CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL J.-P. WARNER
VAN 10 JUNI 1980 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
De onderhavige zaak betreft een verzoek om een prejudiciële beslissing, afkomstig van het Sozialgericht Augsburg. Verzoekers in het hoofdgeding zijn de vijf kinderen van Francesco Gravina, een Italiaanse werknemer die op 6 juli 1973 in de Bondsrepubliek Duitsland overleed. Verweerder is de Landesversicherungsanstalt Schwaben (verder te noemen „LVA Schwaben”). Verzoekers vorderen in dit geding betaling van een wezenpensioen vanaf eind juni 1974.
Deze zaak doet een aantal vragen rijzen met betrekking tot de uitlegging en de strekking van artikel 78 van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad.
Lid 1 van dat artikel noemt de bijslagen waarop het van toepassing is. Hieronder vallen ook de hier in geding zijnde wezenpensioenen. Het tweede lid, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 2864/72 van de Raad, luidt als volgt:
„Ongeacht op het grondgebied van welke Lid-Staat de wees of de natuurlijke persoon of rechtspersoon te wiens laste deze wees in feite komt, woont, worden de bijslagen voor wezen toegekend volgens onderstaande regels:
a)
voor de wees van een overleden werknemer die aan de wettelijke regeling van één enkele Lid-Staat onderworpen was, overeenkomstig de wettelijke regeling van die Staat;
b)
voor de wees van een overleden werknemer die aan wettelijke regelingen van meer dan één Lid-Staat onderworpen was;
i)
overeenkomstig de wettelijke regeling van die van deze Staten, op het grondgebied waarvan de wees woont, indien het recht op één van de in lid 1 bedoelde bijslagen aldaar wordt ontleend aan de wettelijke regeling van die Staat, eventueel met inachtneming van artikel 79, lid 1, sub a), of
ii)
in de overige gevallen, overeenkomstig de wettelijke regeling van die van deze Lid-Staten waaraan de overleden werknemer het langst onderworpen is geweest, indien het recht op een van de in lid 1 bedoelde bijslagen wordt ontleend aan de wettelijke regelingen van die Lid-Staat, eventueel met inachtneming van artikel 79, lid 1, sub a); indien aan genoemde wettelijke regeling geen enkel recht wordt ontleend, wordt het recht op bijslagen achtereenvolgens aan de in de wettelijke regelingen van de overige betrokken Lid-Staten gestelde voorwaarden getoetst en wel in afdalende volgorde naar de duur van de krachtens de wettelijke regelingen van deze Lid-Staten vervulde tijdvakken van verzekering of wonen.”
Lid 2 eindigt met een zin die van toepassing is in gevallen dat de overleden werknemer bij zijn overlijden zelf pensioengerechtigd was. Die zin doet met betrekking tot de feiten van de onderhavige zaak niet ter zake, doch verzoekers hebben een van hun middelen eraan ontleend.
Voor zover hier van belang, bepaalt artikel 79, lid 1, kort samengevat, dat bijslagen in de zin van artikel 78 volgens de overeenkomstig dat artikel bepaalde wettelijke regeling worden verleend door en voor rekening van het met de uitvoering van die wettelijke regeling belaste orgaan, en dat wanneer volgens deze wettelijke regeling het verkrijgen van het recht op bijslagen of het bedrag ervan afhankelijk is van de duur van de tijdvakken van verzekering, de door de werknemer in alle Lid-Staten vervulde tijdvakken moeten worden samengeteld.
Artikel 79, lid 3, doet niet rechtstreeks ter zake, maar de inhbud ervan is van belang voor sommige van de aangevoerde middelen. Het bepaalt dat de aanspraak op bijslagen krachtens artikel 78 wordt geschorst, „indien voor de kinderen krachtens de wettelijke regeling van een Lid-Staat op grond van verrichte beroepswerkzaamheden recht op gezins- of kinderbijslagen bestaat.”
