CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL H. MAYRAS
VAN 8 JULI 1980 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
I —
De vennootschap Pesch te Voorthuizen (Nederland) voerde tussen 19 november 1976 en 18 oktober 1977 een aantal partijen ontsloten maiszetmeel, bevattende 5 % calciumchloride en 5 % magnesiumchloride, uit naar het Verenigd Koninkrijk. Zij koopt dit produkt rechtstreeks bij een Nederlandse fabrikant en verkoopt het vervolgens in Nederland en elders aan fabrikanten van veevoeder, die het bijmengen bij mageremelkpoeder of weipoeder; dit mengsel, dat de naam „Denkavit” draagt, dient als voeding voor kalveren.
Dit produkt is onderworpen aan de regeling inzake de monetaire compenserende bedragen, dat wil zeggen dat uitvoer ervan vanuit een staat met een opgewaardeerde munteenheid naar een staat met een gedeprecieerde munteenheid en invoer ervan in een staat met een gedeprecieerde munteenheid vanuit een staat met een opgewaardeerde munteenheid, recht geven op toekenning van compenserende bedragen.
Bij vertrek uit Nederland, een staat met een sterke valuta, werd het produkt door de douane ingedeeld onder post 35.05 A van het gemeenschappelijk douanetarief. Deze post, die deel uitmaakt van afdeling VI van het gemeenschappelijk douanetarief („Produkten van de chemische en van de aanverwante industrieën”), hoofdstuk 35 („Eiwitstoffen; lijm; enzymen”), heeft de volgende tekst: „Dextrine; oplosbaar of geroost zetmeel”.
Hoewel zij niet in bijlage II bij het Verdrag zijn genoemd, worden de produkten van deze tariefpost krachtens verordening nr. 1059/69 van de Raad van 28 mei 1969 geacht door verwerking van landbouwprodukten te zijn verkregen, en vallen zij uit dien hoofde onder het stelsel van de monetaire compenserende bedragen.
Bij binnenkomst van het produkt in het Verenigd Koninkrijk waren de bevoegde autoriteiten van deze staat daarentegen van mening, zulks op grond van de vaststellingen van de chemisch deskundige van de overheid, dat het produkt wegens zijn samenstelling en bestemming onder post 23.07 Biel moest worden ingedeeld.
Deze post behoort tot afdeling IV van het gemeenschappelijk douanetarief („Produkten van de voedselindustrie ...”), hoofdstuk 23 („Resten en afval van de voedselindustrie; bereid voedsel voor dieren”) en luidt als volgt:
„Veevoeder, samengesteld met melasse of met suiker; andere bereidingen van de soorten welke worden gebezigd voor het voederen van dieren:
B.
andere (produkten), bevattende hetzij afzonderlijk, hetzij te zamen, ook indien vermengd met andere produkten, ... zetmeel ...
met een zetmeelgehalte van meer dan 30 gewichtspercenten:
geen zuivelprodukten bevattend of met een gehalte aan zuivelprodukten van minder dan 10 gewichtspercenten ...”
Omdat dit soort bereidingen tot de „graansector” behoren, vallen zij eveneens onder het stelsel van compenserende bedragen, maar het tarief hiervoor was bijna de helft lager dan dat voor oplosbaar zetmeel.
Artikel 2 bis van verordening nr. 974/71, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1112/73 van de Raad van 30 april 1973, bepaalt:
„Wanneer een uit een Lid-Staat uitgevoerd produkt wordt ingevoerd in een Lid-Staat die een compenserend bedrag bij invoer moet toekennen, kan de uitvoerende Lid-Staat, in onderlinge overeenstemming met de invoerende Lid-Staat, het compenserende bedrag betalen dat door deze invoerende Lid-Staat zou moeten worden toegekend. In dit geval wordt door de invoerende Lid-Staat geen compenserend bedrag toegekend voor de produkten uit de desbetreffende Lid-Staat...”
