CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL J.-P. WARNER
VAN 5 FEBRUARI 1981 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Inleiding
Deze zaak vormt een vervolg op zaak 19/78, Authié t. Commissie, die het Hof heeft gevoegd met de zaken 4/78, Salerno t. Commissie, en 28/78, Massangioli t. Commissie (Jurispr. 1978, blz. 2403).
De feiten zijn de volgende.
Xavier Authié, verzoeker in zaak 19/78 en in de onderhavige, is geboren op 27 oktober 1952 en bezit de Franse nationaliteit. Op 1 oktober 1977 solliciteerde hij op een door de Commissie georganiseerd algemeen vergelijkend onderzoek voor de vorming van een aanwervingsreserve van administrateurs in de rang A 7/A 6.
Hij liep op dat moment nog stage bij de Commissie in het Directoraat-generaal Economische en Financiële zaken, Directoraat voor financiële en begrotingszaken, afdeling voorbereiding van de programma's voor het economisch beleid op middellange termijn.
Het vergelijkend onderzoek, COM/A/154, werd bekendgemaakt in het Publikatieblad (PB C 213 van 1977, blz. 9); de aankondiging luidde, voor zover in dezen van belang:
„I —
Aard van de functie
Het aan de hand van algemene richtlijnen verrichten van scheppende werkzaamheden, studies of controle in verband met de activiteiten van de Gemeenschappen op een van de volgende gebieden:
1.
Algemene administratie
2.
Administratieve aspecten van het wetenschappelijk onderzoek
3.
Buitenlandse betrekkingen
4.
Voorlichting
5.
Financiële en begrotingszaken
6.
Sociale zaken
...
III —
Voorwaarden voor deelneming aan het vergelijkend onderzoek
...
B.
Bijzondere voorwaarden
...
2.
Vereiste getuigschriften of diploma's en beroepservaring:
—
overlegging van een bewijs van een volledige universitaire opleiding (academische graad) op het onder punt I van deze aankondiging genoemde gebied (bij de beoordeling van het diploma houdt de jury rekening met de in de Lid-Staten bestaande onderwijsstructuren);
—
overlegging van een bewijs ten minste één jaar postuniversitaire beroepservaring te bezitten op minstens een van de sub I (Aard van de functie) genoemde gebieden.
...
De jury stelt de lijst der sollicitanten vast die voldoen aan de hierboven onder punt III. B genoemde voorwaarden.
De op deze lijst geplaatste sollicitanten worden opgeroepen voor het schriftelijk examen”.
Authié koos het onderdeel „Buitenlandse betrekkingen”.
Op het sollicitatieformulier omschreef hij het door hem genoten hoger onderwijs als volgt:
„Nom et lieu de l'établissement
Années d'études
Diplômes et titres universitaires obtenus
Matières principales
de
à
Faculté Sciences Eco, Tours
1969
1971
1re et 2 e année de sciences économiques
Économie, Mathématiques
Faculté Sciences Eco, Orléans
1971
1973
Licence ès sciences économiques
Économie, Mathématiques, option économétrie
Institut d'études politiques, Paris
1974
1975
2e année de sciences politiques
Économie, droit, relations internationales
Collège d'Europe
1976
1977
Certificat des hautes études européennes
Économie de l'intégration européenne et relations extérieures”
Bij het sollicitatieformulier voegde hij twee getuigschriften, een van de Faculté de droit et des sciences économiques van de universiteit van Orléans, ten bewijze dat hij „L'Examen de quatrième année de licences es sciences économiques ,option économétrique' avec la mention passable lui conférant le grade de licencié es sciences économiques” had afgelegd, en het andere van het Europacollege, ten bewijze dat hij had deelgenomen „aux cours et aux travaux du programma d'études européennes à dominante économique” en het „Certificat de hautes études européennes” had behaald.
Bij brief van 5 december 1977 deelde het Directoraat-generaal Personeelszaken en algemeen beheer van de Commissie Authié mede, dat de jury had besloten hem niet op de lijst van tot het schriftelijk examen toegelaten kandidaten te plaatsen. Dit besluit was gemotiveerd als volgt: „uw getuigschriften of diploma's worden niet geacht te voldoen aan de gestelde eisen”. Bij schrijven van 19 december 1977 verzocht Authié de secretaris van de jury om nadere uitleg. In antwoord hierop deelde de voorzitter van de jury hem telefonisch mee, dat zijn opleiding niet overeenstemde met het door hem gekozen terrein en dat hij betrokkene adviseerde, deel te nemen aan een vergelijkend onderzoek voor economen zoals bijvoorbeeld het jaar daarvóór was uitgeschreven (COM/A/143, PB C 217 van 1976, blz. 8). Voorzitter van de jury was Y. Desbois, hoofd van de afdeling Aanwerving, aanstelling en bevorderingen van het Directoraat-generaal Personeelszaken en algemeen beheer.
