CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL J.-P. WARNER
VAN 26 FEBRUARI 1981 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Verzoeker in de onderhavige zaak, Adriano Pizziolo, is wetenschappelijk ambtenaar bij de Commissie. Nadat zijn eenjarig onbezoldigd verlof om redenen van persoonlijke aard op 28 februari 1971 was verstreken, is hij thans nog steeds niet herplaatst.
Artikel 40 van het ambtenarenstatuut bepaalt, voor zover van belang:
„1. De ambtenaar kan bij wijze van uitzondering en op eigen verzoek in het genot worden gesteld van verlof zonder bezoldiging om redenen van persoonlijke aard.
2. ... de duur van het verlof is beperkt tot een jaar. Het verlof kan tweemaal met een jaar worden verlengd.
3. ...
4. Verlof om redenen van persoonlijke aard is aan de volgende regels onderworpen :
a)
het wordt op verzoek van de betrokkene door het tot aanstelling bevoegde gezag verleend;
b)
verlenging dient twee maanden voor het verstrijken van de lopende verlofperiode te worden aangevraagd;
c)
de ambtenaar kan in zijn ambt worden vervangen;
d)
na het verstrijken van het verlof om redenen van persoonlijke aard moet de ambtenaar bij de eerste vacature worden herplaatst in een tot zijn categorie of groep behorend ambt dat met zijn rang overeenkomt, mits hij de voor dit ambt vereiste geschiktheid bezit. Indien hij het hem aangeboden ambt weigert, behoudt hij, onder dezelfde voorwaarde, het recht om bij de tweede vacature te worden herplaatst in een tot zijn categorie of groep behorend ambt dat met zijn rang overeenkomt; indien hij ten tweeden male weigert, kan hij, nadat de Paritaire Commissie is geraadpleegd, ambtshalve worden ontslagen. Tot de datum van zijn daadwerkelijke herplaatsing blijft de ambtenaar met verlof om redenen van persoonlijke aard zonder bezoldiging.”
De woorden „mits hij de voor dit ambt vereiste geschiktheid bezit” zijn toegevoegd bij artikel 12 van de op 1 juli 1972 in werking getreden verordening nr. 1473/72 van de Raad. Het Hof oordeelde in zaak 58/75 (Sergy, Jurispr. 1976, blz. 1139) echter dat deze toevoeging het voordien geldende recht slechts bevestigt.
Pizziolo, geboren op 4 augustus 1929, is afgestudeerd aan de universiteit van Pisa met een „laurea” in de scheikunde. Van 1956 tot 1957 werkte hij als laboratoriumassistent bij Montecatini, waar hij onderzoek verrichtte op het gebied van synthetische polymeren. Van 1957 tot 1959 werkte hij bij Agip Nucleare aan de zuivering van radioactief water. In 1959 trad hij in dienst van de toenmalige Euratom-Commissie als functionaris van het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek (GCO). Zijn eerste standplaats was Geel, waar hij op de afdeling plutonium werkte. In 1963 hij benoemd tot wetenschappelijk ambtenaar in de rang A 7 en in 1964 werd hij bevorderd tot de rang A 6. In datzelfde jaar werd hij overgeplaatst naar het Europees Instituut voor Transuranen te Karlsruhe.
Op 11 december 1969 verzocht hij om verlening van een onbezoldigd verlof om redenen van persoonlijke aard voor het tijdvak van 1 maart 1970 tot 28 februari 1971, om deel te kunnen nemen aan een onderzoekprogramma van Agip Nucleare te Milaan teneinde meer ervaring op nucleair gebied op te doen. In zijn verzoek verklaarde hij geen verlenging van dit verlof op het oog te hebben, maar na het verstrijken daarvan herplaatsing overeenkomstig artikel 40, lid 4, te wensen. Na afloop van de „schriftelijke procedure” besloot de Commissie op 20 februari 1970, — het formele besluit dateert van 27 februari 1970 — zijn verzoek in te willigen.
Pizziolo verzocht niet om verlenging van het verlof zodat hij met ingang van 1 maart 1971 recht had op herplaatsing in de eerstvolgende geschikte vacature. Gelet op artikel 40, lid 4, sub b, moet de Commissie vanaf 1 januari 1971 hebben geweten dat deze situatie zou intreden.
