CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL H. MAYRAS
VAN 9 JULI 1980 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
I —
Het hoofdgeding betreft een geschil tussen de Bundesversicherungsanstalt für Angestellte te Berlijn, en een Duits onderdaan uit wiens levensloop als werknemer de volgende gegevens gememoreerd moeten worden:
Betrokkene is een in 1926 geboren vluchteling uit Oost-Europa; uit hoofde van het Angestellten-Versicherungsgesetz van 20 december 1911, die binnen de materiële werkingssfeer valt van verordening nr. 1408/71 van de Raad betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op loontrekkenden en hun gezinnen, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, heeft hij gedurende de navolgende tijdvakken verplichte bijdragen betaald aan de Duitse pensioenverzekering:
—
van april 1948 tot april 1956,
—
in juni, augustus en oktober 1956,
—
van december 1956 tot juli 1964,
—
van januari 1968 tot juni 1969.
Van juli 1969 tot augustus 1973 werkte betrokkene in België; hij was daar verplicht aangesloten bij het Belgische verzekeringsstelsel voor bedienden en vervulde er 50 Belgische tijdvakken.
Tijdens zijn werkzaamheid in België werd hem door voornoemde Versicherungsanstalt het recht ontzegd zijn Duitse verzekering vrijwillig voort te zetten, en dit orgaan stelde hem er ook niet van in kennis dat hij, althans na de inwerkingtreding van het Rentenreformgesetz van 16 oktober 1972, dat verder nog ter sprake komt, die mogelijkheid wel had.
Van september 1973 tot juli 1974 betaalde betrokkene opnieuw verplichte bijdragen aan de Duitse pensioenverzekering voor bedienden.
Vanuit België, waar hij opnieuw was gaan werken, verzocht hij in augustus 1974 met terugwerkende kracht bijdragen te mogen betalen over de in Duitsland nog niet vervulde tijdvakken, te weten de maanden mei, juli, september en november 1956 alsmede de periode van augustus 1964 tot december 1967.
Aangezien de Belgische sociale zekerheid voor hem niet voldoende was, wenste hij gebruik te maken van de mogelijkheid die hem door de nieuwe Duitse wetgeving tot wijziging van de pensioenregeling voor bedienden werd geboden.
Het op 18 oktober 1972 uitgevaardigde „Rentenreformgesetz” van 16 oktober 1972 bracht onder meer wijziging in de bepalingen betreffende de vrijwillige verzekering:
alle in de Bondsrepubliek woonachtige of verblijvende personen en alle in het buitenland verblijvende Duitsers kunnen vrijwillig bijdragen betalen, mits zij niet verplicht zijn verzekerd bij een stelsel van sociale zekerheid. De wet maakt ook vrijwillige nabetaling van bijdragen mogelijk met terugwerkende kracht tot 1 januari 1956.
§ 49 a, lid 2, van het „Angestelltenver-sicherungs-Neuregelungsgesetz” bepaalt:
„Degenen die krachtens § 10 van het Angestelltenversicherungsgesetz gerechtigd zijn zich vrijwillig te verzekeren, kunnen op hun verzoek en in afwijking van de bepalingen van § 140 van voornoemde wet, achteraf en vrijwillig bijdragen nabetalen voor tijdvakken tussen 1 januari 1956 en 31 december 1973 waarover zij nog geen bijdragen hebben betaald voor de wettelijke pensioenverzekering, met dien verstande dat een bijdrage voor een bepaalde maand niet mag worden betaald voordat de bijdragen voor alle latere maanden zijn voldaan. De bijdrage over een bepaalde maand mag niet hoger zijn dan de laagste, over een latere maand betaalde bijdrage.”
Artikel 10 van het Angestelltenversicherungsgesetz (vrijwillige verzekering) luidt als volgt:
„Degenen die noch op grond van deze wet, noch op grond van de algemene wet inzake de sociale verzekering, noch op grond van de wetten inzake de verzekering van mijnwerkers, van handwerkers en van minder-validen verplicht verzekerd zijn en die woonachtig zijn of verblijven in het gebied waarop de onderhavige wet van toepassing is, kunnen vrijwillige bijdragen betalen over tijdvakken na de voltooiing van hun 16e levensjaar. Deze bepaling is eveneens van toepassing op Duitse onderdanen in de zin van artikel 116, eerste lid, van de grondwet, die in het buitenland woonachtig zijn of verblijven.”
Het Duitse orgaan heeft weliswaar in beginsel erkend dat betrokkene, ofschoon in België woonachtig, het recht heeft met terugwerkende kracht bijdragen te betalen voor de pensioenverzekering voor bedienden over de tijdvakken van september tot december 1956 en van augustus 1964 tot december 1967, doch heeft aan de uitoefening van dit recht de voorwaarde verbonden dat hij eerst bijdragen zou betalen over de periode van augustus 1969 tot december 1971, waarover hij reeds verplichte bijdragen heeft betaald in België.
