CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL S. ROZÈS
VAN 15 OKTOBER 1981 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
De ambtenaar René Démont heeft twee beroepen ingesteld tegen de Commissie van de Europese Gemeenschappen.
Hoewel de onderhavige zaken niet voor de mondelinge behandeling zijn gevoegd, veroorloof ik mij op dezelfde dag Conclusie te nemen omdat de aan beide beroepen ten grondslag liggende feiten nauw met elkaar verband houden.
Het beroep in zaak 791/79 strekt tot nietigverklaring van het besluit van 10 november 1978, medegedeeld op 4 december daaropvolgend, tot wijziging van verzoekers tewerkstelling en van zijn post binnen hetzelfde directoraat-generaal; het behelst eveneens een verandering van zijn standplaats (Brussel in plaats van Santiago de Chile).
Het beroep in zaak 115/80 strekt tot nietigverklaring van een op 19 juni 1979 gegeven berisping en van het op 7 maart 1980 genomen besluit tot afwijzing van de op 10 augustus 1979 tegen deze tuchtmaatregel ingediende klacht.
Ik zal beide zaken achtereenvolgens bespreken.
Zaak 791/79
I — De ontvankelijkheid
Bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep dient eerst te worden onderzocht of de overplaatsing van Démont met zijn post binnen hetzelfde directoraat-generaal een overplaatsing in de zin van het Statuut is, in welk geval de in artikelen 4 en 29 voorziene formaliteiten zouden gelden.
Blijkens het arrest van de Tweede kamer van 24 februari 1981 (gevoegde zaken 161 en 162/80, Carbognani en Zabetta, Jurispr. 1981, blz. 543) „is er in de systematiek van het Statuut van een overplaatsing stricto sensu slechts sprake wanneer een ambtenaar een vacante post gaat bezetten. Voor echte overplaatsing gelden dan ook de formaliteiten, voorzien in de artikelen 4 en 29 van het Statuut. Die formaliteiten gelden evenwel niet voor het geval van herplaatsing (overplaatsing van ambtenaar en post), omdat er dan geen vacature ontstaat” (overweging 10).
Aangezien Démont én zijn post zijn overgeplaatst, houdt het jegens hem genomen besluit geen overplaatsing in de zin van het Statuut in.
In ditzelfde arrest wordt echter voorts overwogen dat „voor herplaatsingsbesluiten zo goed als voor overplaatsingsbesluiten, wat de handhaving van de rechten en rechtmatige belangen der betrokken ambtenaren betreft, de in artikel 7, lid 1, van het Statuut gegeven voorschriften gelden, hetgeen met name wil zeggen dat overplaatsing slechts in het belang van de dienst en naar een als gelijkwaardig te beschouwen post mogelijk is” (overweging 21).
Indien een herplaatsing werkelijk alleen op het dienstbelang is gebaseerd (artikel 7, lid 1, Ambtenarenstatuut) kan betrokkene daardoor niet worden benadeeld: zodanig besluit kan door de administratie vrijelijk worden genomen aangezien het te harer beoordeling staat, hoe zij meent haar diensten te moeten inrichten en hoe van haar middelen het meest effectief gebruik kan worden gemaakt (arrest van 5 mei 1966, gevoegde zaken 18 en 35/65, Gutmann, Jurispr. 1966, blz. 149).
Blijkens de latere rechtspraak (arrest van 27 juni 1973, zaak 35/72, Kley, Jurispr. 1973, blz. 679) kan een overplaatsingsbesluit, ook als de materiële belangen of de rang van de ambtenaar niet worden geschaad, nochtans — de aard van de functie en de omstandigheden in aanmerking genomen — afbreuk doen aan de immateriële belangen en toekomstverwachtingen van het betrokken personeelslid, in welk geval beroep tot nietigverklaring daartegen open staat.
Bovendien draagt verzoeker onder meer het middel voor, dat de wijziging van zijn tewerkstelling een verkapte tuchtmaatregel vormt en misbruik van bevoegdheid oplevert, hetgeen zonder een onderzoek ten gronde niet kan worden beoordeeld.
II — Ten gronde
Verzoeker voert verscheidene middelen aan, die ik achtereenvolgens zal bespreken.
1. Motiveringsgebrek
Verzoeker meent dat het besluit hem benadeelt; derhalve moet worden onderzocht of het voldoet aan de eisen van artikel 25 van het Statuut.
Hierbij moet niet alleen het besluit zelf worden bezien, maar ook worden nagegaan of de dienstnota's waarop het besluit steunt, ter kennis van betrokkene zijn gebracht en hem duidelijk hebben ingelicht over de redenen die daaraan ten grondslag liggen. Het Hof dient te toetsen of deze dienstnota's alle wezenlijke elementen bevatten die voor het besluit van de administratie beslissend zijn geweest (arrest van 14 juli 1977, zaak 61/76, Geist, Jurispr. 1977, blz. 1419; arrest van 12 oktober 1978, zaak 86/77, Ditterich, Jurispr. 1978, blz. 1855).
Derhalve moet worden onderzocht in hoeverre de voorschriften zijn nageleefd.
Op 23 juli 1975 besloot de Commissie een roulatiesysteem in te voeren voor de in derde landen gevestigde delegaties en kantoren. Dit systeem is identiek aan het op 24 november 1976 voor het personeel van de voorlichtingsbureaus ingevoerde roulatiesysteem, dat in het reeds genoemde arrest Carbognani aan de orde is geweest.
Volgens deze regeling duurt het dienstverband van op buitenposten tewerkgestelde ambtenaren in beginsel drie jaar, welke periode in het belang van de dienst ten hoogste drie maal met één jaar kan worden verlengd tot maximaal zes jaar.
In beginsel moeten alle ambtenaren meerouleren, en worden zij met hun begrotingspost overgeplaatst. Dit systeem beoogt bij de mutatie van ambtenaren de doorstroming binnen de diensten, de spreiding van de ervaring van de ambtenaren, de samenhang tussen de centrale administratie en de buitenposten alsook een evenwichtige opbouw van de loopbanen van de betrokken ambtenaren te verzekeren.
Het systeem geldt in beginsel voor ambtenaren in de categorieën A, B en C; zij worden jaarlijks op de hoogte gesteld van de mogelijkheden tot tewerkstelling bij de delegaties en uitgenodigd om, desgewenst, in het kader van het roulatiesysteem te solliciteren.
De lijst van de aldus roulerende ambtenaren, wordt opgesteld door een commissie „ad hoc”; de definitieve mutatielijst wordt vastgesteld door de Commissie.
De mutatiebesluiten dienden ieder jaar vóór 31 januari te zijn vastgesteld en de mutaties moesten in de loop van het derde kwartaal plaatsvinden.
Begin 1976 zou de Commissie voor het eerst overeenkomstig dit systeem een mutatielijst vaststellen.
Verzoeker was sinds 1 augustus 1973, dus meer dan drie jaar, in Santiago tewerkgesteld, toen de Commissie op 26 mei 1977 besloot haar delegatie voor Latijns-Amerika in verband met de gebeurtenissen in Chili naar Caracas over te brengen en in Santiago slechts een bijkantoor aan te houden.
Op 5 december 1977 plaatste de roulatiecommissie hem op de „nog nader te onderzoeken voorlopige lijst van ambtenaren die in de tweede roulatieronde 1978/1979 zouden kunnen worden overgeplaatst”, met de aantekening: „Gezien de overplaatsing van de heren L. en Renner, kan betrokkene pas in 1979 rouleren.” Tevens werd erop gewezen dat voor 1978 sollicitanten voor de post van hoofd van het bijkantoor (A 5/A 4) te Santiago moesten worden opgeroepen.
Bij besluit van 12 april 1978 werd verzoeker met ingang van 15 april 1978 formeel met de leiding van het bijkantoor te Santiago belast. Enkele dagen later, tijdens de vergadering van 26 april 1978, keurde de Commissie de mutatielijst voor 1979 goed, waar zijn naam op voorkwam.