Bij brief van 24 maart 1971 verzocht Pizziolo uitdrukkelijk om herplaatsing. Wij weten echter niet eens, of er op deze brief wel gereageerd is.
Later vernam Pizziolo dat de Commissie had besloten ambtenaren van de wetenschappelijke groep zonder vergelijkend onderzoek over te laten gaan naar de administratieve dienst. Daarom berichtte hij de Commissie op 15 december 1972 dat hij zich beschikbaar stelde voor een onder de huishoudelijke begroting vallende post. Op 23 februari 1973 reageerde de Commissie met toezending van een sollicitatieformulier, dat hij op 20 maart 1973 ingevuld retourneerde.
Bij brief van 20 september 1973 vroeg Pizziolo om toepassing van de „bijzondere tijdelijke maatregelen betreffende de beëindiging van de dienst van ambtenaren van de Europese Gemeenschappen” ingevolge verordening nr. 1543/73 van de Raad van 4 juni 1973 (PB L 155, van 1973, blz. 1). Hierop deelde men hem mede dat de Commissie deze maatregelen niet van toepassing achtte op ambtenaren die met onbetaald verlof waren. (Het Hof heeft in zaak 38/74, Geerlings, Jurispr. 1975, blz. 247, geoordeeld, dat de Commissie de verordening daarmee juist had uitgelegd).
Op 10 augustus 1976 verzocht Pizziolo het Europees Instituut voor Transuranen om herplaatsing aldaar. Hij kreeg ten antwoord dat er op het instituut geen vacature was waarvoor hij de noodzakelijke kwalificaties bezat; wel bood men hem aan, zijn verzoek aan andere inrichtingen van het GCO door te geven, hetgeen hij aanvaardde.
Op 5 oktober 1977 verzond bij opnieuw een sollicitatieformulier. In welk verband dit gebeurde, is ons onbekend.
In april 1978 begon de afdeling individuele rechten en voorrechten van het Directoraat-generaal Personeelszaken en algemeen beheer kennisgevingen van vacatures aan Pizziolo toe te zenden met betrekking tot functies waarnaar hij wellicht wilde solliciteren. Dit kan het gevolg zijn geweest van het feit dat de Commissie, zoals haar raadsman ter terechtzitting verklaarde, ingevolge het arrest van het Hof in de zaak-Sergy en op advies van haar juridische dienst had besloten, voornoemde afdeling centraal te belasten met de systematische toetsing van de kwalificaties van tot herplaatsing gerechtigde ambtenaren aan vrijkomende functies. Hoe dit ook zij, onder de aldus aan Pizziolo toegezonden vacatureaankondigingen bevond zich kennisgeving nr. COM/364/78 tot 371/78, die betrekking had op acht functies bij het Directoraat-generaal „Veiligheidscontrole van Euratom” (directoraat E) van het Directoraat-generaal Energie (DG XVII). Zoals bekend is dit directoraat in Luxemburg gevestigd; ik zal deze functies dan ook gemakshalve „Luxemburgse functies” noemen. De vereiste kwalificaties waren voor alle acht functies gelijk en Pizziolo solliciteerde naar één daarvan. Op 4 augustus 1978 vond een gesprek plaats in Luxemburg, maar er volgde geen benoeming. Men was van mening dat zijn kennis en ervaring niet voldeden aan de gestelde eisen.
Op 23 oktober 1978 diende Pizziolo krachtens artikel 90, lid 1, van het Ambtenarenstatuut een verzoek in bij het Secretariaat-generaal van de Commissie tot zo spoeding mogelijke uitvoering van zijn recht op herplaatsing ingevolge artikel 40, lid 4, sub d, en tot vergoeding van de door hem geleden schade doordat overplaatsing tot dusverre was uitgebleven. Ik zal dit het „algemene verzoek” noemen. Ter ondersteuning daarvan noemde Pizziolo een aantal functies die sinds 28 februari 1971 vacant waren geworden en waarvoor hij naar zijn zeggen geschikt zou zijn geweest. Daaronder waren ook de Luxemburgse functies.