Het is in verband met dit standpunt dat het Duitse orgaan tot in cassatie heeft verdedigd, dat het Bundessozialgericht het Hof thans verzoekt om een prejudiciële beslissing over de juiste strekking van de wijziging die bij verordening nr. 1392/74 van de Raad van 4 juni 1974 is aangebracht in bijlage V/C (Duitsland) van verordening nr. 1408/71.
Ik herinner eraan dat deze bijlage bijzonderheden geeft over de toepassing van de wetgevingen van bepaalde Lid-Staten (artikel 89 van verordening nr. 1408/71); de bijlage preciseert hoe zekere bepalingen in de nationale wetgevingen moeten worden toegepast met inachtneming van het gemeenschapsrecht. Het Bundessozialgericht zal mitsdien in het aldaar aanhangige geding een uitspraak moeten doen op grond van het interne Duitse recht, uitgelegd in het licht van het gemeenschapsrecht; voor een relevante uitlegging daarvan is evenwel een uitweiding over het nationale recht noodzakelijk.
II —
Bijlage V/C (Duitsland) is bij artikel 1, lid 5, van verordening nr. 1392/74 als volgt gewijzigd:
„8.
Artikel 1233 van de wet inzake sociale verzekering (RVO) en artikel 10 van de wet op de bediendenverzekering (AVG), gewijzigd bij de wet van 16 oktober 1972 tot herziening van het pensioenstelsel, waarbij de Vrijwillige verzekering is geregeld in het kader van de Duitse pensioenverzekeringsstelsels, zijn onder de volgende voorwaarden van toepassing op de onderdanen van andere Lid-Staten alsmede op staatlozen en vluchtelingen die op het grondgebied van andere Lid-Staten wonen:
Indien aan de algemene eisen is voldaan, kunnen vrijwillige premies of bijdragen worden betaald aan de Duitse pensioenverzekering:
a)
wanneer de belanghebbende zijn domicilie of zijn woonplaats heeft op het grondgebied van de Bondsrepubliek Duitsland;
b)
wanneer de belanghebbende zijn domicilie of zijn woonplaats heeft op het grondgebied van een andere Lid-Staat en hij vroeger op enigerlei tijdstip verplicht of vrijwillig aangesloten is geweest bij de Duitse pensioenverzekering;
c)
wanneer de belanghebbende, onderdaan van een andere Lid-Staat, zijn domicilie of zijn woonplaats heeft op het grondgebied van een derde Staat, hij gedurende ten minste zestig maanden premies of bijdragen heeft betaald aan de Duitse pensioenverzekering of kon worden toegelaten tot de vrijwillige verzekering krachtens de voorheen geldende overgangsbepalingen en hij niet verplicht of vrijwillig verzekerd is krachtens de wetgeving van een andere Lid-Staat.
9.
De verordening maakt geen inbreuk op (...) artikel 49 a), lid 2, van de wet tot herziening van het pensioenstelsel voor bedienden (AnVNG), beide gewijzigd bij de wet van 16 oktober 1972 tot herziening van het pensioenstelsel. Zij die zich krachtens punt 8, sub b) en c), mogen aansluiten bij de vrijwillige verzekering, kunnen slechts premies of bijdragen betalen voor de tijdvakken waarvoor zij niet reeds premies of bijdragen hebben betaald op grond van de wetgeving van een andere Lid-Staat.”
Deze tekst is toegevoegd op voorstel van de Bondsregering om onderdanen van andere Lid-Staten, ook indien zij woonachtig zijn of verblijven buiten het grondgebied van de Bondsrepubliek Duitsland, in staat te stellen zich, gelijk Duitse onderdanen of in Duitsland woonachtige of verblijvende onderdanen van andere Lid-Staten, overeenkomstig het Rentenreformgesetz vrijwillig te verzekeren en overeenkomstig het Ange-stelltenversicherungs-Neuregelungsgesetz vrijwillig bijdragen na te betalen, voor zover zij tevoren bij de Duitse pensioenverzekering verzekerd waren.
Dit is in overeenstemming met artikel 9, lid 2, van verordening nr. 1408/71 (zoals gewijzigd bij verordening nr. 2864/72 van de Raad van 19 december 1972), dat bepaalt:
„Indien de wetgeving van een Lid-Staat de toelating tot de vrijwillige of vrijwillig voortgezette verzekering afhankelijk stelt van de vervulling van tijdvakken van verzekering, worden, voor zover nodig, de tijdvakken van verzekering of van wonen welke krachtens de wetgeving van een andere Lid-Staat vervuld zijn, in aanmerking genomen alsof het tijdvakken van verzekering betrof welke krachtens de wetgeving van eerstbedoelde Staat vervuld waren.”
