CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL G. REISCHL
VAN 11 NOVEMBER 1980 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne beren Rechters,
In de prejudiciële zaak waarin ik heden concludeer, gaat het wederom om de uitlegging van artikel 95 EEG-Verdrag met het oog op een verschillende binnenlandse belasting van alcoholische produkten.
De firma Orbat SpA, gevestigd te Milaan, bestelde bij de firma Vinal SpA, gevestigd te Casteggio, blijkens de orderbevestiging van laatstgenoemde van 5 januari 1980 mondeling tien hectoliter uit een andere Lid-Staat ingevoerde anhydrische, gedenatureerde synthetische ethylalcohol tegen de prijs van LIT 62000/hl ethylalcohol, vermeerderd met BTW. In deze prijs was een bijzondere rijksbelasting (diritto erariale speciale) inbegrepen, die overeenkomstig artikel 3 van wet nr. 506 van 18 augustus 1978 tot wijziging van de belastingregeling voor alcohol (G.U. nr. 247 van 4 september 1978) was vastgesteld op LIT 12000/hl ethylalcohol en door de firma Vinal bij de invoer van het onderhavige produkt was voldaan.
Toen de firma Orbat weigerde deze volgens haar ten onrechte geheven bijzondere rijksbelasting te betalen, stelde de firma Vinal bij de Pretura di Casteggio beroep in tot afname van de betrokken goederen en tot betaling van de koopprijs, met inbegrip van de bijzondere rijksbelasting en de BTW.
Tijdens de mondelinge behandeling bestreed de firma Orbat niet, de basisprijs van LIT 50000/hl ethylalcohol vermeerderd met BTW verschuldigd te zijn, doch zij verzette zich tegen de in rekening gebrachte bijzondere rijksbelasting van LIT 12000/hl ethylalcohol, waarvan de heffing in strijd zou zijn met artikel 95 EEG-Verdrag.
De Italiaanse belastingwetgeving voorziet in beginsel in de heffing van een bijzondere rijksbelasting ter hoogte van LIT 12000/hl zuivere ethylalcohol voor alle gedenatureerde alcoholsoorten. Van deze belasting zijn enkel de alcoholsoorten van de zogenaamde tweede categorie, die uit wijn, droesem of vruchten worden gewonnen, geheel uitgesloten, terwijl voor alcohol op basis van melasse, sorghum en suikerriet in een belasting van LIT 1000/hl ethylalcohol en voor methyl-, propyl- en isopropylalcohol in een belasting van LIT 2000/hl ethylalcohol is voorzien.
Ofschoon de geschetste regeling zonder onderscheid voor binnenlandse en ingevoerde produkten geldt, is zij volgens de firma Orbat niettemin in strijd met het discriminatieverbod van artikel 95 EEG-Verdrag. In de eerste plaats zou namelijk gedenatureerde synthetische alcohol als gelijksoortig of zelfs identiek met gedenatureerde, door gisting verkregen alcohol moeten worden beschouwd, terwijl in de tweede plaats in Italië synthetische alcohol alleen zou worden ingevoerd en door gisting verkregen alcohol uitsluitend binnenslands zou worden vervaardigd. Het „gelijksoortige” uit de Gemeenschap ingevoerde produkt zou daardoor in werkelijkheid zwaarder worden belast dan het binnenlandse produkt. Om genoemde redenen acht de firma Orbat zich slechts verplicht tot betaling van een bijzondere rijksbelasting ter hoogte van LIT 1000/hl ethylalcohol.
De Pretura di Casteggio heeft bij beschikking van 30 januari 1980 besloten de procedure te schorsen en het Hof van Justitie krachtens artikel 177 EEG-Verdrag de volgende prejudiciële vragen voor te leggen:
„1.
Moet artikel 95, eerst alinea, EEG-Verdrag aldus worden uitgelegd, dat als „gelijksoortig” zijn te beschouwen twee produkten die uit verschillende grondstoffen zijn vervaardigd, maar die voor dezelfde doeleinden kunnen worden aangewend en daartoe ook dezelfde bruikbaarheid hebben?
2.
