CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL J.-P. WARNER
VAN 17 DECEMBER 1980 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
De gemachtigde van de Commissie heeft ter terechtzitting de onderhavige zaken belangrijk en moeilijk genoemd. Ik ben het daarmee eens.
Zij zijn aan het Hof voorgelegd bij wege van een verzoek om een prejudiciële beschikking van de High Court van Ierland (rechter Barrington) in twee voor deze instantie aanhangige gedingen. In deze gedingen betogen verzoekers dat een tijdelijke accijns van 2 % ad valorem, die in 1979 in Ierland op bepaalde landbouwprodukten van toepassing was, in strijd was met het gemeenschapsrecht.
Ofschoon de belasting in de betrokken wettelijke regeling werd aangeduid als een „accijns”,en door de verwijzende rechter in aan het Hof voorgelegde vragen als een „belasting”, hebben partijen in de procedure voor het Hof gesproken van een „heffing”. Duidelijkheids- en beknoptheidshalve zal ik deze laatste term gebruiken.
Verzoekers in het eerste hoofdgeding zijn een vereniging van Ierse melkveehouders, de Irish Creamery Milk Suppliers Association (hierna: de ICMSA), en zes individuele Ierse landbouwers, onder wie de president en vice-president van de Irish Farmers' Association, die optreden namens alle leden van deze vereniging. Verzoekers in het tweede hoofdgeding zijn drie Ierse eigenaars van slachthuizen en een vennootschap genaamd McMonagle (Livestock Exporters) Limited (hierna: McMonagle), die zich bezighoudt met de export van levend vee uit Ierland. Verweerders zijn in beide zaken verschillend aangeduid, doch in werkelijkheid is dit in beide gevallen de Ierse regering.
De heffing werd ingevoerd bij een reeks besluiten van de Ierse regering en verordeningen van de Irish Revenue Commissioners van 30 april 1979, alsmede een verwijzingsbeschikking van de regering van 24 juli 1979. Een lijst van deze besluiten en verordeningen is opgenomen in paragraaf 1 van een bijlage bij de beslissing van de verwijzende rechter in beide zaken.
De heffing werd toegepast op levende runderen, verse melk, drie soorten granen, te weten tarwe, haver en gerst alsmede suikerbieten. Zij was enkel verschuldigd voor binnenlandse produkten en niet voor importen. Voor runderen moest zij worden betaald indien deze sinds veertien dagen of langer in Ierland verbleven. Er waren bepaalde uitzonderingen, bij voorbeeld voor runderen aangeduid als „reactors”, dit wil zeggen runderen die aan brucellose, leucose of rundertuberculose leden, voor de eerste 5000 imperial gallons door een bepaalde boerderij aan een bepaalde melkfabriek geleverde melk, en voor in nauwkeurig omschreven gebieden in het westen van Ierland verbouwde suikerbieten. De heffing werd geïnd op het moment waarop het produkt voor verwerking in Ierland werd geleverd aan een slachthuis, een zuivelfabriek, een maalderij of een suikerfabriek, dan wel op het moment van uitvoer in onverwerkte toestand. Belastingplichtig was, naar gelang van het geval, hetzij de eigenaar van het bedrijf waaraan de waren ter verwerking werden geleverd, hetzij de exporteur. De last van de heffing moest evenwel worden gedragen door de landbouwers, zodat was voorzien in bepalingen die de belastingplichtige het recht gaven, het bedrag van de heffing af te houden van de aan de verkoper van het produkt te betalen prijs dan wel het van hem terug te vorderen. De heffing werd berekend over de „belastbare waarde” van het betrokken produkt; voor melk, levende runderen en graan was dit de prijs die op een open markt kon worden bedongen tussen een koper en een verkoper die onafhankelijk van elkaar waren, en voor suikerbieten de daadwerkelijk betaalde prijs.
Zoals gezegd was de heffing van tijdelijke aard. Op levende runderen en verse melk was zij van toepassing van 1 mei 1979 tot eind 1979 en op graan en suikerbieten van 1 augustus 1979 tot eind 1979.
In haar nota aan de Commissie van 2 oktober 1979 lichtte de Ierse regering de redenen van de invoering van de heffing als volgt toe:
„Tot dit jaar financierde de regering alle kosten voor de voorziening van onderwijs, onderzoek en voorlichting ten behoeve van de landbouw uit de algemene belastingen. De totale kosten van deze diensten belopen thans ongeveer £ 30 miljoen per jaar ... Geen regering heeft tot nog toe gemeend, de kosten van deze diensten door middel van rechtstreekse heffingen of retributies te kunnen verhalen op degenen die deze diensten gebruiken of genieten. De kosten moeten mitsdien met een of andere vorm van belasting worden gedekt.
