CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL H. MAYRAS
VAN 2 OKTOBER 1980 ( 1 )
Mijnheer de president,
mijne beren rechters,
In de onderhavige zaak dienen de voorwaarden voor ontvankelijkheid in ambtenarenzaken nader te worden omlijnd alsmede het begrip ten laste komend kind, met name in verband met de ziektekostenverzekering.
I —
De ambtenaar die een wettig, onwettig of geadopteerd kind heeft dat hij daadwerkelijk onderhoudt, heeft recht op een aantal voordelen:
1)
hij heeft ambtshalve recht op een kindertoelage zolang het kind de 18-ja-rige leeftijd nog niet heeft bereikt. De leeftijdsgrens kan op 26 jaar worden gesteld wanneer het kind een school-of beroepsopleiding volgt, en vervalt geheel indien het kind gebrekkig is of aan een ernstige ziekte lijdt waardoor het niet in zijn behoeften kan voorzien (artikel 2, leden 2, 3 en 5, van bijlage VII bij het Statuut, betreffende de bezoldiging en vergoeding van kosten, afdeling I „gezinstoelagen”);
2)
voor het kind heeft hij recht op een schooltoelage overeenkomstig de voorwaarden van artikel 3 van bijlage VIL Dit recht vervalt op zijn laatst aan het einde van de maand waarin het kind de 26-jarige leeftijd bereikt;
3)
hij geniet belastingaftrek gelijk aan twee maal de kindertoelage (artikel 3, lid 4, tweede alinea, van verordening nr. 260/68 van de Raad tot vaststelling van de voorwaarden en de wijze van heffing van de belasting ten bate van de Europese Gemeenschappen);
4)
Volgens een door de instellingen der Gemeenschappen in onderlinge overeenstemming en na advies van het Comité voor het Statuut vastgestelde regeling zijn de kosten in geval van ziekte ván de ambtenaar, zijn echtgenoot, zijn kinderen en andere personen die in de zin van artikel 2 van bijlage VII te zijnen laste komen, tot ten hoogste 80 % gedekt, aldus — onder het hoofd „sociale zekerheid” — artikel 72, lid 1, van het Statuut.
De bepalingen van deze gemeenschappelijke regeling met betrekking tot „pei. nen die verzekerd zijn uit hoofcL aangeslotenen” zijn in de loop van tijd nog al eens gewijzigd.
Per 1 februari 1967 heette het in artikel 5 van die regeling onder het hoofd „rechthebbenden” :
„De vergoedingen waarin deze regeling voorziet, worden toegekend voor de volgende personen:
c)
de kinderen die ten laste van de aangeslotenen komen, overeenkomstig de artikelen 2 van bijlage VII bij de Statuten”.
Per 1 januari 1974 en ten tijde van de feiten van de zaak bepaalde artikel 3 van die regeling onder het hoofd „personen die verzekerd zijn uit hoofde van de aangeslotenen”;
„Uit hoofde van de aangeslotenen zijn verzekerd :
...
2.
de kinderen die ten laste van de aangeslotene komen, overeenkomstig artikel 2, lid 2, bijlage VII van het Statuut ...”
Per 1 februari 1980 heeft men, met terugwerkende kracht tot 1 juli 1979, weer voor de oorspronkelijke formulering gekozen en luidt artikel 3, lid 2:
„de kinderen die ten laste van de aangeslotene komen, overeenkomstig artikel 2 van bijlage VII bij het Statuut”.
II —
Verzoeker is sinds 1967 ambtenaar van de Commissie van de Europese Gemeenschappen; zijn rang is A 6. Hij is vader van twee kinderen, waaronder een zoon, geboren op 18 december 1951.
Op 15 november 1977, kort voordat zijn zoon 26 jaar werd, vroeg verzoeker om verlenging van de toekenning van belastingaftrek voor een kind ten laste (dit verzoek bevindt zich niet in het procesdossier).