Op dezelfde dag diende Pizziolo krachtens artikel 90, lid 2, een klacht in die specifiek tegen de niet-benoeming in een van de Luxemburgse functies was gericht. Ik zal dit de „specifieke klacht” noemen. Hij stelde dat de klacht los van het algemene verzoek moest worden gezien.
Bij het verstrijken van de in artikel 90, leden 1 en 2, voorgeschreven termijnen van vier maanden, op of omstreeks 23 februari 1979, had de Commissie noch het algemene verzoek, noch de specifieke klacht beantwoord. Derhalve werden beide geacht stilzwijgend te zijn afgewezen.
Op 29 maart 1980 diende Pizziolo tegen het stilzwijgend besluit tot afwijzing van het algemene verzoek een klacht in, die op het Secretariaat-generaal van de Commissie op 3 april 1979, dus ruim binnen de in artikel 90, lid 2, gestelde termijn van drie maanden, werd ingeschreven. Ik zal dit de „algemene klacht” noemen.
Tegen de stilzwijgende afwijzing van de specifieke klacht ondernam Pizziolo niets. Krachtens artikel 91 had hij binnen drie maanden beroep bij het Hof kunnen instellen, maar hij deed het niet.
Bij brief van 15 juni 1979 wees het voor Personeelszaken en algemeen beheer verantwoordelijke lid van de Commissie, de heer Tugendhat, de specifieke klacht van Pizziolo uitdrukkelijk af. De brief was uiteraard te laat om als besluit te dienen. Hij kwam zelfs te laat om krachtens het bepaalde in artikel 91, lid 3, een nieuwe termijn van drie maanden te doen in gaan om tegen de afwijzing van de specifieke klacht beroep bij het Hof in te stellen. Voor de algemene klacht zou de brief tijdig zijn opgesteld, maar hierover werd met geen woord gerept.
De algemene klacht werd door de Commissie in feite nooit beantwoord. De hiervoor openstaande termijn van vier maanden verstreek op of omstreeks 3 augustus 1979. Het onderhavige beroep dat gericht is tegen het stilzwijgend besluit tot afwijzing van de algemene klacht, werd ingesteld op 24 oktober 1979, dus binnen de gestelde termijn van drie maanden.
Ik heb deze feiten zo gedetailleerd geschetst omdat de Commissie in haar memories een enigszins onnauwkeurig en onvolledig feitenrelaas geeft en zij op grond daarvan in dupliek de ontvankelijkheid van het beroep in twijfel trekt. Mijns inziens is het beroep stellig ontvankelijk. De enige vraag lijkt mij of Pizziolo nog kan aanvoeren dat hij niet in een Luxemburgse functie is benoemd, nu hij tegen de afwijzing van de specifieke klacht geen beroep heeft ingesteld.
De Commissie heeft deze vraag als zodanig niet aan de orde gesteld en heeft zich ten aanzien van de ontvankelijkheidsvraag aan 's Hofs oordeel gerefereerd. Het is echter vaste rechtspraak dat de in de artikelen 90 en 91 voorgeschreven termijnen van openbare orde zijn — zodat het Hof, zonodig ambtshalve, moet onderzoeken of zij in acht zijn genomen — vgl. zaak 4/67 (Muller, Jurispr. 1967, blz. 456), zaak 24/69 (Nebe, Jurispr. 1970, blz. 145), zaak 33/72 (Gunnelia, Jurispr. 1973, blz. 475) en zaak 108/79 (Belfiore, Jurispr. 1980, blz. 1769). In zaak 34/80, Authié, waarin uw Hof zojuist uitspraak heeft gedaan, heb ik gewezen op zaken waarin beroep werd ingesteld tegen besluiten van een jury in een vergelijkend onderzoek. Zij illustreren de werking van het beginsel doordat het Hof in sommige van die zaken de ontvankelijkheidsvraag uitdrukkelijk behandelde, hoewel de Commissie deze niet aanroerde of dat wel deed, maar formeel geen standpunt innam dan wel zulks pas ter terechtzitting deed, — vgl. zaak 44/71 (Marcato II, Jurispr. 1972, blz. 427), zaak 37/72 (Marcato III, Jurispr. 1973, blz. 361), zaak 31/75 (Costacurta, Jurispr. 1975, blz. 1563), zaak 7/77 (Von Wüllerstorff und Urbair, Jurispr. 1978, blz. 769), gevoegde zaken 4, 19 en 28/78 (Salerno e.a., Jurispr. 1978, blz. 2403) en zaak 117/80 (Orlandi, Jurispr. 1979, blz. 1613). In zaak 255/78 (Anselme, Jurispr. 1979, blz. 2323) achtte het Hof echter geen termen aanwezig de ontvankelijkheidsvraag te onderzoeken omdat de Commissie deze vraag wel had opgeworpen, maar geen formeel standpunt had ingenomen. Dit lijkt een op zichzelf staande beslissing te zijn, die niet strookt met de andere uitspraken, waaronder die in de meer recente zaak-Belfiore, en zij dient mijns inziens niet te worden gevolgd.
