CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL G. REISCHL
VAN 30 OKTOBER 1980 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Verzoeker in de onderhavige zaak is op 1 oktober 1967 als ambtenaar op proef in de rang LA 7 bij de Commissie in dienst getreden. Op 1 april 1968 werd hij tot ambtenaar in vaste dienst benoemd en als adjunct-vertaler tewerkgesteld bij het directoraat „Vertaling, documentatie, vermenigvuldiging, bibliotheek” van het directoraat-generaal „Personeelszaken en algemeen beheer”. Op 1 oktober 1972 werd hij bevorderd tot vertaler in de rang LA 6, toentertijd volgens bijlage I A bij het Ambtenarenstatuut de aanvangsrang van loopbaan LA 6/LA 5. Zijn naam stond met die van anderen op de op 10 maart 1978 gepubliceerde lijst van ambtenaren, die in het begrotingsjaar 1978 aan de voorwaarden voor bevordering voldeden.
Op 2 mei 1978 werd verordening nr. 912/78 van de Raad vastgesteld, „tot wijziging van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen en de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van deze Gemeenschappen” (PB L 119 van 1978, blz. 1), die ingevolge artikel 35 op 4 mei 1978 in werking trad. Overeenkomstig artikel 13 werd de in bijlage IA bij het Ambtenarenstatuut genoemde rubriek „Groep voor de talendienst” in dier voege geherstructureerd, dat de rangen LA 6 en LA 7 te zamen een loopbaan vormden, zodat met ingang van 4 mei 1978 een bevordering van LA 6 naar LA 5 niet meer zoals voorheen binnen een loopbaan kon plaatsvinden, doch gold als bevordering van de ene loopbaan (LA 7/LA 6) naar de andere (LA 5/LA 4).
De Hoofden van administratieve diensten van de instellingen van de Gemeenschappen bevalen na hun bijeenkomst van 30 oktober 1978 aan, voor bevorderingen in de talendienst binnen de tot 3 mei 1978 geldende loopbanen bij ambtenaren die op deze dag de vereiste diensttijd hadden, de voordien geldende regels toe te passen en deze bevorderingen met ingang van 1 januari 1978 toe te kennen.
Aan dit voorstel gaf de Commissie gevolg. Zij publiceerde op 15 februari 1979 onder meer de lijst van ambtenaren die binnen de oude loopbaan met ingang van 1 januari 1978 naar de rang LA 5 waren bevorderd. Verzoeker in de onderhavige zaak kwam niet op deze lijst voor.
Verzoeker diende op 26 maart 1979 bij het tot aanstelling bevoegde gezag een formele klacht in tot intrekking van de op 15 februari 1979 gepubliceerde besluiten tot bevordering naar de rang LA 5.
Deze klacht werd uitdrukkelijk afgewezen bij nota van 17 augustus 1979, nadat zij na het verstrijken van vier maanden na de indiening ervan reeds stilzwijgend was afgewezen. Vervolgens stelde verzoeker op 22 oktober 1979 bij het Hof van Justitie beroep in en concludeerde hij tot nietigverklaring van de op het jaar 1978 betrekking hebbende besluiten tot bevordering naar de rang LA 5, alsmede van het besluit tot afwijzing van zijn administratieve klacht.
Met betrekking tot deze conclusies, die de Commissie verworpen wenst te zien, zou ik het volgende willen opmerken:
1.
Verzoeker verwijt de Commissie in de eerste plaats ten aanzien van de bevordering van ambtenaren van de rang LA 6, die reeds vóór 4 mei 1978 aan de voorwaarden voor bevordering voldeden, de oude regels te hebben toegepast, wat — omdat deze bevorderingen volgens deze regels als bevorderingen binnen een loopbaan werden beschouwd — tot gevolg had, dat de te bezetten posten niet zijn bekendgemaakt. Daardoor zijn zijns inziens bijlage IA van het Statuut, zoals gewijzigd bij verordening nr. 912/78, de artikelen 4 en 5, leden 2 en 4, van het Statuut en artikel 35 van verordening nr. 912/78 geschonden. Eigenlijk hadden na de inwerkingtreding van verordening nr. 912/78 alle bevorderingen naar de rang LA 5 als bevorderingen naar een hogere loopbaan moeten worden beschouwd en had de procedure dienovereenkomstig moeten worden opgezet.
