CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL H. MAYRAS
VAN 17 SEPTEMBER 1980 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Deze prejudiciële zaak komt voort uit een geschil voortvloeiende uit een verkoopovereenkomst tussen verzoekster in het hoofdgeding, de bekende Franse textielfabrikant Boussac Saint-Frères, en een van haar afnemers, mevr. Gerstenmeier, eigenares van een kledingzaak in Duitsland. Omdat deze haar — in Franse francs luidende — rekening niet volledig had voldaan, maakte verzoekster bij het ter zake bevoegde Amtsgericht Berlijn-Schöneberg een procedure aanhangig ter verkrijging van een rechterlijk bevel tot betaling „Mahnverfahren”).
De aangezochte rechter was echter niet in staat om, zoals verzoekster wenste, tegen mevr. Gerstenmeier een betalingsbevel voor het resterende bedrag van de schuld — dus voor een bedrag in vreemde valuta — uit te vaardigen. Ingevolge paragraaf 688, lid 1, van het Duitse wetboek van burgerlijke rechtsvordering („Zivilprozeßordnung” — ZPO) is een verzoek om een rechterlijk bevel tot betaling enkel ontvankelijk wanneer het gaat om een bedrag in nationale valuta, althans wanneer de schuldenaar niet is gevestigd in een staat — niet-zijnde de Bondsrepubliek Duitsland — welke partij is bij het Verdrag van Brussel van 27 september 1968 (hierna„Executieverdrag”). Het Amtsgericht gaf er de voorkeur aan de behandeling van de zaak te schorsen, en na te hebben uiteengezet dat de beperking van de ontvankelijkheid is ingevoerd bij de wet van 3 december 1976, in werking getreden op 1 juli 1977, vraagt het krachtens artikel 177 EEG-Verdrag een prejudiciële beslissing over de vraag „of deze wijziging van het Duitse wetboek van burgerlijke rechtsvordering tegenover schuldeisers uit andere Lid-Staten van de Europese Gemeenschap een discriminerende maatregel is en wegens strijd met artikel 7 EEG-Verdrag ten opzichte van die schuldeisers geen rechtsgevolg heeft, zodat zij ook thans en in de toekomst vorderingen in buitenlandse valuta op in de Bondsrepubliek Duitsland woonachtige debiteuren in het ‚Mahnverfahren’ geldend kunnen maken”.
Aangezien artikel 177 het Hof niet de bevoegdheid geeft een bepaling van nationaal recht uit te leggen of, meer nog, daarover een oordeel uit te spreken, zou ik deze vraag anders willen formuleren, en wel als volgt:
Moet artikel 7 EEG-Verdrag aldus worden verstaan, dat er sprake is van discriminatie uit hoofde van nationaliteit in het geval van een nationale bepaling waardoor schuldeisers die vorderingen in buitenlandse valuta hebben op personen die woonachtig zijn in de Lid-Staat die die bepaling heeft ingevoerd, geen gebruik kunnen maken van een vereenvoudigde procedure ter verkrijging van een rechterlijk bevel tot betaling?
I —
Een bruikbaar antwoord op die vraag onderstelt evenwel een goed begrip van het „Mahnverfahren”. Wij beginnen dan ook met een beschrijving hiervan.
Het „Mahnverfahren” wordt geregeld in de paragrafen 688-703d ZPO. Het is een bijzondere summiere procedure, die in tegenstelling staat tot de normale rechtsvorderingsprocedure, het „Klageverfahren”, geregeld in de paragrafen 253 e.v. ZPO.
a)
Sedert zijn invoering in 1877 kan het „Mahnverfahren” alleen worden gebruikt voor vermogensrechtelijke vorderingen; veel vaker dan de normale procedure wordt het gebruikt voor de inning van op geld luidende vorderingen, met name wanneer de schuldenaar de vordering niet serieus betwist. Een dergelijke procedure ter verkrijging van een rechterlijk bevel tot betaling is inzonderheid geschikt voor eenvoudige, onbetwistbare vorderingen („Ansprüche”), zoals in groten getale voortspruiten uit lopende rechtsverhoudingen en die daardoor kunnen worden ondergebracht bij een beperkt aantal soorten van overeenkomsten. Naar ons werd meegedeeld, wordt van deze procedure het meest gebruik gemaakt door ondernemingen zoals postorderbedrijven, die rechtstreeks contact hebben met de eindverbruiker.