Om historische redenen bleven de welvaart en de ontwikkeling van de Ierse landbouw tot voor kort achter bij de andere sectoren van de economie. Dit kwam tot uiting in een voor de landbouw relatief gunstig belastingstelsel, met name wat de inkomstenbelasting betreft. Sinds 1972 evenwel heeft de landbouw, voornamelijk dankzij de invloed van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, grote vooruitgang geboekt en is het belastingstelsel geleidelijk gewijzigd en geharmoniseerd met dat in andere sectoren met vergelijkbare inkomens. Deze ontwikkeling had bij het opstellen van de begroting voor 1979 nog niet haar eindpunt bereikt, doch de regering gaf er zich op dat ogenblik rekenschap van dat de landbouwsector voortaan veel beter in staat was te betalen voor de eraan verleende bijzondere diensten. De regering ging op zoek naar middelen om althans een gedeelte van de uitgaven te verhalen op de landbouwsector en niet op de belastingsplichtigen in het algemeen, en stelde vast dat voor het lopende begrotingsjaar geen enkel belastingstelsel een doeltreffende oplossing kon bieden voor de invordering van geldmiddelen. Op die grond werd als voorlopige maatregel een stelsel van heffingen op landbouwprodukten ingesteld, dat zou worden toegepast totdat de regering, na raadpleging van de betrokken kringen, een definitief belastingstelsel voor de landbouw zou hebben vastgesteld. Sinds het opstellen van de begroting hebben deze raadplegingen plaatsgehad; op 24 april werd een definitief belastingstelsel met werking vanaf 1980 aangekondigd, en de inning van de heffing zal op 31 december 1979 worden beëindigd.”
Ter terechtzitting hebben verzoekers in het hoofdgeding deze verklaring krachtig bestreden, inzonderheid op het punt van de belasting van Ierse landbouwers. Zij hebben getoogd dat de heffing werd ingevoerd ingevolge protesten van andere belastingbetalers, die zich beklaagden dat zij in vergelijking met landbouwers te zwaar werden belast. Eerlijkheidshalve moet hierbij worden gezegd dat de Ierse regering in haar bij het Hof ingediende opmerkingen weliswaar in wezen haar tegenover de Commissie afgelegde verklaring heeft herhaald, doch ook melding heeft gemaakt van deze protesten. Het staat vanzelfsprekend niet aan het Hof, op dit punt tussen partijen te bemiddelen. Dienaangaande is in de onderhavige procedure volgens mij alleen de — overigens onbetwiste — omstandigheid van belang, dat de opbrengst van de heffing in de schatkist werd gestort en niet, bij wet of anderszins, voor een bijzondere uitgave was bestemd
Het eerste hoofdgeding, waarin de ICMSA en anderen verzoekers zijn, werd bij de verwijzende rechter aanhangig gemaakt bij wege van een verzoek om een interlocutoir bevelschrift in september en oktober 1979. In die stand van het geding was nog geen verweer gevoerd, doch uit bij de Court onder ede afgelegde getuigenverklaringen was gebleken dat partijen het oneens waren over bepaalde feiten, inzonderheid betreffende de bijzonderheden en de situatie van de Ierse markt voor landbouwprodukten, en de daarmee samenhangende gevolgen van de toepassing van de heffing. In hun verzoekschrift verlangden verzoekers (i) een verwijzing naar het Hof en (ii) een bevelschrift waarbij het verweerders zou worden verboden, hangende de uitspraak de toepassing van de heffing voort te zetten. Het tweede punt van het verzoekschrift leverde uiteindelijk geen moeilijkheden op, daar de Ierse regering de toezegging deed dat zo de heffing onrechtmatig zou worden verklaard, de geïnde heffingen zouden worden terugbetaald. De discussie voor de verwijzende rechter had dan ook goeddeels betrekking op de vraag of de zaak al dan niet naar het Hof moest worden verwezen. De Ierse regering betoogde dat een verwijzing in die stand van het geding voorbarig zou zijn en dat daartoe eerst zou moeten worden overgegaan nadat alle feiten vaststonden, om te voorkomen dat na vaststelling van de feiten nieuwe vragen betreffende het gemeenschapsrecht zouden rijzen en zich aldus het „zeer ongewenste” geval zou kunnen voordoen van meer dan één verwijzingsbeschikking in dezelfde zaak. De verwijzende rechter verwierp dit verzoek evenwel. De fundamentele vraag was zijns inziens deze, of de heffing al dan niet rechtsgeldig was op de dag waarop de eraan ten grondslag liggende wettelijke regeling werd vastgesteld. Dat was zijns inziens een zuivere vraag van gemeenschapsrecht, waarvan de beantwoording niet afhing van het al dan niet vaststaan van feiten betreffende de situatie in Ierland.
