CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL J.-P. WARNER
van 16 september 1980 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne beren Rechters,
Deze zaak is krachtens artikel 177 EEG-Verdrag aan het Hof voorgelegd bij vonnis van de Arbeidsrechtbank te Charleroi. Verzoeker in de procedure voor de Arbeidsrechtbank is Remo D'Amico, een in België wonende Italiaan. Verweerder is de Rijksdienst voor werknemerspensioenen (RWP). Het geschil betreft D'Amico's ouderdomspensioen.
De feiten zijn de volgende.
D'Amico is op 12 maart 1932 in Italië geboren. Vanaf maart 1947 (toen hij 15 jaar oud was) tot september 1952 (toen hij 20 1/2 jaar oud was) werkte hij in Italië als landarbeider; als zodanig betaalde hij gedurende 194 weken bijdragen aan het Italiaanse stelsel van sociale zekerheid. Daarop ging hij naar België, waar hij tot 5 juli 1973 als ondergronds mijnwerker werkzaam was. Op die datum moest hij wegens ziekte zijn werk neerleggen. Met ingang van 1 november 1973 ontving hij een Belgisch invaliditeitspensioen uit hoofde van de bijzondere regeling voor mijnwerkers. Gelijktijdig kreeg hij uit hoofde van de door hem in Italië vervulde verzekeringsperioden recht op een Italiaans invaliditeitspensioen.
Naar D'Amico ons meedeelde kan hij op dat Italiaanse pensioen aanspraak maken dankzij samentelling en berekening prorata van zijn Italiaanse en Belgische verzekeringsperioden overeenkomstig 's Raads verordening nr. 1408/71; anders zou hij daarop geen recht hebben gehad. Volgens de Italiaanse regering daarentegen was D'Amico in Italië lang genoeg verzekerd geweest om krachtens de Italiaanse regeling alleen buiten de bepalingen van het gemeenschapsrecht om aanspraak te hebben op een Italiaans invaliditeitspensioen. Gelukkig geloof ik niet dat de beantwoordig van de in casu aan het Hof voorgelegde vraag ervan afhangt, wie hier gelijk heeft. D'Amico deelde verder mee, dat ingevolge de Belgische bepalingen inzake samenloop van uitkeringen het bedrag van zijn Italiaans pensioen in mindering was gebracht op zijn Belgisch invaliditeitspensioen, maar ook dit is voor ons niet van belang.
Per 1 oktober 1977 werd D'Amico's Belgisch invaliditeitspensioen omgezet in een ouderdomspensioen. Dit was het gevolg van zijn verzoek om toepassing van zekere bepalingen van het Koninklijk Besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers (Belgisch Staatsblad van 27 oktober 1967, blz. 11258). Artikel 10, paragraaf 2, van dat KB, zoals gewijzigd bij de wetten van 26 juni 1972 (Belgisch Staatsblad van 30 juni 1972, blz. 7738) en van 28 maart 1975 (Belgisch Staatsblad van 8 april 1975, biz. 4108) bepaalt, voor zover hier van belang:
„De werknemer die ten minste twintig jaar gewoonlijk en hoofdzakelijk als mijnwerker te werk gesteld is geweest, kan een rustpensioen bekomen dat verworven is naar rata van een dertigste per kalenderjaar tewerkstelling als mijnwerker. Zo hij geen dertig, doch ten minste vijfentwintig kalenderjaren gewoonlijk en hoofdzakelijk als mijnwerker in de mijnen of steengroeven met ondergrondse winning tewerkgesteld is geweest, wordt hij geacht blijk te geven van een gewoonlijke en hoofdzakelijke tewerkstelling in die hoedanigheid gedurende een aantal bijkomende kalenderjaren dat gelijk is aan het verschil tussen dertig en het aantal in die hoedanigheid op gewoonlijke en hoofdzakelijke wijze bewezen kalenderjaren. Elk van deze bijkomende jaren wordt als een jaar van tewerkstelling in de ondergrond der steenkolenmijnen gelegen vóór 1955 beschouwd”.