Artikel 92 van verordening (EEG) nr. 574/72 van de Raad tot vaststelling van de wijze van toepassing van verordening nr. 1408/71, bepaalt, voor zover hier van belang:
„Een ieder aan wie krachtens... artikel 78 van de verordening bijslagen worden betaald..., is verplicht het orgaan dat deze bijslagen verschuldigd is in kennis te stellen:
—
van iedere verandering in de omstandigheden van de... wezen waardoor het recht op bijslagen kan worden gewijzigd;
—
van iedere wijziging in het aantal... wezen waarvoor bijslagen verschuldigd zijn;
—
van iedere overbrenging van de woonplaats van de... wezen;
—
van iedere uitoefening van beroepswerkzaamheden waardoor voor deze... wezen een recht op gezins- of kinderbijslag ingaat.”
De feiten van de onderhavige zaak zijn de volgende.
De overleden verzekerde, Francesco Gravina, werkte van oktober 1951 tot januari 1961 in Italië. Daarmee vervulde hij 180 premieweken, ofwel 42 premiemaanden, voor het Italiaanse stelsel van pensioenverzekering.
Van oktober 1961 tot zijn overlijden op 6 juli 1973 werkte hij in de Bondsrepubliek Duitsland en vervulde daarmee 141 premiemaanden voor de Duitse pensioenverzekering. Op 22 maart 1974 kende de Landesversicherungsanstalt (LVA) Baden een weduwenen wezenpensioen toe aan zijn weduwe, respectievelijk aan verzoekers. Ofschoon de verwijzingsbeschikking dit niet vermeldt, is tussen partijen niet betwist dat die pensioenen enkel op grond van Gravina's Duitse verzekeringstijdvakken waren berekend, omdat de LVA Baden niet op de hoogte was gesteld van zijn in Italië vervulde verzekeringstijdvakken. De LVA Schwaben erkent dat de Italiaanse verzekeringstijdvakken krachtens artikel 79, lid 1, van verordening nr. 1408/71 in aanmerking hadden moeten worden genomen en dat de pensioenen dan hoger zouden zijn geweest.
In mei 1974 keerde de weduwe met verzoekers naar Italië terug. De LVA Baden staakte toen vanaf eind juni 1974 de betaling van de pensioenen en droeg het dossier over aan de LVA Schwaben als bevoegd verbindingsorgaan. De LVA Schwaben bleef het weduwenpensioen betalen, doch weigerde betaling van het wezenpensioen, op grond dat de wezen, waar Gravina zowel in Italië als in Duitsland verzekeringstijdvakken had vervuld en de wezen nu in Italië woonden, krachtens artikel 78, lid 2, sub b-i, van verordening nr. 1408/71 recht hadden op betaling van het wezenpensioen door het bevoegde Italiaanse orgaan en niet door een Duits orgaan.
Het schijnt dat er tussen de Duitse en de Italiaanse instanties al enige jaren een verschil van mening bestaat over de juiste uitlegging van artikel 78 in een situatie als zich in casu voordoet. De Duitse instanties menen dat, wanneer een wees in een ander land gaat wonen, zijn rechten opnieuw moeten worden vastgesteld en dat dan eventueel een ander orgaan bevoegd kan worden ten aanzien van het pensioen. De Italiaanse instanties daarentegen zijn van mening dat wanneer eenmaal het orgaan dat het wezenpensioen verschuldigd is, na de dood van de vader overeenkomstig artikel 78 is vastgesteld, dat orgaan bevoegd blijft ongeacht de latere verandering van woonplaats van de wees. Uit de opmerkingen van verzoekers blijkt dat zij als gevolg van dit meningsverschil meer dan vier jaar lang geen wezenpensioen hebben ontvangen. In november 1978 zwichtte het bevoegde Italiaanse orgaan, de INPS, en kende hun met ingang van augustus 1973 (de maand na de dood van de vader) voorlopige pensioenen toe, dat wil zeggen totdat definitief zou zijn vastgesteld welk orgaan de pensioenen verschuldigd was.