De Commissie betoogde in dit verband allereerst, dat verzoeker geen belang had bij dit middel, zodat het niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard. Zij beriep zich daartoe op het arrest van 16 oktober 1975 (zaak 90/74, Deboeck, Jurispr. 1975, blz. 1133), waarin met betrekking tot een intern vergelijkend onderzoek en de daarop gevolgde benoemingen was betoogd, dat van de vacature geen kennis was gegeven. Het Hof overwoog dienaangaande, dat verzoekster er geen belang bij had zich op genoemde fout te beroepen, omdat enkel kandidaten voor overplaatsing en bevordering, waartoe verzoekster niet behoorde, baat hadden kunnen hebben bij een kennisgeving van vacature. In het onderhavige geval — aldus de Commissie — ligt de situatie precies eender. De gevolgde procedure was niet nadelig voor verzoeker, en het staat vast dat de procedure die zijns inziens had moeten worden toegepast, voor hem geen gunstiger resultaat zou hebben opgeleverd. Van belang is namelijk in de eerste plaats dat verzoekers naam voorkwam op de lijst van ambtenaren die in 1978 aan de voorwaarden voor bevordering voldeden, en derhalve zowel in het door het bevorderingscomité alsook in het door het tot aanstelling bevoegde gezag verrichte onderzoek is betrokken. Anderzijds is het doel van een kennisgeving van vacature kennelijk om ambtenaren in te lichten die voor overplaatsing of bevordering in aanmerking willen komen. Herhaling van de bevorderingsprocedure met inachtneming van het vereiste van kennisgeving zou derhalve hoogstens nog andere kandidaten kunnen aantrekken, wat ongetwijfeld voor verzoeker geen gunsti ger uitgangspositie zou scheppen dan hij bij de nu gevolgde procedure had.
Mijns inziens kan men hiermee alleen maar instemmen. Daarbij hoeft nu niet te worden ingegaan op de principiële vraag of in elk geval, niet alleen voor wat de ontvankelijkheid van het beroep betreft, maar ook met betrekking tot de beroepsgronden, belang moet worden aangetoond. In een geval als het onderhavige, waarin het eenieder duidelijk is dat verzoeker absoluut niets heeft te winnen bij een onderzoek en een eventuele gegrondverklaring van een bepaalde beroepsgrond, is het immers zonder meer gerechtvaardigd een dergelijk middel als niet-ontvankelijk af te wijzen.
Overigens kan men echter ook van mening zijn — en dit heeft reeds betrekking op de gegrondheid van het middel — dat tegen het handelen van de Commissie moeilijk bezwaar kan worden gemaakt. Aangezien bevorderingen binnen een loopbaan in het algemeen met ingang van 1 januari worden toegekend, en aangezien kan worden aangenomen dat ambtenaren die reeds begin 1978 aan de voorwaarden voor bevordering voldeden, een potentiële aanspraak hadden op bevordering in het kader van de oude loopbanen — men kan in dit verband ook van een gerechtvaardigd vertrouwen spreken —, kan mijns inziens zeker het standpunt worden verdedigd, dat niet alleen ter zake van de voorwaarden voor bevordering, maar ook van de te volgen procedurevoorschriften de vroeger geldende beginselen konden worden toegepast.
2.