Van de normale rechtsvorderingsprocedure onderscheidt het „Mahnverfahren” zich door zijn eenvoud, die de schuldeiser veel tijdwinst oplevert. Hij kan ermee volstaan, bij het bevoegde gerecht een verzoek („Mahnantrag”) in te dienen, door middel van een formulier waarop, naast de namen van partijen,, enkel een beknopte aanduiding van de vordering behoeft te worden ingevuld. Als het verzoek aan de wettelijke vormvereisten voldoet, vaardigt het gerecht zonder verder onderzoek een bevel tot betaling uit „Mahnbefehl”) en doet dit ambtshalve aan de schuldenaar betekenen.
Wanneer deze niet betaalt en evenmin binnen twee weken na de betekening tegenspraak „Widerspruch”) voert, kan de schuldeiser een beschikking vragen waarbij hij wordt gemachtigd tot tenuitvoerlegging tegen de schuldenaar over te gaan. Ook deze beschikking wordt zonder nader onderzoek door het bevoegde gerecht gegeven. Zij heeft dezelfde werking als een verstekvonnis en is bij voorraad uitvoerbaar. Voert de schuldenaar evenwel tijdig tegenspraak, dan verandert de summiere procedure in een gewone rechtsvorderingsprocedure. De schuldeiser moet dan binnen twee weken de middelen aanvoeren waarop zijn vordering steunt, opdat de rechter de zaak ten gronde kan onderzoeken. In geval van tegenspraak vormt het „Mahnverfahren” dus een procedurele omweg, die aanmerkelijke vertraging oplevert voor de normale procedure, welke bovendien veel langer duurt, al is het maar wegens de gewoonte om steeds een openbare terechtzitting te houden.
Naast deze tijdwinst levert het „Mahnverfahren” een kostenbesparing op. De gerechtelijke kosten zijn maar de helft van die van de normale procedure, terwijl men ook geen advocaat nodig heeft, hetgeen wel het geval is in de normale procedure indien de „Streitwert”, het op geld gewaardeerde belang dat men bij de procedure heeft, meer dan DM 3500 bedraagt.
b)
In het voorgaande is de procedure beschreven zoals zij thans is geregeld en die, tenminste voor zover hier voor ons van belang, op twee punten is gewijzigd ten opzichte van haar oorspronkelijke vorm.
Tot 29 juli 1972 kon het „Mahnverfahren” enkel worden ingeleid tegen schuldenaars die in Duitsland waren gevestigd, maar zij gold wel voor alle vorderingen, ongeacht of deze in marken dan wel in vreemde valuta luidden. Een nieuwe regeling werd echter ingevoerd bij de wet van 29 juli 1972, houdende uitvoering van het EEG-Executieverdrag. Vanaf die datum kon van de procedure ook gebruik worden gemaakt tegen schuldenaars gevestigd in de andere landen die partij zijn bij het Executieverdrag, en dat zowel voor vorderingen in nationale als in buitenlandse valuta. Sedert de inwerkingtreding evenwel, op 1 juli 1977, van de wet van 3 december 1976 tot vereenvoudiging en versnelling van gerechtelijke procedures, de zogenoemde „Vereinfachungsnovelle”, kan men via de summiere procedure geen vorderingen in buitenlandse valuta meer geldend maken tegen in de Bondsrepubliek Duitsland gevestigde debiteuren, doch nog wel tegen debiteuren gevestigd in de andere landen die partij zijn bij het Executieverdrag, dat wil zeggen de overige vijf oorspronkelijke Lid-Staten van de Gemeenschap.
