgelegd, dat de schorsing van bijslagen krachtens dit artikel geheel of gedeeltelijk kan zijn, naar gelang van de respectieve bedragen van de kinderbijslag die verband houdt met het pensioen, en van de in andere Lid-Staten betaalde kinderbijslag. Advocaat-generaal Capotorti maakte in dat opzicht een uitdrukkelijk onderscheid tussen „een anti-cumulatiebepaling” gelijk artikel 79, lid 3, en een „conflictenregel” gelijk artikel 77 (zie Jurispr. 1979, blz. 849-852). In zijn arrest volgde het Hof de conclusie van advocaat-generaal Capotorti, maar het koos niet duidelijk voor een van de door hem aangevoerde gronden.
In de onderhavige zaak doet zich een ander probleem voor, namelijk of Laterza (aangenomen dat hij krachtens Belgisch recht alleen geen aanspraak heeft op Belgische kinderbijslag) per 1 oktober 1972 op grond van de desbetreffende bepalingen van gemeenschapsrecht aanspraak had op Belgische clan wel Italiaanse kinderbijslag.
Zoals ik al zei, bestaat er geen twijfel over, dat Laterza voor de periode vóór 1 oktober 1972 uitsluitend recht had op een Belgisch pensioen en dus ook op Belgische kinderbijslag. Er bestaat evenmin twijfel over, dat, zo het INPS op een tijdstip vóór 1 oktober 1972 had beslist dat Laterza geen aanspraak had op een Italiaans pensioen, hem daarna het recht op deze bijlagen niet dan op zijn eigen initiatief kon worden ontnomen, aangezien krachtens artikel 94, lid 5, van verordening nr. 1408/71 overeenkomstig de uitlegging die het Hof daarvan in de zaak-Saieva heeft gegeven, alleen hijzelf na 1 oktober 1972 om toekenning van een Italiaans pensioen kon verzoeken.
Het zou vreemd zijn indien het talmen van het INPS een wijziging in Laterza's rechten zou kunnen meebrengen.
De opstellers van de verordeningen nrs. 1408/71 en 574/72 hebben een aantal voorzorgen genomen om te voorkomen dat ingevolge het van kracht worden van deze verordeningen de rechten van pensioen- of rentetrekkers zouden worden beknot. Daartoe dienen artikel 94, lid 5, van verordening nr. 1408/71 en het voorbehoud in het gewijzigde artikel 118, lid 1, van verordening nr. 574/72, die ik beide reeds heb aangehaald. Ook in artikel 94, lid 9, van eerstgenoemde en in artikel 119 van laatstgenoemde verordening worden sommige gezinsbijslagen beschermd. De werking van deze bepalingen strekt zich evenwel niet uit tot gezinsbijslagen voor personen in Laterza's situatie.
Het is dan ook de vraag of het ontbreken van een uitdrukkelijke bepaling ter bescherming van deze uitkeringen, betekent dat de opstellers van de verordeningen de gerechtigden deze bescherming hebben willen ontzeggen in omstandigheden zoals die van het onderhavige geval, dan wel of zij dit punt over het hoofd hebben gezien, zodat in de verordeningen een leemte bestaat die, om onbillijke resultaten te voorkomen, door rechterlijke beslissing moet worden aangevuld (gelijk bijvoorbeeld in zaak 64/74, Reich, Jurispr. 1975, blz. 261).
Naar mijn mening biedt de laatste mogelijkheid de juiste oplossing. Deze opvatting vindt steun in het feit dat de Raad bij de vaststelling van verordening nr. 1408/71 in de notulen de volgende verklaring heeft doen opnemen: „de aandacht wordt erop gevestigd dat op grond van het beginsel van behoud van verworven rechten de in het kader van verordening nr. 3 toegekende uitkeringen die hoger blijken te zijn dan die voortvloeiend uit de toepassing van verordening nr. 1408/71 niet vermindert zullen worden”. Deze verklaring is uiteraard rechtens niet bindend, maar zij is gepubliceerd (namelijk op blz. 20 van het „Vademecum voor de Sociale Zekerheid van Werknemers die zich met hun gezin binnen de Gemeenschap verplaatsen”) en men kan dus niet van ons verlangen dat wij er geen kennis van nemen. Verder vind ik nog steun in het feit dat de zaak-Saieva het Hof het bestaan schijnt te hebben erkend van een beginsel „dat de ingevolge verordening nr. 3 toegekende uitkeringen die voordeliger zijn dan de uit de nieuwe verordening voortvloeiende uitkeringen, niet zullen worden gekort”. Ik acht het mogelijk dat de opstellers van de verordeningen nrs. 1408/71 en 574/72 meenden dat ook voor gezinsbijslagen aan pensioentrekkers, de overgangsbepalingen betreffende pensioenen (artikelen 94, lid 5, en 118, lid 1) konden volstaan om de daarmee samenhangende kinderbijslagen te regelen.
Ik meen derhalve dat moet worden beslist dat het van kracht worden van verordening nr. 1408/71 niet ertoe mag leiden (door toepassing van artikel 40, lid 3, juncto artikel 77 van deze verordening) dat Laterza zijn recht op Belgische kinderbijslag verliest.
De vraag of Laterza de VGV enige verantwoording moet afleggen voor of terugbetaling moet doen van het bedrag schikking niet rechtstreeks gesteld; ik van de Italiaanse kinderbijslag die hij acht het dan ook niet nodig ze te behanthans geniet, wordt in de verwijzingsbe- delen.
Concluderende geef ik mitsdien het Hof in overweging, de door de Arbeidsrechtbank gestelde vraag te beantwoorden als volgt:
1.
Geen enkele bepaling van verordening nr. 1408/71 kan iemand een recht ontnemen dat hem door de wetgeving van een Lid-Staat, los van het gemeenschapsrecht, wordt toegekend.
2.
Geen enkele bepaling van deze verordening kan iemand met ingang van 1 oktober 1972 het recht op kinderbijslag ontnemen, dat hij vóór die datum in een Lid-Staat krachtens verordening nr. 3 bezat.
( 1 ) Vertaald uit hel Engels.
Full & Egal Universal Law Academy