Vervolgens maakt verzoeker er bezwaar tegen, dat vóór de met terugwerkende kracht tot 1 januari 1978 vastgestelde besluiten tot bevordering naar de rang LA 5 binnen de oude loopbaan geen publikatie heeft plaatsgevonden van de lijst van door hun diensten voor bevordering voorgedragen ambtenaren, noch van de lijst van de meest-verdienstelijke ambtenaren die volgens het tot aanstelling bevoegde gezag voor bevordering naar LA 5 in aanmerking kwamen. Hiermede werd volgens hem in de eerste plaats inbreuk op een vaste gewoonte gemaakt en het gelijkheidsbeginsel geschonden, omdat ondanks het achterwege blijven van de publikatie de bevorderingsvoorstellen van de superieuren officieus aan een aantal ambtenaren ter ore zijn gekomen, zodat zij wijziging daarvan hebben kunnen bewerkstelligen. Anderzijds zou dit — indien men ervan uitgaat dat dergelijke bevorderingen nog volgens de oude regels als bevorderingen binnen een loopbaan kunnen worden behandeld — een inbreuk vormen op de artikelen 5, lid 3, en 45, lid 1, Ambtenarenstatuut, alsmede op de artikelen 2, 4, 5 en 7 van het op 14 juli 1971 gewijzigde besluit van de Commissie van 21 december 1970, dat een regeling bevat van de bevorderingsprocedure en waarin met name wordt bepaald dat het tot aanstelling bevoegde gezag een lijst vaststelt van de meest verdienstelijke ambtenaren die voor bevordering in aanmerking komen en deze onverwijld ter kennis van het personeel brengt.
a)
Alvorens op deze grieven in te gaan, zou ik in het kort willen uiteenzetten hoe de bevorderingsprocedure voor ambtenaren van de talendienst van de Commissie in 1978 er uitzag.
In de eerste plaats zij gewezen op een nota van de directeur-generaal Personeelszaken en algemeen beheer van 14 november 1978 waarin voorstellen waren opgenomen met betrekking tot de bevorderingsprocedure, welke het bevoegde lid van de Commissie heeft aanvaard. Volgens die voorstellen moet onderscheid worden gemaakt tussen bevorderingen in het kader van de oude loopbanen en bevorderingen in het kader van de met ingang van 4 mei 1978 geldende nieuwe loopbanen: eerstgenoemde zouden ten aanzien van ambtenaren die vóór 1 mei 1978 aan de voorwaarden voor bevordering voldeden, per 1 januari 1978 worden toegekend, de laatste moesten per 1 juni 1978 worden toegekend aan ambtenaren die op die dag aan de voorwaarden voor bevordering voldeden. Het bevorderingscomité diende begin december bijeen te komen voor een onderzoek van de positie van de ambtenaren die zich in de aanvangsrangen van de nieuwe loopbanen bevonden; tegelijkertijd diende een comité ad hoc de bevorderingen in het kader van de oude loopbanen te onderzoeken.
Eveneens op 14 november 1978 verzocht de directeur-generaal Personeelszaken en algemeen beheer de hoofden van dienst om met redenen omklede voorstellen voor bevorderingen in het kader van de oude loopbanen te doen. Aan dit verzoek werd door het hoofd van het directoraat „Vertaling, documentatie, vermenigvuldiging, bibliotheek” op 4 december 1978 gevolg gegeven, doch verzoekers naam kwam niet op de voordracht voor.
Op 6 december 1978 werd in de voor het personeel bestemde „Mededelingen van de administratie” bekend gemaakt dat het bevorderingscomité dat de ontwerplijst van de meest verdienstelijke ambtenaren die voor bevordering in aanmerking kwamen, moest opstellen, spoedig de dossiers zou onderzoeken van alle ambtenaren die voor bevordering binnen de nieuwe loopbanen in de talendienst in aanmerking konden komen. Bovendien werd erop gewezen, dat tegelijkertijd de bevorderingen naar LA 7 en LA 5 (oude loopbanen) zouden worden onderzocht. Verder diende de lijst van ambtenaren die door de diensten voor bevordering werden voorgedragen, bij het bevorderingscomité te worden ingediend. Naast de samenstelling van het bevorderingscomité werden in deze mededeling echter alleen de door de hoofden van dienst gedane voorstellen voor bevordering naar LA 6 en LA 4 gepubliceerd, dus bevorderingen binnen de nieuwe loopbanen.