c)
Wat waren de redenen van de hervorming van 1976? Naar de Duitse regering verklaarde, is deze ingevoerd „met het doel de aangesproken partij een betere bescherming te waarborgen en de werkzaamheden van de gerechten te rationaliseren. Inzonderheid heeft de wet de voorwaarden geschapen voor mechanisering van de procedures, teneinde het gebruik van informatieverwerkende apparatuur mogelijk te maken”. Bij de voorbereiding van de wetswijziging was echter gebleken dat, zo men ook vorderingen in vreemde valuta in een geautomatiseerd verwerkingssysteem van „Mahnverfahren” zou opnemen, het controleprogramma (software), dat al zeer gecompliceerd is, nog aanzienlijk zou moeten worden uitgebreid. Dit aspect, tezamen met de omstandigheid dat er in feite maar bijzonder weinig verzoeken van dat type worden ingediend, was de reden geweest voor de gewraakte versie van paragraaf 688, lid 1, ZPO, die luidt als volgt:
„Indien de vordering strekt tot betaling van een geldsom in nationale valuta, wordt op aanvraag van de verzoeker een bevel tot betaling [,Mahnbescheiď] uitgevaardigd”.
In de ogen van de Duitse regering onderscheidt dit geval zich fundamenteel van dat waarin de debiteur woont in een staat die partij is bij het Executieverdrag. Dat onderscheid verklaart waarom, volgens paragraaf 688, lid 3, in laatstbedoeld geval verzoeken betreffende vorderingen in buitenlandse valuta ontvankelijk blijven, die dan ook met de hand worden verwerkt. In dit geval immers speelt de procedure zich slechts gedeeltelijk in Duitsland af, want de betekening en de tenuitvoerlegging van het betalingsbevel geschieden in het ressort van het gerecht van de debiteur. Aangezien de Duitse valuta op de plaats van tenuitvoerlegging een buitenlandse valuta is, zou volgens de Duitse regering de uitsluiting van schuldvorderingen in buitenlandse valuta hebben geleid tot ongelijkheid tussen de, schuldeiser in deze procedure en de schuldeiser van een debiteur die in de Bondsrepubliek woont.
d)
De Duitse regering merkt nog op, dat de beperking van het toepassingsgebied van paragraaf 688, lid 1, niet de enige wijziging was die voortvloeide uit de technische eisen van de automatisering. De belangrijkste wijzigingen lijken ons de uitsluitende bevoegdheid van het gerecht van de verzoeker — waardoor de verzoeken van de grote ondernemingen kunnen worden gecentraliseerd —, de aan de „Länder” verleende bevoegdheid om alle verzoeken bij één Amtsgericht te centraliseren, en vooral het wegvallen van de controle van de gegrondheid van het verzoek; de kritiek die tegen de hervorming van 1976 is gericht, was, zo menen wij te weten, op dit laatste punt wel het felst.
Bovendien sluit de beperking van het „Mahnverfahren” tot vorderingen in nationale valuta niet enkel de vorderingen in buitenlandse valuta uit, maar ook die ter zake van vervangbare zaken en waardepapieren, welke tot 1 juli 1977 via deze procedure geldend konden worden gemaakt. Belangwekkend is hier, dat in het recht van de andere Lid-Staten — afgezien van het Nederlandse, het Ierse en het Luxemburgse recht, ten aanzien waarvan wij niet over informatie beschikken — geen onderscheid wordt gemaakt tussen schulden in nationale en in buitenlandse valuta, voor de inning waarvan daar overigens eveneens summiere procedures bestaan.
e)
Hoe geïsoleerd de Duitse regeling is, valt temeer op nu, zoals wij aanstonds zullen zien, de argumenten die ter rechtvaardiging van de verschillende behandeling van in nationale en in vreemde valuta luidende vorderingen worden aangevoerd, welbeschouwd niet terzake doen.