Verzoeker betoogt dat zijn tewerkstelling te Santiago door het besluit van 12 april 1978 met een jaar is verlengd. Deze interpretatie kan niet worden aanvaard. Uit de notulen van de beraadslagingen van de Commissie blijkt immers dat verzoeker slechts voorlopig met de leiding van het bijkantoor te Santiago was belast, zoals ook de leiding van de delegatie van de Commissie in Latijns-Amerika slechts aan L. was toevertrouwd „in afwachting van de benoeming van het hoofd van de delegatie”. Dit besluit loopt niet vooruit op een latere herplaatsing. Reeds in december 1977 had de roulatiecommissie aangeduid dat in de loop van 1978 sollicitanten moesten worden opgeroepen voor de post van hoofd van het bijkantoor te Santiago, hetgeen op 11 juli 1978 werd bevestigd.
De advocaat van verzoeker heeft ter terechtzitting een nieuw middel voorgesteld. Ingevolge het op 23 juli 1975 ingevoerde roulatiesysteem (punt II, 1.3 en 3.1) zou alleen de voltallige Commissie bevoegd zijn de definitieve mutatielijst vast te stellen; het bestreden besluit is echter slechts genomen door het voor personeelszaken en algemeen beheer verantwoordelijke lid van de Commissie.
De Commissie heeft de ontvankelijkheid van dit middel niet in twijfel getrokken; doch ik meen dat het ongegrond is.
Sinds het besluit van de Commissie van 5 oktober 1977 (artikel 3) betreffende de uitoefening van de aan het tot aanstelling bevoegde gezag voorbehouden bevoegdheden, was de bevoegdheid tot herplaatsing van ambtenaren in de rangen A 4-A 8 met hun post aan het met personeelszaken en algemeen beheer belaste lid van de Commissie toegekend. Hoewel in het bestreden besluit ten onrechte wordt verwezen naar het besluit van de Commissie van 25 juli 1974 (vervangen door het besluit van 5 oktober 1977), kon de Commissie op haar vergadering van 26 april 1978 niettemin de mutatielijst voor 1979 slechts goedkeuren in zoverre zij „tot aanstelling bevoegd gezag” was, hetgeen de bevoegdheid van de met personeelszaken belaste commissaris onverlet liet.
Overigens wijs ik erop dat wanneer — zoals het roulatiesysteem lijkt te impliceren — een herplaatste ambtenaar wordt vervangen door een andere ambtenaar met zijn post, zulks van invloed kan zijn op de structuur en de goede werking van de dienst waarvan laatstgenoemde afkomstig is. Dit in casu niet aan de orde zijnde aspect zal ik verder echter laten rusten.
2. Misbruik van bevoegdheid
Met betrekking tot een overplaatsingsbesluit kan van misbruik van bevoegdheid sprake zijn, wanneer objectieve, ter zake dienende en onderling overeenstemmende aanwijzingen bestaan dat het is genomen met een ander doel dan de verzekering van het dienstbelang (arrest van 5 mei 1966, Gutmann, zie hierboven).
Sommige aanwijzingen lijken erop te duiden dat zulks het geval is.
Een nota van L. van 19 juni 1978 was voor de Commissie aanleiding om van 12 tot 14 juli 1978 een commissie van onderzoek naar Santiago te zenden om de in die nota gelaakte gedragingen te onderzoeken.
Verzoeker wijst erop dat het besluit tot wijziging van zijn standplaats op 10 november 1978 is genomen, dus na de voornoemde nota, na opening van de tuchtprocedure (op 25 september 1978) en nadat hij overeenkomstig artikel 87 van het Statuut in Brussel was gehoord (eveneens op 25 september 1978). Hieruit leidt hij af dat zijn overplaatsing een disciplinair karakter draagt.
Er zij op gewezen dat de assistent van de directeur-generaal Buitenlandse betrekkingen in een op 23 juni 1978 aan zijn chef gerichte nota van oordeel was dat Démont, gezien de vertrouwelijke nota van 19 juni 1978, onmiddellijk naar Brussel moest worden teruggeroepen, nog voordat een oproep werd geplaatst om in diens vervanging te voorzien.
Overigens berichtte dezelfde assistent verzoeker op 29 juni 1978, „officieus en op persoonlijke titel”, dat de directie de roulatiecommissie, die begin juli bijeen moest komen, zou voorstellen zijn naam „toe te voegen” aan de mutatielijst voor 1978.
Hoe verwarrend deze samenloop van omstandigheden ook moge zijn, vastgesteld moet worden dat verzoekers overplaatsing niets heeft uit te staan met de tegen hem geopende tuchtprocedure. Deze procedure heeft op 15 juni 1979 tot een berisping geleid (waarvan verzoeker met zijn beroep in zaak 115/80 nietigverklaring verlangt). Tenzij men herplaatsing (die niet als tuchtmaatregel kan worden opgelegd), evenals schorsing, als een op de berisping vooruitlopende conservatoire maatregel beschouwt die er in zekere zin bovenop zou komen (in welk geval dezelfde fout niet tweemaal zou mogen worden bestraft ingevolge het „ne bis in idem”-beginsel, arrest van 15 mei 1966, Gutmann, Jurispr. 1966, blz. 174), dient tussen beide maatregelen te worden onderscheiden.
3. Schending van artikel 24 van het Statuut, alsmede van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en van het gerechtvaardigd vertrouwen van de ambtenaar
Hoewel aan herplaatsing financiële en gezinsproblemen voor de ambtenaar kunnen zijn verbonden, is zij in diens loopbaan geen abnormale of onvoorzienbare gebeurtenis. De plaatsen waar hij tewerkgesteld kan worden liggen immers verspreid over meerdere landen en het tot aanstelling bevoegde gezag kan zich om redenen van dienstbelang genoodzaakt zien personeelsleden over te plaatsen. Dit geldt met name voor het personeel van „externe delegaties”. Overigens zijn een aantal maatregelen getroffen om de opvang van de ambtenaar te vergemakkelijken en verzoeker heeft daarvan gebruik gemaakt.
Voor het nemen van een dergelijk besluit is overigens geen „verzoek” of instemming van de ambtenaar vereist.
Volgens het arrest van 24 februari 1981 (reeds geciteerd) brengt de goede werking van de communautaire overheidsdienst mede, dat iedere Europese ambtenaar, overeenkomstig de eisen van de dienst waar
„ook in de Gemeenschap, elke aan zijn categorie en rang beantwoordende tewerkstelling heeft te aanvaarden, en wel op iedere plaats waar zijn instelling haar arbeid doet verrichten. Tegenover de bezwaren welke onder die omstandigheden op persoonlijk of gezinsniveau aan de dienstverrichting verbonden kunnen zijn, staan de voorrechten en prerogatieven welke in het Statuut van de Europese ambtenaren besloten liggen” (overweging 23),
en
„Volgens vaste jurisprudentie zijn de instellingen van de Gemeenschap vrij bij de organisatie van hun diensten van de hun toevertrouwde taken uit te gaan en met het oog daarop het te hunner beschikking staande personeel tewerk te stellen” (overweging 28).
Als verzoekers stelling dat herplaatsing zonder toestemming van de betrokken ambtenaar niet mogelijk is, juist zou zijn „dan zou daardoor de vrijheid der instellingen om, bij de organisatie van hun diensten en bij de aanpassing van die organisatie aan de ontwikkeling der behoeften, over hun ambtenaren te disponeren, op ontoelaatbare wijze worden ingeperkt.”
Voorts beklemtoont verzoeker dat zijn zoon is gehinderd in het volgen van onderwijs door de overhaaste uitvoering van het besluit.
Deze stelling moet mijns inziens worden verworpen.
In het reeds aangehaalde arrest heeft Uw Hof immers overwogen :
„Met name ten aanzien van schoolproblemen zij erop gewezen dat de gezinnen van de Europese ambtenaren zich, dankzij de voorzieningen door de instellingen en de regeringen der Lid-Staten getroffen, bij hun oplossing niet voor onoverkomelijke problemen geplaatst behoeven te zien” (overweging 7).