Het bevorderingscomité kwam op 11 en 20 december 1978 bijeen om de bevorderingen binnen de nieuwe loopbanen te onderzoeken. Het daarover op 3 januari 1979 opgestelde, met redenen omklede rapport met een lijst van de volgens het comité meest verdienstelijke ambtenaren die voor bevordering in aanmerking kwamen, werd overhandigd aan het tot aanstelling bevoegde gezag, dat vervolgens de lijst van de binnen de nieuwe loopbanen het meest in aanmerking komende ambtenaren vaststelde en in de „Mededelingen van de administratie” van 26 januari 1979 publiceerde.
Tegelijkertijd, namelijk eveneens op 20 december 1978, onderzocht het comité ad hoc, dat — zoals reeds nu kan worden opgemerkt — dezelfde samenstelling had, de bevorderingen binnen de oude loopbanen. Uit zijn rapport van 3 januari 1979 kan worden afgeleid, dat 21 ambtenaren het meest voor bevordering naar LA 5 in aanmerking leken te komen. In dit geval ging het tot aanstelling bevoegde gezag echter niet over tot vaststelling en publikatie van de lijst van de meest verdienstelijke ambtenaren die voor bevordering in aanmerking kwamen. Hier werden de bevorderingen rechtstreeks op grond van het rapport van het comité ad hoc toegekend en — alle 21 door het Comité voorgedragen ambtenaren werden bevorderd — in de „Mededelingen van de administratie” van 15 februari 1979 gepubliceerd.
b)
Met betrekking tot verzoekers grief dat de door het hoofd van zijn dienst gedane voorstellen voor bevorderingen naar LA 5 niet zijn gepubliceerd — wat hem zou hebben belet hierover opmerkingen te maken en wijzigingen voor te stellen, terwijl dit een andere ambtenaar op grond van een officieuze kennisname van bevorderingsvoorstellen wel gelukt was — is mijns inziens in de eerste plaats van belang, dat een dergelijke publikatie nergens wordt voorgeschreven. De betwiste gedraging van de Commissie vormt derhalve zeker geen schending van een rechtsnorm en reeds daarom kan ook geen sprake zijn van een schending van een wezenlijk vormvoorschrift. Met betrekking tot de publikatie van bevorderingsvoorstellen kan volgens de Commissie hoogstens van een zekere gewoonte worden gesproken, en bovendien kan niet eens worden gezegd dat men zich daar systematisch aan houdt. Zo zijn voorstellen voor de bevordering van wetenschappelijke ambtenaren nooit gepubliceerd. Ook aanvullende bevorderingsvoorstellen die soms, afhankelijk van de begrotingssituatie, mogelijk zijn, worden nooit gepubliceerd.
Gaat men ervan uit dat het een voortdurende of veel voorkomende administratieve praktijk was om de bevorderingsvoorstellen van de hoofden van dienst te publiceren, dan dient verder te worden opgemerkt dat tegen een afwijking daarvan vanuit het oogpunt van schending van het gelijkheidsbeginsel en van het beginsel van bescherming van gerechtvaardigd vertrouwen slechts bezwaar kan worden gemaakt, indien daarvoor geen redelijke gronden bestonden en daarover geen inlichtingen waren verstrekt. In dit verband is mijns inziens niet zozeer van belang dat de Commissie met nadruk heeft betwist, dat een andere ambtenaar van de talendienst van de voorstellen voor bevordering naar LA 5 officieus kennis heeft verkregen en heeft weten te bereiken dat hij in plaats van een andere ambtenaar in de voorstellen is opgenomen. Van belang is veeleer dat de Commissie in deze uitzonderingssituatie van de bestaande gewoonte meende te moeten afwijken en dat zij de betrokkenen daarover uitdrukkelijk en duidelijk in de reeds genoemde „Mededeling van de administratie” van 6 december 1978 heeft geïnformeerd. Inderdaad kan daaruit worden afgeleid dat de bevorderingen binnen de oude loopbanen spoedig, zonder voorafgaande publikatie van de bevorderingsvoorstellen van de hoofden van dienst, zouden worden onderzocht. Op grond daarvan was het voor alle betrokkenen duidelijk dat zij niet op een dergelijke publikatie hoefden te rekenen, en zij hadden zich in deze situatie — aangezien de namen van de leden van het bevorderingscomité werden gepubliceerd en aan te nemen was dat dit comité ook de bevorderingen binnen de oude loopbanen zou behandelen — rechtstreeks tot dit comité kunnen wenden, hetzij om bezwaren te maken tegen deze afwijking van de administratieve praktijk, hetzij om rechtstreeks opmerkingen te maken over hun eigen kans op bevordering.
