CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL
F. CAPOTORTI
VAN 12 NOVEMBER 1980 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1.
Het onderhavige beroep, ingesteld krachtens artikel 36, tweede alinea, EGKS-Verdrag, strekt primair tot nietigverklaring van de individuele beschikking van 31 oktober 1979 waarbij de Commissie aan de vennootschap Acciaierie e Ferriere Lucchini een geldboete oplegde wegens schending van algemene beschikking nr. 3000/77/EGKS van 28 december 1977 houdende invoering van minimumprijzen voor bepaalde ijzer- en staalprodukten. In haar inleidend verzoekschrift had verzoekster primair de onwettigheid van laatstgenoemde beschikking gesteld, maar na 's Hofs arrest van 18 maart 1980 (gevoegde zaken 154/78, 205 en 206/78, 226-228/78, 263 en 264/78, 31, 39, 83 en 85/79, Valsabbia e.a., Jurispr. 1980, blz. 907, de zogenoemde „betonstaal-zaken”) is in repliek van dit middel afgezien. Wat overblijft is, primair, het verzoek tot nietigverklaring van bedoelde individuele beschikking „wegens onwettigheid voortkomende uit eigen gebreken”; subsidiair vraagt verzoekster bovendien dat het Hof, krachtens de bij genoemd artikel 36 verleende volledige rechtsmacht, de boete verlaagt tot een „louter symbolisch” bedrag.
De Commissie verwijt Lucchini twee inbreuken op het stelsel van minimumprijzen: prijsonderbiedingen bij een aantal verkopen van staafstaal naar Frankrijk tussen 9 maart en 17 mei 1978, en het niet-toepassen van kwaliteits- en kwantiteitstoeslagen bij een aantal verkopen van hetzelfde produkt naar Duitsland in de periode 1 september- 11 november 1978. Voor beide inbreuken — en rekening houdend met hun aard, het bedrag van de prijsonderbiedingen en de financiële positie van Lucchini — werd deze laatste veroordeeld tot een boete van 25000 ERE. Hierbij zij opgemerkt dat, aangezien de prijsonderbiedingen bij de eerste groep verkopen (ongeveer FF 32000) veel geringer waren dan die bij de tweede groep (ongeveer DM 235000), de overtredingen in het kader van de verkopen naar Duitsland zeker zwaarder hebben gewogen bij de bepaling van het boetebedrag.
Tegen de beschikking van de Commissie voert verzoekster drie middelen aan: schending van het afgeleid gemeenschapsrecht, schending van de algemene rechtsbeginselen en schending van wezenlijke vormvoorschriften.
2.
Met betrekking tot het eerste middel moet mijns inziens worden beklemtoond dat bij alle betrokken verkopen de prijzen waren vastgesteld volgens de door artikel 60, lid 2, sub b, EGKS-Verdrag en artikel 6 van beschikking nr. 3000/77 toegelaten aanpassingsmethode. Dit dient men steeds voor ogen te houden bij de vraag of Lucchini krachtens het gemeenschapsrecht al dan niet verplicht is, zijn Duitse klanten boven de basisprijzen de zogenoemde kwaliteits- en kwantiteitstoeslagen in rekening te brengen.
Wat de kwaliteitstoeslagen betreft, beantwoordt de Commissie deze vraag bevestigend, maar verzoekster brengt hiertegen in, dat die toeslagen ex lege in de voorgeschreven minimumprijzen waren inbegrepen. Dit zou volgen uit artikel 2, lid 1, van verordening nr. 3000/77, bepalende dat „de minimumprijzen basisprijzen zijn, af pariteitspunten, met inbegrip van kwaliteitstoeslagen”. Een bevestiging a contrario van die stelling zou kunnen worden afgeleid uit het feit dat in algemene beschikking nr. 3139/78 van 29 december 1978 inzake de vaststelling van minimumprijzen voor dezelfde produkten als hier bedoeld, de communautaire wetgever de woorden „met inbegrip van kwaliteitstoeslagen” heeft weggelaten.
Verweerster daarentegen legt artikel 2, lid 1, van beschikking nr. 3000/77 aldus uit, dat de wettelijke minimumprijs de eventueel in vorige prijsschalen van de ondernemingen vermelde toeslagen slechts zou omvatten voor de kwaliteiten waarvoor een wettelijke minimumprijs was vastgesteld en die zijn vermeld in artikel 1, lid 2, van de beschikking. Zulks zou niet het geval zijn met staafstaal, aangezien de in artikel 1, lid 2, sub b, vermelde kwaliteit de basiskwaliteit is („staafstaal van gewoon zacht staal”), waarvoor geen enkel prijssupplement geldt. Voor de betere kwaliteiten zouden echter normaal toeslagen zijn voorzien, ook in verzoeksters prijsschaal.