Nu het Koninkrijk der Nederlanden de Commissie te kennen had gegeven dat het van de hierbedoelde mogelijkheid gebruik wenste te maken voor zijn uitvoer naar het Verenigd Koninkrijk, en laatstgenoemde Lid-Staat zich hiermee akkoord had verklaard, waren bij invoer in het Verenigd Koninkrijk alleen de Nederlandse autoriteiten bevoegd de compenserende bedragen te betalen. Door het Verenigd Koninklijk te vragen ermee in te stemmen dat Nederland de compenserende bedragen zou betalen die normaliter in het Verenigd Koninkrijk hadden moeten worden toegekend en betaald, aanvaardde Nederland het risico dat de Britse douane afwijkt van de door de Nederlandse douane toegepaste tariefindeling.
Om misbruik te voorkomen, wordt echter door de Lid-Staat van invoer een zekere controle uitgeoefend. Volgens artikel 11 van verordening nr. 1380/75 van de Commissie van 29 mei 1975 (zoals gewijzigd bij verordening nr. 1498/76 van de Commissie van 25 juni 1976), dat is vastgesteld ter uitvoering van artikel 2 bis van verordening nr. 974/71, is voor de betaling als voorwaarde gesteld dat het bewijs wordt geleverd dat het produkt in het land van invoer is aangegeven, dat wil zeggen dat het controleexemplaar wordt overgelegd, dat de bij artikel 11, lid 2, tweede alinea, van verordening nr. 1380/75 voorgeschreven gegevens moet bevatten en dat dient ter bevestiging van het feit dat de goederen inderdaad de opgegeven bestemming hebben bereikt.
Dit bewijs moet, nog steeds volgens artikel 11, lid 2, van verordening nr. 1380/75, worden geleverd door overlegging van het in artikel 1 van verordening nr. 2315/69 bedoelde controle-exemplaar. Dit bevatte een speciaal vakje waarin moest worden ingevuld of de goederen bestemd waren om het grondgebied van de Gemeenschap te verlaten dan wel in een Lid-Staat in het vrije verkeer te worden gebracht. Het bevoegde douanebureau van de Lid-Staat van bestemming moest zijnerzijds, in een hiervoor bestemd vakje aangeven of de goederen inderdaad overeenkomstig de opgave van de handelaar waren gebruikt of vervoerd.
Met ingang van 1 juli 1977 wordt, „wanneer de toepassing van een communautaire maatregel welke inzake in- of uitvoer van goederen of inzake goederenverkeer binnen de Gemeenschap werd getroffen, afhankelijk is gesteld van het bewijs dat de betrokken goederen het gebruik en/of de bestemming hebben gekregen die bij deze maatregel is voorzien of voorgeschreven ... genoemd bewijs geleverd door overlegging van het controle-exemplaar T nr. 5”, aldus artikel 10 van verordening nr. 223/77 van de Commissie van 22 december 1976, houdende uitvoeringsbepalingen alsmede vereenvoudigingsmaatregelen van de regeling voor communautair douanevervoer.
Het model van dit controle-exemplaar is opgenomen in bijlage VI bij deze verordening.
Per 1 september 1977 is krachtens verordening nr. 1556/77 van de Commissie van 11 juli 1977 artikel 10 van verordening nr. 1380/75 aangevuld met een artikel 10 bis, waarvan het vierde lid luidt als volgt:
„Indien de bevoegde autoriteiten bij het vervullen van de douaneformaliteiten bij aangifte ten invoer tot verbruik het betrokken produkt onder een andere dan de in het document voor communautair douanevervoer aangegeven tariefpost of tariefpostonderverdeling indelen, stellen zij het douanekantoor van vertrek daarvan in kennis onder opgave van de aangehouden tariefpost of tariefpostonderverdeling.”
Op 3 februari 1977 heeft de Engelse douane enkele controle-exemplaren aan de Nederlandse douane teruggestuurd met de verklaring dat de douaneformaliteiten waren vervuld en met opgave van de data waarop de goederen in het Verenigd Koninkrijk waren ingevoerd tot verbruik; zij vermelde daarbij tevens haar afwijkend standpunt met betrekking tot de tariefindeling van de goederen.
