CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL H. MAYRAS
VAN 30 SEPTEMBER 1980 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne beren Rechters,
De onderhavige prejudiciële zaak, aan het Hof voorgelegd door de Economische Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te Assen, vormt wederom een illustratie van het delicate probleem van de verenigbaarheid van een nationale regeling met „de eisen van het vrije verkeer van goederen, dat als een van de fundamentele regels der Gemeenschap is te beschouwen” (arrest van 20 februari 1979, zaak 120/78, Rewe, Jurispr. 1979, blz. 649, r. o. 14; arrest van 26 juni 1980, zaak 788/79, Gilli en Andres, nog niet gepubliceerd, r. o. 9).
Het hoofdgeding is een strafzaak, door de Officier van Justitie aanhangig gemaakt tegen een drankenhandelaar, de heer Fietje. Deze staat terecht terzake dat hij in Nederland een uit de Bondsrepubliek Duitsland ingevoerd produkt heeft afgeleverd, dat werd aangeduid als „Berentzen Appel — Aus Apfel mit Weizenkorn, 25 vol.%”, en waarvoor niet de benaming „likeur” was gebruikt. Dit laatste is in strijd met het Nederlandse Likeurbesluit van 11 september 1953, uitgevaardigd op basis van de artikelen 14 en 15 van de Warenwet van 1935. Overtredingen van het Likeurbesluit worden bestraft op grond van de Wet op de Economische Delicten van 22 juni 1950.
Alvorens definitief uitspraak te doen, heeft de Economische Politierechter het noodzakelijk geacht het Hof van Justitie de volgende vraag voor te leggen:
„Omvat het begrip ‚maatregelen van gelijke werking als kwantitatieve invoerbeperkingen’ in artikel 30 EEG-Verdrag de bepaling van artikel 1 van het Nederlandse Likeurbesluit, regelend de verplichting tot het gebruik van het woord ‚likeur’ voor aldaar omschreven dranken, ten gevolge waarvan produkten van andere Lid-Staten, die de eigenschappen hebben als omschreven in artikel 1, Likeurbesluit, doch ten aanzien waarvan in die Lid-Staten niet de verplichting tot gebruik van de aanduiding ‚likeur’ bestaat, voor de import in Nederland anders moeten worden geëtiketteerd?”
I —
Het is duidelijk dat deze vraag, aldus geformuleerd, niet op zinnige wijze kan worden beantwoord. Het Hof heeft meer dan eens verklaard, dat het niet op zijn weg ligt zich in het kader van een krachtens artikel 177 EEG-Verdrag ingestelde procedure uit te spreken over de verenigbaarheid van nationale wettelijke bepalingen met het gemeenschapsrecht. Evenwel mag het Hof uit de bewoordingen van de gestelde vraag de onder de uitlegging van het gemeenschapsrecht vallende elementen afleiden die het voor de verwijzende rechter van belang acht bij de oplossing van het hoofdgeding (zie bij voorbeeld arrest van 12 oktober 1978, zaak 13/78, Eggers, Jurispr. 1978, blz. 1935, r. o. 19).
In casu komt daar nog bij dat, zoals de Commissie en de Nederlandse regering hebben opgemerkt, artikel 1, Likeurbesluit niet los van de andere bepalingen van deze regeling kan worden gezien. Genoemd artikel, en met name lid 1, dat het onderhavige produkt betreft, vormt namelijk een beginselbepaling. Hierna zal blijken dat het in de artikelen 3 en 6, Likeurbesluit nader wordt uitgewerkt en aan de in de artikelen 2 en 5 genoemde uitzonderingen onderhevig is. Derhalve ben ik zo vrij de gestelde vraag aldus te begrijpen, dat de verwijzende rechter wenst te vernemen of een nationale regeling, die de verplichting oplegt het woord „likeur” te vermelden op de verpakking van bepaalde alcoholhoudende dranken en als gevolg waarvan gelijksoortige produkten uit andere Lid-Staten waar een dergelijke verplichting niet bestaat, voor de invoer in de betrokken Lid-Staat anders moeten worden geëtiketteerd, een door artikel 30 EEG-Verdrag verboden maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve invoerbeperking vormt.