Ik merk op, dat in de betwiste bepaling wordt verwezen naar de minimumprijzen die ongetwijfeld in de context van beschikking nr. 3000/77, de in artikel 1, lid 2, bepaalde prijzen zijn voor de aldaar opgesomde produkten. De stelling van de Commissie lijkt mij derhalve correct. Maar waar het ging om verkopen tegen aangepaste prijzen, moest in elk geval worden uitgegaan van een Duitse schaalprijs, en het lijdt geen twijfel dat in de Duitse prijsschalen steeds kwaliteitstoeslagen zijn voorzien. Na de invoering van het stelsel van minimumprijzen was de afschaffing of vermindering van dergelijke toeslagen uitdrukkelijk verboden: zie artikel 4, lid 2, van beschikking nr. 3000/77. In deze redenering past ook artikel 4, lid 3, van die beschikking, dat spreekt van „werkelijke” schaalprijzen, waarbij de kwaliteit in aanmerking is genomen, en dat bepaalt dat „de verschillen tussen deze werkelijke prijzen en de minimumprijzen moeten worden beschouwd als prijstoeslagen voor kwaliteit”. Om tot de minimumprijs te komen, moet van de werkelijke prijs dus worden afgetrokken het gedeelte dat met een bijzondere kwaliteit overeenkomt: dit houdt in dat de minimumprijs de toeslag niet omvat.
Verzoekster tracht ook een argument te ontlenen aan rechtsoverweging 176 van het reeds aangehaalde arrest van 18 maart 1980, waar wordt gesteld dat
„... de minimumprijzen volgens artikel 2 van beschikking nr. 3000/77 basisprijzen zijn met inbegrip van kwaliteitstoeslagen, terwijl in artikel 2 van beschikking nr. 962/77 alleen maar was gezegd dat de minimumprijzen basisprijzen zijn. Per 1 januari 1978, toen beschikking nr. 3000/77 in werking trad, waren in de minimumprijzen derhalve de kwaliteitstoeslagen begrepen, welke toeslagen bij de in beschikking nr. 962/77 genoemde minima konden worden opgeteld.”
Mijns inziens heeft het Hof daarbij niet geheel uitgesloten dat voor de produkten van betere kwaliteit dan die omschreven in artikel 1 van beschikking nr. 3000/77, de kwaliteitstoeslagen vermeld in de prijsschalen van de producenten los van de basisprijzen moeten worden berekend, en dus tot prijssupplementen leiden. De geciteerde passage van het arrest moet aldus worden verstaan dat, na de inwerkingtreding van beschikking nr. 3000/77, de voor de produkten van artikel 1, lid 2, van die beschikking eventueel in de prijsschalen vermelde kwaliteitstoeslagen moeten worden beschouwd als inbegrepen in de minimumprijzen voor die produkten. In werkelijkheid geldt dit alleen voor „betonstaal met verbeterde hechting” (artikel 1, lid 2, sub d), waarvan de eigenschappen superieur zijn aan die van glad betonstaal van gewoon hard staal (sub c). In elk geval herhaal ik dat het in casu ging om prijzen die niet rechtstreeks in de prijsschaal van de producent voorkwamen, doch door aanpassing waren bepaald, en ik heb reeds uitgelegd dat zulks elke twijfel wegneemt omtrent de noodzaak de prijssupplementen vermeld in de prijsschaal waarnaar de verkoper zich richt, in rekening te brengen. De communautaire regeling laat immers niet toe, dat de toegepaste prijs neerkomt op een prijs ter plaatse van de levering, welke lager is dan die van de onderneming aan wier prijsschaal de aanpassing geschiedde: zie artikel 3 van algemene besschikking nr. 30/53/EGKS.
De tot dusver onderzochte grief kan derhalve niet worden aanvaard. Toch moet worden erkend dat artikel 2, lid 1, van beschikking nr. 3000/77, zoals verweerster trouwens zelf erkent, allesbehalve duidelijk is geformuleerd en dat die slechte formulering degenen tot wie het voorschrift was gericht, in verwarring kon brengen. Daarmee zou het Hof rekening kunnen houden wanneer het beoordeelt of de boete passend is.