Zo ja, moet artikel 95, eerste alinea, EEG-Verdrag in die zin worden uitgelegd, dat als verboden is te beschouwen de heffing van belastingen die formeel gelijkelijk op het communautaire en het gelijksoortige nationale produkt drukken, maar die in werkelijkheid een fiscale discriminatie meebrengen ten nadele van gelijksoortige produkten uit andere Lid-Staten, omdat het zwaarder belaste produkt uitsluitend wordt ingevoerd en het minder zwaar belaste produkt hoofdzakelijk van binnenlandse herkomst is?
3.
Ingeval van een ontkennend antwoord op één van de voorgaande vragen, moet dan artikel 95, tweede alinea, EEG-Verdrag met het oog op het onderhavige geval aldus worden uitgelegd, dat het verboden is een hoofdzakelijk uit andere LidStaten afkomstig produkt zwaarder te belasten met als gevolg, dat een concurrerende nationale produktie wordt beschermd?
Hierover zou ik het volgende willen opmerken:
I — De ontvankelijkheid
De Italiaanse regering betoogt in aansluiting op de verklaringen van het Hof in het arrest van 11 maart 1980 (zaak 104/79, Foglia, nog niet geplubliceerd), dat het onderhavige verzoek niet-ontvankelijk is. Zij stelt dat in casu, evenals in zaak 104/79, met behulp van een fiktief en kunstmatig hoofdgeding misbruik wordt gemaakt van de procedure krachtens artikel 177 EEG-Verdrag, om een Lid-Staat een inbreuk op het EEG-Verdrag te verwijten. In het kader van het stelsel van rechtsbescherming van het Verdrag zou een dergelijke bevoegdheid volgens artikel 169 EEG-Verdrag evenwel alleen aan de Commissie toekomen.
Evenals verzoekster in het hoofdgeding en de Commissie, acht ik deze opvatting evenwel onjuist. In de eerste plaats moet heel in het algemeen voor ogen worden gehouden, dat artikel 177 EEG-Verdrag het Hof van Justitie de bevoegdheid verleent prejudiciële beslissingen over vragen van het gemeenschapsrecht te geven, indien „een vraag te dien aanzien wordt opgeworpen voor een rechterlijke instantie van een der Lid-Staten” en „deze instantie ... een beslissing op dit punt noodzakelijk acht voor het wijzen van haar vonnis”. Het Hof van Justitie is derhalve in het belang van een eenvormige uitlegging van het gemeenschapsrecht de functie toevertrouwd, in beginsel iedere rechterlijke instantie in de Gemeenschap die elementen van uitlegging van het gemeenschapsrecht ter beschikking te stellen, welke voor de beslissing van bij haar aanhangige rechtsgedingen noodzakelijk zijn, ongeacht of het een publiekrechtelijk dan wel zuiver privaatrechtelijk gechil betreft (vgl. daartoe met name de met het oog op de uitlegging van artikel 95 EEG-Verdrag gewezen arresten van 20 februari 1973, zaak 54/72, FOR, Jurispr. 1973, blz. 193, en van 22 maart 1977, zaak 74/76, Iannelli, Jurispr. 1977, blz. 557).
Slechts „gelet op de omstandigheden van de onderhavige zaak”, dat wil zeggen bij wijze van uitzondering, heeft het Hof in de zaak-Foglia zijn bevoegdheid om te beslissen over de door een nationale rechter gestelde vragen ontkend wegens het ontbreken van een echt geschil. Het Hof heeft erop gewezen dat het bijzondere karakter van dit geval was gelegen in de omstandigheid, dat partijen in het hoofdgeding blijkbaar uit waren op een veroordeling van een Franse belastingregeling via een procedure voor een Italiaanse rechter tussen twee particulieren, die het eens waren over het te bereiken resultaat en die in hun overeenkomst een clausule hadden opgenomen die bedoeld was om de Italiaanse rechter tot een uitspraak over dat punt te brengen. Het kunstmatige karakter van deze constructie kon met name worden afgeleid uit het gedrag van alle betrokken personen.