Op 23 november 1977 deelde het hoofd van de afdeling „Individuele rechten, voorrechten” hem mee, dat de belastingaftrek na 1 januari 1978 zou worden gehandhaafd. Tevens werd hij erop gewezen dat hij wanneer zijn zoon niet meer daadwerkelijk door hem werd onderhouden, daarvan onverwijld schriftelijke mededeling diende te doen.
Ter rechtvaardiging van de toekenning van de belastingaftrek legde verzoeker op 15 november 1978 nog een bewijsstuk over, gedateerd 7 november 1978, waaruit bleek dat zijn zoon voor het collegejaar 1978/1979 (2 oktober 1978—29 september 1979) was ingeschreven aan de universiteit van Luik. Verzoeker bleef dus belastingaftrek genieten totdat hij op 11 juli 1979 aan het directoraat Personeelszaken berichtte dat zijn zoon „was goedgekeurd voor de militaire dienst en had besloten zijn studie te onderbreken om gevolg te geven aan de oproep voor de lichting 1979, zodat hij vanaf de datum van inlijving in het leger niet meer te mijnen laste is”.
De mogelijkheid om ook voor kinderen ouder dan 26 jaar belastingaftrek te genieten, blijkt terug te gaan op circulaire nr. 6/65 van 23 maart 1965 van het directoraat Personeelszaken en algemeen beheer, die „de aandacht van de ambtenaren erop vestigt, dat zij die overeenkomstig het Statuut aanspraak hebben op de kindertoelage voor een kind dat de leeftijdsgrenzen van artikel 2, lid 3, bijlage VII van het Statuut nog niet heeft overschreden, in aanmerking kunnen komen voor de belastingaftrek voor een ten laste komend kind krachtens de bepalingen van de verordening inzake de communautaire belastingheffing (artikel 3, lid 4, tweede alinea). Deze aftrek (gelijk aan twee maal de kindertoelage) wordt toegekend op een met redenen omkleed verzoek van de functionaris, voor een kind dat ouder is dan 25 jaar, dat een school- of beroepsopleiding volgt en door de belanghebbende daadwerkelijk wordt onderhouden”.
Al is deze praktijk niet rechtstreeks in geding, toch moet op het bestaan ervan worden gewezen, aangezien het onderhavige geschil ons inziens grotendeels daarop is terug te voeren.
Ook is het van belang op te merken, dat het afwikkelingsbureau voor het gemeenschappelijk stelsel van ziektekostenverzekering te Brussel op 21 juni 1978 aan verzoeker medische kosten heeft vergoed die betrekking hadden op een behandeling van zijn zoon op 28 januari 1978, toen deze dus al 26 jaar was.
Ook deze praktijk valt te verklaren uit een zekere coulance van de administratie, waardoor de ziektekostenregeling tot zes maanden na het bereiken van de 26-jarige leeftijd van kracht blijft teneinde studerende kinderen van ambtenaren in de gelegenheid te stellen de wachttijd van zes maanden te overbruggen, die nationale verzekeringsstelsels (in elk geval het Belgische) voor studenten kennen.
Op 7 februari 1979 diende verzoeker bij het afwikkelingsbureau te Brussel een verzoek in tot vergoeding van medische kosten ten behoeve van zijn zoon over de periode april tot december 1978.
Op 20 februari 1979 werden de door verzoeker ingezonden rekeningen door het bureau geretourneerd, vergezeld van een formulier met de mededeling dat „de bijgaande rekeningen niet voor vergoeding in aanmerking kunnen komen”. Geen van de hokjes met corresponderende afwijzingsgronden was aangekruist; op het formulier stond enkel een met de hand geschreven opmerking van de ondertekende controleambtenaar, luidende: „Volgens een formulier met persoonlijke gegevens wordt uw zoon ... per 1 januari 1978 niet meer als ten laste komend kind aangemerkt”.
De volgende dag, 21 februari 1979, richtte verzoeker, onder verwijzing naar de gesprekken die hij daags tevoren had gevoerd, een lange nota aan afdeling IX Β 1 (ziektekostenverzekering), met het verzoek de ten behoeve van zijn zoon gemaakte medische kosten onmiddellijk te vergoeden.