Een mijnwerker kan dus naar Belgisch recht na 20 jaar mijnarbeid met pensioen gaan; hij krijgt dan een overeenkomstig het aantal gewerkte jaren verlaagd ouderdomspensioen. Wanneer hij echter 25 jaar ondergronds werkzaam is geweest, wordt hij geacht in totaal 30 jaar te hebben gewerkt en heeft hij recht op een volledig pensioen. Bovendien gelden perioden waarin een mijnwerker invaliditeitsuitkeringen heeft ontvangen, voor de toepassing van artikel 10, paragraaf 2, als tijdvakken van arbeid. Zodoende kon D'Amico in oktober 1977 stellen dat hij gedurende 25 jaar werkzaam was geweest en recht had op een volledig ouderdomspensioen.
De RWP kende hem een dergelijk pensioen toe, doch verlaagde het — overeenkomstig de naar zijn zeggen normale praktijk ten aanzien van migrerende werknemers — tot 26/30 van het volle bedrag, om te voorkomen, zoals de RWP verklaarde, dat bepaalde verzekeringstijdvakken D'Amico tweemaal zouden worden toegerekend, namelijk eerst als daadwerkelijk vervulde tijdvakken in Italië en vervolgens als fictieve Belgische tijdvakken. De reden waarom de verlaging slechts 4/30 bedroeg en niet zoals men zou kunnen verwachten 51/2 /30, was dat volgens het KB — waarvan ik u de details zal besparen — de periode waarin D'Amico in Italië werkzaam was geweest, slechts op vier jaar gesteld.
Voor de Arbeidsrechtbank te Charleroi betwist D'Amico de rechtmatigheid van die verlaging. Zoals bekend heeft het Hof meermalen beslist dat een Lid-Staat regeling mag treffen ter voorkoming van cumulatie van krachtens zijn eigen wetgeving vervulde verzekeringstijdvakken met daadwerkelijk in een andere Lid-Staat vervulde tijdvakken (zaak 12/67, Guisard, Jurispr. 1967, blz. 569, 581; zaak 50/75, Massonet, Jurispr. 1975, blz. 1473, 1484). D'Amico heeft voor de Arbeidsrechtbank echter niet gesteld dat de verlaging van zijn pensioen onverenigbaar was met het gemeenschapsrecht, doch dat het Belgische recht geen bepaling bevat die die verlaging toelaat. Tot staving daarvan verwees hij naar een vonnis van 29 juni 1979 van de Arbeidsrechtbank te Luik (R. G. Nr. 6463/78, RWP/Schiabello). Het oorspronkelijk aan de Arbeidsrechtbank voorgelegde probleem betrof dus uitsluitend Belgisch recht.
De arbeidsauditeur bij de Arbeidsrechtbank bracht echter eigener beweging een nieuw punt ter sprake, namelijk dat D'Amico krachtens artikel 25 van het KB in het geheel geen recht had op Belgisch ouderdomspensioen. Dit artikel, zoals gewijzigd bij artikel 10 van de wet van 27 juli 1971 (Belgisch Staatsblad van 11 augustus 1971, blz. 9410), luidt — voor zover hier van belang — als volgt:
„Uitgezonderd in de gevallen en onder de voorwaarden door de Koning bepaald zijn het rust- en overlevingspensioen slechts uitbetaalbaar zo de gerechtigde geen beroepsarbeid uitoefent en zo hij geen vergoeding geniet wegens ziekte, invaliditeit of onvrijwillige werkloosheid bij toepassing van een Belgische of van een buitenlandse wetgeving inzake sociale zekerheid”.
De arbeidsauditeur was van mening dat dit een bepaling inzake schorsing van uitkeringen was, waarop krachtens artikel 12, lid 2, eerste zin, van verordening nr. 1408/71 een beroep kon worden gedaan, en dat daarom het feit dat D'Amico een Italiaans invaliditeitspensioen ontving, hem uitsloot van een Belgisch ouderdomspensioen.
Artikel 12, lid 2, luidt, voor zover hier van belang, als volgt:
„De bepalingen inzake vermindering, schorsing of intrekking waarin de wetgeving van een Lid-Staat voorziet ingeval van samenloop van een uitkering met andere uitkeringen van sociale zekerheid..., zijn op de rechthebbende van toepassing zelfs indien het gaat om uitkeringen welke op grond van de wetgeving van een andere Lid-Staat zijn verkregen... Deze regel is evenwel niet van toepassing indien de betrokkene gelijksoortige uitkeringen bij invaliditeit of ouderdom... geniet, welke door de organen van twee of meer Lid-Staten overeenkomstig de artikelen 46... worden vastgesteld”.
