CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL
SIR GORDON SLYNN
VAN 9 APRIL 1981 ( 1 )
Mijnheer de President, mijne beren Rechters,
Verzoeker, de heer Reinarz, was van 1952 tot 1959 in dienst bij de EGKS, alvorens door de Commissie van de EEG te worden aangesteld als ambtenaar in de rang A 2. Op zijn verzoek werd zijn dienst bij de Commissie op 1 mei 1973
beëindigd met toepassing van artikel 2 van verordening nr. 2530/72 van de Raad van 4 december 1972. Een jaar lang had hij recht op een maandelijkse vergoeding gelijk aan zijn laatste bezoldiging. Vervolgens had hij krachtens artikel 3, lid 1, van die verordening gedurende 30 maanden recht op een vergoeding gelijk aan 80 % van zijn basissalaris, terwijl de vergoeding voor de rest van de in de verordening bepaalde periode 70 % van zijn basissalaris bedroeg. Luidens artikel 3, lid 3, wordt op deze vergoeding de aanpassingscoëfficiënt toegepast die overeenkomstig artikel 82, lid 1, van het Statuut is vastgesteld voor het land van de Gemeenschappen waar de betrokkene aantoont zich te hebben gevestigd. Genoemd artikel 3, lid 3, bepaalt voorts: „indien de betrokkene zich buiten de landen der Gemeenschappen vestigt, wordt de voor België geldende aanpassingscoëfficiënt op de vergoeding toegepast.
De vergoeding wordt uitgedrukt in Belgische franken. Zij wordt betaald op basis van de pariteiten zoals bedoeld in artikel 63, derde alinea, van het Statuut.
Op het tijdstip waarop Reinarz zijn dienstbetrekking beëindigde, bepaalde artikel 63 Ambtenarenstatuut dat „de bezoldiging, uitbetaald in andere valuta dan die van het land waar de voorlopige zetel van de Gemeenschap is gevestigd, wordt berekend op basis van de pariteiten zoals door het Internationale Monetaire Fonds aanvaard, die op 1 januari 1965 van kracht waren”.
Gedurende een jaar werd Reinarz betaald in Belgische franken op een rekening in België, waar hij woonde. Deze betalingen zijn hier niet in geding. Per 1 mei 1974 werd hij in Canadese dollars uitbetaald in Canada, waar hij verbleef op een hoeve die hij enkele jaren vóór de beëindiging van zijn dienst bij de Commissie had gekocht. Overeenkomstig artikel 3, lid 3, van verordening nr. 2530/72 en artikel 63 Ambtenarenstatuut werd zijn vergoeding berekend tegen de vastgestelde wisselkoers, te weten 46,25 Belgische franken voor een Canadese dollar. De geldende marktkoers bedroeg ongeveer 35 Belgische franken voor een Canadese dollar. Reinarz betoogt dat hij in het tijdvak van 1974 tot 1977, in welk jaar hij zich opnieuw in België vestigde (en wederom in Belgische franken werd betaald), wegens het verschil tussen beide wisselkoersen ongeveer een miljoen Belgische franken verloor.
In zijn op 18 januari 1980 ten Hove ingeschreven beroep concludeert Reinarz (a) dat het bepaalde in artikel 3, lid 3, van verordening nr. 2530/72 en artikel 63 van het Statuut in het tijdvak van 1974 tot 1977 niet op hem van toepassing was en (b) dat hij op gronden van billijkheid een vergoeding of een gedeeltelijke schadeloosstelling moet ontvangen voor het geleden verlies.
De Commissie acht het beroep in de eerste plaats niet ontvankelijk, en wel om twee redenen. Om te beginnen zou Reinarz zich niet hebben gehouden aan de in artikel 90, lid 2, Ambtenarenstatuut gestelde termijn. Voorts zou de onderhavige vordering identiek zijn met die in zaak 48/76, die op 17 februari 1977 (Jurispr. 1977, blz. 291) door het Hof werd afgewezen.