Staat men Pizziolo toe, het besluit van de Commissie om hem niet in een Luxemburgse functie te benoemen in het onderhavige beroep aan te vechten, dan zou dit betekenen dat hij de in de specifieke klacht aan de orde gestelde kwestie opnieuw naar voren mag brengen, terwijl hij geen beroep wilde instellen tegen de stilzwijgende afwijzing van die klacht. Dit zou mijns inziens in strijd zijn met artikel 91, lid 3. Ik heb echter niet zo'n moeite met deze conclusie omdat, op vragen die het Hof aan het slot van de schriftelijke behandeling aan de Commissie heeft gesteld, is gebleken dat de kwalificaties van Pizziolo voor deze functies na diens onderhoud te Luxemburg zorgvuldig zijn onderzocht en omdat ik, om na te melden redenen niet van mening ben dat Pizziolo zich op de afwijzing voor een Luxemburgse functie hoeft te beroepen om in het onderhavige beroep te slagen.
Ik kom nu tot de kern van de zaak.
Op het eerste gezicht is het uiteraard verbazingwekkend dat Pizziolo tien jaar na het verstrijken van zijn verlof nog steeds niet is herplaatst. De Commissie erkent dat zij verplicht is hem te herplaatsen zodra er een vacature is waarvoor hij geschikt is. Zij verdedigt zich in hoofdzaak met de stelling dat een dergelijke vacature zich niet heeft voorgedaan, voornamelijk wegens de voortdurende inkrimping van het wetenschappelijk personeel van de Gemeenschap als gevolg van het beleid van de Raad en wegens de zeer bijzondere aard van de taken waarvoor zulke wetenschappers nodig zijn.
Pizziolo betwist dit op tweeërlei wijze. Hij stelt primair dat hij in zijn oude functie herplaatst had kunnen en moeten worden toen zijn verlof was verstreken. Subsidiair stelt hij dat er nadien een aantal andere posten vrijkwamen waarvoor hij geschikt was.
De details omtrent Pizziolo's oude post zijn helaas eerst aan het licht gekomen op vragen die het Hof aan het slot van de schriftelijke behandeling aan de Commissie heeft gesteld en op verdere vragen van leden van het Hof bij de mondelinge behandeling. Om deze details te begrijpen, moet men twee dingen weten.
Allereerst maakt de administratie van het GCO onderscheid tussen „begrotingsposten” en feitelijke posten. De „begrotingsposten” zijn in de betreffende begrotingsafdeling opgesomd overeenkomstig artikel 6 van het Statuut. Zij vormen een soort „pool” waarover het gehele GCO kan beschikken. Wanneer het tot aanstelling bevoegde gezag besluit dat bij een bepaalde inrichting bepaalde werkzaamheden moeten worden verricht, wordt uit deze pool geput en wordt aan die functie een begrotingspost toegewezen. Indien voornoemd gezag besluit dat die werkzaamheden niet langer hoeven te worden verricht of dat een andere functie, waarvoor geen begrotingspost beschikbaar is, voorrang moet hebben, wordt de begrotingspost daaraan onttrokken en valt weer toe aan de pool.