II —
Zoals gezegd is het Likeurbesluit uitgevaardigd op basis van de artikelen 14 en 15 van de Nederlandse Warenwet van 28 december 1935. Op grond van artikel 14, lid 1, sub a en c, Warenwet kunnen bij algemene maatregel van bestuur en in het belang van de volksgezondheid of van de eerlijkheid in de handel, aanduidingen worden vastgesteld welke in de handel voor waren of andere artikelen die voor de handel bestemd zijn moeten worden gebezigd, indien die waren of artikelen van een in de maatregel aangegeven aard of samenstelling zijn.
Artikel 15, lid 1, sub b, kent een gelijkwaardige bevoegdheid toe door te bepalen dat de invoer van daartoe aangewezen produkten kan worden verboden, voor zover deze anders geschiedt dan met inachtneming van de bij de maatregel gestelde voorschriften. Op grond van de artikelen 14, lid 4, en 15, lid 4, kunnen evenwel vrijstellingen worden verleend van de regelen gesteld in het eerste lid van deze bepalingen.
a)
De in het Likeurbesluit neergelegde regeling berust op het verplichte gebruik van bepaalde aanduidingen voor verscheidene categorieën alcoholische dranken. Zo schrijft artikel 1, lid 1, Likeurbesluit het gebruik voor van de aanduidingen „likeur”, „tussenlikeur”, „verloflikeur” of „likorette” voor „de waar, welke als kenmerkende bestanddelen ethylalcohol, suiker, aromatische stoffen en/of vruchtensap bevat en voor zover deze waar voldoet aan het bepaalde in artikel 3.”
Artikel 3 somt de eisen op waaraan de als bovenvermeld aangeduide dranken moeten voldoen. Het onderscheidt de in artikel 1, lid 1, bedoelde dranken al naar gelang hun alcoholgehalte, dat van de als „likeur” aangeduide dranken ten minste 22 volumeprocent bij 15 °C moet bedragen, en stelt tevens een minimaal suikergehalte vast (lid 1, sub b). Bovendien somt lid 2 een aantal sanitaire eisen op, die onder meer de helderheid en het gebruik van kleurstoffen en conserveringsmiddelen betreffen.
Het verplichte gebruik van de benamingen geldt ingevolge artikel 6, lid 1, ook voor de verpakkingen van de in het besluit bedoelde waren, die bestemd of geschikt zijn om met de inhoud aan de verbruiker te worden afgeleverd.
b)
Aan de in artikel 1 Likeurbesluit voorziene verplichting zijn evenwel de in de artikelen 2 en 5 genoemde uitzonderingen verbonden.
De in artikel 2, sub a, neergelegde uitzondering geldt voor waren, aangeduid met een voor likeur in de reële handel algemeen gebruikelijke naam, die een alcoholgehalte van ten minste 24 ° bezitten en waarvoor goedkeuring van de directeur van de keuringsdienst van waren is verkregen. De Nederlandse regering heeft meegedeeld dat voor de uitzondering van artikel 2, sub a, onder meer de als „parfait amour”, „maraschino” en „blackberry” aangeduide dranken in aanmerking komen. In artikel 2, sub b, wordt gedoeld op dranken met een lager alcoholgehalte en welke zijn aangeduid met namen bestaande uit een vruchtennaam gevolgd door -brandewijn en -jenever, al dan niet voorafgegaan door het woord verlof-, alsmede op bepaalde typisch Nederlandse dranken (zoals fladderak en voorburg).
Ten slotte heeft de Nederlandse regering erop gewezen dat een produkt als Berentzen Appel ook zou kunnen vallen onder de categorie uitzonderingen als bedoeld in artikel 5 Likeurbesluit. Aangezien het hier een ingewikkelde bepaling betreft, die in casu als enige eventueel van toepassing is, acht ik het raadzaam het eerste lid hier in extenso weer te geven :
„Waren, welke in aard of samenstelling op de in dit besluit genoemde waren gelijken of ten doel zouden kunnen hebben deze te vervangen, mogen niet dan met toestemming van Onze Minister van Volksgezondheid en Milieuhygiëne en onder door deze te stellen voorschriften worden aangeduid met namen, waaruit de aard en samenstelling, deze laatste kwalitatief en kwantitatief, niet of niet voldoende blijken. Voor de in de vorige volzin bedoelde waren, waarvoor een toestemming als daar bedoeld niet geldt of die niet zij aangeduid met een naam waarvoor een krachtens de vorige volzin verleende toestemming geldt, moet een aanduiding worden gebezigd waaruit aard en samenstelling, deze laatste kwalitatief en kwantitatief, voldoende blijken.”
c)
Voor alcoholhoudende dranken ontbreken bepalingen van afgeleid gemeenschapsrecht. In bovengenoemd arrest-Rewe (r. o. 8) heeft het Hof reeds beklemtoond, dat aan een op 7 december 1976 door de Commissie bij de Raad ingediende ontwerpverordening (PB C 309 van 1976, blz. 2), die naderhand is gewijzigd (PB C 193 van 1979, blz. 5), door deze laatste nog geen gevolg is gegeven.