In het onderhavige geval werd verzoeker op 29 juni 1978 per telexbericht medegedeeld dat de roulatiecommissie, die begin juli bijeenkwam, zou worden voorgesteld hem alsnog op de mutatielijst voor 1978 te plaatsen en dat hem — zo dit voorstel werd aangenomen — zou worden verzocht per 1 september zijn werkzaamheden in Brussel aan te vangen.
Hoewel de Commissie dit voorstel niet heeft aanvaard, werd verzoeker bij telexbericht van 20 juli 1978 medegedeeld dat hij niet in de loop van het derde kwartaal, maar in december 1978 naar Brussel kon worden teruggeroepen, in verband met het einde van het schooljaar op het zuidelijk halfrond.
Nu het bestreden besluit op zichzelf niet aantastbaar lijkt, kan hoogstens de wijze van uitvoering aanleiding geven tot kritiek. Het is niet uitgesloten dat de uitvoering ervan werd versneld nadat het besluit was gevallen een tuchtprocedure aan te vangen. Het besluit is pas in de loop van het eerste kwartaal van 1979 van kracht geworden, maar in feite al op 1 januari 1979; verzoeker moest dus nog vóór het einde van 1978 terug naar Brussel, terwijl hij feitelijk eerst op 15 april 1979 is vervangen door een ambtenaar uit Brussel in de rang A 4, die met diens post werd overgeplaatst. Het bijkantoor te Santiago bleef dus bijna vier maanden zonder directeur. Ik geef u in overweging met deze omstandigheid rekening te houden door de Commissie in een gedeelte van verzoekers kosten te verwijzen.
Voor het overige hangt het onderzoek van het middel schending van artikel 24 van het Statuut (bijstandverplichting van de administratie), inhoudende dat de administratie de gegrondheid van de tegen verzoeker aangevoerde beschuldigingen niet zou hebben onderzocht, nauw samen met het onderzoek ten gronde van zaak 115/80, waartoe ik thans zal overgaan.
Ik concludeer tot verwerping van het onderhavige beroep; gezien de zeer bijzondere omstandigheden waaronder de wijziging van verzoekers tewerkstelling heeft plaatsgehad, stel ik voor de Commissie behalve in haar eigen kosten, ook in de helft van verzoekers kosten te verwijzen.
Zaak 115/80
Het tweede beroep van verzoeker strekt tot nietigverklaring van de hem op 19 juni 1979 gegeven berisping alsmede van de afwijzing d.d. 7 maart 1980, van zijn op 10 augustus 1979 tegen die tuchtmaatregel ingediende klacht. De ontvankelijkheid van dit beroep levert geen bijzondere problemen op; het is duidelijk dat de nietigverklaring van de uitdrukkelijke afwijzing van zijn klacht ondergeschikt is aan de nietigverklaring van de maatregel zelf.
Verzoeker voert enerzijds aan dat de hem verweten administratieve nalatigheden niet bestaan — schending van artikel 25 van het Statuut (onjuiste motivering) alsmede niet-nakoming van de bijstandverplichting van de instelling jegens haar personeel (artikel 24) — en anderzijds dat een aantal algemene regels of beginselen ter zake van de rechten van de verdediging zijn geschonden.
I —
Ik zal met dit laatste middel beginnen. Verzoeker stelt het volgende:
—
de Commissie heeft hem onvoldoende tijd gelaten om zijn verdediging voor te bereiden;
—
zij heeft zowel aan hemzelf als aan zijn raadsman de toegang tot het te zijnen laste opgestelde dossier ontzegd;
—
hij heeft geen afschriften gekregen of kennis kunnen nemen van alle verklaringen van de in het bestreden besluit genoemde personen;
—
tenslotte is een nota van de door het tot aanstelling bevoegde gezag als rapporteur angewezen ambtenaar uit het dossier verwijderd. Aangezien dit punt in de loop van de procedure is opgehelderd, zal ik er verder niet op ingaan.
Zoals bekend, worden in artikel 86 van het Statuut (titel II „tuchtregeling”) zeven maatregelen genoemd. Ten aanzien van de eerste twee (schriftelijke waarschuwing en berisping), die als minder ernstig worden beschouwd, bepaalt de eerste alinea van artikel 87 dat „het tot aanstelling bevoegde gezag de ambtenaar, eigener beweging of op voorstel van diens chef, zonder raadpleging van de tuchtraad een schriftelijke waarschuwing of een berisping kan geven. De ambtenaar moet tevoren worden gehoord.” De tweede alinea bepaalt: „De overige tuchtmaatregelen worden door het tot aanstelling bevoegde gezag genomen na voltooiing van de tuchtprocedure, vastgesteld in bijlage IX.”
Deze procedure houdt het volgende in. Een door het tot aanstelling bevoegde gezag opgesteld rapport wordt voorgelegd aan de voorzitter en de leden van de tuchtraad alsmede aan de betrokken ambtenaar (artikel 1). „Zodra het rapport ter kennis van de ambtenaar is gebracht, heeft deze het recht om inzage te verkrijgen van zijn volledige persoonsdossier en om van alle ter zake dienende stukken afschriften te maken” (artikel 2). „Tijdens de eerste zitting van de tuchtraad wijst de voorzitter een der leden als rapporteur voor de gehele zaak aan” (artikel 3). „Na de dag van kennisgeving van het rapport waardoor de tuchtprocedure wordt ingeleid, heeft de ambtenaar ten minste vijftien dagen de tijd om zijn verdediging voor te bereiden. Hij kan de tuchtraad zijn schriftelijke of mondelinge opmerkingen voorleggen, getuigen oproepen en zich door een verdediger van zijn keuze doen bijstaan” (artikel 4). „... De tuchtraad ... kan een onderzoek op tegenspraak gelasten. Dit onderzoek wordt door de rapporteur verricht” (artikel 6).
Zoals u weet, werd een berisping gegeven, waarvoor de in de raadpleging van de tuchtraad gelegen waarborg niet behoefde te worden geëerbiedigd. Het is echter duidelijk dat wanneer het tot aanstelling bevoegde gezag voornemens is een ambtenaar te bestraffen, het hem voor zijn verhoor moet meedelen of voor de maatregel die het wenst op te leggen al dan niet de bijeenroeping van de tuchtraad is vereist, teneinde hem de gelegenheid te geven eventueel een beroep te doen op de waarborgen die de in bijlage IX vastgestelde tuchtprocedure biedt. Bovendien geldt het beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging, waarvan bijlage IX — in het bijzonder artikel 4 — slechts een illustratie vormt, mutatis mutandis voor de schriftelijke waarschuwing en de berisping.
1.
Het tot aanstelling bevoegde gezag, in casu het met personeelszaken belaste lid van de Commissie, heeft deze procedure gevolgd: in aansluiting op het rapport van 25 juli 1978, dat werd opgesteld door een naar Santiago gezonden commissie om verzoekers gedragingen te onderzoeken, besloot het een tuchtprocedure tegen hem in te leiden overeenkomstig artikel 87. Het wees de heer Lannoy, directeur bij het directoraat-generaal „Wetenschappelijke en Technische Informatie” als „rapporteur” aan en stelde verzoeker schriftelijk in kennis van de grieven van zijn chef en van het rapport van de commissie van onderzoek. Drie dagen later werd verzoeker door de „rapporteur” gehoord. Hij heeft schriftelijke verklaringen overgelegd en getuigen opgeroepen die werden gehoord. Tussen het moment waarop hij, na zijn terugkeer uit Santiago, de nota van L. en het rapport van de commissie te Santiago heeft ontvangen en zijn eerste verhoor beschikte hij weliswaar over zeer weinig tijd, maar hierna is hij nog tweemaal gehoord (op 19 januari en 3 april 1979). Derhalve ben ik van mening dat hij over het geheel genomen voldoende tijd had om zijn verdediging voor te bereiden.
2.
