CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL H. MAYRAS
VAN 18 SEPTEMBER 1980 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
De onderhavige prejudiciële zaak, aanhangig gemaakt door het Finanzgericht Breinen, betreft de uitlegging van de posten 56.01 A en 59.01 B I van het gemeenschappelijk douanetarief (GDT), die voorkomen in afdeling XI van het tarief (Textielstoffen en textielwaren).
I —
a)
Het uit de Verenigde Staten van Amerika afkomstige produkt waarvan de tariefindeling in geding is, werd op4 augustus 1978 in de Bondsrepubliek Duitsland ingeklaard. Volgens de importeur, het in- en exportbedrijf Klaus Mecke & Co., te Bremen, moest het worden aangemerkt als scheerhaar van synthetische vezels in de zin van post 59.01 BI van het GDT, waarvoor een conventioneel invoerrecht van 4 % verschuldigd is.
Daarentegen meende de douane na een steekproefcontrole, dat het ging om synthetische stapelvezels van post 56.01 A, waarvoor een conventioneel invoerrecht van 9 % geldt.
Bij nota van 8 augustus 1978 vorderde het Hauptzollamt Bremen-Ost van de invoerende vennootschap dan ook betaling van de douanerechten en omzetbelasting bij invoer, overeenkomend met de dooide douane aangehouden indeling. Nadat haar bezwaarschrift tegen deze nota was afgewezen, ging verzoekster in het hoofdgeding in beroep bij de rechter die de zaak thans naar het Hof heeft verwezen.
Krachtens zijn bevoegdheid ingevolge artikel 177, lid 2, EEG-Verdrag heeft deze rechter bij beschikking van 1 november 1979 de behandeling van de zaak geschorst totdat het Hof zich zal hebben uitgesproken over de volgende vraag.
„Vallen 6-7 mm lange afsnijdsels van synthetische vezels (polyestervezels) als synthetische stapelvezels onder post 56.01 A van het gemeenschappelijk douanetarief of als scheerhaar van synthetische textielstoffen onder post 59.01 B I?”
b)
Zoals uit de vraag al bijkt, bestaat het betwiste produkt uit zeer korte vezels, van polyester, een synthetische textielstof.
Volgens de beschikking van de nationale rechter
—
zijn de vezels verkregen door versnijding van kabels van synthetische of kunstmatige stapelvezels („Spinnka-bel”) van post 56.01,
—
onderscheiden zij zich van deze kabels niet door hun inwendige structuur of hun vervaardigingswijze, doch uitsluitend door de lengte waarop zij zijn gesneden,
—
zijn het schone en regelmatig gevormde produkten die men niet als afval kan betitelen.
Gelijk de vertegenwoordiger van verzoekster in het hoofdgeding ter zitting verklaarde, worden deze vezels door het betrokken bedrijfsleven aangeduid als „vezelflok” (Kurzschnitt-Faser).
De betrokken vezels zijn, zo werd ons meegedeeld, bestemd voor de vervaardiging, via de natte methode, van „gebonden textielvlies”, zoals papieren zakdoekjes. Gebonden textielvlies wordt ingedeeld onder post 59.03 van het GDT. Ik heb ook begrepen dat vezelflok kan worden gebruikt als opvulsel ter versterking van synthetische materialen of ook als opvulsel voor loden accuplaten.
c)
Volgens de Commissie en de firma Mecke is het feit dat dit nieuwe produkt vezelflok — resultaat van de technische ontwikkeling — nog maar kort op de markt is, de reden van het onderhavige indelingsprobleem. Verzoekster in het hoofdgeding voegt hieraan toe, dat deze moeilijkheid nog wordt vergroot door het feit dat vezelflok in geen enkele post van het GDT als zodanig wordt genoemd en dat het probleem waarschijnlijk het best kan worden opgelost door dit begrip in het tarief op te nemen. Gezien de formulering van de vraag van de nationale rechter, zullen wij ons echter bij de huidige stand van zaken moeten beperken tot een keuze tussen één van de twee in de verwijzingsbeschikking genoemde posten.
Post 56.01 A, waaronder het Hauptzollamt Bremen-Ost en de Commissie de litigieuze vezels willen indelen, luidt in de Franse versie aldus:
„Fibres textiles synthétiques et artificielles discontinues en masse:
A.