Inventariseert men de verschillende gevallen waarin de restrictieve bepaling van paragraaf 688, lid 1, van toepassing is, dan valt al onmiddellijk op dat twee daarvan goeddeels theoretisch zijn en dat enkel het derde, waarvan de onderhavige zaak nu juist een voorbeeld vormt, praktische gevolgen kan hebben.
Wanneer de Duitse regering herhaaldelijk erop wijst dat de niet-ontvankelijkheid zowel geldt voor schuldeisers die in de Bondsrepubliek als voor dezulke die in het buitenland zijn gevestigd, kan daarop eenvoudig worden geantwoord dat in een zuiver nationale rechtsverhouding de keuze van een vreemde valuta uiterst zeldzaam is en, zo zij al voorkomt, voorafgaande toestemming van de bevoegde instanties behoeft (paragraaf 3 van het „Währungsgesetz” van 20 juni 1948 en paragraaf 49 van het „Außenwirtschaftsgesetz — Anpassungsgesetz”). Het tweede mogelijke geval, namelijk dat de schuldeiser is gevestigd in een Lid-Staat van de Gemeenschap — niet zijnde Duitsland — en de debiteur in een staat die geen partij is bij het Executieverdrag, is eveneens een typisch schoolse hypothese : moeilijk valt in te zien hoe de Duitse rechter dan ten aanzien van een eventueel geschil bevoegd zou kunnen zijn.
De niet-ontvankelijkheid, in een „Mahnverfahren”, van verzoeken ter zake van vorderingen in buitenlandse valuta, heeft dus slechts praktische gevolgen indien de schuldeiser in het buitenland woont en de debiteur in Duitsland. Doch gelijk de Duitse regering zelf zegt, zijn deze gevallen zo zeldzaam, dat zij statistisch geen enkele rol spelen. En bovendien, „als de verzoeker geen woonplaats of vestiging [,keinen allgemeinen Gerichtsstand'] in het binnenland heeft”, aldus paragraaf 689, lid 2, ZPO, „is het Amtsgericht Berlijn-Schöneberg bij uitsluiting bevoegd”. Het argument van de Duitse regering, dat de terugkeer tot de niet-mechanische behandeling van dergelijke vorderingen de aanstelling van gespecialiseerd personeel bij tal van gerechten noodzakelijk zou maken, hetgeen de met de automatisering beoogde kostenbesparingen teniet zou doen, houdt dan ook geen stand.
Er bestaat derhalve geen objectieve reden om verzoeken ter zake van vorderingen in buitenlandse valuta op in de Bondsrepubliek gevestigde debiteuren van het „Mahnverfahren” uit te sluiten. Maar dit behoeft nog niet te betekenen dat de gewraakte regeling onverenigbaar is met artikel 7 EEG-Verdrag.
II —
Alvorens dit punt te onderzoeken, willen wij erop wijzen dat artikel 7 weliswaar het enige is dat in de vraag van de verwijzende rechter wordt genoemd, doch dat verzoekster in het hoofdgeding zich voor het Hof nog op twee andere voorschriften van gemeenschapsrecht heeft beroepen.
Zo spreekt zij van schending van artikel 106, lid 1, van het Verdrag, betreffende de vrijheid van het intracommunautaire betalingsverkeer. Ofschoon verzoekster in het hoofdgeding in haar schriftelijke opmerkingen zegt dat „niet behoeft te worden onderzocht of (die bepaling) op zichzelf dan wel in samenhang met artikel 7 grondslag kan bieden voor een beroep tegen de bestreden bepaling ’, heeft haar vertegenwoordiger ter terechtzitting als zijn zienswijze te kennen gegeven dat „artikel 106 de concretisering is van het algemene discriminatieverbod van artikel 7, op dezelfde voet als de bepalingen inzake de vrijheid van vestiging en dienstverrichting”. Daarom zullen wij de argumenten verband houdende met artikel 106, bespreken in relatie met de beweerde schending van artikel 7 zelf.