Anderzijds kon verzoeker uiteraard wel de bijstand van een advocaat inroepen, maar deze heeft nooit toegang tot het dossier gekregen. Op 2 april 1979 vroeg hij de directeur-generaal Personeelszaken om inzage in het dossier inzake de tegen zijn cliënt ingeleide procedure. Na een schriftelijk rappel van 21 mei 1979 werd hem op 6 juni 1979 — terwijl het bestreden besluit op 15 juni is afgekomen — medegedeeld dat verzoeker nooit had verzocht, in het bijzijn van een verdediger te worden gehoord en dat de betrokkene zich alleen zou kunnen laten bijstaan door een verdediger indien het gezag voornemens was een tuchtprocedure als bedoeld in bijlage IX in te leiden. Dit antwoord is nauwelijks serieus te nemen. Verzoeker heeft inderdaad niet om bijstand van een raadsman bij zijn verhoor gevraagd, doch hij had reeds op 5 februari 1979 zijn advocaat in de onderhavige zaken gemachtigd, zijn persoonsdossier en het op de tuchtprocedure betrekking hebbende dossier te raadplegen.
In de nota van de verantwoordelijke commissaris van 25 september 1978 is sprake van artikel 87 in zijn geheel en de interne nota's over deze zaak dragen het opschrift: „Betreft: tuchtprocedure tegen de heer Démont.” Ook de nota van de directeur-generaal Personeelszaken van 29 mei 1979, waarin de verantwoordelijke commissaris werd aanbevolen deze zaak „niet aan de tuchtraad voor te leggen”, draagt nog de titel: „tuchtprocedure”. Pas op 6 juni 1979 werd zijn advocaat ervan op de hoogte gesteld dat de tegen verzoeker ingeleide procedure op de eerste alinea van artikel 87 was gebaseerd.
De Commissie betoogt dat noch de voorschriften van bijlage IX, noch de algemene beginselen van het tuchtrecht haar verplichtten de advocaat van verzoeker inzage te verlenen in het ten laste van zijn cliënt opgestelde dossier, aangezien de procedure slechts is uitgelopen op een van de in de eerste alinea van artikel 87 genoemde sancties. De betrokkene is alleen gerechtigd de bijstand van een advocaat in te roepen indien het tot aanstelling bevoegde gezag besluit de tuchtprocedure van bijlage IX „in te leiden”.
Soms is het inderdaad moeilijk om reeds in het beginstadium te beoordelen of de ernst van de beroepsfout al dan niet om een zwaardere sanctie dan een berisping vraagt. Ik ben echter van mening dat het goed zou zijn om de betrokken ambtenaar fervoren in kennis te stellen van de zwaarte van de overwogen sanctie, ongeacht om welke van de in het Statuut voorziene sancties het gaat. Hoewel voorts de tegenwoordigheid van een advocaat of raadsman, zo belanghebbende daarom verzoekt, alleen is voorgeschreven bij behandeling voor de tuchtraad (artikel 87, tweede alinea, juncto bijlage IX), sluit de eerste alinea van artikel 87 geenszins uit, dat belanghebbende zich kan laten bijstaan door een raadsman en dat deze inzage in het dossier heeft. Het zou wenselijk zijn te erkennen dat, zodra krachtens artikel 87 een tuchtprocedure is ingesteld en ongeacht de afloop daarvan, de betrokken ambtenaar het recht heeft zich door iemand te laten bijstaan die zijn verdediging voorbereidt en dat deze persoon inzage in het dossier heeft.
3.
Er is echter meer. In de maanden april en mei 1979 zijn verschillende getuigen gehoord door andere ambtenaren dan degene die als „rapporteur” was aangewezen (verhoor van de heren Forwood, Renner, Barberis, Long, Lesseliers, Pendville en Angelini). In tegenstelling tot de processen-verbaal van zijn eigen verhoor door de rapporteur, is geen van de aldaar afgelegde verklaringen ter kennis van verzoeker gebracht.
De Commissie betreurt deze nalatigheid, doch verklaart dat deze getuigenverklaringen geen enkele invloed op het bestreden besluit hebben gehad en dat verzoeker als gevolg van deze nalatigheid niet is benadeeld.
Deze uitspraak alleen is niet overtuigend. Als deze verklaringen — die u in het dossier vindt en die voor het merendeel, het zij gezegd, ongunstig zijn voor verzoeker — onschuldig van aard waren, doet zich de vraag voor of de uitdrukkelijke vermelding van de namen van die getuigen in alfabetische volgorde in het bestreden besluit wel nodig was.
Uit enkele Uwer arresten kan a contrario worden afgeleid dat kennisgeving van een document slechts is vereist voorzover het van beslissende invloed op de eindbeslissing kan zijn (arrest van 3 februari 1971, zaak 21/70, Rittweger, Jurispr. 1971, blz. 7).
Het lijkt echter moelijk deze uitspraken tot tuchtzaken uit te breiden. Het achterwege blijven van kennisgeving van in hoofdzaak ongunstig luidende verklaringen levert dan ook schending van een wezenlijk vormvoorschrift op.
4.
Tenslotte had de directe chef van verzoeker, die aan de basis staat van het bestreden besluit, zo niet met de door hem beschuldigde persoon moeten worden geconfronteerd, dan toch zeker in het kader van de tuchtprocedure moeten worden gehoord. Sinds de ondervraging te Santiago door de commissie van onderzoek is hij niet met verzoeker geconfronteerd of zelfs maar gehoord.
Om al deze redenen betwijfel ik of het bestreden besluit op grond van een regelmatige procedure is genomen.
II —
Zojuist heb ik geconcludeerd dat het enigszins overhaaste besluit om verzoeker terug te roepen niet het karakter van een verkapte tuchtmaatregel had. Ik geloof echter wel genoegzaam te hebben aangetoond, dat de 8 pagina's lange „vertrouwelijke nota” die verzoekers directe chef op 19 juni 1978 vanuit Santiago aan de heer Burghardt, assistent van de directeur-generaal Buitenlandse betrekkingen schreef, daaraan niet vreemd is geweest.
Deze uitdrukkelijk in het bestreden besluit vermelde nota is wel de directe aanleiding geweest tot de inleiding van de tuchtprocedure en tot de aan verzoeker opgelegde sanctie.
Daarom is het zeker zinvol enige, overigens aan het dossier ontleende achtergronden van die nota te belichten.
Het werkterrein van L., (rang A 4), directe chef van verzoeker, tewerkgesteld te Santiago, Chili, zetel van de delegatie van de Commissie voor Latijns-Amerika, besloeg behalve Chili vierentwintig andere landen van Midden- en Zuid-Amerika. Met ingang van 1 april 1972 was hij benoemd tot administrateur geldmiddelen. Zoals blijkt uit de kennisgeving van vacature voor de post waarop hij werd benoemd, was verzoeker aangesteld als administrateur (rang A 7) en belast met de betrekkingen met de Andesgroep.
Meteen na verzoekers aankomst in Santiago in augustus 1973, liet L. de boekhouding van de geldmiddelenadministratie praktisch aan hem over, en voor de tijd die hem nog restte, moest hij bovendien het financieel en boekhoudkundig beheer van het kantoor te Santiago voeren.
De verstandhouding tussen de beide heren was niet uitstekend te noemen. In november 1976 deed zich een incident voor, toen L. weigerde verzoekers voorstel over te nemen om de met de betaling van de werksters belaste persoon te ontslaan wegens diefstal. Vervolgens is L. in 1978 niet ingegaan op de suggestie van verzoeker om de chauffeur van de dienstauto voor zes maanden op non-actief te stellen, omdat deze zijn eigen auto dronken had bestuurd. Tenslotte heeft L. in de periode 1977-1978 geweigerd reisopdrachten en -declaraties van zijn ondergeschikte mede te ondertekenen.
