CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL F. CAPOTORTI
VAN 4 DECEMBER 1980 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne beren Rechters,
1.
Het beroepschrift, door mevrouw Tiberghien op 9 november 1979 ingediend, vraagt uw aandacht voor een kwestie die niet nieuw is: aan welke eisen moet een jurybesluit een sollicitant niet tot een bepaald vergelijkend onderzoek toe te laten, rechtens voldoen?
Ik zal de feiten kort samenvatten.
In juli 1979 gaf verzoekster in verband met een uitgeschreven — en op de grond van schriftelijke bewijsstukken te houden — intern vergelijkend onderzoek COM/BS/4/79, te kennen op de reservelijst voor secretaressen in de loopbaan Β 5/B 4 te willen worden geplaatst. Zij werd echter niet tot het onderzoek toegelaten. De jury meende dat zij niet beschikte over de verlangde beroepservaring; volgens de aankondiging moest wie geen diploma van een middelbare school kon overleggen, ten minste 16 jaar in categorie C hebben gewerkt. Mevrouw Tiberghien verzocht de administratie toen eerst (in een brief van 22 augustus 1979) haar rechtspositie opnieuw in overweging te nemen; toen op dat verzoek afwijzend beschikt werd, diende zij het onderhavige beroepschrift in. Zij stelt dat de Commissie haar beroepservaring verkeerd heeft beoordeeld en voorts de bekwaamheid door haar op scholingscursussen op het specifieke terrein van het secretariaat opgedaan, niet in aanmerking heeft genomen. Op grond van een en ander wenst zij het besluit haar niet tot het vergelijkend onderzoek toe te laten, te zien nietigverklaard.
2.
De ontvankelijkheid van het beroep lijdt geen enkele twijfel. Dat een administratief beroep volgens de procedure van artikel 90, lid 2, van het Statuut van de ambtenaren achterwege bleef, doet niet ter zake: het Hof heeft reeds meermalen overwogen dat de verplichting een klacht volgens artikel 91, lid 2, in te dienen „geen zin heeft waar het een grief betreft tegen besluiten van een jury van een vergelijkend onderzoek, daar het tot aanstelling bevoegde gezag niet over middelen beschikt deze besluiten te herzien” (arrest, op 16 maart 1978 gewezen in de zaak 7/77, van Wüllerstorff und Urbair, Jurispr. 1978, blz. 769, r.o. 7). Artikel 91 is derhalve in die zin te verstaan, dat de voorwaarde dat er eerst bij de administratie moet zijn gereclameerd, „slechts ziet op handelingen welke het tot aanstelling bevoegde gezag eventueel kan herzien”, en tot die categorie behoren beslissingen inzake de toelating tot vergelijkende onderzoeken niet.
3.
Ik zou thans willen overgaan tot een bespreking van verzoeksters eerste grief. Ik zei reeds dat er in de aankondiging, bij gebreke van een middelbare schooldiploma, 16 jaar specifieke beroepservaring verlangd werd (op het terrein van het secretariaat). Voorts moest de kandidaat als ambtenaar of anderszins in totaal 11 jaar bij de Gemeenschap in dienst zijn geweest; maar de beide voorwaarden werden onafhankelijk van elkander gesteld. Er werd niet bij vermeld of en in hoeverre de beroepservaring in dienst van de Gemeenschap moest zijn opgedaan. Het mag dan ook mijns inziens voor het vergelijkend onderzoek voldoende worden geacht, wanneer men bedoelde ervaring geheel of gedeeltelijk elders dan in de Gemeenschap heeft verkregen: de aankondiging rept alleen maar van de duur van die ervaring en van de aard der verrichte werkzaamheden (die trouwens „benaderenderwijs” worden omschreven: „werkzaamheden in de categorie C: directie- of hoofdsecretaresse, secretaresse-stenotypiste of dergelijke werkzaamheden”).