Meteen de volgende dag sloot de zoon van verzoeker zich als student voorlopig aan bij de algemene ziektekostenregeling bij het „Office regional d'assurance maladie invalidité te Liège”. In het betrokken tijdvak kende België dus kennelijk geen verlichte ziektekostenverzekering voor studenten.
Op 7 maart 1979 antwoordde het afdelingshoofd en verwees verzoeker nar een dienstnota van 7 augustus 1975. Hij memoreerde dat verzoeker — zo hij dat wilde — verlenging kon vragen van de verzekering van zijn zoon (bij het gemeenschappelijk stelsel van ziektekostenverzekering van de Europese Gemeenschappen) voor een periode van zes maanden volgend op de stopzetting van de kindertoelage, voor zover zijn zoon in dat tijdvak niet onder een ander overheidsstelsel van ziekteverzekering viel.
Op 8 mei 1979 diende verzoeker overeenkomstig artikel 90 van het Statuut een klacht in tegen het „besluit” van het „gemeenschappelijk stelsel van ziektekostenverzekering” van 20 februari 1979. Hij deed dit op het gebruikelijke administratieve formulier, waarop hij enkel het onderwerp van zijn klacht vermeldde en waarbij hij als bijlage kopieën voegde van de nota van 20 januari van het afwikkelingsbureau, van zijn nota van 21 februari aan afdeling IX Β 1 en van de nota van 7 maart 1979 van het afdelingshoofd.
Het schriftelijke besluit van de Commissie van 26 juli 1979, op 27 augustus aan verzoeker medegedeeld door het verantwoordelijke lid van de Commissie, hield de bevestiging in „dat alleen de kinderen beneden de 26 jaar, die ten laste van de aangeslotene komen, uit hoofde van de aangeslotene zijn verzekerd tegen de risico's van ziekte krachtens het gemeenschappelijk stelsel van ziektekostenverzekering”; onder aanvoering van gronden werd vervolgens „de juistheid van het standpunt van het afwikkelingsbureau” bevestigd.
Op 8 oktober 1979 deelde verzoeker het betrokken lid van de Commissie mee, dat hij het niet eens was met de inhoud van het op zijn klacht genomen besluit, en dat hij voornemens was om, zo zijn verzoek niet werd ingewilligd, vóór 28 november 1979 beroep in rechte in te stellen.
Op 12 november 1979 werd zijn klacht, ditmaal door een ander lid van de Commissie, niet ontvankelijk verklaard: de Commissie was niet van zins op haar besluit terug te komen.
Op 23 november 1979 heeft verzoeker het onderhavige beroep ingesteld, waarin hij het Hof verzoekt „voor recht te verklaren dat het besluit van de Commissie van 27 augustus 1979 in strijd is met artikel 3 van de regeling inzake de ziektekostenverzekering van de ambtenaren der Europese Gemeenschappen en artikel 2, lid 2, bijlage VII bij het Statuut”; voorts concludeert hij dat de Commissie worde veroordeeld tot vergoeding van de genoemde medische kosten, te vermeerderen met rente, alsook van de bijdrage aan de ziekenkas waarbij zijn zoon zich wegens de weigering van de Commissie heeft moeten aansluiten.
III —
Bij afzonderlijke akte heeft de Commissie overeenkomstig artikel 91 van het Reglement voor de procesvoering een exceptie opgeworpen, inhoudende dat het Hof het beroep niet-ontvankelijk zal verklaren, zonder tot de mondelinge behandeling over te gaan. In zijn antwoord houdt verzoeker vast aan het gevorderde en vult dit, voor zover dit nodig mocht zijn, nog aan met het verzoek het besluit van het afwikkelingsbureau van 20 februari 1979 en dat van de Commissie nietig te verklaren.
Bij beschikking van 31 januari 1980 heeft het Hof de door de Commissie opgeworpen exceptie met de hoofdzaak gevoegd, waarna de schriftelijke procedure zijn normale loop heeft hervat. Ter mondelinge behandeling, die voornamelijk betrekking had op de ontvankelijkheid, hebben partijen voor wat de hoofdzaak betreft, venvezen naar hun schriftelijke memories.