In tegenstelling tot de zaak-Foglia, zijn mijns inziens in het onderhavige geval geen bijzondere omstandigheden aanwezig die heel duidelijk erop zouden kunnen wijzen, dat de door de nationale rechter gestelde vragen niet in het kader van artikel 177 EEG-Verdrag kunnen worden beantwoord. Zo kan volgens mij, in tegenstelling tot hetgeen de Italiaanse regering betoogt, uit het gedrag van partijen bij het sluiten van de overeenkomst niet dwingend worden afgeleid, dat de overeenkomst slechts als voorwendsel dient om voor het Hof van Justitie op basis van een fiktief hoofdgeding het Italiaanse heffingstelsel aan de orde te stellen. Ik heb namelijk vernomen, dat verzoekster in het hoofdgeding zich in de eerste plaats bezig houdt met de vervaardiging van alcohol uit agrarische produkten, doch dat zij daarnaast ook bepaalde hoeveelheden alcohol koopt indien haar eigen produktie niet aan de vraag beantwoordt en een redelijke winstverwachting bestaat. Van deze mogelijkheid heeft verzoekster klaarblijkelijk nog in 1979 gebruik gemaakt, toen zij een mengsel van synthetische en melassealcohol uit Frankrijk invoerde, dit vervolgens onder toezicht van de Italiaanse autoriteiten denatureerde en een deel daarvan weer aan verweerster in het hoofdgeding verkocht. Wegens de technisch uiterst moeilijke afscheidingsmogelijkheid geschiedt de belasting van een dergelijk mengsel echter volgens de voor gedenatureerde synthetische alcohol geldende tarieven.
Uit bovenstaande feiten blijkt reeds, dat het beslist in overeenstemming met redelijke belangen van partijen kan zijn geweest, dat uitdrukkelijk de levering van synthetische alcohol werd overeengekomen. Anders dan de Italiaanse regering meent, kon mitsdien van de firma Orbat ook niet zonder meer worden verwacht, dat zij de levering van een „mengsel” had moeten betwisten. Immers synthetisch vervaardigde en door middel van gisting verkregen ethylalcohol kunnen ontegenzeggelijk dezelfde gebruiksdoeleinden dienen. Dat de firma Vinal nochtans haar contractuele verplichtingen niet door levering van fiscaal gunstiger behandelde melassealcohol is nagekomen, kan eveneens een aantal oorzaken hebben.
Uit de belangensfeer van partijen kan evenmin ondubbelzinnig een kunstmatig geschil worden geconcludeerd. Het was in het belang van die firma Vinal als verkopende partij, de heffingen die zij moest afdragen om in aanmerking te komen voor een gunstiger regeling op de koper af te wentelen, terwijl deze belang moest hebben bij een zo laag mogelijke prijs. Partijen zijn het evenmin eens — en dit is nog een verschil met de zaak-Foglia — over de uitlegging van artikel 95 EEG-Verdrag.
Tenslotte kan het ook niet de taak van het Hof van Justitie zijn, na te gaan in hoeverre de uitlegging van het gemeenschapsrecht voor het aan de prejudiciële procedure ten grondslag liggende geschil van betekenis is. In dit verband is het van belang, dat volgens vaste rechtspraak van het Hof betreffende artikel 177 EEG-Verdrag in beginsel de nationale rechter het belang van de voorgelegde vragen moet beoordelen met als gevolg, dat het voldoende moet worden geacht indien de verwijzende rechter de uitlegging van het gemeenschapsrecht noodzakelijk acht.
Nu derhalve geen duidelijke en in het oog springende tekens aanwezig zijn, dat evenals in de zaak-Foglia een kunstmatig hoofdgeding is aangevoerd met als doel, een Lid-Staat een inbreuk op het Verdrag te verwijten — en alleen in deze gevallen dient de bevoegdheidsvraag bij wijze van uitzondering ontkennend te worden beantwoord — geef ik het Hof in overweging de vraag betreffende zijn bevoegdheid bevestigend te beantwoorden en het verzoek om een prejudiciële beslissing ontvankelijk te achten.
II — Ten gronde
De eerste vraag houdt in, of twee uit verschillende grondstoffen vervaardigde produkten, die dezelfde gebruiksdoeleinden dienen, als „gelijksoortig” in de zin van artikel 95, eerste alinea, EEG-Verdrag moeten worden beschouwd. Met de tweede en de derde vraag wenst de verwijzende rechter aanwijzingen te verkrijgen over de uitlegging van artikel 95, eerste en tweede alinea, EEG-Verdrag, om de verenigbaarheid van de onderhavige Italiaanse belastingregeling met die bepalingen te kunnen beoordelen.