Van de beslissing van de verwijzende rechter, de zaak in die stand van het geding naar het Hof van Justitie te verwijzen, ging de Ierse regering in beroep voor de Supreme Court van Ierland. Tijdens de mondelinge behandeling van dit beroep werd de vraag opgeworpen of het bestaan van een appèlrecht bij een hoger nationale rechter tegen een door een nationale rechter gegeven verwijzingsbeschikking, in overeenstemming was met artikel 177 EEG-Verdrag. Ofschoon voor de Supreme Court uitspraken van het Hof van Justitie over deze vraag (waaronder vermoedelijk zaak 146/73, Rheinmühlen, Jurispr. 1974, blz. 139) werden aangehaald, was de Supreme Court niet overtuigd van de toelaatbaarheid van een dergelijk recht. Ter vermijding van de vertraging die zou zijn ontstaan door een afzonderlijk verzoek van de Supreme Court om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 177, werd overeengekomen dat de appelprocedure zou worden geschorst en dat de High Court zou worden verzocht, in zijn verwijzingsbeschikking een vraag betreffende artikel 177 op te nemen.
Dit is de reden waarom het Hof in die verwijzingsbeschikking twee vragen worden voorgelegd:
„1.
Is de beschikking van de High Court waarbij in deze stand van de procedure de vraag sub 2 krachtens artikel 177 EEG-Verdrag ter prejudiciële beslissing wordt voorgelegd aan het Hof van Justitie, een correcte uitoefening van de overeenkomstig voornoemd artikel aan de High Court toekomende bevoegdheid?
2.
Is een nationale belasting als de onderhavige in strijd met het EEG-Verdrag, inzonderheid met de artikelen 9, 11, 12, 16, 17 en 38 tot 46 dan wel met één van deze artikelen, of met de verordeningen nr. 804/68, 805/68, 3330/74 en 2727/75 van de Raad dan wel met één van deze verordeningen?”
De in vraag 2 genoemde verordeningen van de Raad hebben betrekking op de instelling van de gemeenschappelijke ordeningen der markten in de sectoren melk en zuivelprodukten, rundvlees, suiker en granen. De produkten waarop de heffing van toepassing was, vallen alle onder deze marktordeningen.
Het tweede hoofdgeding werd in november 1979 voor de verwijzende rechter aanhangig gemaakt, en wel eveneens bij wege van een verzoek om een interlocutoir bevelschrift, in een vergelijkbare stand van het geding ingediend door de vierde verzoeker, McMonagle, alleen. Daarop gaf de verwijzende rechter een beschikking, waarbij het Hof van Justitie twee vragen werden voorgelegd die nagenoeg gelijk luiden als die welke in de eerste zaak zijn gesteld.
De eerste vraag zal ik kort behandelen. Kennelijk wordt door het Hof daarin niet verzocht zijn uitspraak in de zaak-Rheinmühlen te herzien. Evenmin is voor het Hof betoogd dat de vraag ontkennend moet worden beantwoord. Men is het erover eens dat het, zoals uit tal van arresten van het Hof blijkt, aan de nationale rechter staat te beslissen in welke stand van de procedure een zaak krachtens artikel 177 EEG-Verdrag naar het Hof moet worden verwezen, en dat de uitoefening van deze bevoegdheid niet, en zeker niet in omstandigheden als de onderhavige, door het Hof van Justitie kan worden getoetst. De Ierse regering heeft het Hof evenwel met klem verzocht, de nationale rechter aanwijzingen te verschaffen omtrent de overwegingen die hij ten grondslag dient te leggen aan de beslissing in welke stand van een geding een verwijzingsbeschikking moet worden gegeven. Volgens mij kan dienaangaande enkel worden gesteld, dat het voor de procedure voor het Hof weliswaar de voorkeur verdient indien de relevante feiten vaststaan alvorens een verwijzingsbeschikking wordt gegeven, doch dat zich zaken kunnen voordoen waarin een eerdere verwijzing nuttig is, bijvoorbeeld wanneer de nationale rechter zonder een uitspraak van het Hof van Justitie niet met zekerheid kan vaststellen welke feitelijke vragen in voorkomend geval relevant zijn.