In de eerste plaats zullen wij ons dus met de exceptie moeten bezighouden.
Het verzoekschrift is op tijd ingediend en de Commissie heeft zich evenmin verscholen achter het feit dat er geen formele klacht is ingediend. Zij werpt echter tegen, dat het verzoekschrift enkel uitdrukkelijk is gericht tegen het afwijzende besluit van 27 augustus 1979, terwijl het met name tegen het „bezwarende besluit” gericht had moeten zijn, dat wil zeggen de nota van het afwikkelingsbureau van 20 februari 1979. Het door verzoeker bestreden afwijzingsbesluit van 27 augustus 1979 was ongetwijfeld een noodzakelijke onstaansvoorwaarde voor het geding, maar zou als zodanig niet vatbaar zijn voor beroep aangezien het slechts een bevestiging vormde van het initiële besluit dat aanleiding was geweest voor de klacht. De Commissie haalt een groot aantal arresten aan ter staving van de niet-ontvankelijkheid van het beroep.
Zij acht zich met name gesteund door het arrest van de Derde kamer van 28 mei 1980 (Kuhner, nog niet gepubliceerd); in rechtsoverweging 9 daarvan wordt opgemerkt dat „ieder — uitdrukkelijk of stilzwijgend genomen — besluit tot afwijzing zonder meer, enkel een bevestiging vormt van de handeling of het stilzitten waarover de betrokkene zich beklaagt en op zichzelf genomen geen voor bestrijding vatbare handeling vormt.
Eerst wanneer dat besluit geheel of ten dele gevolg geeft aan de klacht van de betrokkene, zal het in voorkomend geval op zichzelf een voor beroep vatbare handeling vormen”.
Naar aanleiding van deze overweging, die niet meer dan een obiter dictum is, veroorloof ik mij op te merken, niet goed te kunnen zien hoe een stilzwijgend besluit meer zou kunnen zijn dan een afwijzend besluit zonder meer, noch hoe een besluit dat geheel geen gevolg geeft aan een klacht, op zichzelf een voor beroep vatbare handeling zou kunnen zijn.
De door de Commissie aangehaalde jurisprudentie zou alleen relevant zijn wanneer op het tijdstip waarop de Commissie haar antwoord van 12 november 1979 formuleerde, de klacht van 8 mei moest worden geacht stilzwijgend te zijn afgewezen. In werkelijkheid was deze klacht echter op 27 augustus uitdrukkelijk afgewezen en het is deze afwijzing waartegen het beroep is gericht. Bovendien is het besluit van 27 augustus niet zonder meer afwijzend, want in tegenstelling tot de nota van het afwikkelingsbureau is het uitvoerig gemotiveerd en als het besluit alleen maar als bevestiging van deze nota zou moeten worden gezien, vraagt men zich af waarom de Commissie op 12 november 1979 nog eens de moeite heeft genomen om het besluit aan verzoeker te bevestigen.
De Commissie heeft goed begrepen dat het Hof niet overspoeld wenst te worden met ambtenarenzaken, maar de admini-stratieve-klachtprocedure van artikel 90 is tamelijk ingewikkeld en de sanctie van niet-ontvankelijkheid van het beroep in rechte die artikel 91 op het niet volgen van deze precontentieuze procedure stelt, is formalistisch genoeg om niet nog eens extra rigoreus te hoeven zijn, hetgeen uiteindelijk alleen maar tot een vertraagde regeling van ambtenarengeschillen zou leiden. De stelling dat een uitdrukkelijk antwoord dat zich slechts tot een bevestiging van het bezwarende besluit beperkt, een zuiver formele voorwaarde is en alleen bedoeld de ambtenaren aan bepaalde termijnen te binden, op het gevaar af in het doolhof van de termijnen van artikel 91 te verdwalen, moet wel met de grootste terughoudendheid worden bejegend. Bovendien moet het bezwarende besluit, om onaantastbaar te zijn, het karakter van een beslissing dragen.