Voorts is in de loop van de onderhavige procedure uitvoerig melding gemaala van richtlijn nr. 79/112 van de Raad van 18 december 1978 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake etikettering en presentatie van levensmiddelen bestemd voor de eindverbruiker alsmede inzake de daarvoor gemaakte reclame (PB L 33 van 1979, blz. 1). Ik ben evenwel van mening dat deze richtlijn niet veel aanwijzingen oplevert. In de eerste plaats is de in artikel 22, lid 1, aan de Lid-Staten toegestane termijn voor haar toepassing nog niet verstreken. Daarnaast echter verdient het bovenal vermelding, dat het in de vijfde overweging luidt dat „de voorschriften van specifieke en verticale aard die uitsluitend betrekking hebben op bepaalde levensmiddelen, moeten worden vastgesteld in het kader van de bepalingen die voor deze produkten gelden”, waarna artikel 6, lid 3, juist voor „dranken met een alcoholgehalte van meer dan 1,2 volumeprocent” een voorbehoud maakt. Ten aanzien van deze produkten is hier bepaald, dat „de Raad op voorstel van de Commissie vóór het verstrijken van een periode van vier jaar na de kennisgeving van deze richtlijn de etiketteringsvoorschriften voor de ingrediënten en eventueel voor het alcoholgehalte vast (stelt)”. In gevallen — zoals in casu — betreffende een verplichte aanduiding op de flessen van alcoholhoudende dranken, acht ik het dan ook gewaagd naar analogie van de in deze richtlijn vervatte voorschriften te redeneren.
III —
a)
Het lijkt a priori zeker, dat een regeling als het Nederlandse Likeurbesluit in strijd is met het verbod van artikel 30 EEG-Verdrag. In vaste rechtspraak van het Hof is immers het begrip „maatregel van gelijke werking als kwantitatieve invoerbeperkingen” omschreven als „iedere handelsregeling van de Lid-Staten die de intracommunautaire handel al dan niet rechtstreeks, daadwerkelijk of potentieel kan belemmeren” (bij voorbeeld arrest van 13 maart 1979, zaak 119/78, Peureux, Jurispr. 1979, blz. 975, r. o. 22). En de Nederlandse regering heeft zelf erkend, dat „het... nauwelijks twijfel (lijdt) dat de vaststelling van een bepaald etiketteringsvoorschrift voor nationale en ingevoerde alcoholische dranken als voorwaarde voor de verhandeling in een Lid-Staat, langs indirecte weg de invoer van anders geëtiketteerde alcoholische dranken uit andere Lid-Staten belemmert”.
De aard en de omvang van die belemmeringen zijn door gedaagde in het hoofdgeding uiteengezet. Deze stelt dat de officiële importeur van „Berentzen Appel”, gezien de grote hoeveelheden die hij afneemt, met de fabrikant een dusdanige regeling kan treffen dat de extra kosten die de gewijzigde etikettering met zich meebrengt zo laag mogelijk blijven, hetgeen de fabrikant evenwel zou noodzaken, een aparte voorraad voor Nederland geëtiketteerde flessen aan te houden. De parallelimporteurs, zo stelt gedaagde in het hoofdgeding, zouden met nog veel grotere moeilijkheden te, kampen krijgen. Indien de Nederlandse regeling verenigbaar met het gemeenschapsrecht werd geacht, zouden deze immers verplicht zijn de dozen te openen, de flessen van een speciaal etiket te voorzien en de dozen weer af te sluiten na de flessen daarin te hebben gepakt.