Verzoekster stelde in haar verzoek om toelating tot het vergelijkend onderzoek, ongeveer negen jaar (van 1954 tot 1964) bij verschillende werkgevers en vervolgens negeneneenhalf jaar in dienst van de Commissie te hebben gewerkt: aldus zou zij meer beroepservaring hebben opgedaan dan de zestien jaren, in de aankondiging vermeld. In de kennisgeving van haar besluit verzoekster niet tot het vergelijkend onderzoek toe te laten, heeft de jury noch de duur noch de hoedanigheid van haar beroepswerkzaamheden vóór 1965 aangevochten en zich beperkt tot de vaststelling dat zij niet ten minste zestien jaar beroepservaring had opgedaan. Weliswaar heeft de gemachtigde van verweerster tijdens de mondelinge behandeling, in antwoord op een door de president gestelde vraag, verklaard dat de Commissie „heel moeilijk kan aannemen” dat de arbeid, door mevrouw Tiberghien in dienst van particulieren verricht — zoals in de aankondiging van het vergelijkend onderzoek werd verlangd — gelijkwaardig was aan de werkzaamheden die voor de C-ambtenaren der Gemeenschap als typisch zijn te beschouwen. Maar zulk een toch al dubbelzinnige en eerst achteraf gegeven verklaring komt in strijd met het standpunt, te dezen door de Commissie ingenomen in de brief van 24 september, door de heer Desbois aan verzoekster gericht (bijlage 25 bij het beroepsschrift), waarin het jurybesluit als volgt werd toegelicht: „als u uw ervaring als secretaresse-stenotypiste in het tijdvak 1 februari 1976 — 31 december 1978 bij de Commissie opgedaan op het niveau van ten minste C 3 (2 jaren en 1 maand), optelt bij soortgelijke ervaring, door u in bet tijdvak voor uw indiensttreding opgedaan (8 oktober 1954—15 maart 1964: 9 jaren en 6 maanden), komt u niet op de verlangde zestien jaren.” Hierin ligt besloten dat de specifieke beroepservaring, tussen 1954 en 1964 bij andere werknemers dan de Commissie opgedaan, zonder bezwaar werd aanvaard.
4.
In geschil is dus met name de beoordeling van de beroepservaring, door verzoekster in het tijdvak maart 1965 — februari 1974 bij de Commissie verworven. Mevrouw Tiberghien stelt in de loopbaan C 3/C 2 van 1 februari 1965 tot 31 juli 1974 als secretaresse-stenotypiste werkzaam te zijn geweest; gedurende die jaren was zij echter als „beambte” ingedeeld, met andere woorden als een veeleer met administratieve taken dan met secretariaatswerk te belasten werkkracht. Dit verklaart waarom de Commissie, ter beoordeling of verzoekster over de vereiste beroepservaring beschikt, het tijdvak 1965-1974 buiten beschouwing heeft gelaten. Echter zou volgens verzoekster het feit dat de in werkelijkheid door haar verrichte taken niet met haar formele taakstelling in overeenstemming waren, aan een door de de administratie begaan verzuim moeten worden toegeschreven. Tot goed begrip van de gewezen kwestie zij eraan herinnerd dat volgens het Statuut van de ambtenaren aan een loopbaan in de rangen C 2 en C 3 de standaardfuncties „beambte” en „secretaresse-stenotypiste” beantwoorden. De taakstellingen voor de verschillende standaardfuncties zijn te vinden in het besluit der Commissie „tot vaststelling van de omschrijving der werkzaamheden en bevoegdheden die verbonden zijn aan de... standaardfuncties” [der ambtenaren] (Personeelskoerier nr. 272 van 4 september 1973); blijkens dit besluit is een „beambte” in de categorie C, loopbaan C 2/C 3, „een uitvoerend ambtenaar belast met administratieve werkzaamheden waarvoor hij een minimum aan instructies ontvangt en waarvan de uitvoering verlangt dat hij een juist oordeel bezit en methodisch te werk gaat.” De taak van een secretaresse-stenotypiste wordt echter niet nader omschreven; het woord biedt blijkbaar op zichzelf reeds voldoende houvast. Men heeft hier evenwel te maken met twee heel verschillende taakstellingen, hetgeen de administratie dan ook aanleiding geeft van degenen die aan bepaalde vergelijkende onderzoeken wensten deel te nemen, te verlangen dat zij in de ene dan wel in de andere sector zich een bepaalde broepservaring hebben verworven. Als de zaken zo staan, heeft iedere ambtenaar er natuurlijk belang bij door de administratie de werkzaamheden die hij in werkelijkheid verrichtte, te zien erkend, immers de toelating tot bepaalde vergelijkende onderzoeken hangt er van af.