Zoals U verder weet, werd op 16 mei 1977 besloten de delegatie van de Commissie voor Latijns-Amerika naar Caracas over te brengen en in Santiago nog slechts een bijkantoor aan te houden. In het kader van het roulatieschema voor 1977/78 werd L. in Caracas tewerkgesteld en was hij vanaf 15 april 1978 de gevolmachtigde ad interim van de delegatie, terwijl zijn ondergeschikte in Santiago bleef als hoofd van het kantoor aldaar. Dit besluit werd trouwens genomen in weerwil van de bezwaren die de heer W. Renner, hoofd van de delegatie, in september 1977 had gemaakt tegen het feit dat verzoeker na het vertrek van de overige personeelsleden van de delegatie als hoofd van de pers- en informatiedienst in Santiago zou blijven.
Ik weet niet of de tussen 19 mei en 13 juni 1978 tussen beide heren gevoerde briefwisseling slechts een „banaal” karakter droeg, zoals de Commissie beweert, doch het staat vast dat de„nota” van L. van 19 juni 1978 uitzonderlijk is. Ik zal deze nota thans bespreken.
De nota werd opgesteld op verzoek van de assistent van de directeur-generaal Buitenlandse betrekkingen, na een telefoongesprek dat hij met L. had gevoerd. Een copie ervan werd gezonden naar de heer E. Volpi, directeur bij het directoraat-generaal Buitenlandse betrekkingen. De heer L. sprak allereerst zijn bezorgdheid uit over het feit dat verzoeker rechtstreeks de leiding van het kantoor te Santiago behield. Ook stond hij „in concreto” wantrouwend tegenover mevrouw Goetschmann, de „rechterhand” van verzoeker. Hij schreef: „Hoewel ik over aanwijzingen beschik die mij sterk doen twijfelen aan de juiste uitoefening door de heer Démont van zijn functie, wijs ik erop dat bewijzen moeilijk te leveren zijn”, maar dat „deze opsomming niet uitputtend is.” Hij meende te kunnen stellen dat „een aantal plaatselijke functionarissen bereid is een verklaring af te leggen omtrent de hieronder opgesomde aanwijzingen” (of zelfs over andere die hem onbekend waren), vooral wanneer aan hen waarborgen tegen „repressail-les” van verzoekers kant werden gegeven en wanneer aan sommigen van hen een soortgelijke waarborg als de „Fifth Amendment” werd toegekend. Vervolgens gaf hij in zes bladzijden een gedetailleerde uiteenzetting over de aanwijzingen die hij had, voor wat hij noemde:
—
„slecht beheer van fondsen”,
—
„slecht beheer van personeelsaangele-genheden”,
—
en „contacten met los van de delegatie staande ondernemingen of personen, die de reputatie van een Europees ambtenaar geen eer aandoen.”
Hij voegde eraan toe: „In het bijzonder bij mijn vertrek naar Caracas, hetwelk mij onder de huidige omstandigheden niet van mijn verantwoordelijkheid voor de goede gang van zaken in het bijkantoor Santiago ontheft, maar anderzijds mijn mogelijkheden om te interveniëren en rechtstreeks toezicht daarop uit te oefenen drastisch beperkt, acht ik het mijn (onaangename) plicht u van deze zaak op de hoogte te stellen. Zonder op welke manier dan ook vooruit te willen lopen op het onderzoek dat u wellicht op zijn plaats acht (en waaraan ik mijn volle medewerking zal verlenen), verzoek ik u dringend direct contact op te nemen met de heren Renner en Forwood die, naar ik meen, mijn diepe overtuiging delen dat hetgeen ik hierboven heb uiteengezet slechts het topje van de ijsberg vormt.”
Eerder had L. terloops opgemerkt dat Hij bijvoorbeeld beschikte over „een minder duidelijke aanwijzing dat de heer Démont betrokken was geweest bij de wapenhandel” en erop gewezen dat „tussen verzoeker en bepaalde door hem persoonlijk aangeworven uitzendkrachten „meer dan alleen beroepsmatige contacten” bestonden, hetgeen „binnen de delegatie algemeen bekend is (en trouwens ook aan mevrouw Démont zelf).” Men vraagt zich dan ook af waaruit de rest van de ijsberg dan wel bestond.
Hij eindigde aldus: „Derhalve stel ik voor de heer Démont onmiddellijk naar Brussel terug te roepen om te voorkomen dat hij — zelfs gedurende korte tijd — de rechtstreekse leiding van het kantoor te Santiago behoudt...”
Vier dagen later, op 23 juni 1978, een spoed die enigszins afsteekt bij de traagheid waarvan de Commissie blijk gaf bij de arrestatie van de journalist waarover ik hierna kom te spreken, heeft de assistent van de directeur-generaal de nota van L. aan zijn chef doorgezonden, met copie aan de heren Caspari, Volpi, Perlot, Baichère, Noël, alsmede aan de kabinetten van de heren Haferkamp en Tugendhat. Hij tekende erbij aan dat de heer L. „het gevoel had dat door zijn eigen vertrek een onhoudbare situatie zou ontstaan, nu de heer Démont alleen achter bleef.” Behalve de „onmiddellijke terugroeping van de heer Demont naar Brussel”, waarover ik hiervoor heb gesproken, werden de volgende maatregelen voorgesteld:
„...
b)
een ambtenaar uit Brussel moet op dienstreis naar Santiago worden gezonden met de opdracht:
—
de leiding van het kantoor op zich te nemen; hij moet zo spoedig mogelijk worden bijgestaan door een ambtenaar in rang B, die zich met het administratief beheer belast;
...
—
inmiddels de noodzakelijke voorlopige maatregelen treffen;
c)
ter plaatse moet een officieel onderzoek worden ingesteld onder leiding van de heer L. met medewerking van de betrokken diensten van de hoofdzetel ...
(onderstreept in het origineel) :
d)
in voorkomend geval dienen tegen de heer Démont de maatregelen te worden genomen die in het licht van de resultaten van het onderzoek geboden zijn ...”
Deze nota van de assistent van de directeur-generaal Buitenlandse betrekkingen is pas aan het ten laste van verzoeker opgestelde dossier toegevoegd, nadat hij op 27 februari 1979 uitdrukkelijk daarom had gevraagd. Zij bevond zich in het aan de kabinetchef van de heer Tugendhat gezonden dossier, maar was hem vóór dit tijdstip niet samen met de overige stukken ter kennis gebracht „omdat het een interne nota van het directoraat-generaal Buitenlandse betrekkingen betrof”.
Ik heb reeds gesproken over de voorlopige maatregelen die vervolgens werden getroffen: de heer Burghardt, assistent van de directeur-generaal, bevestigde verzoeker op 29 juni 1978 dat het directoraat-generaal de roulatiecommissie zou voorstellen zijn naam aan de mutatielijst voor 1979 toe te voegen; in dat geval werd hij verzocht per 1 september daaropvolgend zijn werkzaamheden in Brussel aan te vangen. Naar aanleiding van de „nota” van L. van 19 juni 1978 en van de nota van de heer Burghardt werd tevens besloten een commissie van onderzoek naar Santiago te sturen, bestaande uit de heren Volpi, directeur bij het directoraat-generaal Buitenlandse betrekkingen, Gibbels, afdelingshoofd bij het directoraat-generaal Personeelszaken, en Lentz, hoofdadministrateur bij het directoraat-generaal Begrotingen.
Het op 25 juli 1978 door deze commissie uitgebrachte verslag dekt precies de „bevindingen” van L. Ik heb er al er op gewezen dat de door de commissie gehouden ondervragingen niet contradictoir zijn geweest en dat er met name nooit een gelijktijdig verhoor van de heren L. en Démont heeft plaatsgehad. Bovendien had laatstgenoemde op dat tijdstip nog geen kennis gekregen van de „bevindingen” van L., zodat hij niet wist wat hem werd verweten.
Na afloop van de zojuist besproken procedure, werden in het aangevochten besluit de volgende, mede aan de „bevindingen” van L. ontleende nalatigheden vastgesteld:
—
toepassing van een gefingeerde facturering door een aan een kennis van verzoeker toebehorend bedrijf ter vaststelling van het salaris van een uitzendkracht met wie geen overeenkomst was aangegaan;
—
onregelmatigheden bij de betaling van de in 1977 en 1978 aangestelde werksters;
—
aanvaarding van door advocaten verlangde honoraria zonder na te gaan of het bedrag gerechtvaardigd was en zonder voorafgaande machtiging van de hoofdzetel.