b)
Het beginselverbod van maatregelen van gelijke werking als kwantitatieve invoerbeperkingen ontneemt de Lid-Staten evenwel niet geheel de bevoegdheid, bepaalde regelingen of praktijken te handhaven of in te voeren die het vrije verkeer van goederen binnen de Gemeenschap direct of indirect belemmeren. Op algemene wijze is hun die mogelijkheid in artikel 36 EEG-Verdrag uitdrukkelijk toegekend. Voor alcohol en gedistilleerd zijn de in artikel 36 genoemde uitzonderingen gedeeltelijk aanvaard in het ar-rest-Rewe (reeds geciteerd, r.o. 8), dat is bevestigd in zaak 788/79 (Gilli en Andres, nog niet gepubliceerd). Maar blijkens de volgende overweging uit het ar-rest-Gilli is die bevoegdheid de Lid-Staten slechts bij wijze van uitzondering en binnen nauwe grenzen toegekend: „een national regeling die zonder onderscheid van toepassing is op nationale en ingevoerde produkten, mag slechts afwijken van de uit artikel 30 voortvloeiende vereisten, wanneer zij haar rechtvaardiging vindt in dwingende eisen verband houdend met, inzonderheid, de bescherming van de volksgezondheid, de eerlijkheid van de handelstransacties en de bescherming van de consumenten”.
Uit deze formulering blijkt dat twee voorwaarden moeten zijn vervuld opdat een afwijking toelaatbaar kan worden geacht. In de eerste plaats dient de regeling te voldoen aan de dwingende eisen van „een doelstelling van algemeen belang, die voorrang zou moeten hebben boven de eisen van het vrije verkeer van goederen” (arrest-Rewe, r.o. 14 en ar-rest-Gilli, r.o. 9) en inzonderheid van een door het Hof uitdrukkelijk genoemde doelstelling. Doch dit is niet voldoende. De uit de regeling voortvloeiende beperking van de intracommunautaire handel moet voorts strikt noodzakelijk zijn ter bereiking van de hogere doelstelling. Anders gezegd wordt hier het vereiste van evenredigheid tussen het middel en het doel gesteld.
c)
Ik kom daarmee toe aan de vraag, of een regeling als het Nederlandse Likeurbesluit in het licht van bovengenoemde voorwaarden gerechtvaardigd kan worden geacht. Op grond dat het vrije verkeer van goederen volgens de rechtspraak van het Hof als een van de fundamentele regels van de Gemeenschap is te beschouwen, en het begrip „maatregel van gelijke werking als kwantitatieve invoerbeperkingen” in de daaraan door het Hof gegeven omschrijving een zeer algemene draagwijdte heeft, dienen mijns inziens voornoemde voorwaarden zeer rigoureus te worden uitgelegd.
In de eerste plaats — en partijen zijn het hierover eens — is de doeltreffendheid van de fiscale controles niet in het geding.
Voor het overige kunnen in casu de rechtvaardigingsgronden inzake de bescherming van de consument, de eerlijkheid van de handelstransacties en de bescherming van de volksgezondheid ongetwijfeld tezamen worden behandeld. Zo kan volgens mij de bescherming van de volksgezondheid als een — overigens bijzonder belangrijk — onderdeel van de consumentenbescherming worden beschouwd. Wat de etikettering betreft worden door dezelfde vermeldingen, inzonderheid die betreffende de herkomst en het alcoholgehalte van het produkt, zowel de eerlijkheid van de handelstransacties als de bescherming van de consumenten gewaarborgd. Het Hof heeft dit naar voren gebracht in het arrest-Rewe waar het spreekt van de „bescherming van de consumenten tegen oneerlijke handelspraktijken” (r.o. 9) en het arrest-Gilli (r.o. 7 en 8). Bij het onderzoek van de vraag of de verplichting het woord „likeur” op een etiket te vermelden, haar „rechtvaardiging vindt in dwingende eisen verband houdend met de bescherming van de consumenten”, wordt derhalve tegelijkertijd de vraag onderzocht, of dwingende eisen op het gebied van de volksgezondheid en de eerlijkheid van de handelstransacties die verplichting eveneens rechtvaardigen. Overigens zijn de in de onderhavige procedure van verschillende zijden naar voren gebrachte argumenten op de bescherming van de consumenten gericht.
Ten slotte valt niet in te zien welke andere doelstellingen van algemeen belang met een regeling als de onderhavige zouden kunnen zijn beoogd.