Tegen dit besluit stelde Authié beroep in, hetgeen leidde tot zaak 19/78.
In die zaak werd Desbois als getuige gehoord, waarbij hij als zijn mening te kennen gaf dat het vergelijkend onderzoek waarop Authié had gesolliciteerd niet was bestemd voor economen („ce concours ne s'adressait pas aux économistes” — procesverbaal biz. 12). Daarvóór had hij verklaard:
„Nous venions de terminer, à la Commission, un concours dans le domaine économique, et il va de soi que si un candidat pouvait faire état, entre autres, d'un doctorat en sciences économiques — je donne un exemple — avec des options telles que celles qui figuraient dans le concours qu'on venait de terminer, il y aurait un problème d'admission sur titres, simplement dans le titre. Il fallait voir ensuite l'expérience et combiner les deux pour essayer d'apprécier si, non seulement la formation de base (une formation d'économètre pur par exemple), mais une expérience également, confirmait cette formation. A ce moment-là, il y avait non concordance entre la candidature et l'option ou le concours”.
(Procesverbaal blz. 6-7)
Toen hem daarop werd gevraagd welke universitaire opleidingen geschikt werden geacht voor het gebied „buitenlandse betrekkingen”, antwoordde hij :
„Relations extérieures, elle est assez difficile à définir. Peut-être faut-il la définir par le négatif. Ce n'était pas les relations économiques ou commerciales. Dans ce concours, c'était plutôt l'organisation, les rapports entre les diverses organisations, la connaissance de tous les organes avec lesquels la Commission, entre autres, ou les Communautés doivent traiter, la fáçon dont ils fonctionnent et non pas l'esprit économique ou commercial qui figurait dans l'autre concours”.
(Procesverbaal blz. 16)
Op de vraag voor welke keuzerichting een „licence en sciences économiques avec option économétrique” geschikt werd geacht, antwoordde hij „geen enkele”.
Uit de verklaring van Desbois blijkt eveneens dat de jury overeenkomstig artikel 3 van bijlage III bij het Statuut werd bijgestaan door bijzitters, om taalproblemen te voorkomen en in verband met het in de aankondiging van het vergelijkend onderzoek gestelde, dat de jury rekening zou houden met de verschillende onderwijsstructuren in de Lid-Staten.
De jury bestond uit drie personen: Desbois, Fransman, Saville, Brit, en Gherardi, wiens nationaliteit niet duidelijk uit de stukken blijkt maar die in ieder geval geen Duitser is (zie bijlage 1, 2 en 3 bij de conclusie van dupliek). De beoordeling van de sollicitaties van de Duitse kandidaten werd tenslotte overgelaten aan de bijzitters, die de opvatting van Desbois dat het vergelijkend onderzoek niet voor economen was bedoeld, niet schenen te delen of althans niet dienovereenkomstig te werk gingen. Enkele sollicitanten met een Duitse graad in de economie werden weliswaar tot de schriftelijke examens toegelaten, doch volgens de verklaringen van de Commissie zijn zij daarvoor allen gezakt.
Het Hof verklaarde het besluit nietig op twee gronden: ten eerste omdat de jury teveel had overgelaten aan de bijzitters, wier taak de grenzen van een eenvoudige raadgevende ondersteuning had overschreden, en ten tweede omdat het besluit van de jury onvoldoende met redenen was omkleed.
Het Hof oordeelde dat de rechten van Authié naar behoren zouden worden beschermd indien de jury zich opnieuw over haar besluit beraadde, zonder dat het gehele resultaat van het vergelijkend onderzoek aan de orde behoefde te worden gesteld.
Op 9 januari 1979 kwam de jury opnieuw bijeen om zich over het besluit te beraden. Haar samenstelling was dezelfde als in 1977. Haar verslag, gedateerd 11 januari 1979, luidde voor zover van belang als volgt:
„De heer Authié X. heeft het gebied ,Buitenlandse betrekkingen' gekozen. Hij heeft verklaard :
—
houder te zijn van een ,licence ès sciences économiques', behaald aan de Universiteit van Orléans op 29 juni 1973, en van een ,certificat de hautes études européennes — à dominante économique —' graad B, afgegeven door het Europacollege te Brugge op 27 mei 1977;
—
het tweede studiejaar van het Institut d'études politiques te Parijs (1974/1975) te hebben gevolgd.