In casu staat vast, dat verzoekster in het tijdvak 1 februari 1965 — 31 juli 1974 als stenotypiste werkzaam geweest is; op haar verzoek d.d. 28 februari 1979 heeft de Commissie dit ook met zoveel woorden erkend — in een brief van 21 november 1979, die door de directeur-generaal Personeelszaken en Algemeen Beheer werd ondertekend —. De jury heeft echter, naar wij zagen, verzoekster bedoelde beroepservaring ontzegd; het blijkt uit de brief d.d. 10 augustus 1979, waarin zij van haar niet-toelating in kennis werd gesteld, alsook uit de reeds genoemde nota, die men verzoekster op 24 september 1979 deed toekomen.
De administratie blijkt in zeer korte tijd een en dezelfde zaak bij twee gelegenheden anders te hebben beoordeeld. Het heeft verzoekster geschaad dat de erkenning van haar secretariaatswerkzaamheden (aanstonds) na de voltooiing van het vergelijkend onderzoek is gekomen. Het is dus de vraag of het als een vormfout is te beschouwen dat de administratie, toen zij over de toelating tot het onderzoek had te beslissen, de in werkelijkheid door verzoekster verrichte werkzaamheden buiten beschouwing heeft gelaten.
5.
De jury had er mijns inziens van dienen uit te gaan dat verzoekster in haar sollicitatiebrief had opgegeven nog negen jaar als secretaresse in dienst van de Gemeenschap te hebben gewerkt. De vaststelling dat zij blijkens haar officiële taakstelling de standaardfunctie van secretaresse-stenotypiste gedurende een veel kortere periode had vervuld, en gedurende een periode die goeddeels samenviel met het tijdvak in de sollicitatiebrief vermeld, als beambte te boek stond, had de jury aanleiding moeten geven bij de administratie navraag te doen. In ieder geval had het de Commissie, toen verzoekster zich bij brief van 22 augustus 1979 over de onjuiste beoordeling van haar beroepservaring beklaagd had, duidelijk moeten zijn dat de zaak nader moest worden onderzocht. Zij zou dan in het persoonsdossier van mevrouw Tiberghien een uitvoerige documentatie hebben aangetroffen betreffende de taken waarvan zij zich in feite had gekweten en de inspanningen welke zij zich getroost had om feitelijke en formele taakstelling met elkander in overeenstemming te doen brengen; onder meer zou zij hebben gezien dat verzoekster reeds op 16 juli om „regulárisadé” van haar rechtspositie, i.e. formele erkenning van de in feite door haar verrichte werkzaamheden, had gevraagd. En het lijdt geen twijfel dat de administratie, in antwoord op een eventueel door de jury gedaan verzoek om opheldering, hetzelfde standpunt zou hebben ingenomen waartoe zij in haar aan verzoekster gerichte brief d.d. 21 november, na afloop van het onderzoek, kwam; die brief hield te langen leste de erkenning in van het werk, door haar gedurende meer dan negen jaar als secretaresse verricht.
Harerzijds was de administratie verplicht de jury tijdig in kennis te stellen van alle gegevens welke ter beoordeling van de sollicitant van belang konden zijn. In zulke gevallen heeft ons Hof overwogen dat fouten als de onderhavige een besluit betrokkene niet tot het onderzoek toe te laten, nietig maken, omdat zij schending van wezenlijke vormvoorschriften inhouden. Ik herinner aan het arrest, op 9 juni 1964 gewezen in de zaken 94 en 96/63, Bernusset (Jurispr. 1964, blz. 595), waarin het Hof uitsprak dat behandeling van sollicitatiestukken „een zo objectief mogelijk onderzoek van de verdiensten der kandidaten” behoort mede te brengen en dat het tot aanstelling bevoegd gezag zich, door raadpleging van de persoonsdossiers der kandidaten, nader heeft te informeren. Ook herinner ik aan het arrest, op 1 april 1971 gewezen in de zaak 76/69, Rabe (Jurispr. 1971, blz. 297) volgens hetwelk er, wanneer de administratie de jury niet in kennis heeft gesteld van de stukken betreffende de getuigschriften waarover de kandidaten moesten beschikken, wilden zij tot vergelijkend onderzoek worden toegelaten, sprake is van „een gebrek in de procedure”, waarvan betrokkene zich in rechte mag bedienen (men zie met name r.o. 5 t/m 9).