IV —
Om te beoordelen of het verplichte gebruik van de onderhavige aanduiding toelaatbaar is, dient volgens mij om te beginnen de eenvoudige vraag te worden gesteld, of de consument — de andere op de verpakking aangebrachte aanduidingen in aanmerking genomen — beter wordt beschermd indien de onderhavige aanduiding is vermeld dan wanneer deze ontbreekt. Indien deze aanduiding niets toevoegt aan de reeds op de verpakking aanwezige vermeldingen, is duidelijk dat het verplichte gebruik ervan geenszins zijn rechtvaardiging vindt in dwingende eisen betreffende de bescherming van de consument.
Het is derhalve de vraag welke informatie de aanduiding „likeur” verschaft. Indien men zich in de eerste plaats de pragmatische vraag stelt, wat deze term betekent voor de consument, zal deze laatste ongetwijfeld niet meer kunnen zeggen dan dat dit een drank is met „een zoete smaak, een zoet aroma en een zeker alcoholgehalte”, om de door de vertegenwoordiger van de Nederlandse regering zelf in antwoord op een ter terechtzitting gestelde vraag gegeven omschrijving te vermelden.
a)
Evenwel kan men bij de beantwoording van de gestelde vraag ook het systeem van het Likeurbesluit in aanmerking nemen. Deze methode wordt bestreden door de Commissie, die betoogt dat het gebruik van een bijzondere aanduiding, welke wordt voorbehouden voor specifiek omschreven produkten, in beginsel niet verplicht kan worden gesteld tenzij die aanduiding voor het publiek een duidelijke en nauwkeurige betekenis heeft. Derhalve ist het volgens de Commissie niet zozeer de vraag of de term „likeur” overeenkomt met de omschrijving in het Likeurbesluit, maar of deze voor de consument een voldoende duidelijke betekenis heeft om het verplichte gebruik van die aanduiding te rechtvaardigen.
Daarop zou men stellig kunnen antwoorden, om een argument van de Nederlandse regering te noemen, dat in de communautaire regeling zelf wordt verwezen naar de nationale regelingen betreffende de benamingen van produkten, waar artikel 5 van richtlijn nr. 79/112 de „verkoopbenaming van een levensmiddel” omschrijft als „de benaming vermeld in de wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen die daarop van toepassing zijn”, en dat de naam „likeur” ongetwijfeld aan deze omschrijving beantwoordt.
Ongeacht de bedenkingen die men tegen een dergelijk argument zou kunnen opwerpen, is het evenwel duidelijk dat niet iedere in de nationale bepalingen voorziene aanduiding automatisch verenigbaar met het gemeenschapsrecht kan worden geacht. Anders zou immers ieder mogelijk toezicht op die aanduidingen verloren gaan, terwijl zij de bescherming van nationale proflukten tot gevolg en zelfs ten doel kunnen hebben en aldus het vrije verkeer van goederen binnen de Gemeenschap kunnen belemmeren en de mededinging kunnen vervalsen. Genoemd artikel 5, lid 1, bepaalt trouwens dat bij gebreke van een in een wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling voorgeschreven benaming, de verkoopbenaming kan bestaan in „een omschrijving van het levensmiddel en zo nodig van de wijze waarop dit kan worden gebruikt, die zo duidelijk is gesteld dat de koper de ware aard van het produkt kan begrijpen en het kan onderscheiden van soortgelijke produkten waarmede het zou kunnen worden verward”.
Volgens mij dient derhalve te worden gekeken naar de aanduiding „likeur”, zoals deze volgt uit de bepalingen van het Likeurbesluit.
b)
Welke informatie verschaft deze aanduiding de consument?
Het komt mij voor dat deze een betrekkelijke nauwkeurigheid bezit.
Met betrekking tot de samenstelling van een likeur is in artikel 1, lid 1, Likeurbesluit enkel bepaald, dat het aldus aangeduide produkt — evenals trouwens de „tussenlikeuren”, „verloflikeuren” en „likoretten” — „als kenmerkende bestanddelen ethylalcohol, suiker, aromatische stoffen en/of vruchtensap” moet bevatten. Iedere nadere bepaling ontbreekt, waarbij inzonderheid niets wordt gezegd omtrent de aard of de verhouding van de aromatische stoffen of het vruchtensap die een likeur kan bevatten.