Gravina is in Italië niet lang genoeg verzekerd geweest om daar uitsluitend krachtens de betrokken Italiaanse wettelijke regeling recht op wezenpensioen voor zijn kinderen te krijgen. De INPS kende hun de (voorlopige) pensioenen toe op grond van artikel 79, lid 1, van verordening nr. 1408/71.
In Duitsland is hun situatie anders. Daar had Gravina gedurende de voorschreven minimum periode van 60 maanden gewerkt. Bovendien, zo stelt het Sozialgericht in zijn verwijzingsbeschikking vast, onder verwijzing naar § 1315, lid 2, van de Reichsversicherungsordnung, vervallen naar Duits recht de rechten van verzoekers op Duits pensioen in dit geval niet wegens hun verhuizing naar Italië. Dit werd ons ter terechtzitting bevestigd door de LVA Schwaben. De reden daarvan is, neem ik aan, dat het hun moeder was die besloot naar Italië te verhuizen, en dat het niet hun eigen beslissing was. De LVA Schwaben deelde ons ook mee dat verzoekers naar Duits recht hun pensioenrechten zouden verliezen bij het bereiken van de meerderjarigheid, en dat dit bij sommigen van hen reeds het geval was. Ik zie geen grond aan de juistheid hiervan te twijfelen.
Tenslotte schijnt het zo te zijn dat verzoekers, zolang zij minderjarig waren en in Duitsland bleven wonen, recht hadden op een pensioen dat uit twee gedeelten bestond: een gedeelte uitsluitend krachtens de Duitse wettelijke regeling — dat zij trouwens ook zouden krijgen als zij naar Italië verhuisden —, en een aanvullend gedeelte waarop zij recht hadden op grond van het gemeenschapsrecht, ingevolge de gelijkstelling van de door hun vader in Italië vervulde verzekeringstijdvakken.
De pensioenen waarop verzoekers in Duitsland recht hadden, waren hoger dan die welke hun (voorlopig) door de INPS werden toegekend, dit omdat deze laatste waren berekend op grond van Gravina's laatstverdiende loon in Italië; onder andere omstandigheden zou het Italiaanse pensioen hoger zijn. Ter terechtzitting heeft het Hof vragen gesteld over de bedragen van het Duitse en het Italiaanse pensioen waarop verzoekers recht hadden. De antwoorden waren weinig duidelijk. Er bleek enkel uit hoeveel de LVA Baden had betaald (dat wil zeggen op hoeveel verzoekers recht hadden krachtens Duits recht alleen), en hoeveel de INPS de weduwe in totaal voor haarzelf en voor haar kinderen had betaald. Ik geloof echter niet dat de concrete cijfers van belang zijn voor de oplossing van het onderhavige probleem.
De door het Sozialgericht Augsburg aan het Hof voorgelegde vragen luiden als volgt:
1.
Wanneer wezen naar een andere Lid-Staat verhuizen, heeft dan artikel 78, lid 2, van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 tot gevolg dat de in een Lid-Staat reeds definitief vastgestelde bijslagen in de zin van artikel 78, lid 1, van de verordening door het bevoegde orgaan van deze Lid-Staat kunnen worden ingetrokken, indien het orgaan van de andere Lid-Staat bevoegd zou zijn geweest wanneer deze bijslagen volgens artikel 78, lid 2, van de verordening thans voor het eerst zouden worden vastgesteld?
2)
Is de intrekking eventueel ook dan gerechtvaardigd, wanneer slechts naar nationaal recht aanspraak bestaat op de bijslagen bedoeld in artikel 78, lid 1, van verordening nr. 1408/71?”
Ik zou willen voorstellen eerst de tweede vraag te behandelen.