De instantie die in Nederland belast is met de uitvoer van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, het Hoofdproduktschap voor Akkerbouwprodukten, betaalde, zich baserend op de opvatting van de Engelse douane, aan Pesch compenserende bedragen op basis van post 35.05 A bij uitvoer uit Nederland en op basis van post 23.07 B I c 1 bij invoer in het Verenigd Koninkrijk.
Op 19 januari 1978 diende de onderneming een bezwaarschrift in, dat evenwel geen succes had, en bracht vervolgens de zaak voor het College van Beroep Voor het Bedrijfsleven, dat ze naar het Hof verwees voor een prejudiciële beslissing zowel in het competentiegeschil over de bevoegdheid tot tariefindeling als over deze indeling zelf.
De regering van het Verenigd Koninkrijk heeft gebruik gemaakt van de mogelijkheid om krachtens artikel 20 van 's Hofs Statuut-EEG schriftelijke opmerkingen bij het Hof in te dienen.
II —
Verzoekster in het hoofdgeding erkent dat de Nederlandse autoriteiten gedwongen waren het Engelse standpunt, dat van het hunne verschilt, te verdedigen doch stelt dat de Engelse importeur de door de Engelse douane aangehouden indeling niet rechtstreeks kon aanvallen en dat hij het instellen van een actie tegen de Nederlandse autoriteiten aan de Nederlandse exporteur moest overlaten.
Ten gronde stelt zij dat uit de „logica” van het agrimonetaire stelsel volgt dat één en hetzelfde produkt niet in de Lid-Staat van uitvoer en in de Lid-Staat van invoer onder verschillende tariefposten kan worden ingedeeld.
Ik deel verzoeksters standpunt dat, waar mogelijk, een uniforme toepassing van het stelsel van de compenserende bedragen moet worden verzekerd en onregelmatigheden moeten worden vermeden.
Ik zal echter allereerst het vraagstuk van de tariefindeling aansnijden, dat wil zeggen de tweede vraag die aan het Hof is voorgelegd, ook al is dit eerder een feitelijke vraag of een vraag van toepassing op een concreet geval, waarvan de oplossing in eerste instantie tot de competentie behoort van het Comité Nomenclatuur van het gemeenschappelijk douanetarief, dat is ingesteld bij verordening nr. 97/69 van de Raad van 16 januari 1969 betreffende de maatregelen die moeten worden getroffen voor de uniforme toepassing van de Nomenclatuur van het gemeenschappelijk douanetarief.
Als het Hof immers voor recht zou verklaren dat een produkt als het onderhavige onder een bepaalde post moet worden ingedeeld met uitsluiting van alle andere posten — en ik meen dat dit zo is — (uiteraard onthoud ik mij van een onderzoek naar de vraag of het produkt niet onder een andere post valt dan post 35.05 A of post 23.07 Biel), dan bindt dit antwoord, althans voor het onderhavige geval, zowel de Engelse als de Nederlandse douane: als de uitvoerende Lid-Staat al niet gebonden was door de tarifering van de invoerende Lid-Staat, dan is hij in elk geval gebonden door de uitlegging van het Hof. Bovendien zal de uitvoerende staat, wanneer een positief compenserend bedrag niet verschuldigd blijkt te zijn — de redactie van de eerste vraag komt mij op dit punt onbegrijpelijk voor — in voorkomend geval de ten onrechte betaalde compensatie moeten terugvorderen.
Verzoekster in het hoofdgeding stelt dat, hoewel het onderhavige produkt — „oplosbaar zetmeel” waaraan bepaalde ingrediënten zijn toegevoegd — als grondstof dient voor kalvervoeding, het juist vanwege deze toevoegingen niet direct kan worden gebruikt en dus niet als „veevoeder” kan worden beschouwd. Subsidiair erkent zij dat het hier, gezien 's Hofs rechtspraak in het arrest-Milchfutter van 4 juli 1978 (Jurispr. 1978, blz. 1597), om een grensgeval gaat en dat men „zowel voor als tegen de toepasbaarheid van tariefpost 23.07 BIc 1” goede argumenten kan aanvoeren; zij refereert zich op dit punt dan ook gaarne aan het Hof.