Fibres textiles synthétiques”. ( 2 )
Gelijk de Commissie heeft beklemtoond, duidt het gebruik van het woord „discontinues” erop, dat vezels slechts onder deze post kunnen worden gebracht wanneer zij een beperkte lengte hebben. Mogelijke twijfels hierover verdwijnen bij lezing van de Engelse en vooral de Deense equivalenten van dit woord: „discontinuous”, resp. „korte”.
Verder staat vast dat, wil een produkt kunnen worden aangemerkt als „synthetische of kunstmatige vezel”, het volgens aantekening 1 bij hoofdstuk 51 van het GDT, ongeacht het hoofdstuk van het tarief waarin deze termen worden gebruikt, noodzakelijk en voldoende is dat het voldoet aan drie voorwaarden, die betrekking hebben op zijn structuur, het vervaardigingsprocédé en het uiterlijk voorkomen.
Het lijdt geen twijfel dat litigieuze produkten, die zijn verkregen door versnijding van kabel voor de vervaardiging van stapelvezels van post 56.02, synthetische stapelvezels zijn als men alleen de criteria betreffende structuur en vervaardigingsprocédé aanhoudt. Om tot deze conclusie te kunnen komen, moet de vezelflok echter ook op grond van zijn uiterlijk voorkomen als synthetische stapelvezels kunnen worden aangemerkt. En, zoals reeds gezegd, is het nu juist de lengte die in dit opzicht problemen oplevert.
II —
Bovendien moet vast staan dat geen enkel ander criterium in aanmerking komt. Verzoekster stelt als criterium voor de verspinbaarheid, om aldus te kunnen onderscheiden tussen de produkten van post 56.01, die volgens haar dit kenmerk bezitten, en die van post 59.01, die het niet zouden hebben. Aangezien vezels die in zo kleine stukjes zijn gesneden als de onderhavige, althans bij de huidige stand van de techniek niet kunnen worden versponnen, kunnen zij volgens verzoekster niet onder post 56.01 worden gebracht. Zeven, door Mecke geraadpleegde gespecialiseerde technische instituten hebben zich ook grosso modo op het verspinbaarheidscriterium gebaseerd en zijn tot dezelfde conclusie gekomen als verzoekster.
a)
Alvorens hier nader op in te gaan, meen ik aandacht te moeten schenken aan het fundamentele bezwaar dat verweerder in het hoofdgeding, het Hauptzollamt, tegen dit criterium heeft aangevoerd. Volgens verweerder is de verspinbaarheid van geen enkel belang voor de indeling van de litigieuze produkten: alleen de materiële consistentie of, meer in het algemeen, de objectieve kenmerken zouden in aanmerking mogen komen.
Inderdaad heeft het Hof in een zaak die wel enige gelijkenis vertoont met de onderhavige, namelijk zaak 111/77 (Bleiindustrie, arrest van 9 maart 1978, jurispr. 1978, blz. 659), aan het criterium van de bestemming van het produkt iedere relevantie ontzegd, de conclusie van de advocaat-generaal (Jurispr. blz. 673-675) ten spijt. Maar uit het arrest-Van de Poll van 14 december 1972 (zaak 38/72, Jurispr. 1972, blz. 1329, r.o. 5) en uit het meest recente arrest inzake tariefindeling, het arrest-Chem-Tec van 11 juli 1980 (zaak 798/79, nog niet gepubliceerd, r.o. 13) blijkt dat het Hof niet ongenegen is de bestemming van een produkt als indelingscriterium in aanmerking te nemen. Blijkens het arrest-Van de Poll is dit met name het geval indien het bestemmingscriterium uit de Toelichtingen op de IDR-nomenclatuur valt af te leiden. Mijns inziens moet het a fortiori worden aanvaard wanneer het in de tekst van het douanetarief zelf is te vinden.
Bovendien valt in casu het aan de bestemming van het onderhavige produkt, ontleende criterium, de verspinbaarheid, samen met een criterium, dat gebaseerd is op de objectief te controleren kenmerken van het produkt, namelijk de lengte van de vezels.
Voor de verspinbaarheid van de vezel, blijkend uit een hiertoe voldoende lengte, voert Mecke argumenten aan die zowel aan de tekst van het douanetarief zelf zijn ontleend als aan de opbouw van hoofdstuk 56: „Textiel van synthetische of van kunstmatige stapelvezels”, en aan de Toelichtingen op de IDR-Nomenclatuur.
b)
Verzoekster zoekt in de eerste plaats steun bij de tekst van post 56.01, die in het Duits luidt als volgt:
„Synthetische und künstliche Spinnfasern, weder gekrempelt noch gekämmt:
A.