Voorts is van belang de betekenis van de formule „In deze vacature zal worden voorzien wanneer de kredieten beschikbaar zijn.” Naar wij vernamen, komt deze in alle kennisgevingen van vacature van de Commissie voor en uiteraard ook in die waarom het in deze zaak gaat. Deze formule schijnt te betekenen dat publikatie door de Commissie van een kennisgeving van vacature niet inhoudt dat het tot aanstelling bevoegde gezag definitief heeft besloten in de gepubliceerde vacature te voorzien. Zij betekent slechts dat beoogd wordt in een dergelijke vacature te voorzien. Verklaard werd, dat er veel meer kennisgevingen van vacature worden bekendgemaakt dan er begrotingsposten zijn. Gebeurtenissen die voorvallen tussen de dag van publikatie van een kennisgeving van vacature en het tijdstip waarop het tot aanstelling bevoegde gezag uiteindelijk een besluit moet nemen omtrent voorziening in de vacature, ofwel een beoordeling van de alsdan bestaande prioriteiten, kunnen het tot aanstelling bevoegde gezag tenslotte doen besluiten niet in de vacature te voorzien en bijgevolg geen begrotingspost daaraan toe te wijzen.
Hoewel deze methode op het eerste gezicht in strijd is met artikel 4 van het Statuut, meen ik dat zij rechtmatig is. Zou men publikatie van een voorwaardelijke kennisgeving van vacature verboden achten ingevolge het Statuut, dan zou dit betekenen dat wanneer zo'n kennisgeving eenmaal is gepubliceerd, het tot aanstelling bevoegde gezag onvermijdelijk verplicht is in de betrokken vacature te voorzien, zelfs wanneer dat intussen om de een of andere reden onnodig of onwenselijk is geworden. Publikatie van een kennisgeving van vacature in een voorwaardelijke vorm heeft tenminste nog het voordeel dat sollicitanten kunnen weten dat er eventueel niemand benoemd wordt.
De feiten omtrent de functie van Pizziolo zijn de volgende.
Toen hij op het punt stond om met verlof te gaan, werd een kennisgeving van vacature (COM/512/70) betreffende zijn post gepubliceerd. Als sluitingsdatum voor de indiening van sollicitaties werd 12 februari 1970 aangegeven. Wie ook de kennisgeving liet publiceren, het geschiedde overhaast. Zoals u weet, besloot de Commissie eerst op 20 februari 1970, Pizziolo verlof te verlenen. Onder de aan de leden van de Commissie voorgelegde stukken waarin een dergelijk besluit werd aanbevolen, bevond zich een nota, luidende dat volgens het Directoraat-generaal Personeelszaken en algemeen beheer „La publication du poste ne s'impose pas”. Hoe dit ook zij, wij hebben vernomen dat zich geen geschikte sollicitant op de kennisgeving heeft gemeld en dat de begrotingspost van Pizziolo weer terugviel aan de pool na diens vertrek en na een herverdeling van taken binnen de dienst keramiek en metallurgie, waar hij had gewerkt.
Later in 1970 bemachtigde het GCO een order van de Duitse Gesellschaft für Kernforschung voor het vervaardigen van een bepaalde hoeveelheid speciale nucleaire brandstof. De dienst keramiek en metallurgie moest de opdracht uitvoeren. Aangezien deze werkzaamheden slechts van tijdelijke aard zouden zijn, werd daarvoor een tijdelijk functionaris, de heer Richard, aangetrokken. Diens overeenkomst duurde, met verlenging mee, drie jaar, namelijk van 15 januari 1971 tot 15 januari 1974. Ten behoeve van zijn aanstelling werd voor die periode een begrotingspost uit de pool vrijgemaakt, die daarna weer terugviel aan de pool.
De Commissie geeft toe dat Pizziolo het werk van Richard had kunnen doen. Zij stelt echter in de eerste plaats dat deze post beneden Pizziolo's stand binnen de dienst was geweest („un amoindrissement dans sa position”), omdat zij alleen de vervaardiging van brandstof en geen onderzoek of ontwikkeling inhield. In de tweede plaats zou het volgens de Commissie administratief onverantwoord zijn geweest een ambtenaar in vaste dienst te herplaatsen in een in wezen tijdelijk ambt.