De omstandigheid dat de verwijzende rechter zijn tweede vraag als een zuiver gemeenschapsrechtelijke beschouwt, die los van de door partijen betwiste feiten moet worden beantwoord, heeft mijns inziens evenwel belangrijke gevolgen voor de wijze waarop het Hof van Justitie deze vraag dient te benaderen. Voor het Hof hebben partijen, en inzonderheid verzoekers, argumenten aangevoerd die berusten op hun respectieve versies van de feiten. Verzoekers hebben daarbij niet alleen verwezen naar de in de door hem afgelegde verklaringen vervatte bewijzen, doch het Hof tevens een rapport overgelegd dat in opdracht van de Irish Farmers' Association en de ICMSA is opgesteld door professor D. Lucey, professor in zuivel- en voedseleconomie aan het University College te Cork. Dit verslag heeft grotendeels betrekking op de gevolgen van de toepassing van de heffing: de opbrengst ervan en de weerslag op het inkomen van de landbouwers, op de produktie en op de betrokken markten. Ter terechtzitting heeft de Ierse regering weliswaar erkend het met sommige passages uit professor Lucey's rapport eens te zijn, doch bezwaar gemaakt tegen de gebruikmaking ervan, daar het partijdig zou zijn. De ICMSA en haar medeverzoekers hebben ter terechtzitting zelfs nog meer bewijsmateriaal overgelegd, te weten bepaalde handelsstatistieken. Naar mijn mening dient het Hof al dit bewijsmateriaal en de erop gebaseerde argumenten terzijde te stellen. Anders zou het Hof op de stoel gaan zitten van de instantie die in casu de feiten heeft te beoordelen, de High Court van Ierland, en zulks bovendien in omstandigheden waarin de Ierse regering niet volledig de kans heeft gehad bewijsmateriaal over te leggen in antwoord op de door verzoekers ingediende stukken.
De tweede vraag van de verwijzende rechter bestaat uit twee delen:
(i)
Is een heffing als de onderhavige een heffing van gelijke werking als een invoer- of uitvoerrecht?
(ii)
Is een dergelijke heffing verenigbaar met de prijsvoorschriften van de verordeningen houdende een gemeenschappelijke ordening der landbouwmarkten?
Namens de ICMSA en haar medeverzoekers is betoogd dat de heffing voor wat levende runderen betreft een heffing van gelijke werking als een invoerrecht vormde wegens het veertien dagen voorschrift. Deze stelling moet mijns inziens worden verworpen. De bepaling was eenvoudig bedoeld, vast te stellen wanneer een rund moest worden geacht te behoren tot wat de Commissie „de Ierse kudde” noemt. Zodra het rund tot deze kudde behoorde, was het aan de heffing onderworpen indien en op het moment waarop het aan het slachthuis werd geleverd. De heffing werd evenwel niet op grond van de invoer toegepast. Immers indien het vee binnen veertien dagen na invoer aan het slachthuis werd geleverd, was het van de heffing vrijgesteld.
Veel krachtiger is het hoofdargument van McMonagle. Deze heeft — eveneens met betrekking tot levende runderen — betoogt dat de heffing gelijke werking had als een uitvoerrecht op grond dat zij binnen Ierland enkel verschuldigd was voor runderen die met het oog op de slacht werden verkocht, terwijl zij bij uitvoer moest worden betaald ongeacht de vraag of het vee voor de slacht, als mestvee, als fokvee, of voor de melkproduktie werd verkocht. Een treffend voorbeeld is dat van een jonge stamboekstier, die enkel voor de fok kon worden verkocht en waarover bij verkoop binnen Ierland geen, doch bij export wel belasting diende te worden betaald. Men ontkomt mijns inziens niet aan de conclusie dat de heffing in zoverre gelijke werking had als een uitvoerrecht. In dit verband kan ik verwijzen naar zaak 51/74, van der Hulst, Jurispr. 1975, blz. 79, waarin het Hof heeft overwogen dat „wanneer een binnenlandse heffing de verkoop naar het buitenland zwaarder belast dan de binnenlandse verkoop, die heffing gelijke werking heeft als een uitvoerrecht.” De Ierse regering heeft deze conclusie willen weerleggen door te betogen dat alle in Ierland verkochte mest-, fok of melkvee uiteindelijk in het slachthuis belandt en door de heffing wordt getroffen. Of dat in werkelijkheid zo is, kan worden betwijfeld. Sommige runderen sterven op de boerderij of worden afgemaakt wegens ziekte, zonder dat zij ooit in een slachthuis belanden. In ieder geval heeft het Hof reeds herhaaldelijk overwogen dat, wil een belasting geen heffing van gelijke werking als een invoerrecht zijn, zij binnenlandse en ingevoerde produkten volgens dezelfde criteria dient te treffen; zie bij voorbeeld zaak 87/75 (Bresciani, Jurispr. 1976, blz. 129) en zaak 132/78 (Denkavit Loire, Jurispr. 1979, blz. 1923). Naar mijn mening dient dit beginsel op gelijke wijze te worden toegepast met betrekking tot de uitvoer.