De regering van het Verenigd Koninkrijk meent dat uitsluitend post 23.07 Biel in aanmerking komt; de bestanddelen calcium en magnesium verlenen het onderhavige produkt — ongeacht of het door voorkoken is omgezet of niet — haar wezenlijk karakter als diervoederingrediënt. Deze opvatting vindt steun in toelichting C van de Internationale Douaneraad betreffende post 23.07.
De Commissie meent dat het onderhavige produkt, juist vanwege het feit dat het niet uitsluitend uit oplosbaar zetmeel bestaat, maar toevoegingen bevat die het bij uitstek voorbestemmen voor kalvervoeder (telefonische inlichting van de Engelse douane), veevoeder vormt in de zin van post 23.07 B I c 1. Zij merkt verder op dat de Nederlandse overheid het onderhavige produkt, naar aanleiding van een onderzoek, sinds februari 1979 onder post 23.07 indeelt. Maar bij de mondelinge behandeling heeft verzoekster de juistheid van deze verklaring betwist.
Persoonlijk geloof ik niet dat een mengsel van dit type noodzakelijkerwijze zijn wezenlijk karakter aan het bestanddeel zetmeel ontleent: zoals verzoekster in het hoofdgeding immers zelf heeft gezegd, veroorzaakt dit produkt bij rechtstreekse consumptie door kalveren, vanwege de sterke calcium- en magnesiumconcentratie, onherroepelijk hun dood. Laatstgenoemde ingrediënten verlenen het produkt dus zijn wezenlijk karakter.
Wil een bereiding onder post 23.07 B I c 1 vallen, dan dient het zetmeelgehalte daarvan 30 gewichtspercenten te overschrijden: hoe groot die overschrijding verder is, heeft in beginsel geen invloed op de indeling. In zoverre is de strekking van het argument, dat vanwege het agrarische bestanddeel van het produkt, die indeling moet worden gekozen die bij invoer uit derde landen tot betaling van het hoogst compenserende bedrag leidt, mij niet duidelijk.
Of de invloed, die de toepassing van het compenserende bedrag op de prijs van de grondstof waarvan het desbetreffende produkt is afgeleid en die daadwerkelijk in de samenstelling daarvan voorkomt, heeft op de prijs van het betrokken produkt, verkeerd is berekend — eventueel in verband met de betaling van een restitutie bij de produktie —, is een ander probleem dat niet van de tariefindeling kan worden opgelost.
Ten slotte is niet gezegd dat het produkt, om onder deze post te kunnen worden ingedeeld, als zodanig, zonder enige toevoeging moet kunnen worden gebruikt voor het voederen van dieren: voldoende is dat het op een of andere wijze daarvoor kan worden gebruikt.
Uit het voorgaande volgt dat een produkt van de onderhavige soort niet onder de, door de Lid-Staat van uitvoer toegepaste, post 35.05 A valt. Daar de indeling onder post 23.07 B I c 1 derhalve in het licht van het gemeenschappelijk douanetarief gerechtvaardigd blijkt te zijn, is de eerste vraag verder zonder belang.
Ik concludeer op grond hiervan dat uw Hof voor recht verklare dat:
onverminderd het advies van het Comité Nomenclatuur van het gemeenschappelijk douanetarief, een produkt dat voor 90 % uit maiszetmeel, voor 5 % uit calciumchloride en voor 5 % uit magnesiumchloride bestaat, dat een warmtebehandeling heeft ondergaan en als bereiding voor het voederen van dieren wordt gebezigd onder post 23.07 B I c 1 van het gemeenschappelijk douanetarief valt.
( 1 ) Vertaald uit het Frans.
Full & Egal Universal Law Academy