Het is mijns inziens een goede vraag of de Commissie de post terecht niet aan Pizziolo heeft aangeboden wegens de achteruitgang in positie. Men kan verdedigen dat hij daar zelf over diende te beslissen. Anderzijds moet worden bedacht dat een ambtenaar volgens artikel 40, lid 4, sub d, slechts twee maal een aanbod tot herplaatsing krijgt, zodat het voor een instelling in bepaalde gevallen niet moeilijk is, zich te ontdoen van een ongewenste ambtenaar die met onbetaald verlof is geweest, door hem twee maal een post aan te bieden waarvoor hij weliswaar formeel geschikt is, maar die een achteruitgang in positie inhoudt.
Mijns inziens kan het antwoord op deze vraag in casu echter in het midden blijven, omdat de Commissie naar mijn mening volkomen gelijk heeft op het tweede punt. Alle gemeenschapsinstellingen kennen posten voor ambtenaren in vaste dienst en posten voor tijdelijke functionarissen. De post van Richard behoorde tot de laatste categorie. Als artikel 40, lid 4, sub d, aldus zou moeten worden uitgelegd dat een instelling verplicht is een ambtenaar in een dergelijk ambt te herplaatsen, zou de instelling na de beëindiging van de betrokken werkzaamheden een „zwevende” ambtenaar overhouden voor wie geen ambt beschikbaar is. Dit kan mijns inziens niet de bedoeling van de opstellers van het Ambtenarenstatuut zijn geweest.
Ik concludeer dat Pizziolo geen recht had op herplaatsing in zijn oorspronkelijke ambt, dat in feite — geheel rechtmatig —, had opgehouden te bestaan.
Ik kom nu toe aan het subsidiaire middel van Pizziolo, inhoudende dat er na het verstrijken van zijn verlof een aantal posten vrijkwamen waarvoor hij geschikt was.
Het lijkt mij juist de op die posten betrekking hebbende kennisgevingen van vacature in chronologische volgorde te bezien, aangezien niet alleen uit artikel 40, lid 4, sub d, zelf maar ook uit de relevante rechtspraak van uw Hof omtrent de interpretatie daarvan — de zaak-Sergy, reeds genoemd, en de gevoegde zaken 126/75, 34 en 92/76, Giry, Jurispr. 1977, blz. 1937 — duidelijk blijkt dat het Hof in een zaak als deze de vroegst mogelijke datum moet vaststellen waarop de verwerende instelling de betrokken ambtenaar had moeten herplaatsen, gesteld al dat zij dat moest doen.
De oudste kennisgevingen van vacature waarop Pizziolo zich beroept zijn de nrs. COM/503/71 en COM/510/71. Beide hadden betrekking op dezelfde post bij een dienst te Karlsruhe die zich met technologie en hoge-temperatuur-metal-lografie bezighield. De tweede kennisgeving was een gewijzigde versie van de eerste. De sluitingsdatum voor de inzending van sollicitaties was 18 februari 1971. De Commissie verklaart dat besloten werd, de post wegens het gebrek aan begrotingsposten voor het GCO niet te bezetten en de betrokken werkzaamheden over het personeelsbestand van de dienst te verdelen. Pizziolo voert aan dat budgettaire overwegingen niet mochten prevaleren boven de verplichting van de Commissie om hem te herplaatsen. Ik geloof niet dat dit juist is. Het tot aanstelling bevoegde gezag kan mijns inziens niet verplicht zijn tot herplaatsing van een ambtenaar in een ambt dat in een voorwaardelijke kennisgeving van vacature is bekendgemaakt en dat om budgettaire redenen niet wordt bezet. De Commissie stelt bovendien dat de kwalificaties van Pizziolo in elk gaval niet voldeden. Het gaat om zeer vaktechnische redenen en ik geloof niet dat het Hof deze kan beoordelen zonder de hulp van een deskundigenrapport. Maar in de opvatting die ik voorsta is zulks ook niet nodig.