Een blik op de bestaande rechtspraak van het Hof met betrekking tot artikel 95 EEG-Verdrag toont aan, dat een behandeling van deze vragen in een afwijkende volgorde gewenst is. Zo heeft het Hof reeds in het arrest van 10 oktober 1978 (zaak 148/77, Hansen I, Jurispr. 1978, blz. 1787), onder verwijzing naar de praktische moeilijkheden die bij een vergelijking van de aard van de grondstoffen, de technische eigenschappen van de installaties en van de destillatieprocédés kunnen ontstaan, van een afzonderlijke behandeling van de beide alinea's van artikel 95 afgezien. In die zin werd dan ook in het arrest van 8 januari 1980 (zaak 21/79, Commissie t. Italiaanse Republiek, Jurispr. 1980, blz. 1) beklemtoond, dat de in dat artikel verboden discriminaties moeten worden opgeheven ondanks de netelige problemen die zich kunnen voordoen bij de vergelijking van een ingevoerd produkt met de veschillende — anders belaste — nationale produkten die eventueel gelijksoortig zijn. Tenslotte heeft het Hof in de alcoholarresten van 27 februari 1980 (zaken 168/78, Commissie t. Frankrijk, 169/78, Commissie t. Italië, 170/78, Commissie t. Verenigd Koninkrijk, 171/78, Commissie t. Denemarken en 55/79, Commissie t. Ierland, Jurispr. 1980, blz. 347 e.v.) verklaard, dat artikel 95 EEG-Verdrag in zijn geheel zonder onderscheid van toepassing is op alle produkten, die dezelfde gebruiksmogelijkheden hebben. Uitgaande van de doelstelling van artikel 95, het vrije verkeer van goederen tussen de Lid-Staten onder normale concurrentieverhoudingen te verzekeren door elke vorm van bescherming uit te sluiten die het gevolg kan zijn van de toepassing van binnenlandse belastingen die discriminerend zijn ten opzichte van produkten uit andere Lid-Staten, komt het Hof in genoemde arresten derhalve tot de conclusie, dat slechts te onderzoeken valt „of de toepassing van een bepaalde nationale belastingregeling disriminerend of, in voorkomend geval, protectionistisch is, dat wil zeggen of er een verschil in het tarief of in de toepassingsmodaliteiten van de belasting bestaat en of dat verschil een bepaalde nationale produktie kan begunstigen”. Bijgevolg behoeft de eerste vraag niet te worden, beantwoord, aangezien synthetische en door middel van gisting verkregen alcohol op zijn minst concurrerende produkten in de zin van artikel 95, tweede alinea, zijn.
Zoals verzoekster in het hoofdgeding en de Italiaanse regering terecht opmerken, blijkt uit genoemde arresten alsmede uit het arrest van 22 juni 1976 (zaak 127/75, Bobie, Jurispr. 1976, blz. 1079) voorts duidelijk, „dat bij de huidige stand van het gemeenschapsrecht en zolang de betrokken bepalingen niet zijn eengemaakt of geharmoniseerd, het de Lid-Staten niet verboden is, om legitieme economische of sociale redenen bepaalde produkten of bepaalde groepen producenten belastingvoordelen in de vorm van een ontheffing of vermindering toe te kennen”. Ik heb deze rechtspraak reeds in mijn conclusie van 2 oktober 1980 (zaak 26/80, Schneider) uitvoerig besproken. In dit verband dient enkel nog een keer te worden beklemtoond, dat — in tegenstelling tot de opvatting van de Commissie — ook het arrest van het Hof in zaak 21/79 deze rechtspraak slechts bevestigt waar het de overweging bevat, dat het EEG-Verdrag niet verbiedt, in het kader van nationale belastingregelingen een verschillende belasting toe te passen op produkten die voor dezelfde economische doeleinden kunnen worden aangewend.
Uit bovengenoemde rechtspraak kan voorts worden afgeleid, dat de om economische of sociale redenen verleende fiscale begunstigingen ten opzichte van ingevoerde produkten niet discriminerend of protectionistisch mogen zijn.
In casu behoeft bijgevolg enkel te worden onderzocht, onder welke omstandigheden een nationale belastingregeling die voor produkten met dezelfde gebruiksdoeleinden in verschillende belastingtarieven voorziet, met als aanknopingspunt de gebruikte grondstoffen, tegenover overeenkomstige uit andere Lid-Staten ingevoerde produkten van discriminerende of protectionistische aard is.