Zelfstandige betekenis willen wij slechts toekennen aan de tweede norm van gemeenschapsrecht, waarvan verzoekster in het hoofdgeding stelt dat zij, evenals artikel 7, is geschonden, en die zij in haar schriftelijke opmerkingen aanduidt als het „Rückschrittsverbot” (het verbod om een bestaande ruime regeling weer meer restrictief te maken) en ter terechtzitting, overeenkomstig een meer bekende terminologie, als het „standstill”-beginsel.
Beginnen wij met het onderzoek van artikel 7.
a)
Dit luidt, zoals bekend, als volgt:
„Binnen de werkingssfeer van dit Verdrag en onverminderd de bijzondere bepalingen daarin gesteld, is elke discriminatie op grond van nationaliteit verboden”.
Met betrekking tot de litigieuze regeling roept deze tekst duidelijk twee preliminaire vragen op.
Vooreerst valt ons inziens niet te ontkennen dat een schuldvordering, ontstaan uit de verkoop van goederen uit een Lid-Staat naar een andere, binnen de bevoegdheidssfeer van de Gemeenschap valt. In de tweede plaats, wanneer het gaat om de toegang tot een vereenvoudigde procedure ter verkrijging van een rechterlijk bevel tot betaling van een schuld voortspruitend uit de koop van goederen, kan niet worden betwist dat de toepasselijke bijzondere bepalingen — die betreffende het vrije goederenverkeer zowel als artikel 106, lid 1, inzake de liberalisatie van het betalingsverkeer — geen afwijkingen op de algemene regel van artikel 7 inhouden, doch deze juist expliciteren ten aanzien van de door die bepalingen geregelde materie.
b)
Blijft nog het essentiële punt van discriminatie op grond van nationaliteit. Een wettelijke regeling als de onderhavige Duitse is uiteraard niet openlijk of, om een ander woord te gebruiken, niet rechtstreeks discriminerend, want evenmin als buitenlanders kunnen Duitse schuldeisers hun vorderingen in vreemde valuta op in Duitsland woonachtige debiteuren via de onderhavige summiere procedure geldend maken.
Zo er al van discriminatie sprake is, dan kan dat slechts een indirecte discriminatie zijn. Om te weten wat daaronder is te verstaan, hoeft men slechts rechtsoverweging 11 van 's Hofs arrest van 12 februari 1974 op te slaan (zaak 152/73, Sotgiu, Jurispr. 1974, blz. 153). Het Hof overwoog daar — en later nog eens in dezelfde termen in het arrest van 16 februari 1978 (zaak 61/77, Commissie t. Ierland, Jurispr. 1978, blz. 417, r.o. 78) — dat „de regels omtrent de gelijkheid van behandeling, zowel in het Verdrag” (dus allereerst de regel die in artikel 7 is vervat) „als in artikel 7 van verordening nr. 1612/68, niet alleen de openlijke discriminaties op grond van de nationaliteit verbieden, maar ook alle verkapte vormen van discriminatie, die door toepassing van andere onderscheidingscriteria in feite tot hetzelfde resultaat leiden”. Zoals verzoekster in het hoofdgeding opmerkt, „is het feitelijke resultaat dus belangrijker dan het gebezigde criterium”, en „wordt steeds inbreuk gemaakt op de gelijkheid van kansen van de onderdanen der Gemeenschap, wanneer een regeling uiteindelijk ertoe leidt dat eigen onderdanen in een gunstiger positie worden gebracht dan de onderdanen van andere Lid-Staten van de Gemeenschap”.