Welnu, anders dan artikel 28 van de gemeenschappelijke regeling voor de verzekering van de ambtenaren tegen ongevallen en beroepsziekten, voorziet de ziektekostenregeling er niet in, dat ambtenaren — na indiening van een klacht bij het tot aanstelling bevoegde gezag — van „besluiten” genomen krachtens laatstgenoemde regeling, in beroep kunnen komen bij het Hof van Justitie op de voorwaarden van artikel 91 van het Statuut. Artikel 16, lid 1, van deze regeling zegt alleen dat „iedere in deze regeling bedoelde persoon de verzoeken en klachten (kan) indienen en het beroep instellen waarin is voorzien bij de artikelen 90 en 91 van het Statuut”.
Derhalve kunnen de hiertoe in het leven geroepen beheersorganen strikt genomen enkel voorbereidingsbesluiten nemen; hiertegen kan men stellig een klacht indienen, maar vervolgens dienen zij het onderwerp te vormen van een besluit van het tot aanstelling bevoegde gezag.
Het is zeer twijfelachtig of de nota van het afwikkelingsbureau inderdaad dit beslissend karakter draagt, zowel gelet op de inhoud als op de bevoegdheid van de ondertekenaar.
Wat de inhoud betreft, heeft het Hof aan een eenvoudige boekhoudkundige afrekening, waarbij iedere toelichting ontbrak, de hoedanigheid van „bezwarend besluit” ontzegd (arrest van 27 juli 1973, zaak 71/72, Kuhl, Jurispr. 1973, blz. 705; arrest van 15 juli 1970, gevoegde zaken 60, 61 en 62/69, Chuff art, Jurispr. 1970, blz. 641) en ik onderschrijf geheel de opmerkingen van advocaat-generaal Gand in zijn conclusie bij laatstgenoemd arrest (Jurispr. blz. 656).
Wat de bevoegdheid betreft, bepaalt artikel 6 van het besluit van de Commissie van 5 oktober 1977 omtrent de uitoefening van krachtens het Statuut op het tot aanstelling bevoegde gezag overgegane bevoegdheden, dat alle besluiten inzake ziektekostenverzekering (dat wil zeggen besluiten houdende uitlegging of toepassing van artikel 72 en de daarop gebaseerde regeling), genomen ten aanzien van ambtenaren van de categorieën A, B, C en D en de groep LA, behoren tot de bevoegdheid van de afdelingshoofden of de hoofden van bijzondere diensten van het directoraat-generaal Personeelszaken en algemeen beheer „onder voorbehoud van de bevoegdheden die de regeling aan de afwikkelingsbureaus toekent”.
Volgens artikel 20, lid 3, van deze gemeenschappelijke regeling heeft elk afwikkelingsbureau onder meer tot taak:
„a)
de aanvragen om vergoeding van kosten, ingediend door de aangeslotenen die bij het bureau zijn ingeschreven, in ontvangst te nemen en af te wikkelen en de desbetreffende betalingen te verrichten”.
Ik wil graag toegeven dat de bevoegdheid van de controleambtenaren om aanvragen om vergoeding „in ontvangst te nemen en af te wikkelen”, ook de bevoegdheid meebrengt de ontvangst te weigeren of een aanvraag niet af te wikkelen om een van de redenen vermeld op het standaardformulier. Maar zodra zo'n weigering een principiële kwestie aan de orde stelt, gaat de beslissing en motivering daarvan de bevoegdheden van deze ambtenaar te boven en komt toe aan het afdelingshoofd. Zonder enig artikel van het Statuut of gemeenschappelijke regeling te noemen, verwijst het formulier van het afwikkelingsbureau zonder meer naar het „formulier met persoonlijke gegevens”; dit formulier dat zelfs niet in het dossier zit, zou eigenlijk het echte „bezwarende besluit” zijn dat verzoeker had moeten bestrijden.
Maar stellen dat de weigering een aanvraag om vergoeding van medische kosten ten behoeve van een ten laste komend kind dat ouder dan 26 jaar is, af te wikkelen, een gewoon routinebesluit is, is een vraag met een wedervraag beantwoorden. Het gaat er immers juist om te weten, of buiten ernstige ziekte of gebrek, de 26-jarige leeftijd de uiterste grens is voor de aanspraak op vergoeding van ziektekosten voor een ten laste komend kind.