Aangezien verzoeker niet zo heeft gereageerd en voor het overige — zowel bij zijn formele bezwaren als in de onderhavige procedure — ook niet heeft aangetoond met welke argumenten hij de door het hoofd van dienst gedane bevorderingsvoorstellen had willen betwisten, bestaat er volgens mij geen aanleiding op de hierbovengenoemde grond van een gebrekkige bevorderingsprocedure te spreken en daaraan consequenties voor de vastgestelde bevorderingsbesluiten te verbinden, althans in dier voege dat de Commissie zou worden opgedragen nogmaals te onderzoeken of verzoeker voor bevordering in aanmerking kan komen.
c)
Wat betreft het andere onderdeel van het tweede middel — het niet publiceren door het tot aanstelling bevoegde gezag van de lijst van meest verdienstelijke, voor bevordering in aanmerking komende LA 6-ambtenaren —, moet op grond van de ten aanzien van het eerste middel subsidiair gemaakte opmerkingen betreffende de toepasselijkheid van de bepalingen inzake bevordering binnen de loopbaan op de bevordering van LA 6-ambtenaren, die voor 1 mei 1978 aan de voorwaarden voor bevordering voldeden, worden erkend dat een dergelijke publikatie uitdrukkelijk in de algemene uitvoeringsvoorschriften betreffende de bevorderingsprocedure binnen een loopbaan is voorzien (vgl. het besluit van de Commissie van 21 december 1970 zoals gewijzigd bij besluit van 14 juli 1971, sub 7).
Wel moet echter worden toegegeven dat een afwijking daarvan in het onderhavige geval op zijn minst begrijpelijk lijkt, omdat bevorderingen van LA 6 naar LA 5 na inwerkingtreding van verordening nr. 912/78 niet meer als bevorderingen binnen een loopbaan konden worden aangemerkt en publikatie van een lijst met de meest verdienstelijke ambtenaren die voor bevordering in aanmerking kwamen, in zo verre eigenlijk geen zin meer had, dat deze lijst vanaf genoemd tijdstip bij de vaststelling van latere bevorderingsbesluiten geen voorrang meer kon geven.
Anderzijds kan men zich stellig afvragen of het bij genoemde bepaling werkelijk, zoals verzoeker meent, om een wezenlijk, in het belang van de betrokken ambtenaren vastgesteld vormvoorschrift gaat, bij schending waarvan de besluiten tot bevordering zouden moeten worden nietig verklaard. Ik ben ervan overtuigd dat publikatie van de lijst van de meest verdienstelijke, voor bevordering in aanmerking komende ambtenaren niet — zoals verzoeker denkt — is bedoeld om de betrokken personen in de gelegenheid te stellen opmerkingen over deze lijst te maken en eventueel wijziging ervan te bewerkstelligen. Wij hebben gezien hoe de bevorderingsprocedure bij de Commissie verloopt en hoe met name de inschakeling van het bevorderingscomité, waarin ook vertegenwoordigers van het personeel zitting hebben, voor een objectivering zorgt die bij bevorderingen binnen een loopbaan toch al sterk wordt benadrukt, omdat hier objectieve criteria zwaar wegen. Indien het tot aanstelling bevoegde gezag op grond van een voorstel van het bevorderingscomité dat alle belangrijke stukken tot zijn beschikking heeft, de lijst van meest verdienstelijke, voor bevordering in aanmerking komende ambtenaren vaststelt, dan lijkt het in dit stadium van de procedure inderdaad weinig zinvol om nog opmerkingen van de voor bevordering in aanmerking komende kandidaten uit te lokken. Zoals de Commissie terecht heeft opgemerkt houdt het eigenlijke doel van de publikatie van dergelijke lijsten derhalve verband met het feit dat het tot aanstelling bevoegde gezag aan deze lijsten gebonden is. Het kan — zoals opgemerkt onder punt 8 van genoemd besluit van de Commissie — alleen ambtenaren bevorderen wier naam op een dergelijke lijst voorkomt.