3.
Het gemeenschapsrecht zou volgens verzoekster evenmin in acht zijn genomen waar de Commissie haar verwijt, bij de betwiste verkopen de kwaliteitstoeslagen of de prijssupplementen voor kleine leveranties niet te hebben toegepast. Te dien aanzien verklaart Lucchini dat het voor haar geen extra onkosten meebrengt wanneer zij aan haar afnemers telkens een kleine hoeveelheid staafstaal tegelijk levert, en dat zij daarom in haar prijsschalen geen enkele kwantiteitstoeslag vermeldt en er ook geen toepast. Zulks zou ook objectief gerechtvaardigd zijn door liet feit dat het specifieke gebruik dat van het door verzoekster vervaardigde staafstaal wordt gemaakt, in het algemeen bestellingen van minder dan vijf ton impliceert. Het zou derhalve in overeenstemming zijn met de marktcondities om de prijzen niet met een supplement voor kleine hoeveelheden te verhogen. Wat vervolgens de lengtetoeslagen betreft, stelt verzoekster dat zij de lengte van vier meter, die andere producenten voor een superieure eigenschap zouden houden, als handelskwaliteit beschouwt.
Verweerster betwist die verklaringen van Lucchini betreffende haar normale handelspraktijk niet; zij wijst er echter op, dat wanneer de prijs wordt bepaald door aanpassing, de prijsschaal van de onderneming aan wier voorwaarden die aanpassing gebeurt, moet worden toegepast in al haar elementen, namelijk de basisprijs, de kwaliteits- en kwantiteitstoeslagen, en de leveringstermijnen. Het behoeft nauwelijks betoog dat ik die opvatting deel, zoals reeds uit de voorgaande overwegingen blijkt. Ongetwijfeld is het een ijzer- en staalbedrijf geoorloofd, in zijn prijsschaal geen enkele kwantiteitstoeslag te bepalen; het is daardoor echter niet ontslagen van de verplichting om, wanneer het gebruik maakt van de aanpassingsmethode, de toeslagen van de prijsschaal waarnaar het zich richt, boven de prijs in rekening te brengen.
Aangezien Lucchini niet had aangegeven naar welke Duitse prijsschaal zij zich precies richtte en het verkochte staal in Oberhausen is geleverd, heeft de Commissie zich in casu gerefereerd aan een der prijsschalen voor die leveringsplaats. Deze prijsschalen voorzagen alle in vrijwel gelijke supplementen voor kleine hoeveelheden en lengte. Het is dus duidelijk dat verzoekster, door in haar verkoopprijzen voor Duitsland de door haar Duitse concurrenten toegepaste kwantiteitstoeslagen niet op te nemen, de aanpassingsregels en daarmee ook de regels inzake de minimumprijzen heeft geschonden.
Dit laatste punt verdient nadere toelichting. Wanneer de aanpassingsmethode nauwkeurig wordt gevolgd, dan moet het ervoor worden gehouden dat de bepalingen inzake de minimumprijzen zijn nagekomen, aangezien die methode uitdrukkelijk door beschikking nr. 3000/77 wordt toegestaan en de prijsschalen van de communautaire ondernemingen met de in die beschikking vastgestelde prijzen in overeenstemming moeten zijn. Dat is door het Hof in het licht gesteld in het reeds aangehaalde arrest van 18 maart 1980 inzake betonstaal (r.o. 153-155); ook is duidelijk verklaard dat een onderneming die een lagere verkoopprijs toepast dan waartoe zij zou zijn gekomen bij toepassing van de prijsschaal waarnaar zij zegt zich te hebben gericht, in strijd komt zowel met de bepalingen van artikel 60, lid 2, EGKS-Verdrag betreffende aanpassing, als met die van artikel 61 inzake het stelsel van minimumprijzen. Verzoeksters argument, dat de haar verweten handelwijze (slechte toepassing van de aanpassingsmethode) niet terzelfdertijd zou kunnen worden beoordeeld en gesanctioneerd volgens de regels inzake aanpassing en volgens die inzake de minimumprijzen, moet dus worden verworpen. Het tegendeel is waar, zodat de Commissie terecht de in casu vastgestelde inbreuken bestraft op grond van de bepalingen inzake de minimumprijzen.
4.