Tenslotte wordt verzoeker in het besluit verweten dat hij zich in 1977 en 1978 een voorschot van 100 % in plaats van de toegestane 90 % heeft gegund op de kosten van zijn jaarlijkse thuisreis.
Ik zal nog slechts bij uitzondering terugkomen op de feiten waarop de grieven zijn gebaseerd. Hoewel de rechter zich gewoonlijk ter vaststelling van de feiten of voor de instructie niet in de plaats van de administratie stelt (zie het arrest van 26 februari 1981, zaak 25/80, De Briey, Jurispr. 1981, blz. 637, overweging 7: het Hof kan geen controle uitoefenen op de juistheid van de aan een ontslag wegens onvoldoende geschiktheid voor het ambt ten grondslag liggende beoordeling, tenzij er sprake zou zijn van kennelijke dwaling of misbruik van bevoegdheid), dient hij op tuchtrechtelijk gebied niet alleen te toetsen of de procedureregels zijn nageleefd, maar ook of de feiten door de administratie juist zijn gekwalificeerd. Bovendien moet hij nagaan of de gronden waarop de sanctie berust niet rechtens onjuist zijn.
1.
De grief inzake de kosten van de jaarlijkse thuisreis — die in het aangevochten besluit als eerste worden genoemd — kwam in de befaamde nota van L. niet voor, aangezien hijzelf, evenals de heer Renner en de andere leden van de delegatie, hetzelfde had gedaan. Dit punt is pas naar voren gekomen als gevolg van een memo van de Financiële controledienst van december 1978 betreffende voorschotten op de kosten van dienstreizen en op de kosten van de jaarlijkse thuisreis van verzoeker.
Dit memo, dat niet in het dossier is opgenomen, werd verzoeker door de verantwoordelijke commissaris ter kennis gebracht in een nota van 16 januari 1979, die zich evenmin in het dossier bevindt.
Verzoeker werd hierover door de rapporteur kort gehoord op 19 januari 1979 en daarna langer op 3 april 1979 (alleen het proces-verbaal van dit laatste verhoor behoort tot de stukken).
Bijgevolg heeft de naar Santiago gezonden commissie van onderzoek dit aspect van de zaak niet in haar onderzoek betrokken en wist verzoeker tot 16 januari 1979 niet dat hem op dit punt enig verwijt werd gemaakt. Derhalve ben ik van mening dat deze grief te laat is aangevoerd.
Wat de laakbaarheid van deze handelwijze betreft, wijs ik erop dat L. evenmin als de heer Renner op dit punt verantwoording hoefden af te leggen en dat de Commissie zelf over 1978 een vergoeding van 10 % aan verzoeker heeft teruggestort, welk bedrag hij „ten onrechte” had afgetrokken ter voldoening aan de voorschriften waarvan de niet-naleving hem thans wordt verweten.
2.
Alle aan verzoeker toegeschreven tekortkomingen betreffen het door hem gevoerde financiële beheer, met name de tweede grief die betrekking heeft op het jaar 1976. In het aangevochten besluit wordt hem verweten dat hij boekhoudkundige kunstgrepen heeft aangewend, en dit zonder de hoofdzetel ervan in kennis te stellen, waardoor geen controle op de werkelijke bestemming van gemeenschapsgelden kon worden uitgeoefend, en, met betrekking tot de honorariumkwestie van advocaten, dat hij lichtvaardig financiële verplichtingen voor de Commissie heeft aangegaan „zonder na te gaan of het betrokken bedrag gerechtvaardigd was en zonder voorafgaande machtiging van de hoofdzetel”.
Het besluit vervolgt dat verzoeker „wordt geacht zich als hoofd van de administratie en sinds eind 1973 als administrateur geldmiddelen volledig van zijn verantwoordelijkheden bewust te zijn geweest en hij is bijgestaan door de diensten van de hoofdzetel, onder meer via vergaderingen van de administratieve hoofden van de externe kantoren.” De hem verweten handelingen „zijn derhalve niet te wijten aan de druk van bijzondere omstandigheden.”
Met enige verbazing leest men dan ook verderop in het besluit dat verzoeker „volgens verscheidene getuigen ... noch de opleiding noch de persoonlijkheid bezit om de taak van administrateur geldmiddelen te vervullen en dat zijn overige taken hem onvoldoende tijd lieten om zich behoorlijk aan de geldmiddelenadministratie te wijden ... Voorts dienen de in Santiago heersende omstandigheden en met name de afstand tot de hoofdzetel in aanmerking te worden genomen ... Niet is komen vast te staan dat hij persoonlijk voordeel heeft getrokken uit deze onrechtmatige handelingen”. Desniettemin werd hem een berisping gegeven.
Het is daarom noodzakelijk de omstandigheden waaronder verzoeker het financiële beheer uitoefende nader te bezien.
Neemt men aan dat de hem télaste gelegde feiten vast staan, dan is een berisping zeker gerechtvaardigd. Een administrateur geldmiddelen is immers tuchtrechtelijk en eventueel financieel aansprakelijk indien hij niet aan de hand van behoorlijke bewijsstukken de door hem gedane betalingen kan rechtvaardigen of indien hij aan een ander dan de rechthebbende betaalt.
Maar het is nu juist de vraag of verzoeker ten tijde van deze gebeurtenissen formeel de functie van administrateur geldmiddelen bekleedde.
Zoals gezegd heeft L., die sinds 1 april 1972 in deze functie was benoemd, bij aankomst van verzoeker in augustus 1973 te Santiago, de boekhouding van geldmiddelen praktisch afgestoten. Pas op 12 augustus 1977 besloot de directeur-generaal Begroting L. (rang A 4) als administrateur geldmiddelen te vervangen door verzoeker (rang A 7). Het feit dat aan het besluit terugwerkende kracht tot 12 december 1973 is toegekend kan niet tot gevolg hebben dat verzoeker verantwoordelijkheid draagt voor het vóór de datum van het besluit gevoerde beheer; ofwel het besluit geldt slechts voor de toekomst, in welk geval verzoeker niet tuchtrechtelijk ter verantwoording kan worden geroepen voor de voorafgaande periode, ofwel het werkt terug tot december 1973, in welk geval verzoeker tevens voor de aan de vaststelling van het besluit voorafgegane periode van alle blaam is gezuiverd. Indien verzoeker voorts slechts bij wijze van overgangsmaatregel met de leiding van het bijkantoor te Santiago was belast, zoals uit het antwoord van 24 juli 1979 op zijn eerste klacht van 9 februari 1979 blijkt, kunnen op het door hem gevoerde beheer niet de maatstaven worden toegepast die gelden voor een op regelmatige wijze met die taak belaste persoon.
Formalisme is op dit gebied geen luxe en het volstaat niet om, zoals de Commissie doet, te stellen, dat van verzoeker mocht worden verwacht dat hij de hoofdzetel om ontheffing van deze taak zou vragen indien hij zich niet geschikt achtte voor de functie van administrateur geldmiddelen.
De bevoegde autoriteiten zijn evenwel herhaaldelijk gewaarschuwd:
In een aan het directoraat-generaal Buitenlandse betrekkingen gericht dienstreisverslag van 26 november 1976 werd reeds gevraagd zo spoedig mogelijk „een ambtenaar van categorie B te zenden, die evenals bij alle andere delegaties het geval is, met de behandeling van administratieve en financiële vraagstukken dient te worden belast. Op dit moment wordt deze taak door René Demont verricht, die echter in verband met zijn overige taken binnen de delegatie veelvuldig afwezig is” (in 1976 was hij minder dan drie maanden in Santiago geweest). In dit rapport werd voorgesteld „de administratieve infrastructuur van de delegatie aan te passen door het noodzakelijke personeel beschikbaar te stellen, namelijk door een ambtenaar in categorie B te zenden, belast met de behandeling van administratieve en financiële vraagstukken en door de aanwerving van plaatselijke functionarissen ter vervulling van de functies ...” (volgen vier groepen van werkzaamheden). Uit het dossier blijkt dat een functionaris (categorie B 4) in het bijzonder belast met de geldmiddelenadministratie, pas op 30 november 1978 te Santiago is benoemd — waar toen nog slechts een bijkantoor was gevestigd.