In het onderhavige geval heeft de Commissie zich in zoverre hieraan gehouden, dat zij alle bevorderingsvoorstellen van het bevorderingscomité heeft overgenomen en de besluiten dienovereenkomstig heeft vastgesteld. Op grond daarvan en omdat verzoeker in zijn grieven tegen de bevorderingsbesluiten niet heeft aangetoond wat voor zijn plaatsing op die lijst had kunnen pleiten, dient aan schending van het bepaalde sub 7 van het genoemde besluit van de Commissie — juist omdat het hier niet om een wezenlijk vormvoorschrift gaat — niet de gevolgtrekking te worden verbonden, dat de bevorderingsprocedure en het resultaat daarvan onrechtmatig zijn.
3.
Het laatste middel, dat in het beroepschrift zelf nog niet werd genoemd en waarop verzoeker veeleer door de verklaringen van de Commissie betreffende de gevolgde bevorderingsprocedure is gekomen, heeft betrekking op het feit, dat de voorstellen voor bevordering van ambtenaren die vóór mei 1978 aan de voorwaarden voor bevordering voldeden, niet door het bevorderingscomité maar door een comité ad hoc zijn gedaan, waarvan het optreden — zoals reeds gezegd — door het ter zake bevoegde lid van de Commissie is goedgekeurd.
Hierover hoef ik niet lang uit te weiden. Naar hetgeen ons hierover werd medegedeeld, heeft men deze procedure kennelijk gekozen om in een overgangssituatie — bevorderingen in het kader van de oude loopbanen na inwerkingtreding van verordening nr. 912/78 — de indruk te vermijden, dat het bevorderingscomité ook zou worden ingeschakeld bij bevorderingen van de ene loopbaan naar de andere: na 4 mei 1978 gold zulks voor bevordering van LA 6 naar LA 5. In elk geval kan in dit verband, zo al van onrechtmatigheid moet worden gesproken, niet van een ernstige inbreuk sprake zijn. Daarvoor volstaat reeds dat het comité ad hoc op dezelfde wijze was samengesteld als het bevorderingscomité, dat het over een even volledige documentatie beschikte en dezelfde werkmethode toepaste. Dit blijkt uit de verslagen van het bevorderingscomité en van het comité ad hoc, die inderdaad als een geheel moeten worden gezien. Verder pleit daarvoor een verklaring van de voorzitter en van de secretaris van het ad hoc comité van 17 maart 1980, die in de loop van de procedure is overgelegd. Uiteindelijk wordt daarin alleen gezegd dat het bevorderingscomité de bevorderingen binnen de nieuwe loopbanen en binnen de oude loopbanen afzonderlijk heeft onderzocht. Hiertegen valt stellig niets in te brengen; het lijkt zelfs zinvol, omdat het telkens om bijzondere groepen ambtenaren gaat, die natuurlijk een speciale vergelijkende beoordeling van de verdiensten van de voor bevordering in aanmerking komende kandidaten noodzakelijk maakten.
Wanneer het tot aanstelling bevoegde gezag derhalve op grond van aldus voor de bevordering naar LA 5 tot stand gekomen, overigens eenstemmig gedane voorstellen, bevorderingen heeft toegekend, dan zie ik niet in hoe daarin een grond tot nietigverklaring zou kunnen liggen.
4.
Concluderend geef ik derhalve in overweging het beroep te verwerpen en overeenkomstig artikel 70 van het Reglement voor de procesvoering over de kosten te beslissen.
( 1 ) Vertaald uit het Duits.
Full & Egal Universal Law Academy