Het tweede middel is, zoals reeds gezegd, ontleend aan schending van algemene rechtsbeginselen. Te dien aanzien beroept verzoekster zich in de eerste plaats op het beginsel inzake bescherming van het gewettigd vertrouwen, wegens de tolerante houding van de Commissie jegens de ondernemingen die in de periode waarin de minimumprijsregeling gold, de aanpassingsmethode toepasten.
In haar verweerschrift heeft verweerster inderdaad toegegeven dat zij in die periode niet uit is geweest op een strikte toepassing van die regels. Die toegeeflijkheid is meermaals en op verscheidene wijzen tot uiting gekomen. Wanneer een onderneming die verklaarde de aanpassingsmethode te willen toepassen, daarbij niet zoals voorgeschreven een welbepaalde prijsschaal aanwees, doch zich beperkte tot de vermelding „aanpassing aan de Duitse prijsschaal”, aanvaardde de Commissie dat en maakte zij voor haar controle gebruik van een prijsschaal voor de door de betrokkene gekozen leveringsplaats. In andere gevallen, waarin een lagere prijs was berekend dan die van de prijsschaal waaraan de aanpassing gebeurde, doch niet beneden de minimumprijs, heeft de Commissie het verschil tussen toegepaste prijs en aanpassingsprijs niet als een ongeoorloofde prijsonderbieding bestraft. Zo heeft de Commissie echter in enige gevallen waarin geen supplementen voor kleine hoeveelheden in rekening waren gebracht, het bedrag van de prijsonderbiedingen lager berekend dan, rekening houdend met de prijsschalen waaraan de aanpassing was gebeurd, gerechtvaardigd zou zijn geweest.
De voornaamste gevolgtrekking die verzoekster uit die gedragslijn van de Commissie maakt, is dat deze laatste op het gebied van de aanpassing het vereiste van verwijzing naar een welbepaalde prijsschaal van een andere producent had laten varen. Overigens zouden ambtenaren van de Commissie de Italiaanse producenten ten tijde van de thans onderzochte feiten hebben gerustgesteld en hun hebben gezegd dat, in geval van verkoop aan de andere Lid-Staten van de Gemeenschap, toepassing van de aldaar vastgestelde minimumprijzen voldoende was. Van haar kant betwist de Commissie niet, ter zake van de aanpassing een tolerante houding te hebben aangenomen; zij geeft zelfs toe dat, wanneer niet aan een bepaalde prijsschaal werd gerefereerd, de minimumprijs als basisprijs werd aangenomen (de toeslagen waren in alle Duitse prijsschalen in grote lijnen identiek).
Gezien het voorgaande betoogt verzoekster dat de Commissie het beginsel inzake bescherming van het gewettigd vertrouwen schendt wanneer zij thans verlangt dat op de betrokken verkopen kwa-liteits- en kwantiteitstoeslagen — die volgens haar onlosmakelijk met een welbepaalde prijsschaal zijn verbonden — worden toegepast.
In dit verband dient te worden herinnerd aan een veelbetekenend precedent. In zaak 149/78 (Rumi, Jurispr. 1979, blz. 2523) had de vennootschap Rumi, die opkwam tegen een beschikking waarbij haar een boete was opgelegd wegens schending van de regels inzake bekendmaking van prijzen, onder meer gesteld dat die beschikking berustte op een te strikte uitlegging van de geldende regels, waarvan de Commissie in het verleden meermaals was afgeweken. In zijn arrest van 12 juli 1979 hield het Hof met dat argument geen rekening en bevestigde het dus impliciet de juistheid van het standpunt dat ik in mijn conclusie had verdedigd, namelijk dat de beweerde goede trouw van de onderneming de niet-nakoming van de wettelijke voorschriften niet kon rechtvaardigen, ook al had de Commissie in het verleden werkelijk een tolerante houding aangenomen en daarmee de verwachting gewekt dat in het betrokken geval haar houding dezelfde zou zijn. Ik voeg er nog aan toe, dat ik toen ook heb gezegd dat dergelijke elementen van betekenis zouden kunnen zijn bij de bepaling van het boetebedrag (Jurispr. 1979, blz. 2547).
Ik spreek opnieuw mijn overtuiging uit, dat een gedragslijn waarmee de administratie afwijkt van de normale toepassing van de wet waaraan zij ook zelf onderworpen is, hoe dan ook bij de geadministreerde geen gewettigd vertrouwen kan wekken. Dit klemt te meer, wanneer — zoals in casu — de onderneming erop uit is tot ruimere afwijkingen te komen, en niet enkel verder te profiteren van de door de administratie reeds vroeger toegestane, minder strenge toepassing van de wet.