Op 1 april 1977 was de financieel controleur van de Commissie van oordeel dat het feit dat een plaatselijke functionaris de door de posterijen opgemaakte kwitanties voor frankeringskosten vervalste door de werkelijk betaalde bedragen te verhogen en het verschil in haar eigen zak te steken de aansprakelijkheid van verzoeker, als administrateur geldmiddelen, meebracht. Hij voegde eraan toe: „Onderzocht moet worden of de heer Démont gezien de ernstige nalatigheid nog wel in de functie van administrateur geldmiddelen kan worden gehandhaafd...”.
Op 8 september 1977 bracht de tweede boekhouder van de Commissie verslag uit van de in augustus van hetzelfde jaar door hem in Santiago verrichte controle. Hij stelde voor L., evenals de heer Renner, tekeningsbevoegdheid te verlenen voor het aangaan van betalingsverplichtingen. Het bankjournaal werd door hem in orde bevonden en hij meende dat het uitstekend werd bijgehouden door de assistent van verzoeker. Bij deze gelegenheid complimenteerde hij verzoeker met het door hem gevoerde beheer, maar hij tekende aan dat het „uiteraard jammer (is) dat de aan het beheer van deze administratieve kredieten bestede energie geheel of gedeeltelijk teniet wordt gedaan door het ontbreken van een leidinggevende persoon die de regel toepast dat voorstellen tot het aangaan van betalingsverplichtingen door de administrateur dienen te worden gedaan”.
Derhalve gaat het niet aan verzoeker te verwijten dat zijn handelwijze een passende controle op het beheer van gemeenschapsgelden heeft verhinderd, terwijl hem slechts beperkte middelen ter beschikking werden gesteld. Indien, zoals de heer Lesseliers het uitdrukte in zijn verklaring van 2 april 1979, „de geldmiddelenadministratie in Santiago de slechtste was van alle externe kantoren”, is primair de Commissie zelf daar verantwoordelijk voor. Volgens de verklaring van 30 mei 1979 van de heer Angelini, die op dat tijdstip directeur vast goed was, „heeft de Commissie ten onrechte geen administrateur geldmiddelen in Santiago benoemd, zodat de heer Démont taken moest vervullen waarvoor hij niet was toegerust en waarvoor hij een geen enkele aanleg bezat”. Als het door verzoeker gevoerde beheer niet helemaal aan de regels voldeed, dan zijn in de eerste plaats zijn hiërarchieke meerderen daarvoor verantwoordelijk, in het bijzonder L., die tot november 1977 het ambt van administrateur geldmidden bekleedde.
3.
Verreweg de ernstigste grief is echter dat verzoeker op zijn minst zo onvoorzichtig is geweest om de Commissie te binden inzake het honorarium van advocaten ten belope van USD 30 000.
De details van deze kwestie vindt u in het dossier. Op zaterdagmiddag 17 december 1977 werd de heer M., plaatselijk functionaris en assistent van de heer Forwood (belast met de leiding van het persbureau te Santiago, rang A 5) door de Chileense politie onder enigszins shockerende omstandigheden verhoord en zelfs gearresteerd. De heer M., oud-stagiaire van de vereniging „Journaliste pour l'Europe” was bij de delegatie te Santiago als journalist werkzaam. Hij stond bekend om zijn activiteiten binnen de oppositiebeweging tegen het regime-Pinochet. Onder deze omstandigheden had het bureau Santiago jegens hem een werkelijke bijstandverplichting. Op dat tijdstip waren de heren Renner en L. op dienstreis en was de her Forwood verhinderd. Verzoeker heeft toen met de hoofdzetel van de Commissie te Brussel getelefoneerd, maar kon daar niet de waarnemend ambtenaar bereiken. Via een bij de delegatie bekende Chileense advocaat slaagde hij er toen in, M. nog dezelfde dag in vrijheid te stellen. De heer Forwood wees in een nota van 23 december 1977 aan de woordvoerder van de Commissie (te Brussel) met klem op de politieke aspecten van deze zaak en de gevolgen voor pers en voorlichting in Latijns-Amerika en vroeg om „advies omtrent de weg die de delegatie ... en het directoraat-generaal ... thans dienen te volgen”. Op 4 januari berichtte de heer Volpi verzoeker, die hem inmiddels had medegedeeld dat bij verdere afwikkeling van deze zaak het honorarium van de advocaat moest worden betaald, waarvan hij het bedrag nog niet kende, dat hij nooit aan de doeltreffendheid van diens optreden had getwijfeld. Het betrokken advocatenkantoor had bij brief van 27 december 1977 aan verzoeker, „conforme lo que hemos conversado... por las gestiones realizadas hasta fecha ...”, reeds een bedrag ad USD 18000 verlangd.
Bij vonnis van 19 april 1978 werd M. slechts veroordeeld tot een voorwaardelijke boete ad USD 200 wegens „inbreuk op de goede zeden”. „Conforme a la convenido con UD ... por la defensa asumida ... en favor de Dn. M” vorderde het advocatenkantoor op 28 april 1978 een bedrag van USD 12000. Op 5 mei 1978 zond verzoeker beide declaraties door naar de heer Volpi te Brussel. Ter terechtzitting hebben wij vernomen dat de Commissie uiteindelijk slechts een bedrag van twee- of drieduizend dollar aan het betrokken advocatenkantoor heeft betaald.
Tussen het tijdstip van aanhouding van M. en de datum van zijn veroordeling hebben de autoriteiten te Brussel praktisch niet ingegrepen. Men kan verzoeker dan ook niet verwijten dat hij in een door iedereen als „delicaat” bestempelde situatie met een advocatenkantoor in zee ging waarvan hij een van de medewerkers kende, in plaats van, zoals de Commissie thans stelt, een andere ambtenaar van de delegatie te verzoeken over de honorariumkwestie te onderhandelen. Die andere ambtenaar kon uiteraard niet L. zijn: hoewel verzoeker hem het dossier over deze kwestie had meegegeven om het op een dienstbezoek te Brussel te bespreken, heeft L. dit onderwerp in Brussel niet aangeroerd. Integendeel, met het oog op de aanstaande komst van de commissie van onderzoek te Santiago heeft hij een free lance journalist van het kantoor ter plaatse gevraagd om een ongunstig rapport over verzoeker op te stellen. Het toppunt van deze zaak is mijns inziens dat in een op 19 december 1977 op verzoek van de heer Renner aan het betrokken kabinet gerichte brief, (nr. 77001968, niet in het dossier), werd geoordeeld dat „zijn diensten er ten zeerste toe hebben bijgedragen de op officieel niveau tussen de regering (van Chili) en de instellingen van de Europese Gemeenschap bestaande betrekkingen niet te verstoren”.
Gezien de grieven is het wel merkwaardig dat verzoeker op 11 april 1975 door de heer Angelini werd gelukgewenst met de resultaten van zijn inspanningen bij de inrichting van het kantoor te Santiago. Over de periode 1 juli 1973 tot 30 juni 1975 luidt de algemene beoordeling in het onder verantwoordelijkheid van de heer Renner, hoofd van de delegatie voor Latijns-Amerika, opgestelde beoordelingsrapport van 9 oktober 1975, als volgt: „zeer bekwaam ambtenaar en uitstekend collega; de heer Démont heeft zich zeer goed in de delegatie ingepast en verricht zijn dienst loyaal. Zijn administratieve en statistische kennis is voor ons bijzonder waardevol geweest. Dankzij zijn openheid heeft hij interessante en zeer uiteenlopende persoonlijke contacten weten te leggen, waardoor hij zich snel heeft weten in te werken in Latijns-Amerika”. Volgens de gespecificeerde beoordeling liggen zijn bekwaamheid, prestatievermogen en zijn gedrag binnen de dienst boven het gemiddelde.