Voorts werd verzoeker vanaf 16 september 1977 toegelaten als stagiaire in de diensten van de Commissie.
Blijkens de in het sollicitatiedossier vervatte gegevens houdt de universitaire opleiding van de heer Authié geen verband met het gebied buitenlandse betrekkingen van algemeen vergelijkend onderzoek COM/A/154, daar zij getuigt van hoofdzakelijk op economisch gebied verkregen kennis, met een specialisatie in econometrie”.
Dienovereenkomstig bevestigde de jury haar aanvankelijke besluit.
Authié werd hiervan in kennis gesteld bij brief van 15 januari 1979, waarin boven geciteerde passage uit het verslag van de jury werd aangehaald. Overeenkomstig artikel 90, lid 2, Statuut diende Authié bij brief van 13 april 1979 formeel een klacht in bij de Commissie tegen het besluit van de jury. Zijn brief werd dezelfde dag ontvangen door het Secretariaat-generaal van de Commissie. De in artikel 90, lid 2, gestelde termijn van vier maanden verstreek bijgevolg op 13 augustus 1979. Op 23 oktober 1979 echter, dat wil zeggen vóór het verstrijken van de in artikel 91, lid 3, Statuut gestelde beroepstermijn, deelde het voor personeelsaangelegenheden verantwoordelijke lid van de Commissie Authié uitdrukkelijk mee dat zijn klacht was afgewezen, op grond dat de Commissie niet bevoegd was een besluit van een jury te vernieti-. gen of te wijzigen. Krachtens het bepaalde in artikel 91, lid 3, ging de termijn voor het instellen van beroep hierdoor opnieuw in. Authié was toen woonachtig te Parijs, zodat de termijn inclusief de verlenging ervan vanwege de afstand, tenminste tot 29 januari 1980 liep. Het onderhavige beroep is op 25 januari 1980 ingesteld.
Authié verzoekt in hoofdzaak om nietigverklaring van het besluit van de jury van 9 januari 1979 en om een bevel, dat het vergelijkend onderzoek voor hem opnieuw zal worden opengesteld.
De ontvankelijkheid
De Commissie betoogt dat het beroep niet ontvankelijk is. Zij baseert zich niet op de niet-inachtneming van de vereisten van artikel 91, lid 3, maar op de bekende, in talrijke arresten van het Hof bevestigde regel dat, aangezien het tot aanstelling bevoegde gezag niet bevoegd is een besluit van een jury te wijzigen, hij die door zulk een besluit wordt benadeeld rechtstreeks bij het Hof in beroep kan komen zonder eerst een klacht in te dienen in de zin van artikel 90, lid 2, Statuut. Nu zulks zich hier voordoet, zo stelt de Commissie, had Authié binnen drie maanden na de kennisgeving van het besluit van 9 januari 1979 beroep moeten instellen, zodat het beroep tardief is. De Commissie wijst erop dat Authié deze regel moet hebben gekend, aangezien er in de zaken 4/78, 19/78 en 28/78 — zij het niet met betrekking tot zijn eigen zaak — naar werd verwezen.
In mijn conclusie in zaak 255/78 (Anselme, Jurispr. 1979, blz. 2338) heb ik de destijds op dit punt bestaande rechtspraak onderzocht: zaak 44/71 (Marcato II, Jurispr. 1972, blz. 427), zaak 37/72 (Marcato III, Jurispr. 1973, blz. 361), zaak 31/75 (Costacurta, Jurispr. 1975, blz. 1563), zaak 9/76 (Morello, Jurispr. 1976, blz. 1415), zaak 7/77 (Von Wüllerstorff und Urbair, Jurispr. 1978, blz. 769), gevoegde zaken 4/78, 19/78 en 28/78 (Salerno e.a., Jurispr. 1978, blz. 2404), zaak 112/78 (Kobor, Jurispr. 1979, blz. 1573) en zaak 117/78 (Orlandi, Jurispr. 1979, blz. 1613). Uit dat onderzoek heb ik afgeleid dat niettegenstaande de onderhavige regel, de indiening van een klacht in de zin van artikel 90, lid 2, niet tot gevolg kan hebben dat het beroep te laat is ingesteld, zulks ongeacht of de betrokkene de resultaten van die klacht afwacht alvorens zich tot het Hof te wenden. In de zaak-Anselme achtte het Hof het niet nodig dit punt te behandelen, aangezien de Commissie het weliswaar had aangestipt maar niet formeel aan de orde had gesteld. Voor zover mij bekend, is er nadien geen beslissing van het Hof geweest die deze conclusie zou ontkrachten. In casu zijn evenmin elementen naar voren gebracht die mij van haar onjuistheid zouden kunnen overtuigen.