Even irrelevant voor de vaststelling van de betwiste schending is mijns inziens de (door verzoekster ingeroepen, maar door verweerster bestreden) omstandigheid dat de producenten uit de andere staten de betrokken prijssupplementen niet zouden hebben toegepast. Wanneer volgens het aanpassingsstelsel de in de referentieprijsschaal vermelde kwaliteitstoeslagen in rekening moeten worden gebracht boven de basisprijs, dan kan het feit dat de concurrenten van Lucchini mogelijkerwijs niet volgens die regels hebben gehandeld, voor haar geen excuus opleveren om het zelf ook niet te doen.
Verder biedt het enige concrete element dat verzoekster op dit punt aanhaalt, in feite geen steun aan haar beweringen omtrent de toegeeflijkheid die de Commissie tegenover haar buitenlandse concurrenten aan de dag zou hebben gelegd. De clausule in de prijsschaal van de firma Thyssen (bijlage 11 bij het verweerschrift), waarin deze onderneming zich het recht voorbehoudt de bestelde hoeveelheid in gedeelten af te leveren, betekent immers niet dat de zogenoemde kwantiteitstoeslagen niet zullen worden toegepast bij bestellingen beneden de daar gespecificeerde tonnages.
Om al deze redenen moet het middel ontleend aan schending van het vertrouwensbeginsel ongegrond worden geacht.
5.
Een ander algemeen beginsel waarop verzoekster zich beroept, is het non-discriminatiebeginsel. Lucchini stelt door de Commissie discriminerend te zijn behandeld, doordat deze haar (althans in bepaalde gevallen) niet zou hebben toegestaan het supplement voor kleine hoeveelheden te beperken tot DM 60 per ton; deze regeling bestond reeds voor de handelaars en was vervolgens bij beschikking nr. 3139/78 van 29 december 1978 uitgebreid tot de producenten. Verzoekster noemt in dit verband enkele zaken waarin de Commissie bij de berekening van de betwiste prijsonderbiedingen is uitgegaan van een toeslag van DM 140.
Verweerster heeft te dien aanzien echter verklaard dat de door verzoekster genoemde gevallen uitsluitend betrekking hebben op verkopen met aanpassing, die hadden plaatsgevonden voordat de Commissie genoemde beschikking had vastgesteld. Dit is door verzoekster niet tegengesproken. Ik meen dus dat ook deze grief moet worden afgewezen.
6.
Verzoekster stelt tenslotte dat de Commissie rekening had moeten houden met de noodtoestand waarin zij zich zou hebben bevonden. Had zij de kwantiteitstoeslagen toegepast, dan zou zij niet enkel de penetratiemarge hebben verloren die de Commissie haar had toegestaan voor haar uitvoer binnen de Gemeenschap, maar zou zij bovendien boven de werkelijke prijs van de buitenlandse producenten zijn uitgekomen. Dit zou hebben geleid tot het verlies van haar traditionele markten binnen de Gemeenschap, die voor verzoekster van vitaal belang zijn.
Overeenkomstig uw rechtspraak terzake (ik verwijs met name naar het reeds aangehaalde arrest van 18 maart 1980 inzake betonstaal, r.o. 142-143), hangt de mogelijkheid de noodtoestand als rechtvaardigingsgrond te erkennen, in geval van schending van artikel 61 EGKS-Verdrag af van het bewijs dat de betrokken onderneming, bij een correcte toepassing van het gemeenschapsrecht inzake de minimumprijzen, ernstig met faillissement of opheffing bedreigd zou zijn geweest. In casu heeft verzoekster zeker niet weten aan te tonen dat zij, had zij zich volgens de voorschriften gedragen, haar bestaan op het spel had gezet. Mitsdien moet het op noodtoestand gegronde verweer worden verworpen.
7.
Blijft nog het derde middel, ontleend aan schending van wezenlijke vormvoorschriften. Volgens verzoekster zou uit de bestreden individuele beschikking, voor zover zij de in Duitsland gerealiseerde verkopen betreft, niet zijn te achterhalen welke methode de Commissie heeft gevolgd bij de bepaling van de prijsonderbiedingen en bijgevolg van de boete. Lucchini merkt op, dat de in bijlage II bij de beschikking opgenomen tabel inzake genoemde inbreuken enkel globale bedragen voor elke groep prijsonderbiedingen vermeldt, zodat de details van de berekening niet kunnen worden gecontroleerd en de nettobedragen niet kunnen worden ontleed in basisprijzen en verschuldigde kwaliteitstoeslagen.