Ik kom thans toe aan het tweede gedeelte van de vraag.
Verzoekers betogen te dezen in hoofdzaak dat een heffing als de onderhavige een daadwerkelijke of potentiële belemmering vormt van het door de gemeenschappelijke ordeningen der landbouwmarkten ingestelde prijsvormingsmechanisme, en mitsdien onrechtmatig is.
Het is mijns inziens niet nodig dit mechanisme nogmaals uiteen te zetten. Het is het Hof bekend en het is bovendien zorgvuldig geanalyseerd in de schriftelijke opmerkingen van de ICMSA en haar medeverzoekers en in die van de Commissie in beide zaken.
Verzoekers verwijzen naar artikel 39 EEG-Verdrag, waarin de doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid worden aangegeven, en inzonderheid naar de sub b van dat artikel genoemde doelstelling, „de landbouwbevolking een redelijke levensstandaard te verzekeren, met name door de verhoging van het hoofdelijk inkomen van hen die in de landbouw werkzaam zijn”. Volgens verzoekers is dit een van de doelstellingen die de Raad nastreeft en dient na te streven bij de jaarlijkse vaststelling van de richt- en oriëntatieprijzen voor landbouwprodukten. Daarom is het volgens verzoekers onverenigbaar met het systeem, dat een Lid-Staat op deze produkten een belasting heft die bestemd is om de door de landbouwers voor deze produkten verkregen prijzen te verlagen.
Verzoekers hebben voorts gewezen op tal van arresten van het Hof waarin dit heeft geoordeeld dat zodra de Gemeenschap krachtens artikel 40 EEG-Verdrag een regeling voor de totstandbrenging van een gemeenschappelijke ordening der markten in een bepaalde sector heeft vastgesteld, de Lid-Staten zich dienen te onthouden van elke maatregel met de strekking daarvan af te wijken of er inbreuk op te maken (recente arresten zijn zaak 83/78, Pigs Marketing Board, Jurispr. 1978, blz. 2347, en zaak 177/78, Pigs and Bacon Commission, Jurispr. 1979, blz. 2161; op laatstgenoemde zaak kom ik nog terug). Verzoekers hebben ook arresten genoemd waarin het Hof bepaaldelijk heeft geoordeeld, dat nationale maatregelen die inbreuk maken op het door de gemeenschappelijke marktordeningen ingestelde prijsmechanisme, onrechtmatig zijn. Als voorbeeld hebben zij gewezen op de arresten in zaak 60/75 (Russo, Jurispr. 1976, blz. 45) en zaak 52/76 (Benedetti, Jurispr. 1977, blz. 163) waarin het Hof voor recht heeft verklaard dat het handelen van een LidStaat, bestaande in het aankopen van onder de betrokken marktordening vallende produkten op de wereldmarkt en het doorverkopen daarvan op de gemeenschappelijke markt tegen een lagere prijs dan de richtprijs, onverenigbaar is met de gemeenschappelijke ordening der markten, alsmede op de uitgebreide rechtspraak betreffende nationale prijsregelingen, waarvan het arrest in zaak 31/74 (Galli, Jurispr. 1975, blz. 47) het eerste was en dat in de gevoegde zaken 95 en 96/79 (Kefer en Delmelle, Jurispr. 1980, blz. 103) het meest recente vormt. Daarin is het beginsel neergelegd dat nationale wettelijke regelingen voor de controle of de vaststelling van prijzen voor produkten die onder een gemeenschappelijke ordening der markten vallen, slechts gerechtvaardigd zijn voor zover zij de doelstellingen of de werking van de gemeenschappelijke marktordening en inzonderheid de prijsregeling daarvan niet in het gedrang brengen. Van bijzonder belang is hier volgens mij het arrest in zaak 10/79 (Toffoli, Jurispr. 1979, blz. 3301) waarin het Hof heeft gewezen op het belang van de rol die de richtprijs speelt en van het feit dat het interventiestelsel is bedoeld, de marktmechanismen derwijze te beïnvloeden dat de producenten een aan de richtprijs georiënteerde prijs wordt gegarandeerd; dienovereenkomstig heeft het Hof in dit arrest verklaard dat iedere poging zijdens een Lid-Staat, de producentenprijs voor melk direct of indirect vast te stellen, onverenigbaar is met de gemeenschappelijke marktordening voor melk en zuivelprodukten.