Op 25 augustus 1977 vroeg de heer Angelini zelf aan verzoeker zijn dienstreis naar Caracas voor te bereiden, „uiteraard op de u eigen handige en doeltreffende wijze ...”.
In het op 29 november 1977 onder verantwoordelijkheid van de chef van de delegatie opgestelde beoordelingsrapport over de periode van 1 juli 1975 tot 30 juni 1977, waarin hem naast zijn andere taken nog de taak van boekhouder van de delegatie was toevertrouwd, worden zijn bekwaamheid, prestatievermogen en zijn gedrag binnen de dienst nog steeds beter dan gemiddeld genoemd en luidt de algemene beoordeling als volgt: „de heer Démont legt gemakkelijk contacten in Latijns-Amerika; om deze reden weet hij de van hem verwachte resultaten te bereiken. In het kader van zijn administratieve en financiële werkzaamheden, heeft hij de oplossing van problemen als gevolg van de arbeidsomstandigheden in Latijns-Amerika en de voorschriften van de administratie met elkaar weten te verenigen.” Zijn persoonsdossier bevat geen beoordelingsrapport over de periode 1 juli 1977 tot 30 juni 1979, evenmin als over de periode van 1 juli 1979 tot 30 juni 1981. Op 5 april 1978 echter is verzoeker onder verantwoordelijkheid van het met personeelszaken belaste lid van de Commissie bevorderd (met terugwerkende kracht tot 1 januari 1977) van rang A 7, salaristrap 6, naar rang A 6, salaristrap 6!
Al met al komt men tot de overtuiging dat de taak van verzoeker niet eenvoudig was door de competentieverdeling tussen ambtenaren die onder verschillende directoraten-generaal ressorteerden, zoals Buitenlandse betrekkingen, Administratie, Pers en Voorlichting (zie de verklaring van de heer Pendville van 17 mei 1979). Onder bijzonder ondankbare werkomstandigheden, en hoewel de Commissie reeds in 1977 had besloten dat het hoofd van het bijkantoor te Santiago een ambtenaar in de loopbaan A 4/5 moest zijn, heeft verzoeker te goeder trouw gehandeld en nooit persoonlijk gewin gezocht. De heer Long verklaarde op 27 april 1979: „geld speelde voor hem geen rol, maar hij was niet oneerlijk. Hij was een voorkomend man en in zijn hulpvaardigheid ‚verga’ hij weleens de correcte procedure”.
Ik deel daarom de mening van de „rapporteur” die vond dat het gedrag van verzoeker niet tot een tuchtrechtelijke sanctie noopte: „het is een man wiens elan en gewiekstheid de Commissie waarschijnlijk meer tot voordeel dan tot nadeel hebben gestrekt. Zijn chefs hebben hem echter ten onrechte een vrijheid van handelen gelaten die hij soms onverstandig heeft gebruikt, waarbij hij meende almachtig te zijn”. Hij erkent dat er ten aanzien van de eerste twee grieven tegen verzoeker (overeenkomst met de firma AHNSA en salariëring van de werksters), wel vermoedens omtrent onregelmatigheden bestaan, maar hij stelt vast dat „ieder bewijs tot staving van de beschuldigingen van L. ontbreekt” en hij vraagt zich af: „indien juist is dat L. tot in 1977 administrateur geldmiddelen was, waarom zijn de zaak AHNSA (1976) en andere van vóór de benoeming van René Demont daterende kwesties dan aan zijn controle ontsnapt?”
Wat het honorarium van de advocaat betreft, verklaart hij dat het hem niet verbaasde dat „advocaten en andere bemiddelaars onder een autoritair en door de politie beheerst regime als in Chili een zeer hoge beloning vragen voor hun verrichtingen om slachtoffers van het regime buiten de gevangenis te houden”.
Gezien de aanklacht tegen verzoeker is het alleszins begrijpelijk dat de directeur-generaal op het eerste gezicht van mening was dat deze streng diende te worden gestraft, vandaar de verwijzing naar artikel 87 in zijn geheel. Vandaar ook dat zijn terugroeping naar Brussel, waartoe in beginsel reeds was besloten, werd bespoedigd. Naarmate het onderzoek vorderde, verdween het in de aanklacht genoemde topje van de ijsberg echter als sneeuw voor de zon en de directeur-generaal van de administratie vroeg zich op 23 maart 1979 af, of „een eenvoudige schriftelijke waarschuwing die niet in het personeelsdossier wordt opgenomen” niet voldoende was. Aangezien verzoeker echter op 9 februari 1979 een klacht tegen zijn terugroeping had ingediend op grond dat dit een verkapte tuchtmaatregel zou zijn, werd besloten hem een echte, zij het relatief lichte, tuchtmaatregel op te leggen om de overige delegaties een voorbeeld te stellen en om ondubbelzinnig aan te tonen dat verzoekers terugroeping naar Brussel niet het tuchtrechtelijke karakter droeg dat hij eraan toekende.
Om al deze redenen ben ik van mening dat het ten laste van verzoeker genomen besluit gezien de schending van de rechten van de verdediging een eenvoudige waarschuwing had kunnen zijn. Het is echter onzeker of u volledige rechtsmacht bezit op tuchtrechtelijk gebied, waardoor u het besluit waarvan vernietiging wordt gevraagd, zoudt kunnen herzien. Doch een bijkomende overweging dient mijns inziens tot een zuivere en eenvoudige vernietiging te leiden.
III —
L. heeft zijn nota in wezen opgesteld als gevolg van de permanent geprikkelde sfeer tussen hem en verzoeker en van de frustatie die bij hem opkwam bij de gedachte dat na zijn vertrek zijn ondergeschikte in Santiago zou achterblijven. Aan het einde van de tuchtprocedure had zelfs het tot aanstelling bevoegde gezag kunnen inzien dat deze nota een lasterlijk karakter heeft, omdat verzoeker daarin uiteindelijk slechts van lichte nalatigheden wordt beticht. De tegen hem ingebrachte beschuldiging kan derhalve als smaad worden aangemerkt.
Anders dan de Commissie meent, is dit een schoolvoorbeeld van gevallen waarin artikel 24 toepassing vindt: „De Gemeenschappen verlenen bijstand aan de ambtenaar, inzonderheid bij rechtsvervolgingen van hen die zich hebben schuldig gemaakt aan bedreigingen, grove beledigingen, beschimpingen, smaad of vergrijpen tegen persoon of goed, waaraan hijzelf of de leden van zijn gezin uit hoofde van zijn hoedanigheid en zijn functie blootstaan.” In het arrest van 14 juni 1979 (zaak 18/78, mevrouw V./Commissie, Jurispr. 1979, blz. 2093) heeft u geoordeeld dat: „Ofschoon men in deze bepaling allereerst de bescherming van de ambtenaren der Gemeenschappen tegen aanvallen en minderwaardige behandelingen van derden op het oog heeft, geldt de in artikel 24 omschreven bijstandsplicht ook voor gevallen waarin de feiten door een andere ambtenaar van de Gemeenschappen worden begaan” (overweging 15). Deze bijstandverplichting is te meer geboden, zo voegde u eraan toe, wanneer het incident heeft plaatsgevonden tussen twee ambtenaren waarvan de ene een ondergeschikte positie innam jegens de andere.
De beste manier om verzoekers goede naam te rehabiliteren en hem eenzelfde carrièreverloop als bij de hoofdzetel te waarborgen, is mijns inziens het verzoek in zijn geheel toe te wijzen.
Derhalve concludeer ik tot nietigverklaring van het besluit van 15 juni 1979, houdende berisping van verzoeker, en tot verwijzing van de Commissie in de kosten van dit tweede beroep.
( 1 ) Vertaald uit het Frans.
Full & Egal Universal Law Academy