Zoals wij zagen, gaat het in casu om twee onderscheidingscriteria waarvan moet worden onderzocht of zij feitelijk tot hetzelfde resultaat leiden als een openlijke discriminatie. In paragraaf 688, lid 1, ZPO is het de „nationaliteit” van de munteenheid waarin de vordering luidt, die bepaalt of men gebruik kan maken van het „Mahnverfahren”. Ingevolge lid 3 is ten aanzien van vorderingen in buitenlandse valuta die mogelijkheid afhankelijk van de woonplaats van de schuldeiser, aangezien de gerechten verzoeken inzake vorderingen in vreemde valuta in behandeling moeten nemen indien de debiteur is gevestigd in een staat die partij is bij het Executieverdrag.
c)
De Commissie acht het niet uitgesloten dat het valutacriterium discriminerend zou kunnen zijn, in casu evenwel lijkt haar dit niet het geval. Zij beschouwt het op de nationaliteit van de valuta gebaseerde onderscheid als een neutraal criterium, aangezien het voor Duitsers en vreemdelingen beide geldt. Evenmin als een gewone Franse verzoeker kan een dochterbedrijf van een Duitse vennootschap, dat in Frankrijk is gevestigd en daar werkzaam is, gebruik maken van het „Mahnverfahren” om een in Franse francs luidende vordering te innen. Eerlijk gezegd kunnen wij deze zienswijze niet delen en lijkt het voorbeeld ons niet bijster gelukkig gekozen: een Frans dochterbedrijf van een Duitse vennootschap is zelf een vennootschap naar Frans recht; het is volstrekt normaal dat de Duitse wetgever het op dezelfde voet behandelt als een andere Franse vennootschap.
Liever sluiten wij ons aan bij de opvatting van verzoekster in het hoofdgeding. Volgens haar getuigt het van een wel zeer theoretische benadering wanneer men stelt dat het valutacriterium objectief is in die zin, dat het gelijkelijk voor alle gemeenschapsonderdanen geldt.
Een dergelijke benadering houdt geen rekening met de voordelen die het vooral voor kleine ondernemingen heeft omvoor het buitenland bestemde goederen in de eigen nationale valuta te factureren: de verwerking van de facturen is eenvoudiger; het wisselkoersrisico wordt geëlimineerd en op de afnemer afgewenteld; voor binnenlandse verkopen en voor exporten kan dezelfde prijs worden toegepast. Veel meer dan andere schrijven Duitse ondernemingen hun facturen dan ook in Duitse valuta uit en bijgevolg gaan zij veel minder dan buitenlandse ondernemingen ertoe over bij hun nationale gerechten verzoeken terzake van schuldvorderingen in buitenlandse valuta in te dienen. Het in de wet van 1976 vervatte voorschrift raakt dus hoofdzakelijk de buitenlandse ondernemingen en, zo lijkt ons, daarvan weer inzonderheid de ondernemingen uit de andere Lid-Staten van de Gemeenschap, zowel vanwege het bestaande intensieve handelsverkeer als vanwege de moeilijkheid om de betrokken wettelijke regeling te verzoenen zo al niet met de voorschriften van het gemeenschapsrecht — hetgeen in dit stadium van onze uiteenzetting nog niet vaststaat — dan toch met de geest waarin de opbouw dient te geschieden van een Gemeenschap die onder meer als doel heeft de verwezenlijking van een uitgestrekte markt waarin de voorwaarden van een binnenlandse markt heersen.
d)
Doch is het anderzijds niet zo, dat de gewraakte wettelijke regeling ten aanzien van schuldvorderingen in vreemde valuta een discriminatoir onderscheid maakt door het verzoek om een rechterlijk bevel tot betaling slechts ontvankelijk te verklaren indien de debiteur woonachtig is in een staat die partij is bij het Executieverdrag?