Synthetische Spinnfasern.”
Volgens verzoekster zou het woordelement „spinn-” duidelijk aantonen dat een produkt niet onder deze post kan worden ingedeeld indien het niet verspinbaar is. Zij merkt overigens op, dat men dit element terugvindt in de termen van alle posten van hoofdstuk 56, om precies te zijn in de woorden „Spinnfasern” (post 56.01 en 56.04-56.07), „Spinnkabel” (post 56.02) en „Spinnstoffen” (post 56.03).
Voor het Hauptzollamt en de Commissie geeft het element „spinn-” niet aan dat het om produkten gaat die verspinbaar zijn, doch heeft het betrekking op het vervaardigingsprocédé van deze produkten, die immers door spinnen („durch ein Spinnverfahren”) zijn verkregen. Zo worden polyestervezels als de onderhavige door „smeltspinnen” verkregen.
De Commissie merkt verder op, dat deze constatering bevestiging vindt in de equivalenten van het Duitse woord „Spinnfasern” in de andere gemeenschapstalen (Frans: „fibres textiles”, Engels: „fibres”, Italiaans: „fibre tessili”, Nederlands: „vezels”, Deens: „fibre”), die volstrekt niet aan verspinbaarheid refereren.
Dit argument van verzoekster in het hoofdgeding lijkt mij daarom verworpen te moeten worden.
Verzoekster ontleent echter nog een tweede argument aan de tekst van het tarief, en wel aan post 56.04, die luidt:
—
in bet Frans:„Fibres ... et déchets de fibres ... cardés, peignés ou autrement préparés pour la filature.”
—
in bet Duits:„... Spinnfasern und Abfälle von ... Spinnstoffen, gekrempelt, gekämmt oder anders für die Spinnerei vorbereitet.” ( 3 )
De vertegenwoordiger van verzoekster heeft ter zitting uitgelegd dat de vezels van post 56.04 in wezen dezelfde zijn als die van post 56.01. Het enige verschil zou zijn dat eerstbedoelde, juist met het oog op het verspinnen, een verdere bewerking hebben ondergaan. Om verspinbare vezels van post 56.04 te vervaardigen, zou men dus vezels van post 56.01 moeten gebruiken, welke dientengevolge zelf verspinbaar moeten zijn.
Aangenomen dat de verstrekte technische gegevens juist zijn — en ik heb geen enkele reden om daaraan te twijfelen —, moeten de op grond daarvan gemaakte gevolgtrekkingen mijns inziens ook juist zijn. Dit aan de tekst van een post van het douanetarief zelf ontleende deductieve argument verdient mijns inziens dan ook de aandacht.
c)
Volgens verzoekster volgt het verspinbaarheidscriterium ook uit een systematische beschouwing van hoofdstuk 56, dat een opsomming bevat van de produkten die door verspinning van de synthetische en kunstmatige stapelvezels van post 56.01 worden vervaardigd. Em omdat de litigieuze vezels niet geschikt zijn voor de vervaardiging van een van de produkten van hoofdstuk 56, kunnen zij dus ook niet onder dit hoofdstuk worden ingedeeld.
De Commissie gaat in zoverre met verzoekster mee, dat zij erkent dat de onder de posten 56.05 en 56.07 genoemde produkten (garens van synthetische of kunstmatige stapelvezels) in de praktijk door middel van verspinning uit stapelvezels („Spinnfasern”) worden verkregen. Het Hauptzollamt merkt zijnerzijds op dat in de hoofdstukken 50—57 van het GDT de produkten worden ingedeeld naar de soort textiel waaruit zij bestaan (hoofdstuk 50: zijde — hoofdstuk 51: synthetisch en kunstmatig continutextiel — hoofdstuk 52: metaalgarens ...). Het merkt op, dat deze hoofdstukken in het algemeen achtereenvolgens de grondstof, de afval, de garens en de weefsels noemen.
Het Hauptzollamt voegt hier echter aan toe, dat sommige grondstoffen en de meeste afvalstoffen niet kunnen worden versponnen zonder dat daardoor hun indeling onder de overeenkomstige posten van het betrokken hoofdstuk wordt gewijzigd. Als voorbeelden noemt het cocons van zijderupsen die ongeschikt zijn om te worden afgehaspeld, van post 50.03, vlasafval van post 54.01, en linters van katoen van post 55.02.