Een ander arrest dat mijns inziens de stelling van verzoekers steunt is dat in zaak 77/76 (Cucchi, Jurispr. 1977, blz. 987), waarin het Hof heeft overwogen dat krachtens verordening nr. 3330/74 houdende een gemeeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker, behoudens uitdrukkelijke afwijkende bepalingen alleen de Commissie bevoegd was maatregelen vast te stellen ter beperking van de gevolgen van een wijziging van het niveau der communautaire prijzen, en dat mitsdien in dat geval een bij de Italiaanse wettelijke regeling ingevoerde belasting op bij het einde van het verkoopseizoen aanwezige suikervoorraden onrechtmatig was (zie rechtsoverweging 27-35 van het arrest).
De Ierse regering heeft deze argumenten in de eerste plaats gepoogd te weerleggen door te betogen dat de heffing niet van invloed was op de prijzen die de landbouwers ontvingen ingevolge de werking van de marktmechanismen en het interventiestelsel doch dat zij enkel een fiscale aftrek van de door de producent te ontvangen marktprijzen tot gevolg had. Dit vind ik, met alle respect, sterk op een woordenspel lijken. Voor suikerbieten bijvoorbeeld is krachtens artikel 4 van verordening nr. 3330/74 van de Raad een minimumprijs vastgesteld. Een aftrek van 2 % van deze prijs betekent duidelijk een vermindering van het bedrag dat volgens de bedoelingen van de Raad aan de producenten diende toe te komen, en het feit dat men deze aftrek een „belasting” noemt, doet hieraan niets af. Deze doorkruising van de bedoelingen van de Raad springt wellicht minder in het oog waar het gaat om produkten waarvoor geen minimumprijs doch enkel een richt- of oriëntatieprijs is vastgesteld. Zij is evenwel op die grond niet minder reëel. De richtprijs is de prijs die de gemeenschappelijke marktordening de producenten poogt te waarborgen. Gesteld dat dit doel in Ierland in 1979 daadwerkelijk was bereikt, zodat de marktprijzen gelijk waren aan de richtprijzen, dan zou de heffing de inkomsten van de Ierse producenten tot 2 % beneden de richtprijs hebben teruggebracht.
Met betrekking tot de richtprijzen heeft de Ierse regering een passage uit mijn conclusie in de zaak-Galli aangehaald. Er zij evenwel op gewezen dat het Hof mij in die zaak niet heeft gevolgd en dat de rechtspraak van het Hof in de latere prijscontrolezaken verschilt van wat ik destijds heb betoogd.
De Ierse regering heeft voorts betoogd dat de invoering van de heffing gezien de doelstelling ervan — een belasting van de producenten — behoorde tot de volgens het Verdrag aan de Lid-Staten voorbehouden bevoegdheid, hun onderdanen te belasten. Zoals de Commissie evenwel heeft opgemerkt, lijdt het geen twijfel dat het Verdrag en de op grond daarvan door de Raad vastgestelde voorschriften de bevoegdheden van de Lid-Staten op fiscaal gebied beperken. Afgezien van dermate voor de hand liggende voorbeelden als de bepalingen van het EEG-Verdrag betreffende douanerechten en heffingen van gelijke werking en de artikelen 95 tot 98 EEG-Verdrag, is het de Lid-Staten ingevolge de richtlijnen van de Raad betreffende het nader tot elkaar brengen van de wetgevingen van de Lid-Staten inzake omzetbelasting verboden, een ander stelsel van omzetbelasting dan het gemeenschappelijk stelsel van de BTW in stand te houden of in te voeren (zie inzonderheid richtlijnen nrs. 67/227/EEG van 11 april 1967 en 77/388/EEG van 17 mei 1977). Vanzelfsprekend betwijfelt niemand het recht van de Lid-Staten, de landbouwers aan inkomstenbelasting te onderwerpen, ongeacht of deze bepaling naar de winst dan wel de jaarlijkse waarde van het land wordt berekend; bij de litigieuze heffing gaat het evenwel niet om zulk een belasting: het was een belasting op bepaalde soorten landbouwprodukten die werd geheven bij de verkoop, ongeacht de persoonlijke omstandigheden van de verkopende landbouwer. Overtuigend is mijns inziens het door de ICMSA en haar medeverzoekers ter terechtzitting naar voren gebrachte argument, dat wanneer het de Lid-Staten in beginsel wordt toegestaan een dergelijke belasting in te voeren, daaruit voortvloeit dat zij deze tegen om het even welk tarief en voor om het even welke duur mogen toepassen en dat zij het tarief van tijd tot tijd mogen wijzigen. Er is geen wettelijk criterium aan de hand waarvan hun bevoegdheid te dezen kan worden beperkt. In deze gedachtengang zouden de Lid-Staten over de mogelijkheid beschikken elk jaar, nadat de Raad de gemeenschappelijke prijzen voor het volgende jaar heeft vastgesteld, het besluit van de Raad naar eigen inzicht opzij te zetten zodat uiteindelijk geen gemeenschapsprijzen meer nodig zouden zijn.