In het onderhavige beroep (dat in de plaats is getreden van een eerdere vordering in zaak 732/79, waarvan verzoeker afstand heeft gedaan) baseert Reinarz zich op zijn brieven aan de Commissie uit 1978 en 1979 en op de antwoorden van de Commissie hierop. Bij brief van 9 mei 1978 (door de Commissie eerst ontvangen toen Reinarz haar daarvan bij brief van 28 november 1978 een kopie toezond) verzocht Reinarz overeenkomstig artikel 90, lid 1, Ambtenarenstatuut om een besluit, dat hij op gronden van billijkheid moest worden vergoed voor het verlies dat hij had geleden ingevolge de door de Commissie vastgestelde wisselkoers. Voor het geval het gevraagde besluit achterwege zou blijven, diende hij subsidiair overeenkomstig artikel 90, lid 2, Ambtenarenstatuut een klacht in, waarbij hij de wettigheid van de vastgestelde wisselkoers betwistte en vorderde dat artikel 3, lid 3, van verordening nr. 2530/72 alsook artikel 63 Ambtenarenstatuut nietig of althans op hem niet van toepassing zouden worden verklaard. Deze bepalingen waren zijns inziens arbitrair, discriminerend en onbillijk, terwijl de Raad niet de nodige corrigerende maatregelen zou hebben genomen om hem te beschermen tegen het verlies door hem geleden in vergelijking met gewezen ambtenaren die in de Gemeenschap waren blijven wonen. Bij brief van 28 maart 1979 wees de Commissie verzoekers administratieve klacht af, stellende dat de verordening strikt was nageleefd en dat de klacht in ieder geval te laat was ingediend. Hoewel de Commissie heeft gesproken van verzoekers op billijkheidsgronden gebaseerde vordering (waarop het verzoek ex artikel 90, lid 1, berustte), heeft zij deze niet als zodanig aangemerkt. Verzoekers brief van 9 mei 1978 behandelt de Commissie geheel als een klacht.
In zijn brief van 22 juni 1979 wees Reinarz hierop. Hij zag de brief van 28 maart 1979 als een afwijzing van zijn verzoek om schadeloosstelling op gronden van billijkheid en diende daartegen een klacht in overeenkomstig artikel 90, lid 2. Hij herhaalde zijn standpunt dat de verordening op willekeurige wijze was toegepast en dat de Commissie nalatig was geweest door niet te voorkomen dat hij schade leed als gevolg van de wisselkoers, die voor hem veel nadeliger was geweest dan voor gewezen ambtenaren die in de Gemeenschap waren gebleven.
In haar brief van 21 december 1979 stelde de Commissie dat bedoeld schrijven een herhaling was van de overeenkomstig artikel 90, lid 2, ingediende klacht die reeds op 28 maart 1979 was afgewezen, en dat de nieuwe klacht niet ontvankelijk was.
De onderhavige vordering is duidelijk bij het Hof aanhangig gemaakt na het verstrijken van de in artikel 91, lid 3, Ambtenarenstatuut voorgeschreven termijn van drie maanden voor beroep tegen een besluit tot afwijzing van een klacht, die in casu inging bij ontvangst van de brief van 28 maart 1979. Voor zover Reinarz tegen dit besluit wenst op te komen, is zijn vordering niet ontvankelijk. Zo in de brief van 9 mei 1978 echter zowel een verzoek in de zin van artikel 90, lid 1, als een klacht (of een klacht op voorwaarde dat het verzoek wordt afgewezen) in de zin van artikel 90, lid 2, moet worden gezien, kan de brief van 28 maart 1979 beslist worden opgevat als een afwijzing van dit verzoek. En volgens mij moet de brief van 9 mei inderdaad worden beschouwd als een dergelijk verzoek om billijke behandeling. Dit werd mijns inziens afgewezen bij brief van 28 maart 1979. Zo niet dan moet het worden geacht stilzwijgend te zijn afgewezen bij het verstrijken van de op 28 november 1978 ingegane termijn van vier maanden. Reinarz had vanaf dat moment drie maanden om tegen de afwijzing een klacht in te dienen. Dit deed hij op 22 juni 1979.
Voor zover de onderhavige vordering is gericht tegen de afwijzing van verzoekers klacht dat hij onbillijk is behandeld, staan bijgevolg de termijnbepalingen van artikel 90 of artikel 91 van het Statuut mijns inziens niet aan de ontvankelijkheid in de weg. Voor zover verzoeker in beroep wenst te komen tegen de afwijzing van zijn klacht dat artikel 3, lid 3, van verordening nr. 2530/72 en artikel 63 Ambtenarenstatuut ongeldig waren of onjuist op hem werden toegepast, is zijn beroep tardief en moet het niet ontvankelijk worden verklaard. Evenmin ontvankelijk is zijn onderhavige vordering dat genoemde verordening op zijn geval niet van toepassing moet worden verklaard, daar deze vordering in elk geval niet werd geformuleerd in de klacht van 22 juni 1979.
Ik geloof niet dat de Commissie het bij het rechte eind heeft met haar bewering, dat dit beroep in elk geval niet ontvankelijk is omdat deze zaak reeds door een vroegere beslissing van het Hof, in het arrest in zaak 48/76, werd beslecht. Zo te zien berust het arrest in die zaak in de eerste plaats op de overweging dat Reinarz geen zaak voor het Hof kon brengen zonder een klacht in de zin van artikel 90, lid 2, Ambtenarenstatuut te hebben ingediend. Op dat ogenblik had hij dat niet gedaan en mitsdien was zijn zaak niet ontvankelijk. Thans heeft hij zulks mijns inziens binnen de gestelde termijn gedaan voor wat betreft zijn vordering tot vergoeding of schadeloosstelling op gronden van billijkheid.