De tekst van punt 9 van bijlage V/C is evenwel niet geheel ondubbelzinnig.
In de eerste plaats, als wordt gezegd dat de verordening „geen inbreuk maakt” op § 49 a, lid 2, van het Angestelltenver-sicherungs-Neuregelungsgesetz (zoals gewijzigd bij het Rentenreformgesetz van 16 oktober 1972), dan neemt dat niet weg dat deze nationale bepaling overeenkomstig het gemeenschapsrecht moet worden uitgelegd, daar anders inbreuk wordt gemaakt op de verordening zelf.
Wat de tweede zin van punt 9 betreft, deze heeft uitdrukkelijk betrekking op onderdanen van andere Lid-Staten dan de Bondsrepubliek Duitsland, die woonachtig zijn of verblijven op het grondgebied van een andere Lid-Staat dan de Bondsrepubliek; deze personen zijn enkel verplicht eerst bijdragen te betalen voor alle maanden volgend op die welke zij wensen in te kopen, wanneer zij over die latere tijdvakken niet reeds krachtens de wetgeving van een andere Lid-Staat bijdragen hebben betaald: voor deze categorie van werknemers worden de krachtens de wetgeving van een andere Lid-Staat dan de Duitse Bondsrepubliek betaalde bijdragen gelijkgesteld met Duitse bijdragen.
In dezelfde zin wordt slechts impliciet verklaard dat personen die woonachtig zijn of verblijven op het grondgebied van de Bondsrepubliek Duitsland (West-Berlijn daaronder begrepen) — ongeacht of zij Duitser dan wel onderdanen van een andere Lid-Staat zijn —, enkel dan bijdragen aan de Duitse pensioenverzekering kunnen betalen wanneer „aan de algemene voorwaarden is voldaan”; dit wil zeggen dat het in § 49 a, lid 2, van het Angestelltenversicherungs-Neuregelungsgesetz neergelegde beginsel op hen van toepassing is.
De bepaling bevat evenwel geen regeling voor Duitse onderdanen die woonachtig zijn of verblijven in een andere Lid-Staat dan de Bondsrepubliek.
De wijzigingen die in bijlage V/C (Duitsland) zijn aangebracht bij de op 8 juni 1974 in werking getreden verordening nr. 1392/74 van 4 juni 1974, hebben terugwerkende kracht tot 19 oktober 1972, de dag volgend op die waarop het Rentenreformgesetz bekend is gemaakt.
Indien deze terugwerkende kracht ten gevolg zou hebben dat de tijdvakken voorafgaande aan de inwerkingtreding van de verordening, en tijdens welke personen in dezelfde situatie als verzoeker, verplicht waren aangesloten bij de sociale zekerheid van een andere Lid-Staat, wegens de vereisten van § 49 a, lid 2, van het Angestelltenversicherungs-Neuregelungsgesetz niet meer gelijk worden gesteld met Duitse tijdvakken, dan zou deze gemeenschapsbepaling ongeldig zijn.
Ik meen evenwel dat dit niet het geval is.
III —
Artikel 15, lid 3, van verordening nr. 1408/71 (in de versie van verordening nr. 1392/74) bevat een afwijking van het verbod van gelijktijdige vrijwillige en verplichte verzekering; de bepaling luidt als volgt:
„Wat invaliditeit, ouderdom en overlijden (pensioenen) betreft kan de betrokkene evenwel worden toegelaten tot de vrijwillige of de vrijwillig voortgezette verzekering van een Lid-Staat, zelfs indien hij verplicht verzekerd is krachtens de wetgeving van een andere Lid-Staat, voor zover deze gelijktijdige aansluiting in de eerste Lid-Staat uitdrukkelijk of stilzwijgend wordt toegelaten.”
Zoals wij zagen wordt deze gelijktijdige aansluiting in de Bondsrepubliek Duitsland toegelaten door het Angestelltenver-sicherungs-Neuregelungsgesetz.
Doch op dit punt heeft de gemeenschapswetgever ingegrepen: de toepassing van de Duitse wetgeving mag er niet tot leiden dat onderdanen van andere Lid-Staten dan de Bondsrepbuliek Duitsland verplicht worden bijdragen te betalen voor tijdvakken waarover zij reeds bijdragen hebben betaald krachtens de wetgeving van een van deze Lid-Staten, ongeacht of deze tijdvakken vooraf gaan aan dan wel volgen op de Duitse tijdvakken waarover zij bijdragen wensen te betalen.
Volgt hieruit dat iemand die buiten het grondgebied van de Duitse Bondsrepubliek woont en werkt, wel daartoe moet worden verplicht, enkel op grond dat hij zijn Duitse nationaliteit heeft behouden?