De volgende kennisgeving van vacature waarnaar Pizziolo verwijst, is nr. COM/515/73. Deze had betrekking op een post te Winfrith, Engeland, die onder het Directoraat-generaal Industriële, technologische en wetenschappelijke vraagstukken ressorteerde. De sluitingsdatum voor de inzending van sollicitaties was 24 april 1973. In repliek (op blz. 18) heeft Pizziolo de volgens de kennisgeving voor de functie vereiste kwalificaties en zijn eigen kwalificaties op een rijtje gezet, om aan te tonen dat deze bij elkaar pasten. Ter ondersteuning haalt hij twee rapporten aan van het Instituut voor Transuranen die de werkzaamheden beschrijven waaraan hij daar heeft deelgenomen. In geen enkele fase van het geding heeft de Commissie getracht deze vordering te weerleggen of aan te geven waarom Pizziolo niet in de functie kon worden benoemd. Dit staat in schrille tegenstelling tot het feit dat de Commissie bij andere kennisgevingen van vacature waarop Pizziolo zich beroept, steeds kon verklaren waarom zij meende dat hij de vereiste kwalificaties miste. Zelfs toen de raadsman van Pizziolo bij de mondelinge behandeling, er nadrukkelijk op wees dat de Commissie zich niet over Pizziolo's vordering ten aanzien van deze kennisgeving van vacature had uitgelaten, hulden de vertegenwoordigers van de Commissie zich in stilzwijgen. Onder deze omstandigheden is het mijns inziens duidelijk dat de vordering van Pizziolo moet slagen. Naar mijn mening behoeven geen deskundigen te worden ingeschakeld om te onderzoeken of de kwalificaties van Pizziolo beantwoorden aan de voor de functie vereiste, aangezien de Commissie geen argument heeft aangevoerd waaruit het tegendeel zou blijken. Daarbij zie ik de reeds genoemde algemene stelling van de Commissie uiteraard niet over het hoofd dat er sinds het verstrijken van Pizziolo's verlof geen post is vrijgekomen waarvoor hij geschikt was. Het punt is echter dat de Commissie op geen enkele wijze heeft getracht deze stelling met betrekking tot de onderhavige post te adstrueren.
Gezien dit standpunt kan ik kort zijn over de andere kennisgevingen van vacature waarop Pizziolo zich beroept. De nrs. COM/531/74 en COM/507/75 hebben met nr. COM/515/73 gemeen dat de Commissie niet getracht heeft de stelling van Pizziolo te weerleggen, dat hij aan de vereisten voldeed. Wat de nrs. COM/1530/75 en COM/1513/76 betreft, betwist de Commissie dat Pizziolo aan de vereisten voldoet. Ook hier gaat het weer om vaktechnische redenen die mijns inziens niet zonder deskundige bijstand kunnen worden beoordeeld. Hetzelfde geldt voor nr. COM/1531/76 die echter werd ingetrokken tengevolge van de inwerkingtreding van verordening nr. 2615/76 van de Raad. Zoals u zich herinnert, hadden de nrs. COM/364/78 en 371/78 betrekking op de Luxemburgse functies. De nrs. COM/R/514/78 en COM/1237/78 tenslotte hadden betrekking op functies waarvoor Pizziolo wel in aanmerking werd genomen, maar niet voldoende gekwalificeerd werd geacht.
Ik kom dan nu op de vraag welke vorderingen van Pizziolo toewijsbaar zijn.
In de eerste plaats wil hij vastgesteld zien dat hij op 1 maart 1971 had moeten worden herplaatst. Dit is mijns inziens te vroeg, zoals ik reeds heb gezegd. De eerste post die hem had moeten worden aangeboden, was die van kennisgeving van vacature nr. COM/515/73, waarvoor de sluitingsdatum op 24 april 1973 was bepaald. Aangezien de verplichting van de Commissie om hem te herplaatsen zwaarder woog dan haar bevoegdheid bij wege van bevordering of overplaatsing in de vacature te voorzien, en omdat er geen ander voor de hand liggend tijdstip valt aan te geven, dient mijns inziens te worden verklaard dat hij per die datum herplaatst had moeten worden.