De reden waarom de RWP zich niet op deze bepaling had beroepen, was dat ingevolge een dienstnota van de minister van Sociale Voorzorg van 4 juli 1972, die in de plaats kwam van een vroegere dienstnota, een buitenlands invaliditeitspensioen, toegekend na het bereiken van hetgeen in België normaliter als de pensioengerechtigde leeftijd wordt beschouwd, als een ouderdomspensioen was te behandelen. Dit argument werd door de arbeidsauditeur echter afgewezen, op grond dat bij ministeriële nota of circulaire geen wijziging kan worden gebracht in de bepalingen van een KB.
Het was dit door de arbeidsauditeur aangesneden aspect, dat het Arbeidsgerecht aanleiding gaf de zaak naar het Hof te verwijzen. D'Amico betoogde dat zijn Italiaans invaliditeitspensioen geen „uitkering” in de zin van artikel 25 van het KB is, maar de Arbeidsrechtbank was het daarmee blijkbaar niet eens.
Een eventueel gelijk van de arbeidsauditeur zou opzienbarende gevolgen hebben. In hun bij het Hof ingediende opmerkingen hebben sommigen sterkere kwalificaties gebruikt. Zo sprak D'Amico van onbillijk („inique”), de Commissie van schokkend („choquant”) en de Raad van onaanvaardbaar („inacceptable”). Het zou betekenen dat D'Amico, door te kiezen voor omzetting van zijn Belgisch invalditeitspensioen in een ouderdomspensioen, — iets waartoe hij op het eerste gezicht volgens de Belgische wet het recht had —, uiteindelijk ieder recht op pensioen in België voor de 20 jaar dat hij daar heeft gewerkt, verliest en slechts het invaliditeitspensioen overhoudt dat hij heeft verdiend in de 51/2 jaar dat hij, voornamelijk nog als tiener, in Italië werkzaam was. De in het verwijzingsvonnis genoemde cijfers zijn veelzeggend. D'Amico's volledig Belgisch pensioen bedraagt BFR 254133 per jaar. Verlaagd tot 26/30, bedraagt het BFR 234925, te vermeerderen met een toelage van BFR 9405 in plaats van gratis steenkool. Zijn Italiaans pensioen heeft een tegenwaarde van BFR 28293.
Het staat wel vast dat er geen probleem zou zijn geweest indien D'Amico's Italiaans pensioen op of omstreeks hetzelfde tijdstip als zijn Belgisch pensioen in een ouderdomspensioen was omgezet. Partijen zijn het er echter over eens dat D'Amico's Italiaans pensioen onder de desbetreffende Italiaanse wetgeving nimmer kan worden omgezet in een ouderdomspensioen.
Zo D'Amico's Belgisch en Italiaans pensioen gelijksoortig waren gebleven, dan is het duidelijk welk beginsel van toepassing zou zijn geweest. Daarover zijn allen die opmerkingen bij het Hof hebben ingediend, het eens. Het is het beginsel dat is ontwikkeld in een bekende reeks van arresten, die door alle betrokkenen behalve de Belgische regering zijn aangehaald, namelijk de zaken 22/77 (Mura I, Jurispr. 1977, blz. 1699), 37/37 (Greco, ibid. biz. 1711), 98/77 (Schaap I, Jurispr. 1978, biz. 707), 105/77 (Boerboom-Kersjes, ibid. biz. 717) en 236/78 (Mura II, Jurispr. 1979, blz. 1819). Volgens deze arresten heeft de betrokkene in een dergelijk geval in de Lid-Staat waar het probleem zich voordoet, recht op het hoogste bedrag, dat wil zeggen ofwel het pensioen waarop hij aanspraak heeft krachtens enkel de wetgeving van die Lid-Staat in haar geheel, met inbegrip van eventueel daarin voorkomende anticumulaticvoorschriften, ofwel het pensioen waarop hij aanspraak heeft krachtens verordening nr. 1408/71 in haar geheel, met inbegrip van artikel 12, lid 2, tweede zin — uitsluiting van nationale anti-cumulatievoorschriften — en artikel 46, lid 3 — dat men een communautair anti-cumulatievoorschrift zou kunnen noemen. (Er zijn arresten blijkens welke in wezen hetzelfde beginsel geldt indien de oude verordening nr. 3 van toepassing is — zie met name zaak 26/78 (Viola, Jurispr. 1978, blz. 1771). In dat geval zou D'Amico, zo een Belgisch anti-cumulatievoorschrift ertoe zou leiden dat hij zijn recht op Belgisch pensioen geheel verliest, in België recht hebben gehad op een pensioen, berekend overeenkomstig de bepalingen van verordening nr. 1408/71, met name artikel 46, ongeacht het Belgische anti-cumulatievoorschrift.