Het is vaste rechtspraak dat de Raad aan artikel 51 van het Verdrag niet de bevoegdheid ontleent regelingen vast te stellen waardoor iemand aanspraken verliest die hij, los van het gemeenschapsrecht, krachtens het recht van een Lid-Staat bezit. Naar het belangrijkste arrest van de reeks waarin dit beginsel is ontwikkeld (zaak 24/75, Petroni, Jurispr. 1975, blz. 1149), zal ik het aanduiden als het „beginsel-Petroni”. Uit de prejudiciële beschikking blijkt dat het Sozialgericht bij zijn tweede vraag eerst en vooral dit beginsel voor ogen heeft gehad.
In zaak 733/79 (Laterza), waarin ik op 27 maart 1980 voor de Eerste kamer conclusie heb genomen, heb ik betoogd dat indien Laterza uitsluitend krachtens Belgisch recht aanspraak had op Belgische kinderbijslag, artikel 77, lid 2 sub b-i, van verordening nr. 1408/71 hem dit recht niet kon ontnemen. Indien dit zoals ik nog steeds meen, juist is, dan moet hetzelfde mutatis mutandis voor artikel 78, lid 2, sub b-i, gelden: het gaat immers om parallelle bepalingen, waarvan de ene de kinderbijslag betreft en de andere het wezenpensioen.
De LVA Schwaben en de Commissie verwijzen naar zaak 19/76 (Triches, Jurispr. 1976, blz. 1243). Daarin ging het er echter juist uitdrukkelijk om, dat Triches krachtens uitsluitend Belgisch recht geen aanspraak had op Belgische kinderbijslag (zie r.o. 15 van het arrest). Het Hof vond het in die zaak van belang om nogmaals te verklaren dat „de door de Raad overeenkomstig artikel 51 genomen maatregelen niet tot gevolg mogen hebben dat een migrerende werknemer wordt beroofd van een recht, verkregen krachtens de enkele wetgeving van de Lid-Staat waar hij heeft gewerkt” (r.o. 18).
Benadert men de tweede vraag, evenals ik, op deze wijze, dan lijkt het mij niet nodig in te gaan op de tweede reden waarom het Sozialgericht ze heeft gesteld, namelijk dat er bij een tegengestelde opvatting twijfel zou kunnen ontstaan aan de verenigbaarheid van artikel 78 met de Duitse grondwet, in die zin dat het artikel dan inbreuk zou kunnen maken op een door artikel 14 van de grondwet gegarandeerd eigendomsrecht. In elk geval zou ik mij ten aanzien van dit punt willen beperken tot het betuigen van instemming met de opmerkingen van advocaat-generaal Reischl in zijn conclusie van 27 maart 1980 in de gevoegde zaken 41, 121 en 796/79 (Testa e.a.).
Voor het geval men echter zou denken dat ik het niet eens ben met wat advocaat-generaal Reischl daar heeft gezegd over de toepassing van het beginsel-Petroni, wil ik uitdrukkelijk verklaren dat dit niet het geval is. Advocaat-gene- raal Reischl heeft daar de toepassing van dat beginsel besproken in verband met artikel 69 van verordening nr. 1408/71, dat betrekking heeft op de handhaving van het recht op werkloosheidsuitkering van een persoon die werk gaat zoeken in een andere Lid-Staat dan die waarin hij recht heeft op zulk een uitkering. Zoals advocaat-generaal Reischl betoogde, vormt artikel 69 een uitzondering op de algemene regel dat er slechts recht op werkloosheidsuitkering bestaat indien de betrokkene ter beschikking blijft voor werk in het land waar hij aanspraak op uitkering heeft. Voorts wees hij erop dat artikel 69 juncto de Duitse wettelijke regeling die in casu in geding was, de betrokkene een keuzemogelijkheid bood. Hij kon in Duitsland ofwel de uitkeringen verlangen waarop hij krachtens artikel 69 recht had, ofwel de uitkeringen waarop hij uitsluitend krachtens Duits recht recht had, maar hij kon geen aanspraak maken op beide uitkeringen. Er is een zekere analogie met de zaken betreffende nationale anti-cumulatiebepalingen (bijvoorbeeld zaak 98/77, Schaap, Jurispr. 1978, blz. 707, en zaak 105/77, Boerboom-Kersjes, Jurispr. 1978, blz. 717), waarin het Hof overwoog dat, wanneer een werknemer in een Lid-Staat zowel recht heeft op een uitkering krachtens de wettelijke regeling van die staat, de relevante anti-cumulatiebepalingen daaronder begrepen, als op een uitkering krachtens verordening nr. 1408/71, de hoogste van die uitkeringen moet worden toegekend.