Wat het alcoholgehalte betreft, wordt door de aanduiding „likeur” gewaarborgd dat dit ten minste 22 volumeprocent bij 15 °C bedraagt (artikel 3, lid 1, sub a, Likeurbesluit), maar het precieze alcoholgehalte van het betrokken produkt wordt er niet mee aangegeven. De vertegenwoordiger van de Nederlandse regering heeft ter terechtzitting meegedeeld, dat de vermelding van het alcoholgehalte verplicht is niet op grond van het Likeurbesluit, maar ingevolge artikel 14, lid 1, van de latere Drank- en Horecawet van 7 oktober 1964.
Evenzo bepaalt het Likeurbesluit ten aanzien van het suikergehalte enkel, en zulks voor alle dranken waarop het betrekking heeft, dat dit ten minste 10 g per 100 ml moet bedragen (artikel 3, lid 1, sub b). De vermelding van het precieze suikergehalte is derhalve al evenmin voorgeschreven.
Ondanks bovengenoemde onnauwkeurigheden kan echter niet worden ontkend, dat deze voorschriften in een zeker aantal gevallen de consument daadwerkelijk beschermen. De consumentenbescherming wordt mijns inziens eveneens — misschien zelfs in grotere mate — verzekerd door de diverse in artikel 3, lid 2, vervatte voorschriften inzake de sanitaire eisen waaraan likeur moet voldoen.
Het verplichte gebruik van de aanduiding „likeur” kan mijns inziens worden geacht te beantwoorden aan de dwingende eisen van de bescherming van de consument, in die gevallen waarin uit de andere op de fles vermelde aanduidingen niet duidelijk blijkt, of het een drank betreft met een bepaald alcoholgehalte en een bepaald suikergehalte en die als kenmerkende bestanddelen, behalve alcohol en suiker, aromatische stoffen en/of vruchtensap bevat. Indien op dit punt daarentegen geen enkele twijfel mogelijk is, en a fortiori indien de reeds aangebrachte vermeldingen meer aanwijzingen verschaffen dan de aanduiding „likeur”, vormt het verplichte gebruik van deze laatste ontegenzeggelijk een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve invoerbeperking, welke door artikel 30 EEG-Verdrag wordt verboden.
c)
Zelfs in de eerste hypothese staat evenwel nog niet vast, dat de opgelegde verplichting strikt noodzakelijk is ter bereiking van de beoogde — geoorloofde — doelstelling. Zouden minder ingrijpende middelen niet tot hetzelfde resultaat kunnen leiden?
De Nederlandse regering heeft erop gewezen dat de door haar ingevoerde regeling het voordeel heeft, dat zij gemakkelijk kan optreden indien een drank niet (meer) aan de gestelde eisen voldoet. Gedaagde in het hoofdgeding heeft evenwel terecht geantwoord, dat het stelsel — zoals het Duitse — waarin het is verboden dranken voor de verkoop aan te bieden onder een benaming waardoor de consument kan worden bedrogen, een even gemakkelijk toezicht mogelijk maakt. Het is wellicht niet zonder belang erop te wijzen, dat — volgens de door de Commissie verschafte informatie — de verplichte aanduiding van alcoholisehe dranken in de Lid-Staten van de Gemeenschap enkel in Nederland en in België is voorgeschreven.
d)
Evenwel zou kunnen worden betoogd, dat de regeling van het Nederlandse Likeurbesluit van gelijke aard is als die voorzien in tal van richtlijnen van de Raad betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke voorschriften van de Lid-Staten, zoals die van 24 juli 1973, betreffende voor menselijke voeding bestemde cacao- en- chocoladeprodukten, of die van 27 juni 1977, betreffende extracten van koffie en van cichorei. Indien derhalve een nationale regeling in zekere zin slechts vooruitloopt op een op communautair niveau opgezette regeling, hoe zou men haar dan nog onverenigbaar met het gemeenschapsrecht kunnen achten?
Dit argument is volgens mij slechts in schijn doorslaggevend. In de eerste plaats is het niet zeker, dat de door een regeling als het Likeurbesluit vastgestelde aanduidingen wat hun nauwkeurigheid betreft, geheel verenigbaar zijn met die welke door bedoelde richtlijn worden voorgeschreven. Deze laatste onderscheiden de desbetreffende produkten blijkbaar op een groter aantal punten en bijgevolg aan de hand van scherpere criteria. Bij wijze van voorbeeld kan ik hier verwijzen naar bijlage I bij richtlijn nr. 73/241, die niet minder dan 13 soorten chocolade opsomt.