De opbouw van hoofdstuk 56 dwingt volgens hem geenszins tot de opvatting, dat vezels verspinbaar moeten zijn om onder post 56.01 te kunnen worden ingedeeld, temeer daar vezels die ontegenzeglijk onder post 56.01 vallen, worden gebruikt voor de vervaardiging van gebonden textielvlies van post 59.03. Dit wordt door verzoekster trouwens niet betwist, want op een ter zitting gestelde vraag antwoordde haar vertegenwoordiger dat men voor de vervaardiging van „gebonden textielvlies” met de droge methode langere vezels kan gebruiken dan de omstreden zeer korte vezels. Verzoekster geeft hiermee dus toe, dat vezels van post 56.01 kunnen dienen voor de vervaardiging van „gebonden textielvlies” van post 59.03. Die vezels moeten dan echter wel langer zijn dan die waarom het in casu gaat; deze laatste zijn uitsluitend geschikt voor de vervaardiging van gebonden textielvlies volgens de natte methode, waarvoor men heel korte vezels nodig heeft.
Ik geloof daarom niet, dat wij met dit voorbeeld en met de redenering waarbij het hoort, veel verder komen.
d)
Daarin wordt immers geen onderscheid gemaakt tussen de vervaardigingsprocédés van „gebonden textielvlies”, en zoals wij straks zullen zien bij het onderzoek van het argument dat verzoekster in het hoofdgeding ontleent aan de toelichtingen op de IDR-Nomenclatuur bij post 56.01, lijkt ons dat toch wel noodzakelijk.
De importeur baseert zich op de volgende passage in die toelichtingen: „De lengte van de versneden vezels kan variëren, afhankelijk van ... het soort van garen dat eruit zal worden vervaardigd ...” Hieruit volgt volgens haar dat, wanneer een vezel zo kort is gesneden, dat zij niet meer kan dienen voor de vervaardiging van wat voor garen van wat voor soort ook, zij niet meer onder post 56.01 kan worden ingedeeld.
De Commissie erkent weliswaar dat, zo de verspinbaarheid volgens de toelichtingen een dwingend criterium was, de betrokken vezels niet onder post 56.01 zouden kunnen worden ingedeeld. Maar zij meent dat dat niet het geval is.
Want ook al geeft de aangehaalde passage duidelijk aan, dat de vezels van post 56.01 kunnen dienen voor de vervaardiging van garens, toch volgt volgens de Commissie hieruit niet, dat dit hun enig mogelijke toepassing is. Uit het vervolg van de betrokken tekst („de lengte van de versneden vezels kan variëren, afhankelijk van ... de aard van de textielstof, waarmee ze zullen worden vermengd”) blijkt dat er vele verschillende gebruiksmogelijkheden zijn voor de in post 56.01 bedoelde vezels, met name ook de vervaardiging van „gebonden textielvlies”. Daarom zouden vezels als de onderhavige, die te kort zijn voor verspinning, niettemin onder post 56.01 kunnen worden ingedeeld.
Het komt mij echter voor dat deze conclusie geen rekening houdt met alle elementen van het probleem. Zeker, vezels die ontegenzeglijk onder post 56.01 vallen, kunnen dienen voor de vervaardiging van „gebonden textielvlies” van post 59.03; Mecke geeft dit zelf toe, zoals wij hebben gezien.
Maar men mag niet vergeten dat dat dan enkel nog met de droge methode mogelijk is; wanneer men bij de natte methode te lange vezels gebruikt, verdelen deze zich niet op gelijkmatige wijze in het water. Ook al heeft verzoekster dus ten onrechte uit de opbouw van hoofdstuk 56 en de besproken passages van de toelichtingen bij post 56.01 afgeleid, dat de in deze post bedoelde vezels uitsluitend voor de vervaardiging van in hetzelfde hoofdstuk genoemde produkten kunnen dienen, toch volgt hieruit níet dat vezels die daarvoor te kort zijn, onder deze post kunnen worden ingedeeld.