Laatstbedoelde vordering berust op de stelling dat de Commissie de bewoordingen van artikel 3 van verordening nr. 2530/72 en artikel 63 Ambtenarenstatuut strikt in acht heeft genomen, hetgeen tot een onbillijk, discriminerend en in het licht van de geldende wisselkoersen en de kosten van levensonderhoud in Canada onrealistisch resultaat zou hebben geleid. Voorts betoogt verzoeker dat de berekeningsgrondslag in 1978 bij verordening nr. 3085/78 van de Raad van 21 december 1978 werd gewijzigd ten einde die wisselkoersen toe te passen die werden gebruikt voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen op 1 juli 1979, zodat ofwel zijn vergoeding dienovereenkomstig moet worden gewijzigd of de Commissie eerlijkheidshalve moet toegeven dat zij heeft nagelaten, bepalingen voor te stellen op grond waarvan onbillijkheden in vroegere betalingen konden worden goedgemaakt.
Mijns inziens waren de bewoordingen van de verordeningen duidelijk en heeft de Commissie deze juist toegepast. Mij is geen beginsel of regel uit de rechtspraak van het Hof bekend, waaruit het Hof zou kunnen concluderen dat de Commissie op gronden van billijkheid gehouden is verzoeker een som te betalen ter compensatie van het verschil tussen de reglementaire en de op de markt geldende wisselkoers, hoewel duidelijk is dat Reinarz in werkelijkheid minder heeft ontvangen dan wanneer hij in Belgische franken zou zijn vergoed. Ik geloof niet dat hij zich kan beroepen op analogische toepassing van artikel 12 van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen, noch op het arrest van het Hof van 31 mei 1979 (zaak 156/78, Newth, Jurispr. 1979, blz. 1941). Evenmin vermag hij zijn zaak te staven door te stellen dat inbreuk is gemaakt op de Verklaring van Helsinki inzake de mensenrechten of door te verwijzen naar een volkenrechtelijk beginsel ter ondersteuning van zijn bewering dat een voormalig ambtenaar van de Gemeenschap zijn land van vestiging mag kiezen zonder daarvan financieel nadeel te ondervinden. Bijgevolg is zijn vordering tot vergoeding of schadeloosstelling op gronden van billijkheid mijns inziens ongegrond.
Zelfs al was ik tot het inzicht gekomen dat verzoekers vordering tot vaststelling dat artikel 3, lid 3, van verordening nr. 2530/72 en artikel 63 Ambtenarenstatuut nietig waren of onjuist op hem waren toegepast, bij het Hof aanhangig was gemaakt binnen drie maanden nadat de Commissie zijn klacht had afgewezen, dan nog zou ik die vordering in elk geval ongegrond hebben geacht. Verzoeker heeft mijns inziens geen recht op nietigverklaring van artikel 3, lid 3, van de verordening. De Commissie heeft terecht opgemerkt dat verzoeker te Iaat heeft geconcludeerd dat de verordeningen in het tussen 1974 en 1977 gelegen tijdvak onjuist op hem waren toegepast. Zijn bewering dat de verordeningen onwettig waren, is volgens mij bovendien in strijd met de overwegingen van het Hof in zaak 28/74 (Gillet, Jurispr. 1975, blz. 463).
Gezien het voorgaande behoef ik niet meer in te gaan op de vraag of verzoeker na zo lange tijd nog gerechtigd is zijn vorderingen tot vergoeding op gronden van billijkheid te handhaven.
Mitsdien is volgens mij
a)
zijn vordering tot vaststelling dat artikel 3, lid 3, van verordening nr. 2530/72 en artikel 63 Ambtenarenstatuut nietig of niet op hem van toepassing waren dan wel onjuist werden toegepast, niet ontvankelijk;
b)
zijn vordering tot schadevergoeding of schadeloosstelling op gronden van billijkheid, berekend op basis van het verschil tussen de voorgeschreven en de geldende wisselkoers voor de Belgische frank en de Canadese dollar ontvankelijk, doch ongegrond.
Overeenkomstig artikel 70 van het Reglement voor de procesvoering moet de Commissie haar eigen kosten dragen, terwijl de door Reinarz gemaakte kosten overeenkomstig artikel 69, paragraaf 2, van bedoeld Reglement te zijnen laste zullen blijven.
( 1 ) Vertaald uit het Engels.
Full & Egal Universal Law Academy