Bijlage II bij de betrokken beschikking vermeldt, geval per geval, nummer en datum van de factuur, de aard van de inbreuk (niet-toepassing van de toeslag voor lengte, voor kwaliteit of voor kleine hoeveelheden) en het bedrag van de prijsonderbieding voor elke niet aangehouden post van de referentieprijsschaal. Weliswaar expliciteren die gegevens niet alle stappen van de berekening waarmee de Commissie voor elke onderzochte verkoop het bedrag van de betwiste prijsonderbieding heeft vastgesteld. Opgemerkt zij evenwel dat de Commissie, door verzoekster om ophelderingen verzocht, bij brieven van 18 januari 1979 (bijlage 3 bij het verweerschrift) en 8 februari 1979 (bijlage 5 bij het verweerschrift), uitleg heeft verstrekt over de gevolgde berekeningsmethoden. Tijdens de hoorzitting van 7 mei daaropvolgende heeft de betrokken onderneming niet opnieuw vragen hierover gesteld, en zich ertoe beperkt de problemen in economische en politieke, veeleer dan juridische termen te bespreken. Het lijkt derhalve redelijk daaruit af te leiden dat de aanklacht haar duidelijk voorkwam.
In principe acht ik de mogelijkheid van een doeltreffende rechterlijke bescherming die moet worden geboden aan de onderneming waartoe een voor haar nadelige beschikking is gericht, en de mogelijkheid voor het Hof om de wettigheid van een dergelijke beschikking op doeltreffende wijze te controleren, voldoende verzekerd wanneer de onderneming in de loop van de administratieve procedure die tot de beschikking heeft geleid, in kennis is gesteld van alle essentiële gegevens aan de hand waarvan de Commissie het bedrag van de in de boetebeschikking vermelde prijsonderbiedingen heeft berekend. Mijns inziens moet dus het middel ontleend aan schending van wezenlijke vormvoorschriften wegens onvoldoende motivering, worden afgewezen.
Enige toelichtingen, door de Commissie in haar verweerschrift verstrekt, stellen ons verder in staat bepaalde andere, meer specifieke grieven die verzoekster in het kader van haar laatste middel had aangevoerd, als weerlegd te beschouwen. Verweerster heeft immers gepreciseerd dat zij in de boetebeschikking het verwijt inzake het niet in rekening brengen van een supplement van DM 3,5 per ton als kosten voor het laden op vrachtwagen, niet heeft gehandhaafd, en van het bedrag van de prijsonderbiedingen de handelskorting van 2,5 % heeft afgetrokken (hetgeen overigens blijkt uit de laatste kolom van de tabellen in bijlage II bij de bestreden beschikking). Wat de korting van DM 5 per ton betreft (Vertragsrabatt), die was reeds door de onderneming afgetrokken. Verzoekster heeft in haar conclusie van repliek op die punten niets tegengeworpen. Het lijkt mij derhalve gerechtvaardigd de door verweerster aangevoerde feiten als juist te beschouwen, zodat de bedoelde grieven van Lucchini verder buiten beschouwing kunnen blijven.
8.
Op grond van een en ander houd ik geen enkel door verzoekster tegen de beschiking van de Commissie van 31 oktober 1979 opgeworpen middel voor gegrond. Ik concludeer mitsdien dat het Hof de primaire vordering van verzoekster, strekkende tot nietigverklaring van bedoelde beschikking, afwijze. Ik heb echter gereleveerd dat bepaalde, voor de handelwijze van verzoekster doorslaggevende omstandigheden tot onduidelijkheden konden leiden en onjuiste verwachtingen konden wekken, met name de gebrekkige formulering van artikel 2, lid 1, van beschikking nr. 3000/77 en de toepassing van de aanpassingsregels. Ook al kunnen zij de geldigheid van de bestreden beschikking niet aantasten, zij rechtvaardigen mijns inziens een verlaging van de aan verzoekster opgelegde boete. Ik stel voor, die verlaging vast te stellen op ten minste een derde van het boetebedrag. Dienovereenkomstig zou verweerster een derde van de proceskosten moeten dragen, terwijl de overige twee derde ten laste van verzoekster zouden komen.
( *1 ) Vertaald uit het Italiaans.
Full & Egal Universal Law Academy