In werkelijkheid lijkt zowel uit de structuur van het tarief, met name van hoofdstuk 56, als uit de geciteerde passages van de toelichtingen bij post 56.01 te volgen dat vezels van deze post normaliter bestemd zijn voor de vervaardiging van de garens en weefsels bedoeld in de posten 56.05, 56.06 en 56.07. Volgt men de redenering van de Commissie, dan moet men ook aanvaarden dat het begrip „synthetische of kunstmatige stapel vezels” niet homogeen is, aangezien hieronder vezels zouden vallen die weliswaar alle kort zijn, maar waarvan sommige lang genoeg zijn om te worden versponnen en andere niet.
e)
Bovendien zag de Commissie zich door haar stelling genoodzaakt, in haar schriftelijke opmerkingen een algemene beschouwing te wijden aan de lengte van vezels ter rechtvaardiging van haar voorstel om vezels van 6 à 7 mm in te delen onder een post waarvan in de toelichtingen bij de IDR-Nomenclatuur wordt gezegd dat hij betrekking heeft op vezels die gewoonlijk een lengte hebben van 2,5 tot 18 cm. De Commissie merkt terecht op dat „de meest voorkomende lengten tussen 2 en 20 cm liggen, omdat de synthetische vezels dikwijls tezamen met natuurlijke vezels worden verwerkt, waarvan de lengte over het algemeen in deze orde van grootte ligt.” Zij voegt hier echter aan toe, dat „de verwerkende industrie voor de vervaardiging van garens van stapelvezels en beflokte artikelen behoefte heeft aan vezels met een lengte van 0,1 mm voor flok tot 180 mm voor het spinnen van tapijtgaren”, en dat dezelfde machine vezels kan produceren van 6 tot 15 mm lang. Zij leidt hieruit af dat het woord „gewoonlijk” in de aangehaalde passage ruim moet worden opgevat, zodat vezels van 6 à 7 mm onder post 56.01 kunnen vallen.
Deze conclusie, die volgt op overwegingen die mijns inziens niet zo veel van doen hebben met het probleem dat ons thans bezighoudt, kan, zo lijkt mij, niet ernstig worden genomen. Ten eerste valt te betwijfelen of vezels van zeer uiteenlopende lengte, die geschikt zijn voor de door de Commissie genoemde, zeer gevarieerde toepassingsmogelijkheden, alle onder post 56.01 moeten worden ondergebracht. In de tweede plaats: ook al kan deze post, gezien de tekst ervan, alleen betrekking hebben op korte vezels, dit vormt mijns inziens nog geen rechtvaardiging voor de voorgestane uitleggingsmethode, die ook door het Hauptzollamt wordt gevolgd. Ik zie niet in waarom men, zoals de Commissie en het Hauptzollamt willen, het woord „gewoonlijk” in de toelichtingen bij post 56.01 ruim zou moeten uitleggen, doch de formulering „in het algemeen tot 2 mm” in de toelichtingen op post 59.01 eng, terwijl de litigieuze vezels een lengte hebben die ontegenzeglijk dichter bij 2 dan bij 25 mm ligt.
Ik concludeer dat het mij moeilijk lijkt om kortgesneden vezels met een lengte van 6 à 7 mm onder post 56.01 A van het GDT in te delen.
III —
Dan dienen wij nog na te gaan of de onderhavige vezels als scheerhaar van synthetische textielstoffen onder post 59.01 A van het douanetarief kunnen vallen.
Dit is wat verzoekster in het hoofdgeding meent. Voor haar geeft het douanetarief, althans in de uitlegging die daaraan in de toelichtingen op de IDR-Nomenclatuur wordt gegeven, alleen maar een bevestiging van de in vakkringen bestaande praktijk om zeer korte vezels zoals de onderhavige, verkregen door versnijding van kabels of stapelvezels, aan te merken als scheerhaar en niet als stapelvezels.
Door dit zeer kort versnijden zou het produkt zijn hoedanigheid van stapelvezel verliezen, juist zoals men, om maar één van de ter terechtzitting gegeven voorbeelden over te nemen, wanneer men een ronde houten stok in uiterst korte stukjes zaagt, niet even zo vele houten stokken krijgt, maar houten schijfjes.
a)
Hoofdstuk 59', waartoe post 59.01 A behoort, bevat, aldus de algemene opmerkingen in de toelichtingen bij de IDR-Nomenclatuur, die door de Cömmissie worden aangehaald, „een grote verscheidenheid van textielprodukten van bijzondere aard.” Het is inderdaad onmogelijk enig systematisch verband te zien tussen bijvoorbeeld bindgaren van post 59.04, linoleum van post 59.10 en brandslangen van textielstoffen van post 59.15. Daarmee vervalt het argument van verzoekster in het hoofdgeding, dat de litigieuze vezels onder hoofdstuk 59 moeten worden ingedeeld omdat „gebonden textielvlies”, voor de vervaardiging waarvan zij dienen, onder post 59.03 valt. Dit argument kan des te gemakkelijker ter zijde worden geschoven, nu verzoekster ons zelf heeft meegedeeld dat vezels als de onderhavige ook dienen als opvulsel ter versteviging van synthetische materialen of voor loden accuplaten, allemaal produkten die zeer zeker niet onder hoofdstuk 59 vallen.
b)
Postonderverdeling 59.01 B, die deel uitmaakt van post 59.01 „watten en artikelen van watten; scheerhaar (tontisse), en noppen van textielstof”), luidt in het Frans als volgt:
„B.