Ten slotte dient krachtens artikel 16, lid 2, en artikel 18, sub e en f, van de Regeling het beheerscomité te worden geraadpleegd, alvorens het tot aanstelling bevoegde gezag een besluit kan nemen over een op grond van artikel 90, lid 2, van het Statuut ingediende klacht. De Commissie verklaart dat het beheerscomité wel gehoord is op 16 maart 1975 en dat het van mening was dat de bestreden bepaling in die zin moest worden geïnterpreteerd, dat kinderen ouder dan 26 jaar niet meer verzekerd zijn tegen ziektekosten uit hoofde van de ambtenaar, zelfs niet als hij hen daadwerkelijk onderhoudt. Het door de Commissie in het geding gebrachte advies is echter slechts de verwijsbrief van de voorzitter van dit comité, waarin deze juist de tweeslachtigheid van artikel 3, lid 2, van de gemeenschappelijke regeling betreurt. In elk geval kan een advies uit 1975 natuurlijk niet een raadpleging ad boe vervangen: deze dient plaats te vinden na het bezwarende besluit en vóór het besluit van het tot aanstelling bevoegde gezag ter beantwoording van de klacht.
Ik voeg hieraan nog toe, dat het „bezwarende besluit” van 22 februari 1979 wezenlijk werd gewijzigd door de nota van 7 maart 1979, ondertekend door het afdelingshoofd, die de aandacht van verzoeker erop vestigde dat hij, zo hij dit wenste, „verlenging kon vragen van de verzekering van zijn zoon voor een periode van zes maanden volgend op de stopzetting van de kindertoelage, voor zover zijn zoon in dat tijdvak niet onder een ander overheidsstelsel van ziektekostenverzekering viel.”
Resumerend kan mijns inziens de nota van het afwikkelingsbureau van 20 februari 1979 niet worden losgemaakt van het afwijzingsbesluit van 27 augustus 1979. Het is duidelijk dat het geschil tussen verzoeker en de administratie verder reikt dan het besluit van 27 augustus 1979 en ook betrekking heeft op de wettigheid van die nota, zodat men zonder al te veel moeite het verzoekschrift aldus kan opvatten, dat het noodzakelijkerwijs ook is gericht tegen deze nota, waarvan de inhoud door het besluit is overgenomen. Trouwens, was het verzoekschrift uitsluitend tegen deze nota gericht, dan zou het in de opvatting van de Commissie wel ontvankelijk zijn geweest, maar had de gegrondheid ervan alleen beoordeeld kunnen worden aan de hand van het besluit van 27 augustus 1979, dat de weigeringsgronden bevat.
IV —
Ik moge er nog eens aan herinneren, dat ten tijde van de feiten artikel 3 van de gemeenschappelijke regeling luidde als volgt:
„Uit hoofde van de aangeslotene zijn verzekerd :
...
2)
de kinderen die ten laste van de aangeslotene komen, overeenkomstig artikel 2, lid 2, van bijlage VII van het Statuut”.
Die bepaling stelt als enige voorwaarde om een kind als ten laste komend aan te merken, dat het daadwerkelijk door de ambtenaar wordt onderhouden. Over de leeftijd van het kind wordt pas in de leden 3 en 5 gesproken. Alleen de tekst die vóór 1 januari 1974 gold, alsook de thans geldende, die terugwerkt tot 1 juli 1979, verwijzen naar artikel 2 in zijn geheel, hetgeen impliceert dat het kind slechts verzekerd is uit hoofde van de aangeslotene zolang het recht op de kindertoelage bestaat.
Het is juist dat de directeur-generaal Personeelszaken en algemeen beheer in een dienstnota van augustus 1975 de aandacht van de aangeslotenen heeft gevestigd op het feit dat artikel 3, lid 2, „toegepast wordt overeenkomstig artikel 2, lid 2, bijlage VII van het Statuut en volgens de voorwaarden, gesteld in de leden 3 en 5 van hetzelfde artikel”.