In de onderhavige zaak is geen sprake van een dergelijke keuze of alternatief. In de gevoegde zaken-Testa e.a. bestond die keuze alleen in Duitsland. In gevallen zoals de zaken Schaap en Boerboom-Kersjes bestaat het alternatief alleen in de Lid-Staat waarvan de wettelijke regeling anti-cumulatiebepalingen bevat. Indien men hier zou zeggen dat verzoekers hetzij uitkeringen konden vorderen krachtens Duits recht alleen, hetzij krachtens artikel 78, dan zou dit apert in strijd zijn met de rechtspraak van het Hof, waarvan de zaak-Petroni zelf een voorbeeld is en waarin is uitgemaakt dat een werknemer in de ene Lid-Staat krachtens het recht van die staat alleen rechten kan doen gelden, terwijl hij dat in een andere Lid-Staat kan doen krachtens gemeenschapsrecht.
In dit verband lijkt het mij nodig even in te gaan op de conclusie van advocaat-generaal Capotorti en het arrest van de Tweede Kamer van 22 mei 1980 in zaak 143/79 (Walsh). Die zaak had betrekking op uitkeringen bij moederschap en in het bijzonder op de uitlegging van artikel 8 van verordening nr. 574/72 en de geldigheid van dat artikel in het licht van de juiste uitlegging ervan. Artikel 8 is van toepassing wanneer een vrouw recht heeft „op prestaties bij moederschap krachtens de wettelijke regelingen van meer dan een Lid-Staat.” Advocaat-generaal Capotorti schijnt te hebben verdedigd dat artikel 8 de aanspraken waarop een vrouw krachtens het recht van een enkele Lid-Staat recht heeft, kan beperken, doch dat het niettemin verenigbaar is met artikel 51 van het Verdrag. Leest men het arrest van de Tweede Kamer vluchtig, dan zou men kunnen concluderen dat deze die opvatting heeft overgenomen. Begrijp ik het goed, dan ging het arrest in werkelijkheid ervan uit dat artikel 8 — juist uitgelegd — met zijn verwijzing naar „de wettelijke regelingen van meer dan een Lid-Staat” doelt op de wettelijke regeling van elk van die staten te zamen met de relevante gemeenschapsbepalingen, en dat mevrouw Walsh in feite uitsluitend krachtens nationaal recht in geen van de betrokken Lid-Staten (Ierland en het Verenigd Koninkrijk) recht had op moederschapsuitkeringen. Zo gezien is dit arrest uiteraard niet in tegenspraak met de eerdere rechtspraak van het Hof (zoals in de zaak-Petroni en in de zaken 50/75, Massonet, Jurispr. 1975, blz. 1473; 62/76, Strehl, Jurispr. 1977, blz. 211; en 112/76, Manzoni, Jurispr. 1977, blz. 1647), volgens welke artikel 51 van het Verdrag de Raad niet toestaat wettelijke regelingen vast te stellen, waardoor cumulatie van uitkeringen wordt voorkomen door middel van een verlaging van het bedrag van een uitkering waarop iemand recht heeft krachtens de nationale wettelijke regeling van een enkele Lid-Staat.