Om mij duistere redenen, heeft de Commissie benadrukt dat Authié geen ambtenaar was. De artikelen 90 en 91 van het Statuut spreken echter niet van „een ambtenaar” maar van „ieder in dit Statuut bedoelde persoon”, en een kandidaat voor een overeenkomstig het Statuut gehouden algemeen vergelijkend onderzoek is ongetwijfeld een persoon als bedoeld in het Statuut. Deze stelling vindt steun in zaak 23/64 (Vandevijvere, Jurispr. 1965, blz. 207).
Naar mijn mening is het beroep derhalve ontvankelijk.
Ik kan de ontvankelijkheidsvraag echter niet laten rusten zonder een punt te vermelden dat mij is opgevallen, hoewel er noch namens Authié noch namens de Commissie iets over is gezegd. De aankondiging van het vergelijkend onderzoek vermeldde dat de aan de hand van de resultaten van het vergelijkend onderzoek opgestelde reservelijst geldig zou zijn tot 31 december 1978, behoudens verlenging. Mij is niet bekend of de geldigheid van die lijst is verlengd en zo ja, tot welk tijdstip. Om die reden zou dit beroep, hoewel niet op de door de Commissie aangevoerde grond niet ontvankelijk, zinloos kunnen zijn. Aangezien de Commissie hieromtrent evenwel niets heeft gesteld, zal ik het verder hierbij laten.
Ten gronde
Ten gronde heeft Authié zeven middelen aangevoerd :
1.
Het besluit van de jury is onvoldoende met redenen omkleed, nu niet wordt vermeld waarom de universitaire opleiding van Authié niet op een terrein zou liggen dat overeenkomt met de keuzerichting „buitenlandse betrekkingen”.
2.
De opleiding van Authié beantwoordt feitelijk aan de eisen die voor genoemd gebied zijn gesteld in de aankondiging van het vergelijkend onderzoek, zodat de door de jury aangevoerde redenen het besluit niet rechtvaardigen.
3.
De jury heeft misbruik gemaakt van haar bevoegdheden, ten einde tegemoet te komen aan de wens van Desbois dat economen van deelneming aan het vergelijkend onderzoek moesten worden uitgesloten.
4.
Voor zover de jury de opleiding van Authié als een studie in de econometrie heeft beschouwd — hoewel econometrie enkel een specialisatie ter afsluiting van zijn veel algemenere basisopleiding vormt — en in dat geval zijn beroepservaring in aanmerking heeft genomen, heeft de jury het recht van Authié om te worden gehoord (de rechten van verdediging) geschonden door zulks noch te zijner kennis te brengen noch in de redengeving van haar besluit te vermelden.
5.
De jury heeft gehandeld in strijd met het beginsel van gelijke behandeling en het discriminatieverbod door enkele kandidaten met een graad in de economie wel toe te laten tot het schriftelijk examen.
6.
De jury is in dit verband voorbij gegaan aan de vermelding in de aankondiging van het vergelijkend onderzoek, dat rekening zou worden gehouden met verschillen in de nationale onderwijsstructuren.
7.
Toen de jury in aansluiting op de uitspraak van het Hof in zaak 19/78 het besluit inzake de niet-toelating van Authié opnieuw in overweging nam, had zij volgens het adagium „nemo judex in re sua” niet uit dezelfde personen als voorheen mogen zijn samengesteld. (Dit middel werd voor het eerst — anders en ruimer geformuleerd — in repliek voorgedragen. Het werd niet in het inleidend verzoekschrift geldend gemaakt, omdat de samenstelling van de jury bij deze tweede gelegenheid eerst aan het licht kwam door een bijlage bij het verweerschrift, te weten voornoemd rapport van de jury van 11 januari 1979. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de raadsman van Authié de strekking van het middel beperkt en het nader toegelicht).
Ik zou willen beginnen met de behandeling van het tweede middel.