Het is de vraag of hetzelfde beginsel hier van toepassing is, ondanks het feit dat alleen D'Amico's Belgisch pensioen in een ouderdomspensioen is omgezet. In de meeste memories die bij het Hof zijn ingediend, wordt meer of minder uitdrukkelijk gesteld dat het antwoord bevestigend moet luiden, en daartoe wordt dan gewezen op artikel 43 van verordening nr. 1408/71 en het arrest-Brouwer-Kaune (zaak 180/78, Jurispr. 1979, blz. 2111). De tegenovergestelde opvatting wordt door niemand verdedigd.
Artikel 43, dat deel uitmaakt van hoofdstuk 2 („Invaliditeit”) van Titel III van de verordening, draagt als opschrift „Omzetting van invaliditeitsuitkeringen in ouderdomsuitkeringen”. Het heeft drie leden, waarvan de eerste twee luiden als volgt:
„1.
De invaliditeitsuitkeringen worden eventueel in ouderdomsuitkeringen omgezet op de voorwaarden gesteld dooide wettelijke regeling of de wettelijke regelingen krachtens welke zij zijn toegekend, en overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk 3.
2.
Ieder orgaan van een Lid-Staat dat invaliditeitsuitkeringen verschuldigd is, blijft aan degene die in het genot is van invaliditeitsuitkeringen en die krachtens de wettelijke regelingen van andere Lid-Staten overeenkomstig artikel 49 aanspraak kan maken op ouderdomsuitkeringen, ook verder de invaliditeitsuitkeringen verlenen waarop de betrokkene krachtens de door dat orgaan toegepaste wettelijke regeling recht heeft, en wel tot het tijdstip waarop lid 1 door dit orgaan kan worden toegepast”.
Zoals bekend is hoofdstuk 3 — „Ouderdom en overlijden (pensioenen)” —, bestaande uit de artikelen 44-51, ingevolge artikel 40 van overeenkomstige toepassing op invaliditeitsuitkeringen, tenzij op de betrokken werknemer alleen wettelijke regelingen van toepassing zijn geweest, waarin het bedrag van de invaliditeitsuitkeringen onafhankelijk is van de duur van de verzekeringsperioden — algemeen bekend als wettelijke regelingen van type A.
Artikel 43, lid 3, bevat een voorbehoud dat enkel geldt in bepaalde gevallen, waarin invaliditeitsuitkeringen krachtens artikel 39 zijn toegekend. Dit is het geval bij werknemers die alleen onderworpen zijn geweest aan wettelijke regelingen van type A. Ik geloof niet dat lid 3 meer licht op het onderhavige geval werpt dan de leden 1 en 2.
Uit de leden 1 en 2 blijkt dat de opstellers van de verordening hebben gedacht aan het geval van een werknemer die in
verschillende Lid-Staten invaliditeitsuitkeringen ontvangt waarvan er één wordt omgezet in een ouderdomsuitkering. Lid 2 bepaalt uitdrukkelijk dat hij dan zijn invaliditeitsuitkering in de betrokken andere Lid-Staat of Lid-Staten blijft ontvangen. Uiteraard impliceert dit dat de verdere toekenning van deze invaliditeitsuitkering niet ertoe mag leiden dat de betrokkene zijn aanspraak op de ouderdomsuitkering waarin zijn invaliditeitsuitkering in de eerstbedoelde Lid-Staat is omgezet, verliest.
De moeilijkheid die dan ontstaat, is het gevolg van het feit dat de verordening nergens uitdrukkelijk bepaalt dat de bij toepassing van artikel 43 samenlopende invaliditeits- en ouderdomsuitkeringen moeten worden behandeld als „gelijksoortig” in de zin artikel 12, lid 2, tweede zin.