Ik zou derhalve in het onderhavige geval de tweede vraag van het Sozialgericht ontkennend willen beantwoorden.
Vervolgens kom ik tot de eerste vraag die, zo het beginsel-Petroni van toepassing is op dat gedeelde van de Duitse pensioenen van verzoekers, waarop zij enkel krachtens Duits recht aanspraak hebben, alleen relevant kan zijn voor dat gedeelte ervan waarop verzoekers, in elk geval zolang zij in Duitsland woonden, recht hadden krachtens gemeenschapsrecht, ingevolge de door hun vader in Italië vervulde verzekeringstijdyakken.'s Hofs antwoord op die vraag dient een eind te maken aan het meningsverschil tussen de Duitse en Italiaanse instanties over de uitlegging van artikel 78.
Ik ben tot de conclusie gekomen dat wat deze vraag betreft, de Duitse instanties, die de Commissie aan hun zijde vinden, gelijk hebben. In de eerste plaats lijkt het mij onwaarschijnlijk dat de Raad een verandering van woonplaats onder alle omstandigheden onbelangrijk zou vinden, aangezien het niveau van de so-ciale-zekerheidsuitkeringen in elke Lid-Staat tot op zekere hoogte aan de omstandigheden in de Staat is aangepast, inzonderheid aan de kosten van levensonderhoud en de beschikbaarheid van andere sociale diensten aldaar. In de tweede plaats, en dit is van meer belang, valt het mij op dat, met uitzondering van „iedere overbrenging van de woonplaats van de wezen”, alle wijzigingen die krachtens artikel 92 van verordening nr. 574/72 ter kennis van het bevoegde orgaan moeten worden gebracht, duidelijk van dien aard zijn, dat zij het recht op uitkeringen kunnen beïnvloeden. Het lijkt mij onwaarschijnlijk dat de Raad „iedere overbrenging van de woonplaats van de wezen” enkel tussen „iedere wijziging in het aantal wezen waarvoor bijslagen verschuldigd zijn” en „iedere uitoefening van beroepswerkzaamheden enz.” wat van belang zou zijn krachtens artikel 79, lid 3, heeft geplaatst, omdat, zoals verzoekers suggereerden, het bevoegde orgaan het adres moet kennen waarnaar het de betalingen moet zenden.
Ook de andere argumenten die verzoekers en de Italiaanse regering ter ondersteuning van hun afwijkende opvatting hebben aangedragen, kunnen mij niet overtuigen.
Zowel verzoekers als de Italiaanse regering baseren zich op een verklaring in de notulen van de Raad met betrekking tot artikel 78, lid 2, sub b-ii, van verordening nr. 1408/771. Die verklaring, gepubliceerd op blz. 195 van het door de Commissie uitgegeven „Praktisch vademecum voor de sociale zekerheid van werknemers en hun gezinsleden die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen”, luidt als volgt:
„Het is de bedoeling dat de wettelijke regeling waaraan de wees rechten kan ontlenen eens en voor al wordt vastgesteld en dat er bij de beëindiging van het recht op bijslagen krachtens die wettelijke regeling geen mogelijkheid bestaat om terug te vallen op enige andere wettelijke regeling op grond waarvan verlening van bijslagen eventueel nog mogelijk zou zijn.”
Een dergelijke verklaring heeft uiteraard geen rechtskracht, doch zoals ik reeds zei in mijn conclusie in zaak-Laterza, ik geloof niet dat wij ze volkomen moeten negeren.
Volgens verzoekers en de Italiaanse regering betekent deze verklaring dat wanneer de wettelijke regeling krachtens welke een wees op grond van artikel 78, lid 2, sub b-ii, uitkeringen ontvangt, eenmaal is bepaald, zij ook bij een latere verandering van woonplaats van toepassing blijft. Huns inziens zou deze regel naar analogie moeten worden toegepast op een geval dat onder artikel 78, lid 2, sub b-i, valt.