Volgens de Bondsregering dient, zoals wij zagen, zorgvuldig te worden onderscheiden tussen paragraaf 688, lid 3, en paragraaf 688, lid 1. Het eerstgenoemde voorschrift, een simpele uitvoeringsbepaling van het Executieverdrag, zou de gelijkheid van behandeling, van de onderdañen van alle Lid-Staten moeten verzekeren. Verzoeken betreffende schuldvorderingen in vreemde valuta dienen ontvankelijk te zijn, willen beslissingen houdende machtiging tot tenuitvoerlegging van het rechterlijk bevel tot betaling (de „Vollstreckungsbescheide”) kunnen worden erkend en tenuitvoergelegd in de andere staten die partij zijn bij het Executieverdrag, waar de Duitse valuta per definitie een vreemde valuta is. Anders gezegd, zonder het derde lid van paragraaf 688 zouden in Duitsland gevestigde schuldeisers wegens de gekozen valuta het risico hebben gelopen dat zij in het buitenland werden gediscrimineerd ten opzichte van degenen die in het land van tenuitvoerlegging zijn gevestigd.
Waar in de Bondsrepubliek gevestigde schuldeisers meestal Duitsers zullen zijn, zal deze speciale bepaling in feite voornamelijk in hun voordeel werken, terwijl er, zoals de onderhavige zaak duidelijk maakt, geen vergelijkbare bepaling bestaat voor schuldeisers die zijn gevestigd in de andere staten die partij zijn bij het Executieverdrag.
Vanuit de diverse gezichtshoeken waaronder wij ze hebben bestudeerd, is de onderhavige wettelijke regeling dus stellig discriminerend. Hiermee is evenwel, zo menen wij, nog niet voldoende aangetoond dat er werkelijk sprake is van een krachtens artikel 7 EEG-Verdrag verboden discriminatie.
e)
Bij een indirecte of verkapte discriminatie dient men ons inziens immers ook rekening te houden met de praktische gevolgen van de gewraakte regeling. Maar naar blijkt uit de schriftelijke stukken en de pleidooien ter terechtzitting, en onder voorbehoud van de juiste beoordeling van het Duitse recht door de verwijzende rechter, zijn die gevolgen nauwelijks het noemen waard.
En zoals de Duitse regering merkwaardigerwijze suggereert, zouden zij nagenoeg geheel verdwijnen indien de buitenlandse schuldeiser het recht had zijn vordering bij het indienen van zijn verzoek in Duitse mark te converteren. Deze conversie wordt echter verhinderd door paragraaf 244 van het Duitse burgerlijk wetboek, die ze enkel ten gunste van de debiteur toestaat.
Het is veeleer de combinatie van de navolgende aspecten waarop onze opvatting is gebaseerd.
Vooreerst dient men te bedenken dat de litigieuze regeling de buitenlandse schuldeisers geenszins dwingt hun facturen en dergelijke in hun eigen valuta uit te schrijven. Rechtens zijn zij daartoe niet verplicht; als zij het doen, dan omdat dit hun bepaalde voordelen biedt. In de tweede plaats staat vast dat het „Mahnverfahren” vóór 1977 maar uiterst zelden werd gebruikt om schuldvorderingen in vreemde valuta te innen. In haar memorie van toelichting bij de wet van 1976 noemde de Duitse regering als voorbeeld het Amtsgericht Stuttgart, waar op 3553„Mahnverfahren” er niet één was dat betrekking had op een vordering in vreemde valuta.
De vereenvoudigde en versnelde vorm van de normale rechtsvorderingsprocedure, eveneens door de „Vereinfachungsnovelle” van 1976 gewijzigd en thans geregeld in de paragrafen 276, 307, lid 2, en 331, lid 3, ZPO, lijkt eveneens tegemoet te kunnen komen aan de bezwaren — zo die er al zijn — van het feit dat in gevallen als het onderhavige het „Mahnverfahren” niet kan worden gebruikt. En omdat het tenslotte bij vorderingen in buitenlandse valuta minder vaak om kleine bedragen gaat dan bij vorderingen in nationale valuta, en omdat het de debiteur is die in dergelijke gevallen het wisselkoersrisico draagt, is de kans dat tegenspraak wordt gevoerd, in de praktijk zeer groot, met alle nadelen van dien.