Er zijn ook argumenten aangevoerd ontleend aan de medeverantwoordelijkheidsheffing op melk, die is ingevoerd bij verordening (EEG) nr. 1079/77 van de Raad en waarvan het Hof de geldigheid heeft onderzocht in zaak 138/78 (Stölting, Jurispr. 1979, blz. 713). Partijen zijn het erover eens dat, gelijk ook duidelijk blijkt uit de considerans van de verordening, die heffing ten doel heeft het evenwicht tussen vraag en aanbod in de melk en zuivelsector te herstellen, met andere woorden dat het een marktsturende maatregel betreft. Evenmin wordt betwist dat de heffing dezelfde werking heeft als de onderhavige Ierse heffing. Partijen leiden uit deze vaststellingen evenwel verschillende conclusies af. Mij dunt dat hieruit slechts één conclusie kan worden getrokken, namelijk dat de invoering van een dergelijke heffing thans tot de uitsluitende bevoegdheid van de Gemeenschap behoort.
Voor de conclusie dat de litigieuze heffing onverenigbaar is met het gemeenschapsrecht is de Commissie kennelijk teruggeschrokken, voornamelijk uit vrees voor de gevolgen ervan, „gelet op het feit” aldus de Commissie „dat in alle Lid-Staten fiscale en parafiscale maatregelen bestaan waarvan de opbrengst wordt gebruik voor een hele reeks diensten aan de landbouw”. De Commissie heeft in dat verband verwezen naar paragraaf 464 van haar verslag over de landbouwtoestand in de Gemeenschap in 1977, luidend als volgt:
„In verschillende Lid-Staten worden bepaalde interventies ... gefinancierd uit de opbrengst van parafiscale heffingen op landbouwprodukten. Dit is met name het geval in Frankrijk (ongeveer 98 miljoen EUC), in Nederland (48 miljoen EUC), in het Verenigd Koninkrijk (26 miljoen EUC) en in Denemarken (19 miljoen EUC).
Bij deze analyse is geen rekening gehouden met de uitgaven voor de sociale zekerheid, daar de inlichtingen van de Lid-Staten dienaangaande niet homogeen waren.”
Afgezien van bijdragen tot de sociale zekerheid, die in casu niet aan de orde zijn, kan een antwoord op de vrees van de Commissie worden gevonden in het arrest van het Hof in zaak 2/73 (Geddo, Jurispr. 1973, blz. 865). In dat arrest heeft het Hof een onderscheid gemaakt tussen enerzijds een binnenlandse heffing op de verkoop van nationale produkten van bepaalde aard, bestemd om een fonds tot steunverlening aan de nationale producenten van deze produkten te financieren, en anderzijds een belasting bedoeld om de restituties bij uitvoer van deze goederen te verlagen (zie rechtsoverweging 6 van het arrest). Ofschoon de artikelen 92 tot 94 EEG-Verdrag niet ter sprake kwamen, ligt volgens mij in dit arrest besloten dat de rechtmatigheid van een belasting van eerstgenoemde aard afhangt van de rechtmatigheid van de steunmaatregelen ter financiering waarvan de belasting werd ingevoerd en mitsdien alleen in het licht van deze artikelen kan worden beoordeeld. Een belasting van laatstgenoemde aard is evenwel onwettig aangezien zij in strijd is met de voorschriften van de verordening inzake restituties bij uitvoer.