Ook bij gebreke van arresten die in deze richting wijzen, zou ik tot de conclusie zijn gekomen dat een dergelijke bepaling geïmpliceerd moet zijn, omdat men anders tot een absurd resultaat zou komen, dat bovendien onverenigbaar zou zijn met de zevende en achtste rechtsoverweging van verordening nr. 1408/71, welke luiden als volgt:
„Overwegende dat de coördinatievoorschriften, vastgesteld ter uitvoering van artikel 51 van het Verdrag, de werknemers die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, de verworven rechten en voordelen moeten waarborgen, zonder dat zij mogen leiden tot ongerechtvaardigde cumulaties;
Overwegende dat daartoe, wat betreft invaliditeits- en ouderdomsuitkeringen en uitkeringen bij overlijden (pensioenen), de betrokkenen in het genot moeten kunnen worden gesteld van alle uitkeringen waarop in de verschillende Lid-Staten recht is verkregen, tot ten hoogste de uitkering die door één van deze Staten verschuldigd zou zijn, indien de werknemer zijn beroepswerkzaamheden uitsluitend op het grondgebied van deze Staat had uitgeoefend, welk maximum nodig is ter voorkoming van ongerechtvaardigde cumulatie met name veroorzaakt door het samenvallen van verzekeringstijdvakken en daarmede gelijkgestelde tijdvakken”.
Verdere steun voor die opvatting is echter te vinden in de conclusie van advocaat-generaal Capotorti en in het arrest van het Hof in de zaak-Brouwer-Kaune. Advocaat-generaal Capotorti wees er in het bijzonder op dat, hoewel de zaken Mura, Greco, Schapp en Boerboom-Kersjes betrekking hadden op samenloop van gelijksoortige uitkeringen, het Hof zijn uitspraken in deze zaken niet uitdrukkelijk tot dat geval heeft beperkt; hij betoogde dat deze uitspraken evenzeer moeten gelden wanneer, zoals in het in artikel 43 bedoelde geval, sprake is samenloop van invaliditeits- en ouderdomsuitkeringen. Het is duidelijk dat het Hof deze opvatting deelde. Evenals ik, baseerde advocaat-generaal Capotorti zijn mening mede op de zevende en achtste overweging van verordening nr. 1408/71.
In bepaalde opzichten was de zaak-Brouwer-Kaune moeilijker dan de onderhavige. De Nederlandse rechter die die zaak naar het Hof verwees, interpreteerde de feiten aldus, dat mevrouw Brouwer-Kaune nimmer tegelijkertijd recht had gehad op twee invaliditeitspensioenen. Haar Duits invaliditeitspensioen was omgezet in een ouderdomspensioen voordat haar een Nederlands invaliditeitspensioen werd toegekend. Daarom viel haar geval eigenlijk niet binnen de termen van artikel 43, lid 2. Volgens het Hof vertoonde dit artikel echter een leemte, waarin door analogie moest worden voorzien. Het Hof voegde hieraan toe: „Indien deze oplossing niet kon worden aanvaard, zou het er zelfs voor mogen worden gehouden dat de Raad de krachtens artikel 51 van het Verdrag op hem rustende verplichting om op het gebied van de sociale zekerheid de nodige maatregelen voor de totstandbrenging van een vrij verkeer van werknemers te treffen, niet volledig was nagekomen”. Dit zou ook het geval zijn indien moest worden aangenomen dat de tweede zin van artikel 12, lid 2, in casu niet toepasselijk kan zijn.
Dan blijft nog het probleem, hoe het antwoord op de door de Arbeidsrechtbank te Charleroi naar het Hof verwezen vragen het best kan worden geformuleerd. Dit probleem vloeit voort uit de ruime en, in sommige opzichten, weinig gelukkige bewoordingen waarin die vragen zijn gesteld. Zij luiden als volgt:
„ Wanneer een oud-werknemer van Italiaanse nationaliteit en minder dan 60 jaar oud in België woont
wanneer zijn 25 daadwerkelijk als ondergronds mijnwerker in België vervulde dienstjaren als een volledige loopbaan (30/30) van ondergronds mijnwerker worden erkend,
wanneer hem op basis van dienstjaren in Italië een Italiaans invaliditeitspensioen wordt toegekend,
(1)
is dan artikel 25 van Koninklijk Besluit nr. 50 (zoals gewijzigd bij artikel 10 van de wet van 27 juli 1971) betreffende het rust- en overlevingspensioen van de werknemers, verenigbaar met het doel van de artikelen 12, 46 en 50 van verordening nr. 1408/71 van de Raad?