De Commissie wil in dit verband uit de arresten van het Hof van 27 februari 1980 afleiden, dat het aan de bijzondere rijksbelasting ten grondslag liggende heffingstelsel alleen dan verenigbaar met artikel 95 EEG-Verdrag kan worden geacht, indien op nationale en op gelijksoortige uit andere Lid-Staten ingevoerde produkten hetzelfde belastingtarief wordt toegepast. De ongelijke fiscale behandeling zou haar verklaring vinden in de omstandigheid, dat in Italië het totale verbruik aan gedenatureerde ethylalcohol zou worden gedekt door binnenlandse alcohol, voor een zeer groot deel verkregen uit goedkoop te vervaardigen suikerbietenmelasse, terwijl synthetische alcohol in Italië niet zou worden vervaardigd. Door de hogere belasting van synthetische alcohol zou de invoer van dat produkt in Italië kunnen worden verhinderd en bijgevolg binnenlandse alcohol een bevoorrechte mededingingspositie kunnen worden verzekerd. Een ongelijke belasting zou evenwel om economische noch om sociaal-politieke redenen gerechtvaardigd zijn. Met name zouden — in tegenstelling tot de opvatting van de Italiaanse regering — de door het Hof in het arrest van 8 januari 1980 in zaak 21/79 genoemde beginselen evenmin van toepassing zijn, aangezien aan de daaraan verbonden voorwaarden in casu niet zou zijn voldaan.
Verzoekster in het hoofdgeding en de Italiaanse regering zijn het daarentegen erover eens, dat de bijzondere rijksbelasting niet op grond van de „binnenlandse” herkomst van de produkten wordt verminderd, maar op grond van objectieve omstandigheden, die zonder onderscheid zowel voor Italiaanse als voor elders in de Gemeenschap vervaardigde produkten gelden. De vaststelling en de indeling van de verschillende groepen binnen het heffingstelsel voor gedenatureerde alcohol zouden evenmin tot een discriminatie van de in andere Lid-Staten vervaardigde synthetische alcohol leiden. Synthetische alcohol zou immers zoals in alle geïndustrialiseerde landen ook in Italië zonder problemen kunnen worden vervaardigd. Het ontbreken van een aanmerkelijke produktie van synthetische alcohol zou slechts het gevolg zijn van een bewust ingevoerd heffingstelsel, dat een passend werkgelegenheids- en inkomensniveau voor de agrarische producenten van bepaalde basisprodukten alsmede het voortbestaan van de agrarisehe distilleerderijen zou moeten verzekeren. De ongelijke fiscale behandeling van synthetische alcohol en alcohol van agrarische herkomst zou voorts om energiepolitieke redenen gerechtvaardigd zijn, omdat zij ertoe dient, het verbruik van aardolieprodukten ten gunste van in de Gemeenschap in voldoende mate aanwezige agrarische produkten te beperken.
Bij de beoordeling van dit betoog moet verzoekster in het hoofdgeding en de Italiaanse regering stellig worden toegegeven, dat binnen geen van de drie groepen waarin gedenatureerde alcohol is ingedeeld, sprake is van discriminatie tussen binnenlandse en ingevoerde produkten. Evenwel moet worden onderzocht, of de betrokken abstracte vaststelling van de verschillende groepen verenigbaar is met het in artikel 95 EEG-Verdrag neergelegde vereiste, dat de binnenlandse belasting uit het oogpunt van de mededinging volkomen neutraal is voor binnenlandse en ingevoerde produkten. Een dergelijke neutraliteit is ongetwijfeld gewaarborgd, indien door een binnen de fiscale autonomie van de Lid-Staten vallende gedifferentieerde belasting ook een aanzienlijk deel van de binnenlandse produktie door de hogere belasting wordt getroffen. Anderzijds ligt het voor de hand, dat een gedifferentieerde belastingregeling van discriminerende en protectionistische aard is, indien slechts die gelijksoortige of concurrerende produkten aan een hogere belasting worden onderworpen, waarvoor niet eens de mogelijkheid van produktie binnenslands bestaat; in dergelijke gevallen is het immers duidelijk, dat ingevoerde produkten zonder meer worden benadeeld ten opzichte van nationale produkten.