Aan bedoelde uitspraken ligt in hoofdzaak het beginsel ten grondslag, dat de jury, wanneer het er om gaat de sollicitaties te beoordelen van personen die reeds bij de instellingen van de Gemeenschap in dienst zijn (geweest), gebruik dient te maken van alle beoordelingsgegevens waarover de administratie beschikt, gegevens welke zich kunnen bevinden hetzij in het (noodzakelijkerwijs te onderzoeken) persoonsdossier, hetzij elders. Rijst er nu om een of andere reden twijfel inzake iemands rechtspositie — zoals het geval is wanneer de door betrokkene verrichte werkzaamheden niet met zijn formele taakstelling in overeenstemming zijn —, dan is de administratie gehouden scherp toe te zien en zulke punten van twijfel tijdig uit de weg te ruimen, zodat de jury, wanneer zij omtrent de toelating tot het onderzoek heeft te beslissen, van degelijke en definitieve gegevens kan uitgaan. Logischerwijze betekent dit, dat besluiten die zonder voldoende informatie aangaande de onderscheiden kandidaten worden genomen, schending van wezenlijke vormvoorschriften inhouden en deswege nietig zijn.
Mijns inziens zal er ook in casu op grondslag van deze criteria moeten worden beslist. Het besluit van de jury verzoekster niet tot het vergelijkend onderzoek toe te laten, is wegens schending van wezenlijke vormvoorschriften niet rechtsgeldig en moet derhalve worden nietigverklaard.
6.
Ik acht het litigieuze besluit evenwel niet in strijd met artikel 24 van het Statuut van de ambtenaren, zoals volgens de tweede grief het geval zou zijn. In lid 3 en lid 4 van het artikel staat te lezen dat de Gemeenschappen „de bij- en nascholing van de ambtenaar [vergemakkelijken], voor zover dit verenigbaar is met de eisen van een goede werking deidiensten en in overeenstemming met haar eigen belangen”, alsook dat „voor de verdere loopbaan... ook met deze bijen nascholing rekening gehouden [wordt].” Mevrouw Tiberghien meent nu dat de jury bij het beoordelen van haar beroepservaring geen rekening heeft gehouden met de kennis, die zij zich door in de jaren 1973 en 1974 aan een aantal scholingscursussen deel te nemen, heeft verworven; zij acht dit in strijd met de hiervoor genoemde verplichting der administratie om, met het oog op de verdere loopbaan der ambtenaren, met bedoelde bij- en nascholing rekening te houden.
Dat verzoekster voor de beroepservaring,. gedurende ruim negen jaren als secretaresse bij de Commissie opgedaan, geen erkenning vond, heeft niets uitstaande met de verplichting in aanmerking te nemen dat de betrokken ambtenaar aan scholingscursussen heeft deelgenomen.
Wij weten dat in de aankondiging van het vergelijkend onderzoek werd verlangd dat betrokkenen, door een aantal jaren als zodanig werkzaam te zijn, ervaring als secretaresse hadden opgedaan; mocht men over zodanige ervaring niet beschikken, dan kon dit door de deelneming aan scholingscursussen niet worden verholpen. Voorts zij opgemerkt dat de verplichting der administratie rekening te houden met de beroepsscholing welke de ambtenaar zich heeft verworven, in het Statuut met de loopbaan in verband wordt gebracht (vgl. artikel 24, lid 4), terwijl verzoekster wenste te worden toegelaten tot een vergelijkend onderzoek, dat haar een loopbaan moest ontsluiten buiten de omgeving waar zij werkzaam was hetgeen temeer reden geeft tot de conclusie dat er op artikel 24 van het Statuut niet met vrucht een beroep kan worden gedaan.
7.
Op grond van vorenstaande overwegingen ben ik van oordeel dat het beroep moet worden toegewezen. Ik geeft het Hof dan ook in overweging over te gaan tot nietigverklaring van het besluit van de Commissie van 10 augustus 1979, waarbij verzoekster niet werd toegelaten tot deelneming aan het op de grondslag van schriftelijke bewijsstukken uitgeschreven intern vergelijkend onderzoek COM/BS/4/79 (voor adjunct-secretariaatsassistenten). De verwerende instelling dient derhalve te worden veroordeeld tot betaling van de aan verzoeksters zijde gevallen proceskosten.
( *1 ) Vertaald uit het Italiaans.
Full & Egal Universal Law Academy