(2)
is clan artikel 25 van voornoemd Koninklijk Besluit verenigbaar met de artikelen 48-51 EEG-Verdrag?
(3)
zijn de artikelen 12, 46 en 50 van verordening nr. 1408/71 van de Raad verenigbaar met de artikelen 48-51 EEG-Verdrag?
Over de formulering van deze vragen kan het volgende worden opgemerkt.
In de eerste plaats is het uit het oogpunt van gemeenschapsrecht niet van belang of de betrokken werknemer jonger of ouder is dan 60 jaar.
In de tweede plaats is bij een verwijzing krachtens artikel 177 het Hof niet bevoegd rechtstreeks uitspraak te doen over de vraag of artikel 25 van het Koninklijk Besluit al dan niet verenigbaar is met het gemeenschapsrecht. Is echter hetgeen ik over het gemeenschapsrecht heb gezegd, juist, dan rijst deze vraag niet. Want als de arbeidsauditeur gelijk heeft met zijn stelling, dat D'Amico op grond van artikel 25 geen recht heeft op ouderdomspensioen krachtens enkel de Belgische wet, dan heeft hij in elk geval, ongeacht artikel 25, aanspraak op een Belgisch pensioen krachtens de ter zake toepasselijke bepalingen van verordening nr. 1408/71.
In de derde plaats is het onwaarschijnlijk dat artikel 50 van verordening nr. 1408/71 in casu van belang is. De reden waarom de Arbeidsrechtbank artikel 50 noemt, is waarschijnlijk dat de RWP in het geval van een migrerend werknemer diens volledig Belgisch pensioen als een „minimum uitkering” in de zin van artikel 50 pleegt te beschouwen en een aanvullend bedrag uitkeert wanneer het — overeenkomstig de eerder vermelde praktijk van de RWP verlaagde — Belgische pensioen tezamen met de in andere Lid-Staten ontvangen uitkeringen een bedrag oplevert dat kleiner is dan het volledige Belgische pensioen. Dit deed zich in casu niet voor, omdat de som van D'Amico's verlaagd Belgisch pensioen en zijn Italiaans pensioen meer was dan het volledige Belgische pensioen. In ieder geval geloof ik niet dat het Hof, voor wat artikel 50 betreft, nog iets zinvols kan toevoegen aan hetgeen het overwoog in zaak 64/77 (Torri, Jurispr. 1977, blz. 2299), waarnaar de RWP, de Raad en de Commissie hebben verwezen.
In de vierde plaats, indien ik gelijk heb met betrekking tot hetgeen de ter zake relevante bepalingen van verordening nr. 1408/71 lijken te impliceren, dan doet deze zaak geen problemen rijzen ten aanzien van de verenigbaarheid van een of meer dezer bepalingen met de artikelen 48-51 EEG-Verdrag.
Liever dan een rechtstreeks antwoord te zoeken op de vragen van de Arbeidsrechtbank, zou het Hof dan ook een uitspraak moeten zien te formuleren die de verwijzende rechter het best kan helpen om een oplossing te vinden voor het geschil. Die uitspraak zou aldus kunnen luiden:
Indien een werknemer wegens een anti-cumulatievoorschrift in de wetgeving van een Lid-Staat geen aanspraak kan doen gelden op een ouderdomspensioen waarop hij anders recht zou hebben krachtens enkel die wetgeving, dient het bevoegde orgaan van die Lid-Staat hem het ouderdomspensioen toe te kennen waarop hij krachtens de artikelen 44-51 van verordening nr. 1408/71 van de Raad aanspraak kan maken. Wanneer zijn ouderdomspensioen voortvloeit uit de omzetting van een invaliditeitsuitkering, moeten invaliditeitsuitkeringen die hem in een andere Lid-Staat krachtens artikel 43, lid 2, van de verordening verder worden uitbetaald, voor de toepassing van artikel 12, lid 2, van deze verordening worden behandeld alsof zij gelijksoortig zijn met dat ouderdomspensioen.
( 1 ) Vertaald uit het Engels
Full & Egal Universal Law Academy