De vaststelling van een discriminerende of protectionistische werking is echter aanzienlijk moeilijker in gevallen waarin, zoals in casu, een produkt dat voor dezelfde economische gebruiksdoeleinden kan worden aangewend en dat ondanks voorhanden zijnde industriële structuren binnenslands niet wordt vervaardigd, hoger wordt belast, en de betrokken Lid-Staat beweert dat het ontbreken van een aanmerkelijke binnenlandse produktie het gevolg is van een fiscaal beleid dat op legitieme economische beslissingen berust.
In die gevallen kan niet uit het door fiscale maatregelen veroorzaakte ontbreken van een bepaalde produktie, een protectionistische werking van deze belasting ten opzichte van ingevoerde produkten worden afgeleid. Dit zou immers tot gevolg hebben, dat de rechtmatigheid van een verschillende belasting afhankelijk is van de vraag of het nagestreefde doel, een bepaald produkt van de markt te weren, al dan niet wordt bereikt. Mocht een desbetreffende maatregel geen resultaat opleveren, en zou derhalve een produkt ondanks een hogere fiscale belasting binnenslands worden vervaardigd, dan zou de betrokken maatregel verenigbaar zijn met artikel 95 EEG-Verdrag, terwijl inbreuk op het in dit artikel vervatte discriminatieverbod zou plaatsvinden, indien de maatregel tegelijkertijd ook een daadwerkelijke belemmering voor een binnenlandse poduktie vormde.
Ter afwenteling van het gevaar van misbruik zal men anderzijds geen genoegen kunnen nemen met de eenvoudige bewering, dat het ontbreken van een binnenlandse produktie uitsluitend aan de oplegging van ongelijke heffingen is toe te schrijven.
Om de mogelijkheid uit te sluiten, dat door de fiscale differentiatie binnenlandse produkten ten laste van ingevoerde produkten worden bevoordeeld, moet derhalve, indien zoals in casu geen of geen noemenswaardige binnenlandse produktie bestaat, het bewijs worden gevorderd dat een degelijke produktie gezien de desbetreffende industriële structuur in de betrokken Lid-Staat zonder meer mogelijk zou zijn en dat de ongelijke fiscale behandeling op grond van objectieve criteria feitelijk gerechtvaardigd is.
Wat de eerste voorwaarde betreft kan volgens mij niet worden betwijfeld dat Italië, met een zeer ontwikkelde petrochemische industrie, over het nodige potentieel beschikt om zonder buitengewone kosten met behulp van ethyl synthetische alcohol tel vervaardigen.
Dat de ongelijke fiscale behandeling van de drie groepen gedenatureerde alcohol feitelijk gerechtvaardigd is en derhalve geen discriminerende of protectionistische werking ten opzichte van ingevoerde produkten heeft ten gunste van de binnenlandse produktie, blijkt mijns inziens uit het volgende. In de eerste plaats is het van belang, dat de bijzondere rijksbelasting ter hoogte van LIT 12000/hl ethylalcohol in beginsel op alle soorten gedenatureerde alcohol wordt toegepast, ongeacht de vraag of het synthetisch vervaardigde alcohol dan wel alcohol van agrarische oorsprong betreft. Geheel uitgesloten van deze regeling is alleen gedenatureerde alcohol die uit wijn, droesem en vruchten wordt vervaardigd, terwijl alcohol op basis van melasse, sorghum en suikerriet met een verminderde bijzondere rijksbelasting ter hoogte van LIT 1000/hl ethylalcohol wordt belast. Deze indeling toont duidelijk aan, dat gedenatureerde alcohol die op basis van bovengenoemde agrarische grondstoffen wordt vervaardigd — en daarbij gaat het om de hoofdzakelijk aangewende grondstoffen — ten opzichte van gedenatureerde alcohol van minerale oorsprong — al mogen tot deze groep ook nog enige soorten alcohol van agrarische oorsprong behoren — wordt begunstigd.