Hierbij gaat het echter om een uitlegging, die eenzijdig in de vorm van een circulaire is gegeven. Gelet op de praktijk van de administratie inzake de belastingaftrek enerzijds en de handhaving van de ziektekostenverzekering gedurende zes maanden na het bereiken van de 26-jarige leeftijd anderzijds, was het verre van duidelijk dat er twee verschillende leeftijdsgrenzen konden bestaan om een kind als ten laste komend aan te merken: de leeftijd waarop voor het kind geen recht meer bestaat op gezinstoelagen (kindertoelage en schooltoelage), en die waarop voor het kind geen recht meer bestaat op belastingaftrek (gelijk aan twee maal de schooltoelage) en op vergoeding van de ziektekosten.
Deze onduidelijkheid werd nog vergroot doordat volgens de door de Commissie overgelegde nota omtrent de overname van de medische verzorging van kinderen ten laste van de aangeslotenen door de nationale sociale zekerheidsstelsels, „er geen uniforme praktijk bestaat noch ten aanzien van het begrip ten laste komend kind (onbekend in de stelsels die de gehele bevolking omvatten), noch ten aanzien van de koppeling van de ziekteverzekering aan he: recht op gezinstoelagen, en zelfs niet ten aanzien van de leeftijdsgrens in geval van studie”.
Het is daarom voor de Gemeenschappen van belang tot een uniforme oplossing te komen. Ik meen dat het uit een oogpunt van helderheid en doorzichtigheid aanbeveling verdient, het recht op vergoeding van ziektekosten op dezelfde wijze in te richten als het recht op belastingaftrek, aangezien beide als grondslag hebben het daadwerkelijk onderhouden-van het kind door de ambtenaar omdat het niet in zijn eigen behoeften kan voorzien: ofwel eindigen deze voordelen op zijn laatst met 26 jaar, ofwel moeten zij gehandhaafd blijven boven de grens zolang het kind nog daadwerkelijk ten laste van zijn ouders komt.
Ik meen echter dat het meer in de geest van het Statuut is om — buiten ernstige ziekte of gebrek — de 26-jarige leeftijd als uiterste grens voor de ziektekostenverzekering te beschouwen. Deze interpretatie is in elk geval in overeenstemming met de huidige redactie van de in geding zijnde bepalingen.
V —
Als het Hof mij zou volgen ten aanzien van de ongegrondheid van de primaire vordering, dan meen ik dat de vordering tot vergoeding van de medische kosten bij wege van schadeloosstelling hetzelfde lot treft, omdat de weigering van de vergoeding het gevolg is van het ontbreken van een recht krachtens de ziektekostenverzekering.
Wat de vordering tot vergoeding van de bijdrage aan de ziekenkas betreft, voert de Commissie aan dat deze voor het eerst in het verzoekschrift is opgenomen en niet is voorafgegaan door een klacht in de zin van artikel 90, lid 1, en dat zij derhalve evenmin ontvankelijk is op grond van artikel 91, lid 2.
Om deze vordering ontvankelijk te verklaren, zou ik kunnen volstaan met eenvoudig de volgende overweging aan te halen uit het arrest van 9 maart 1978 (zaak 54/77, Herpels, Jurispr. 1978, blz. 585):
„dat het bovendien van belang is dat het Hof over de gegrondheid van zodanige vorderingen uitspraak kan doen ... dat verzoeker derhalve in zijn vordering tot schadevergoeding dient te worden ontvangen”.
Ik meen echter dat deze vordering in elk geval ongegrond is, omdat de verzekering ten behoeve van de zoon van verzoeker tot tenminste 28 januari 1978 van kracht was en het aan laatstgenoemde stond om van de hem op 7 maart geboden mogelijkheid tot handhaving van de verzekering al dan niet gebruik te maken.
Ik concludeer het beroep ontvankelijk, maar ongegrond te verklaren, de Commissie te verwijzen in de kosten van de exceptie van niet-ontvankelijkheid en, wat het meerdere betreft, elke partij haar eigen kosten te laten dragen.
( 1 ) Vertaald uit het Frans.
Full & Egal Universal Law Academy