Heel precies gezegd gaat het hierbij om de vraag, of de jury mocht oordelen dat de door de Universiteit van Orléans aan Authié verleende graad, zoals weergegeven in het bij het beroepschrift gevoegde getuigschrift, niet voldeed aan de in de aankondiging van het vergelijkend onderzoek gestelde eis van een universitaire opleiding op een terrein, verband houdend met de keuzerichting „Buitenlandse betrekkingen”. De latere opleiding van Authié, aan het Institut d'études politiques te Parijs en het Europacollege te Brugge, kan buiten beschouwing worden gelaten; de eerste is niet afgesloten met een graad of getuigschrift, terwijl de jury de tweede heeft aangemerkt als „beroepservaring” in de zin van de aankondiging van het vergelijkend onderzoek. Zonder deze concessie had Authié waarschijnlijk niet voldaan aan het vereiste van „ten minste één jaar postuniversitaire beroepservaring op het gekozen gebied”.
Ik aarzel niet te zeggen dat Desbois mijns inziens ten onrechte het standpunt heeft gehuldigd, dat een graad in de economie geen verband houdt met het gebied „buitenlandse betrekkingen”. Als hoofd van de afdeling Aanwerving, aanstelling en bevordering was Desbois ongetwijfeld bevoegd het standpunt in te nemen en te handhaven, dat het vergelijkend onderzoek niet moest openstaan voor economen en dat de te bezetten posten, voor zover deze betrekking hadden op de buitenlandse betrekkingen van de Gemeenschap, niet door economen dienden te worden bezet. Als voorzitter van de jury was hij echter gehouden de bewoordingen van de aankondiging van het vergelijkend onderzoek objectief te interpreteren en toe te passen, onafhankelijk van zijn persoonlijke opvatting over de vraag wat deze aankondiging al dan niet had moeten inhouden. In de aankondiging van het vergelijkend onderzoek werd nergens vermeld dat economen van deelneming waren uitgesloten. Volgens mij kan evenmin worden staande gehouden, dat een graad in de economie noodzakelijkerwijs geen geschikte academische titel is voor het vervullen van taken op het gebied van de buitenlandse betrekkingen van de Gemeenschap; meer werd volgens de bewoordingen van de aankondiging evenwel niet verlangd.
Authié heeft echter een graad in de economie met een specialisatie in econometrie. Dit kan naar mijn mening een verschil uitmaken. Een redelijke jury zou kunnen oordelen dat een dergelijke specialisatie de graad ongeschikt maakt. Daarmee wil ik niet zeggen dat elke jury zo zou oordelen. Mijns inziens is dit echter een marginale kwestie, die ter beoordeling van de jury staat en waaromtrent het Hof zijn oordeel niet in de plaats mag stellen van dat van de jury. De raadsman van Authié heeft beklemtoond dat de specialisatie in econometrie slechts een aanvullende opleiding vormt naast een algemeen diploma in de economie. Ik geef echter de voorkeur aan de opvatting die de raadsman van de Commissie in antwoord op een vraag mijnerzijds tijdens de mondelinge behandeling heeft geuit, te weten dat de jury het diploma niet kon splitsen maar het als een geheel diende te beschouwen.
Op deze grondslag keer ik thans terug naar het eerste middel.
Zoals ik in de zaak-Costacurta (Jurispr. 1975, blz. 1578) heb betoogd in navolging van de opmerkingen van advocaat-generaal Mayras in de derde Marcatozaak (Jurispr. 1973, blz. 376), heeft de eis dat een jury de niet-toelating van een sollicitant tot een vergelijkend onderzoek met redenen dient te omkleden, een tweeledig doel. Ten eerste moet de sollicitant zelf van die redenen kennis kunnen nemen, om deze zonodig te kunnen betwisten. Ten tweede moet het Hof ingeval van beroep zijn toetsingsbevoegdheid kunnen uitoefenen, hetgeen in casu wil zeggen dat het moet kunnen nagaan of de jury feitelijk of rechtens heeft gedwaald of eventueel misbruik van haar bevoegdheden heeft gemaakt.
In casu was de kern van de door de jury voor haar besluit van 9 januari 1979 opgegeven redenen, dat de opleiding van Authié geen verband hield met het gekozen gebied „en ce qu'elles témoignent de connaissances acquises en matière essentiellement économique, avec une spécialisation en économétrie”.