In de tweede plaats kleeft aan de onderhavige aanduidingen mijns inziens het bezwaar dat zij enigszins willekeurig zijn, hetgeen niet kan worden gezegd van de communautaire benamingen. Zo schrijft het Nederlandse Likeurbesluit niet hetzelfde minimale alcoholgehalte voor voor de dranken waarvoor de in de algemene regel van artikel 1 voorziene verplichte aanduidingen gelden, en voor die welke onder de uitzonderingen van artikel 2 vallen en derhalve van die verplichting zijn vrijgesteld. Op een desbetreffende vraag van het Hof heeft de Nederlandse regering een in mijn ogen zeer onbevredigend antwoord gegeven, dat juist vóór het willekeurige karakter van de in Nederland verplichte aanduidingen spreekt.
Volgens de Nederlandse regering komen voor de uitzondering van artikel 2, sub a, Likeurbesluit in aanmerking de „produkten die traditioneel bekend waren als likeur”. Dit criterium is volgens mij nadelig voor de produkten uit andere Lid-Staten, die — uitzonderingen daargelaten — de Nederlandse consumenten minder bekend zijn dan de nationale produkten. De aan artikel 2, sub b, ten grondslag liggende criteria zijn mijns inziens evenmin bevredigend: de met deze bepaling beoogde dranken zouden geen „echte likeuren” zijn, doch „een groep vruchtendranken, die naar de definitie weliswaar likeur zijn, maar die in de praktijk niet als zodanig worden beschouwd”. Het alcoholgehalte van deze vruchtendranken is lager dan dat van „likeur”, waarop de Nederlandse regering ongetwijfeld doelt waar zij van echte likeuren spreekt. Indien zij onderworpen waren aan artikel 1, zouden zij van de aanduiding „tussenlikeur” of „verloflikeur” moeten zijn voorzien, waarvan gedaagde in het hoofgeding en de Commissie overigens onweersproken hebben opgemerkt, dat zij voor de Nederlande consument tamelijk vaag zijn. Zij zijn enkel uitgezonderd op grond van hun aanduidingen, die Nederlandse benamingen zijn en waarvan artikel 2, sub b, een limitatieve opsomming geeft. Het komt mij derhalve voor dat het tweede onderscheidingscriterium hetzelfde bezwaar oproept als het eerste.
Bovenstaande overwegingen tonen volgens mij aan, dat de communautaire harmonisatierichtlijnen en een nationale regeling als de onderhavige reeds door hun inhoud van elkaar afwijken. Maar hun onderlinge vergelijking — vanuit het hier relevante oogpunt van hun gevolgen voor de intracommunautaire handel — lijkt mij vooral op grond van hun verschillende geaardheid gewaagd. Uit de aard der zaak is een richtlijn van de Raad — behoudens beperkte en aanvaarde uitzonderingen — in de negen Lid-Staten eenvormig van toepassing, waardoor alle produkten zich in de Gemeenschap op gelijke juridische voet bevinden. Daarentegen gaat het toepassingsgebied van een nationale regeling uiteraard niet verder dan de grenzen van de betrokken staat, hetgeen hinderlijk kan zijn voor de produkten uit andere Lid-Staten.
Ten slotte spreekt het vanzelf dat de mogelijkheid te worden vrijgesteld van de verplichting een bepaalde aanduiding te gebruiken, mijn opvatting niet kan wijzigen. Immers blijkens de beschikking van het Hof van 24 januari 1978 (zaak 82/77, Van Tiggele, Jurispr. 1978, blz. 25), „(kan) de noodzaak voor de importeur of handelaar om zich aan de aan een [stelsel van zelfs zeer royaal verleende ontheffingen] verbonden administratieve modaliteiten te onderwerpen, op zichzelf een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve beperking... vormen” (r.o. 19).
Op grond van het voorgaande concludeer ik dat het Hof de door de Economische Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te Assen gestelde vraag aldus beantwoorde, dat een nationale regeling, regelend de verplichting tot het gebruik van het woord „likeur” op de verpakking van bepaalde alcoholhoudende dranken, ten gevolge waarvan gelijksoortige produkten uit de Lid-Staten waar een dergelijke verplichting niet bestaat, voor hun invoer in de betrokken Lid-Staat anders moeten worden geëtiketteerd, een door.artikel 30 EEG-Verdrag verboden maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve invoerbeperking vormt.
( 1 ) Vertaald uit het Frans.
Full & Egal Universal Law Academy