Tontisscs, noeuds et noppes (boutons):
I.
de matière textiles synthétiques ou artificielles
II.
d'autres matières textiles.” ( 4 )
Als equivalent van het Franse „tontisscs” gebruikt de Duitse versie de term „Scherstaub”. Zowel het Hauptzollamt als, merkwaardig genoeg, de Commissie hebben uit het feit dat deze term het element „Staub” („stof”) bevat, afgeleid dat een produkt niet als „tontisse” kan worden aangemerkt als het niet poederachtig van aard is.
Deze conclusie houdt mijns inziens echter geen rekening met de equivalenten van „Scherstaub” in de vijf andere gemeenschapstalen. De Franse term „tontisse”, de Nederlandse „scheerhaar (tontisse”) en de Italiaanse „borra di cimatura” wekken geenszins de indruk dat het desbetreffende produkt er stofachtig moet uitzien. Anders dan de Commissie schijnt te denken, is dit nog duidelijker bij de Engelse en Deense termen; post 59.01 B luidt in deze versies:
—
Engels:„Flock and dust and mill neps”,
—
Deens:„Flok, støv og nopper”.
Voor het weergeven van het Duitse „Scherstaub” wordt in deze talen gebruik gemaakt van twee woorden, „flock and dust” in het Engels en „flok og støv” in het Deens, waarvan het tweede „stof” betekent, terwijl het eerste eerder doet denken aan een substantie die juist niet poederachtig van aard is. Het lijdt geen enkele twijfel dat het Engelse equivalent van het Franse „tontisse” en dus het Duitse „Scherstaub” niet enkel „dust” is, maar ook „flock”, want de Engelse tekst van de toelichtingen bij de IDR-Nomenclatuur — die evenzeer authentiek is als de Franse — betreffende „tontisses” heeft als opschrift „textile flock and dust”. Tenslotte is het duidelijk dat de Deense uitdrukking geheel overeenkomt met de Engelse.
Zo de aan de tekst van het douanetarief zelf ontleende argumenten niet voldoende mochten zijn, zou men daaraan nog de ter zake dienende bezwaren kunnen toevoegen die verzoekster in het hoofdgeding tegen het criterium poederachtig heeft aangevoerd. Deze bezwaren zijn gebaseerd op de toelichtingen bij de IDR-Nomenclatuur, waaraan verweerder in het hoofdgeding in casu elke waarde als hulpmiddel voor de uitlegging van het tarief ontzegt. Voor de verwijzende rechter heeft het Hauptzollamt er namelijk, in navolging van de rechtspraak van het Hof (met name het reeds aangehaalde arrest-Chem-Tec, r.o. 12) op gewezen, dat deze toelichtingen slechts een hulpmiddel bij de uitlegging zijn om de inhoud van de tariefposten en postonderverdelingen te preciseren, zonder dat zij de tekst daarvan konden wijzigen. In het onderhavige geval lijkt het mij echter gerechtvaardigd terug te grijpen op de toelichtingen, want als men, zoals het Hauptzollamt wil, het woord „Scherstaub uitsluitend uitlegt aan de hand van de zin en de betekenis die dit begrip zuiver taalkundig bezien heeft, leidt dit, zoals wij hebben gezien, tot conclusies die op zijn minst aanvechtbaar zijn.
Verzoekster in het hoofdgeding heeft erop gewezen, dat deze toelichtingen aangeven hoe scheerhaar wordt verkregen of vervaardigd. Er worden drie categorieën onderscheiden, waarvan de eerste twee in het Engels „textile flock” worden genoemd, terwijl de derde uitsluitend als „textile dust” wordt aangeduid. De litigieuze vezels kunnen enkel scheerhaar van de tweede soort vormen, aangezien hieronder vezels vallen die worden vervaardigd „door textielkabel of textielvezels op geringe lengte te versnijden”; zoals wij aan het begin hebben gezien, worden zij aldus vervaardigd. Anderzijds wordt „tornisse, welke vrijwel in poedervorm (is), ... verkregen door het malen van textielvezels.”