Daarom menen wij dat een bepaling van het soort van paragraaf 688 ZPO, in de sinds 1 juli 1977 geldende versie, niet in strijd is met artikel 7 EEG-Verdrag.
f)
Evenmin kan dan worden aangenomen dat artikel 106, lid 1, van het Verdrag is geschonden. Deze bepaling heeft tot doel „de overmakingen van geld mogelijk te maken die ... voor het vrije verkeer van goederen ... noodzakelijk zijn” (arrest van 23 november 1978, Thompson e.a., Jurispr. 1978, blz. 2247, r.o. 24), en verplicht de Lid-Staten, de betaling van verkochte goederen in de valuta van de exporteur in een andere Lid-Staat toe te staan. Zij is, zoals verzoekster in het hoofdgeding zelf zegt, de concretisering van het algemene discriminatieverbod van artikel 7 op een bijzonder gebied.
III —
Op de derde norm van gemeenschapsrecht waarvan verzoekster in het hoofdgeding in de onderhavige procedure schending heeft gesteld en die wij eenvoudigheidshalve het „standstil”beginsel zullen noemen, is zij ter terechtzitting maar nauwelijks verder ingegaan.
Welke ook de redenen daarvan waren, vóór alles moet worden. opgemerkt dat een argument, ontleend aan de beweerde schending van een eventueel „standstill”-beginsel, niet aansluit bij de vraag van de verwijzende rechter, waarin enkel artikel 7 wordt genoemd als de gemeenschapsbepaling waarop door de wijziging van het „Mahnverfahren” inbreuk zou zijn gemaakt.
Het Hof heeft echter al eens antwoord gegeven op de vraag of het in een prejudiciële procedure krachtens artikel 177 bevoegd is argumenten te onderzoeken die zijn ontleend aan schending van gemeenschapsnormen ten aanzien van welker uitlegging of geldigheid de verwijzende rechter geen vragen heeft gesteld. In het arrest van 18 juni 1975 (zaak 94/74, IGAV, Jurispr. 1975, blz. 699) overwoog het Hof dat „hoewel deze rechter [de pretore te Abbiategrasso] in de verwijzingsbeschikking heeft gewezen op het beginsel van het vrije verkeer van goederen, op de doelstelling van de samensmelting der verschillende nationale markten tot één enkele markt, en op de afschaffing van elke vorm van discriminatie door het Verdrag, het Hof niet voldoende duidelijk omschreven vragen zijn voorgelegd om de bezwaren van verzoekster in het hoofdgeding in overweging te nemen”, en dat „deze argumenten mitsdien in het kader van deze procedure ter zijde moeten blijven” (r.o. 31).
Toepassing van de oplossing van het ar-rest-IGAV op de onderhavige zaak lijkt ons te meer gerechtvaardigd, nu in de verwijzingsbeschikking van het Amtsgericht Berlijn-Schöneberg zelfs iedere toespeling van het soort als waarvan in bedoelde Italiaanse beschikking sprake was, ontbreekt.
Het zou dan ook verloren tijd zijn zo wij zouden ingaan op een argument dat is ontleend aan een beginsel dat, zo al zou komen vast te staan dat het bestaat en geschonden is, op geen enkele wijze in verband valt te brengen met het discriminatieverbod van artikel 7.
Samenvattend concluderen wij dat het Hof de vraag van het Amtsgericht Berlijn-Schöneberg beantwoorde als volgt:
Artikel 7 EEG-Verdrag moet aldus worden verstaan, dat er geen sprake is van een verkapte discriminatie uit hoofde van nationaliteit in het geval van een nationale bepaling die de toegang tot een vereenvoudigde procedure ter verkrijging van een rechterlijk bevel tot betaling ontzegt aan de eigenaars van schuldvorderingen in buitenlandse valuta op debiteuren die zijn gevestigd in de Lid-Staat welke de betrokken bepaling heeft vastgesteld, zolang zij maar gebruik kunnen maken van de normale rechtsvorderingsprocedure, inzonderheid in haar versnelde vorm.
( 1 ) Vertaald uit het Frans.
Full & Egal Universal Law Academy