Het arrest in de zaak-Pigs and Bacon Commission (reeds geciteerd) komt, behalve misschien in één opzicht, overeen met deze opvatting. Het Hof heeft toen overwogen dat de betrokken heffing onrechtmatig was voor zover zij diende ter financiering van een exportpremie, aangezien zij, evenals de premie zelf, in dat opzicht in strijd was met de bepalingen van de verordening tot instelling van een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector varkensvlees. Mijns inziens is duidelijk dat de wettigheid van de heffing voor het overige, dit wil zeggen voor zover zij diende voor de financiering van de bevorderende maatregelen van de Pigs and Bacon Commission, afhing van de wettigheid van deze activiteiten zelf in het licht van de artikelen 92 tot 94 EEG-Verdrag. Het Hof heeft evenwel afgezien van een antwoord op de door de High Court van Ierland gestelde vragen betreffende de artikelen 92 tot 94 EEG-Verdrag, op grond dat „een beroep op het bepaalde bij de artikelen 92 tot en met 94 EEG-Verdrag geen wijziging kan brengen in de vereisten die voor de Lid-Staten voortvloeien uit de eerbiediging van de regels van die gemeenschappelijke ordening” (rechtsoverweging 21). Deze overweging was zonder meer juist, doch op zichzelf mijns inziens onvoldoende om een antwoord op de vragen betreffende de artikelen 92 tot 94 overbodig te maken. Het Hof heeft wellicht over het hoofd gezien (hoewel ik daarop de aandacht had gevestigd in mijn conclusie op blz. 2201) dat een van de door verweerster met een beroep op artikel 93, lid 3, naar voren gebrachte argumenten — indien aanvaard — tot de gevolgtrekking zou hebben geleid dat de hele heffing onwettig was, en niet enkel het deel dat voor de financiering van de premie was bestemd. Indien deze uitlegging juist is, strookt de uitspraak in deze zaak geheel met de opvatting die ik heb uiteengezet.
Gelet op sommige namens de Commissie ter terechtzitting gemaakte opmerkingen betreffende de goede trouw van de Ierse regering, is het wellicht nuttig te beklemtonen dat het door mij gemaakte onderscheid geenszins berust op de beweegredenen van de regering of de wetgever van de betrokken Lid-Staat. De reden waarom ik niet geloof dat de onderhavige heffing kan worden gelijkgesteld met de heffing in de zaak-Geddo, is dat de opbrengst ervan naar de Ierse schatkist vloeide en zij niet was bestemd voor de financiering van steunmaatregelen aan de Ierse landbouwers, die aan de artikelen 92 tot 94 zouden kunnen worden getoetst.
Namens de Commissie is ter terechtzitting nog gesuggereerd dat de heffing wellicht rechtmatig kan worden geacht op grond dat zij voor alle produkten gold. Dit lijkt mij een even onzeker criterium als de toepassingsduur of het tarief van de heffing. In ieder geval geloof ik niet dat een heffing die enkel een beperkt aantal produkten treft, als „algemeen geldend” kan worden beschouwd.
Concluderend geef ik het Hof in overweging de door de High Court van Ierland gestelde vragen te beantwoorden als volgt:
1.
Krachtens artikel 177 EEG-Verdrag staat het aan de betrokken nationale rechter, te beoordelen in welke stand van het geding het Hof van Justitie een prejudiciële vraag moet worden voorgelegd;
2.
Een nationale heffing die alle exporten van levende runderen uit de betrokken Lid-Staat treft, doch binnen die Lid-Staat enkel wordt toegepast indien levende runderen worden geleverd met het oog op verwerking, is in zoverre een heffing van gelijke werking als een uitvoerrecht, die ingevolge de artikelen 9, 12 en 16 EEG-Verdrag in de handel tussen de Lid-Staten en ingevolge artikel 20, lid 2, van verordening nr. 805/68 in de handel met derde landen is verboden.
3.
Een nationale heffing die op bepaalde landbouwprodukten wordt toegepast op het ogenblik van levering met het oog op verwerking of uitvoer, en waarvan de opbrengst naar de schatkist van de betrokken Lid-Staat vloeit zonder te zijn bestemd voor steunmaatregelen die aan de artikelen 92 tot 94 EEG-Verdrag kunnen worden getoetst, is, voor zover de betrokken produkten krachtens een verordening houdende een gemeenschappelijke ordening der markten zijn onderworpen aan een prijsregeling, onverenigbaar met die regeling en mitsdien onwettig.
( 1 ) Vertaald uit het Engels.
Full & Egal Universal Law Academy