Tenslotte heeft verzoekster een wellicht nog overtuigender argument aangevoerd in haar commentaar op de volgende passage: „Tornisse wordt eveneens gebruikt ter vermenging met textielvezels voor het spinnen van garens, voor de bereiding van toiletpoeder of blanketsel, enz.”
Dient men voor de bereiding van poeder of blanketsel uiteraard scheerhaar te gebruiken dat poederachtig ván aard is, even duidelijk is, dat voor het spinnen van garens het scheerhaar vezelachtig van aard moet zijn. Want alleen op stoffen die vezelachtig van aard zijn, kan een machine vat krijgen en alleen zij kunnen met andere vezels worden vermengd; poederachtige produkten die men in een spinproces zou willen bijmengen, zouden ongetwijfeld op de grond vallen, waar men ze alleen nog maar zou kunnen wegvegen.
Uit deze overwegingen volgt mijns inziens duidelijk dat het begrip „scheerhaar” in de zin van post 59.01 B, anders dan de Commissie en het Hauptzollamt menen, niet enkel poederachtige stoffen omvat.
b)
Maar hieruit kan niet onmiddellijk worden geconcludeerd dat kortgesneden vezels van synthetische textiel met een lengte van 6 à 7 mm onder post 59.01 B kunnen worden ingedeeld. Uit de verwijzingsbeschikking blijkt dat volgens het Hauptzollamt „alleen afvalprodukten niet vallen onder post 56.01 van het GDT, die verder alle kortgesneden, niet verspinbare, synthetische en kunstmatige stapelvezels omvat.”
Het litigieuze produkt „is te zuiver en te regelmatig voor afval of scheerhaar.” Het Hauptzollamt meent dat het in post 59.01 B gebezigde begrip „scheerhaar” is terug te brengen tot het begrip „afval”.
Te dien aanzien heeft verzoekster in het hoofdgeding erkend dat scheerhaar in de echte zin des woords inderdaad een afvalprodukt is van scheren en soortgelijke procédés, en dat scheerhaar in deze zin niet van uniforme lengte is. Maar zij heeft terecht opgemerkt, dat dit soort scheerhaar enkel overeenkwam met de eerste van de drie in de toelichtingen omschreven categorieën: „scheerhaar (tornisse) bestaat uit uiterst korte vezels ... welke gewoonlijk ontstaan als afval bij de afwerking van weefsels, vooral bij het scheren van fluweel.” Dit citaat toont aan dat vezels die de onregelmatigheid vertonen die eigen is aan afval, het normale soort scheerhaar vormen, maar niet dat zij het enige soort vormen. Het tegendeel beweren staat mijns inziens gelijk met het negeren van het bestaan van de reeds aangehaalde passages uit de toelichtingen, die betrekking hebben op scheerhaar dat langs andere weg wordt verkregen.
Kan men hiertegen nog inbrengen dat het ongeoorloofd is terug te grijpen op de toelichtingen daar zij de eigen bewoordingen van het tarief wijzigen, nu het Franse woord „tontisses” en de equivalenten daarvan in de andere talen onmiskenbaar alleen betrekking kunnen hebben op afval? Ik meen van niet. Sommige uitdrukkingen in het tarief zijn weliswaar op zichzelf duidelijk, zoals de woorden „levende paarden” in post 01.01 (om het voorbeeld te nemen van algemene regel nr. 1 voor de toepassing van de IDR-Nomenclatuur — welke identiek is aan algemene bepaling nr. 1 voor de toepassing van de Nomenclatuur van het gemeenschappelijk douanetarief), maar ditzelfde kan niet worden gezegd wanneer het, zoals in casu, om een technische term gaat waarvan de betekenis aan de leek ontgaat. Wijst bovendien het bestaan van toelichtingen er op zichzelf niet reeds op, dat er problemen zijn die daardoor uit de weg moeten worden geruimd?
Als men een beroep mag doen op de toelichtingen — en dit is mijns inziens het geval —, kan tevens rekening worden gehouden met het analogische argument dat verzoekster ontleent aan de stoffen die in post 59.01 naast scheerhaar worden genoemd. Behalve op laatstgenoemd produkt, heeft deze post, zoals u zich zult herinneren, betrekking op watten en artikelen van watten (postonderverdeling A) en noppen van textielstoffen (postonderverdeling B). Uit de lezing van de toelichtingen betreffende deze produkten komt onmiskenbaar naar voren dat geen van beide groepen uit afvalprodukten bestaat.