Het inkopen van tijdvakken in de Duitse verzekering is in theorie „volstrekt vrijwillig”, doch om daadwerkelijk gebruik te kunnen maken van de bij de wet geboden mogelijkheid om vroegere tijdvakken in te kopen, moeten de betrokkenen eerst latere tijdvakken inkopen tijdens welke zij verplicht verzekerd waren in een andere Lid-Staat; deze verplichting komt uiteindelijk voor die tijdvakken neer op een verplichte verzekering. Krachtens dezelfde verordening is het evenwel uitgelosten dat een migrerend werknemer tegelijkertijd verplicht is aangesloten bij twee stelsels voor sociale zekerheid in twee verschillende Lid-Staten.
In de praktijk heeft de door de Duitse wetgeving voor de nabetaling van bijdragen gestelde voorwaarde tot gevolg dat Duitse onderdanen wier jongste verzekeringstijdvakken in het buitenland zijn vervuld, bij het beëindigen van hun activiteiten geen beroep kunnen doen op deze buitenlandse tijdvakken om in hun land van herkomst een behoorlijke vrijwillige verzekering op te bouwen.
Een dergelijke opvatting brengt met zich mee, dat het al dan niet in aanmerking nemen van verplichte bijdragen van de sociale zekerheid gaat afhangen van de nationaliteit van de verzekerde.
Men zou desnoods nog kunnen begrijpen dat in het buitenland verblijvende Duitsers vrijwillige bijdragen aan de Duitse verzekering zouden mogen betalen over tijdvakken tijdens welke zij vrijwillig verzekerd waren krachtens de wetgeving van een andere Lid-Staat, doch het ligt anders ten aanzien van tijdvakken waarover zij reeds verplichte bijdragen hebben betaald krachtens de wetgeving van die andere Lid-Staat, aangezien die verplichte bijdragen ook niet worden terugbetaald wanneer zij voor dezelfde tijdvakken de voorkeur geven aan een vrijwillige Duitse verzekering.
De Bundesversicherungsanstalt en later ook de Commissie hebben hiertegen ingebracht dat deze uitlegging financieel ongunstig zou zijn voor het kapitalisatiestelsel waarop de vrijwillige verzekering berust: indien men belangstellenden voor de vrijwillige verzekering zou toestaan, bijdragen na te betalen voor voorbije tijdvakken zonder eerst de meer recente tijdvakken in te kopen, dan zouden zij enkel de oudste tijdvakken inkopen, waarvan de bijdragen immers een hoger rendement geven.
Het lijkt mij evenwel zonderling te beweren dat in een dergelijk geval geen inbreuk wordt gemaakt op het beginsel van gelijke behandeling, aangezien de eerbiediging van dit beginsel voor de betrokkenen, naar gelang van hun loopbaan, meer of minder gunstige gevolgen zou hebben.
Het valt bezwaarlijk in te zien, op grond van welk beginsel de Bundesversicherungsanstalt niet dezelfde verplichting zou hebben ten aanzien van Duitse onderdanen, die toch hetzelfde beroepsrisico hebben gelopen als onderdanen van andere Lid-Staten die in de Duitse Bondsrepubliek zijn komen wonen.
Verordening nr. 1408/71 heeft ten doel elke werknemer in de Gemeenschap — ongeacht of hij verblijft in de Lid-Staat waarvan hij een onderdaan is, dan wel in een andere Lid-Staat — in staat te stellen een loopbaan te voltooien die, voor wat de sociale zekerheid betreft, geen leemten vertoont.
Evenmin als van onderdanen van andere Lid-Staten dan de Bondsrepubliek kan worden verlangd dat zij in Duitsland zouden verblijven op het ogenblik dat zij verzoeken om toelating tot de Duitse vrijwillige verzekering, mag van in een andere Lid-Staat verblijvende Duitse kandidaten voor deze verzekering worden verlangd dat zij bijdragen betalen over tijdvakken waarover zij reeds verplichte bijdragen hebben betaald krachtens de wetgeving van die andere Lid-Staat.
Concluderende geef ik het Hof in overweging, voor recht te verklaren dat bijlage V/C, punt 9, eerste zin, van verordening nr. 1408/71 van de Raad aldus moet worden uitgelegd, dat een Duits onderdaan die in een andere Lid-Staat verplichte bijdragen heeft betaald aan de pensioenverzekering, en die overeenkomstig § 49 a, lid 2, van het Angestelltenversicherungs-Neuregelungsgesetz vrijwillige bijdragen wenst na te betalen, niet gehouden is over de reeds door bijdragen in een andere Lid-Staat gedekte tijdvakken nogmaals Duitse bijdragen voor die tijdvakken na te betalen.
( 1 ) Vertaald uit het Frans.
Full & Egal Universal Law Academy