Ik geloof niet dat dit juist is. Zoals bekend, is artikel 78, lid 2, sub b-ii, van toepassing wanneer de overleden werknemer was onderworpen aan de wettelijke regeling van meer dan een Lid-Staat en de wees in een Lid-Staat woont waarvan de wettelijke regeling hem (ook bij samentelling van verzekeringstijdvakken) geen uitkering toekent. In een dergelijk geval is, kort samengevat, volgens artikel 78, lid 2, sub b-ii, voor toekenning van uitkeringen aan de wees die wettelijke regeling van toepassing, waaraan de overleden werknemer het langst onderworpen was en krachtens welke (zo nodig via samentelling van tijdvakken) de wees een uitkering wordt toegekend. Wat de verklaring in de notulen van de Raad duidelijk wil maken, is mijns inziens dat, wanneer in zulk geval de aanspraak van de wees op uitkeringen krachtens die wettelijke regeling eenmaal is vervallen, hij geen beroep kan doen op de wettelijke regeling van een andere Lid-Staat, waaraan zijn vader gedurende een kortere periode was onderworpen teneinde uitkeringen te blijven ontvangen, bijvoorbeeld wanneer laatstbedoelde regeling bepaalt dat wezen tot op latere leeftijd aanspraak hebben op uitkeringen dan volgens eerstbedoelde regeling. Volgens mij heeft de verklaring niets te maken met een verandering van woonplaats van de wees. Ik geloof dan ook niet dat deze verklaring verhindert dat bij een verandering van woonplaats ook de wettelijke regeling krachtens welke hij uitkeringen geniet, verandert.
Zoals ik eerder opmerkte, ontlenen verzoekers een van hun middelen aan de laatste zin van artikel 78, luidende:
„De wettelijke regeling van de Lid-Staat welke van toepassing is voor het verlenen van de in artikel 77 bedoelde bijslagen ten behoeve van kinderen van een rechthebbende op pensioen of rente, blijft evenwel na het overlijden van genoemde rechthebbende van toepassing voor het verlenen van wezenbijslagen aan zijn wezen.”
De bedoeling van deze zin is mijns inziens, de voortzetting van de betaling van uitkeringen voor de kinderen van een werknemer te garanderen, wanneer deze voor zijn dood kinderbijslag voor hen kreeg. Hierin wordt niet bepaald, en zo kan deze bepaling mijns inziens ook niet worden uitgelegd, dat de wettelijke regeling waarop deze zin doelt, van toepassing blijft ondanks een latere verandering van woonplaats.
De Italiaanse regering verwijst naar artikel 10 van verordening nr. 1408/71. Doch dit begint met de woorden „tenzij in deze verordening anders is bepaald...” Aangezien artikel 78 zijn eigen regeling heeft voor wat de woonplaats van de ontvanger van wezenbijslagen betreft, is de toepassing van artikel 10 mijns inziens uitgesloten.
Tenslotte noemt de Italiaanse regering twee uitspraken van dit Hof over de uitlegging van artikel 79, lid 3, van verordening nr. 1408/71, namelijk de arresten in de zaken 115/77 (Laumann, Jurispr.1978, blz. 805) en 100/78 (Rossi, Jurispr.1979, blz. 831; deze heb ik ook in mijn conclusie in de zaak-Laterza besproken). Artikel 79, lid 3, is hier uiteraard niet in geding en mijns inziens kan men uit de uitspraken ook geen algemeen beginsel afleiden dat van belang kan zijn voor de oplossing van de onderhavige vraag.
Concluderend zou ik derhalve in overweging willen geven, de eerste vraag van het Sozialgericht bevestigend te beantwoorden, met dien verstande dat dat antwoord alleen geldt voor het gedeelte van de uitkeringen (voor zover daarvan sprake is) waarop de wezen uitsluitend krachtens nationaal recht aanspraak hebben.
( 1 ) Vertaald uit het Engels.
Full & Egal Universal Law Academy