Zo hebben noppen, blijkens de omschrijving, een „min of meer langwerpige ronde vorm” en worden zij „in het algemeen ... verkregen door plukjes textielvezels ... tussen twee schijven te rollen”; dus ook wanneer hun grondstof uit afval bestaat, hebben zij een bewerking ondergaan die hen deze hoedanigheid ontneemt. Deze vaststelling is ongetwijfeld van bijzonder belang waar het goederen betreft die zijn ingedeeld onder dezelfde postonderverdeling als scheerhaar en waarvoor dezelfde invoerrechten gelden. Het valt onder deze omstandigheden moeilijk in te zien waarom in post 59.01, of sterker nog, in postonderverdeling 59.01 B alleen scheerhaar als afval moet worden beschouwd.
c)
Er moet nog een laatste horde worden genomen voordat kortgesneden vezels van synthetische stoffen, met een lengte van 6 à 7 mm als „scheerhaar van synthetische textielstoffen” onder post 59.01 B kunnen worden ingedeeld: dit is hun lengte.
Volgens de toelichtingen is scheerhaar van de in het hoofdgeding omstreden soort, de soort die wordt verkregen door versnijding van textielkabel of textielvezels, „in het algemeen tot 2 mm” lang. Volgens het Hauptzollamt en de Commissie moet deze aanwijzing eng worden uitgelegd, maar het daarvoor aangevoerde argument, ontleend aan de omstandigheid dat scheerhaar noodzakelijkerwijze poederachtig van aard is, heb ik reeds van de hand gewezen. Anders dan het Hauptzollamt en de Commissie meen ik dan ook dat de aanwijzing betreffende de lengte in de toelichtingen op post 56.01 en in die op post 59.01 op gelijke wijze moet worden uitgelegd. Mijns inziens wordt zowel met de woorden „in het algemeen tot 2 mm” (post 59.01) als met „gewoonlijk ... van 2,5 tot 18 cm” (post 56.01) de normale lengte van de onder deze posten vallende vezels aangegeven, en doen zij tegelijkertijd tot uitdrukking komen dat op deze lengte uitzonderingen kunnen voorkomen. Daar 6 à 7 mm veel dichter bij 2 mm — het voor scheerhaar genoemde maximum — ligt dan bij 25 mm — het voor stapelvezels vermelde minimum —, lijkt de logica onder deze omstandigheden mee te brengen dat de vezels van de aangegeven lengte veeleer onder post 59.01 B dan onder post 56.01 A worden ingedeeld.
Deze indeling is ongetwijfeld niet de ideale oplossing, al was het alleen maar vanwege het heterogene karakter van het begrip „scheerhaar” in het tarief, waaronder, zoals wij hebben gezien, nogal uiteenlopende produkten worden samengevat. Dit is ook de opvatting van een van de door verzoekster in het hoofdgeding geraadpleegde instellingen, de „Öffentliche Prüfstelle und Textilinstitut für Vertragsforschung”, die „na een diepgaand onderzoek van de beide tariefposten” tot de conclusie komt dat „de kortgesneden vezels onder geen van beide aangevoerde posten zijn onder te brengen.” Zoals is gesuggereerd, is de beste methode om het thans voor vezels van 2 tot 25 mm bestaande juridische vacuüm op te vullen, ongetwijfeld een uitdrukkelijke vermelding van kortgesneden vezels onder een bestaande of in te stellen tariefpost.
Dit neemt niet weg dat ik bij de huidige stand van het recht moet concluderen dat uw Hof voor recht verklare dat:
—
kortgesneden synthetische stapelvezels met een lengte van 6 à 7 mm, als scheerhaar van synthetische textielstoffen onder post 59.01 BI van het gemeenschappelijk douanetarief vallen.
( 1 ) Vertaald uit het Frans.
( 2 ) De Nederlandse telisi luidt: „Synthetische of kunstmatige stapelvezels: A. Synthetische vezels.” (N.v.d.V,).
( 3 ) De Nederlandse leksi luidt: „... stapelvezels en afval van ... vezels ..., gekaard, gekamd of up andere wijze bewerkt met het oog op liet spinnen.” (N.v.d.V.)
( 4 ) In de Nederlandse versie:
„B.
Scheerbaar (tontisse) I'll noppen:
I.
van synthetische of van kunstmatique textielstof-fen
II.
van andere texlielstoffen.” (N.v.d.V.)
Full & Egal Universal Law Academy