In de tweede plaats wil hij vastgesteld zien dat de Commissie verplicht is, hem bij de eerste vacature in een ambt van zijn categorie en rang te herplaatsen, met vaststelling van de anciënniteit in rang en salaristrap en berekening van pensioenrechten vanaf 1 maart 1971. Onder wijziging van die datum in 24 april 1973, en onder voorwaarde dat hij voldoet aan de functievereisten, lijkt mij dit een juiste weergave van zijn rechten; zie de arresten van het Hof in de zaken-Sergy en Giry. Ik acht het echter niet noodzakelijk dat het Hof zich formeel hierover uitspreekt. In de zaak-Sergy heeft het Hof de vaststelling van verzoekers rechten uitdrukkelijk aan de Commissie overgelaten (overwegingen 23 en 24 alsmede het dictum van het arrest).
In de derde plaats vordert hij schadevergoeding wegens salarisderving vanaf 1 maart 1971 tot de daadwerkelijke herplaatsing, dan wel tenminste tot de datum van de uitspraak, met dien verstande dat zij gelijk moet zijn aan het netto inkomen dat hij over die periode zou hebben genoten onder aftrek van het gedurende dat tijdvak uit andere arbeid genoten netto inkomen. Ik zou de ingangsdatum uiteraard vervangen door 24 april 1973. De gevraagde vergoeding komt overigens overeen met die, welke door het Hof in de zaak-Sergy werd toegekend, behoudens twee verschillen: in de eerste plaats was in die zaak de einddatum bekend omdat verzoeker reeds herplaatst was, en in de tweede plaats waren in die zaak de relevante cijfers voorgelegd aan het Hof, hetgeen hier niet het geval is. De vraag rijst nu of het Hof de schadevergoeding moet toekennen tot de datum van herplaatsing van Pizziolo of slechts tot de datum van de uitspraak. Volgens mij is het tweede alternatief juist, aangezien het Hof bij gebreke van overeenstemming tussen partijen, zelf het schadebedrag moet bepalen en niet kan gissen naar de hoogte van het toekomstige salaris van ambtenaren van de Gemeenschap of naar de hoogte van het toekomstige inkomen van Pizziolo.
In de vierde plaats maakt Pizziolo aanspraak op vergoeding van rente ad 8 % 's jaars over de schadevergoeding vanaf de respectieve betaaldagen van het salaris dat hij zou hebben genoten. Dit percentage werd in de zaak-Sergy toegekend en schijnt het door het Hof gewoonlijk toegekende percentage in vergelijkbare zaken te zijn geworden — zie bijv. zaak 115/76 (Leonardini, Jurispr. 1978, blz. 735) en zaak 40/79 (mevrouw P., arrest van 5 februari 1981, nog niet gepubliceerd). Het is echter geen gewoonte van het Hof om rentevergoeding toe te kennen vanaf een datum gelegen vóór het tijdstip waarop een klacht ex artikel 90, lid 2 is ingediend — zie de in zaak 114/77 (Jacquemart, Jurispr. 1978, blz. 1697) door mij besproken rechtspraak. In de onderhavige zaak is de klacht echter voorafgegaan door' een verzoek als bedoeld in artikel 90, lid 1, en het lijkt mij dan ook logisch de rentevergoeding toe te kennen vanaf de datum van indiening van het verzoek, nl. 23 oktober 1978, dan wel — zo dit later mocht zijn — vanaf het tijdstip waarop het salaris opeisbaar werd.
In de vijfde plaats vordert Pizziolo veroordeling van de Commissie tot „herstel” van zijn loopbaan per 1 maart 1971 dan wel tot vergoeding van de door hem bij zijn carrièreverloop geleden schade die híj begroot op 150000 BFR, benevens interesten. Ik beschouw dit als een vordering tot schadevergoeding wegens gemiste promotiekansen, in welk geval deze blijkens 's Hofs oordeel in de zaak-Giry (zie de overwegingen 25 tot en met 29 van het arrest) niet kan worden toegewezen.
In de zesde plaats vordert Pizziolo nietigverklaring van de stilzwijgende besluiten tot afwijzing van zijn verzoek van 23 oktober 1978 en zijn klacht van 29 maart 1979. Deze vordering kan mijns inziens niet slagen — zie de gevoegde zaken 33 en 75/79 (Kuhner, Jurispr. 1980, blz. 1677).
Tenslotte verzocht Pizziolo om verwijzing van de Commissie in de kosten. Mijns inziens dient deze vordering te worden toegewezen.
( 1 ) Vertaald uit het Engels.
Full & Egal Universal Law Academy