Na enige aarzeling ben ik tot de conclusie gekomen dat deze redengeving dubbelzinnig is en het Hof niet in staat stelt met zekerheid te oordelen, of het besluit van de jury al dan niet op wettige gronden was gebaseerd. Vooral gezien het gebruik van het woord „essentiellement” zou men er uit kunnen opmaken dat betrokkenes graad in de economie de voornaamste reden was voor diens afwijzing, waarbij zijn specialisatie in econometrie een ondergeschikte rol speelde en derhalve kracht werd bijgezet aan de persoonlijke visie van Desbois. Men zou evenwel ook de gevolgtrekking kunnen maken dat de voornaamste reden was gelegen in Authié's graad in de economie, met een specialisatie in econometrie als wezenlijk onderdeel van die graad. In het eerste geval moet het besluit mijns inziens nietig worden geacht, in het tweede geval evenwel niet.
Als ik dit goed zie, dient het beroep van Authié te slagen op grond dat de jury haar besluit onvoldoende met redenen heeft omkleed.
Over de andere middelen van Authié kan ik kort zijn, behalve wellicht over het laatste.
Zoals gezegd is het derde middel ontleend aan misbruik van bevoegdheid. Het vierde middel steunt op een vermoeden omtrent de mening van de jury over de universitaire graad van Authié, en houdt in dat de jury Authié's recht om te worden gehoord heeft geschonden. Mijns inziens kunnen deze middelen hoogstens dienen ter ondersteuning van de conclusie, dat de redengeving van de jury onvoldoende was.
Het vijfde en zesde middel zijn gebaseerd op het feit dat enkele sollicitanten met een Duitse graad in de economie zijn toegelaten tot het schriftelijk examen. Dit zou relevant zijn indien de jury Authié had afgewezen enkel op grond dat hij een graad in de economie heeft, doch niet indien de reden voor zijn afwijzing zijn specialisatie in econometrie was. Derhalve ondersteunen mijns inziens ook deze middelen slechts het eerste middel.
Rest nog het zevende middel, dat de raadsman van Authié tijdens de mondelinge behandeling sterk heeft beklemtoond. Dit middel is van bijzonder groot belang, want indien het Hof mijn mening deelt en deze zaak terug verwijst naar de jury om opnieuw te worden onderzocht, rijst de vraag hoe dan de samenstelling van de jury dient te zijn.
De raadsman van Authié heeft in dit verband twee zaken aangehaald, te weten zaak 26/63 (Pistoj, Jurispr. 1964, blz. 703) en zaak 80/63 Degreef (Jurispr. 1964, blz. 803). Met betrekking tot laatstgenoemde zaak heeft de raadsman toegegeven dat hij zich niet baseerde op de vaststellingen in dat arrest, doch op hetgeen in zijn herinnering feitelijk is gebeurd in aansluiting op het arrest van het Hof. Mijns inziens kunnen deze zaken geen van beide het middel steunen'.
De raadsman van Authié heeft tevens gewezen op de praktijk van sommige appelrechters, die, wanneer zij de beslissing van een lagere rechter vernietigen, de zaak voor herziening terugverwijzen naar een ander of anders samengesteld rechterlijk college van het lagere niveau. Deze praktijk is echter geenszins algemeen en bewijst mijns inziens niet het bestaan van een vaste regel. Om één voorbeeld te geven: in sommige gevallen volgt het High Court van Engeland en Wales deze praktijk en in andere weer niet.
De samenstelling van een jury in het kader van het Ambtenarenstatuut dient te geschieden overeenkomstig artikel 3 van bijlage III bij het Statuut. Uiteraard kan in geval van nood of in een overmachtssituatie de samenstelling zelfs in de loop van een vergelijkend onderzoek worden gewijzigd, bijvoorbeeld (zoals verzoekers raadsman heeft opgemerkt) in geval van overlijden van een jurylid. Maar volgens mij is het Hof noch het tot aanstelling bevoegde gezag bevoegd, de samenstelling van een jury te wijzigen enkel op grond dat zij een fout blijkt te hebben gemaakt en bijgevolg haar besluit opnieuw in overweging dient te nemen. Ik hoef geen beschouwing te wijden aan het geval waarin een lid van een jury een gebrek aan integriteit kan worden verweten, aangezien zulks in casu tegen geen van de juryleden is aangevoerd.
Conclusie
Ik concludeer derhalve
1.
tot nietigverklaring van het besluit van de jury van 9 januari 1979 wegens onvoldoende motivering;
2.
dat de Commissie zal worden verwezen in de kosten van het geding.
Voor het overige, dient het beroep te worden afgewezen.
( 1 ) Vertaald uit het Engels.
Full & Egal Universal Law Academy