Anders dan in de alcoholarresten van 27 oktober 1980, gaat het in casu derhalve niet om een fiscaal onderscheid tussen agrarische produkten, maar om een differentiatie die in hoofdzaak op het onderscheid tussen minerale en agrarische grondstoffen berust. De onderhavige zaak onderscheidt zich voorts van de aan bedoelde arresten ten grondslag liggende gevallen, doordat de betrokken Lid-Staten destijds de bescherming van typisch nationale produkten door middel van een verschillende belasting werd verweten, terwijl in casu moeilijk kan worden staande gehouden, dat gedenatureerde alcohol van agrarische oorsprong in tegenstelling tot synthetische alcohol een typisch nationaal produkt is. Immers ook in andere Lid-Staten wordt op grote schaal alcohol op basis van melasse vervaardigd.
In tegenstelling tot genoemde alcoholarresten, is volgens mij in casu het fiscale onderscheid ook feitelijk gerechtvaardigd. De Italiaanse regering heeft verklaard, dat dit onderscheid werd aangebracht om een passend werkgelegen-heids- en inkomensniveau voor de agrarische producenten alsmede het voortbestaan van de agrarische distilleerderijen te verzekeren. Bij gebreke van bewijsstukken inzake de prijzen van de basisprodukten, de produktiekosten en de overige gesteldheid van de markt, kan weliswaar niet worden vastgesteld of deze bescherming — zoals door de Commissie wordt beweerd — niet noodzakelijk is, maar heel in het algemeen kan toch worden vastgesteld dat het de Lid-Staten vrij moet staan, op grond van een bijzondere marktsituatie agrarische produkten ten opzichte van hun vervangingsprodukten concurrerende prijzen te garanderen. Zulks mijns inziens te meer, nu, een dergelijke handelwijze ook op gemeenschapsniveau bekend is, hetgeen met name tot uitdrukking komt in verordening nr. 120/67 van de Raad van 13 juli 1967 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen (PB 1967, blz. 2269), die onder meer het woorwerp vormde van het quellmehl-arrest van het Hof van 19 oktober 1977 (Jurispr. 1977, blz. 1753), en in verordening nr. 1132/74 van de Raad van 29 april 1974 inzake de restitutie bij de produktie in de sectoren graan en rijst (PB L 128 van 1974, blz. 24), die aan de orde kwam in het arrest van het Hof van 20 maart 1980 (zaak 118/79, Gebrüder Knauf Westdeutsche Gipswerke, nog niet gepubliceerd).
Net zo min overtuigend is tenslotte het verdere betoog van de Commissie, dat de fiscale differentiatie evenmin gerechtvaardigd is om economische en sociaal-politieke redenen, daar het nemen van steunmaatregelen voor de produktie van suikerbieten en suikerbietenmelasse voortaan tot de uitsluitende bevoegdheid van de gemeenschapsinstellingen zou behoren, nu bij verordening nr. 3330/74 van de Raad van 19 december 1974 (PB L 359 van 1974, blz. 1) een gemeenschappelijke ordening der markten voor suiker is geschapen. Ik kan hier volstaan met de opmerking, dat de betrokken Italiaanse maatregelen op zijn minst ook het voortbestaan van de agrarische distilleerderijen moeten verzekeren en dat een gemeenschappelijke ordening der markten voor alcohol nog ontbreekt.
Daarentegen is een ongelijke belasting van minerale en agrarische produkten ook vanuit het oogpunt van een verstandig energiebeleid, zowel vanuit het standpunt van de Lid-Staten als vanuit dat van de Gemeenschap bekeken, feitelijk gerechtvaardigd. Het behoeft geen verder betoog, dat het Italiaanse besluit, het gebruik van ethyl voor de vervaardiging van alcohol met behulp van de belastingwetgeving te beperken, met het oog op de olieschaarste zinvol is. In dit verband zal men zich evenmin kunnen aansluiten bij de mening van de Commissie, dat de Italiaanse staat weliswaar op zijn grondgebied de produktie van synthetische alcohol mag verhinderen, doch dat hij dergelijke alcohol niet door middel van een fiscale maatregel mag „bestraffen” indien hij in Frankrijk, de Bondsrepubliek Duitsland en in Groot-Brittannië is vervaardigd en in Italië wordt ingevoerd. In deze gedachtengang zou ingevoerde synthetische alcohol gunstiger moeten worden behandeld dan overeenkomstige binnenslands vervaardigde alcohol. Zoals de Italiaanse regering terecht opmerkt, zou dit praktisch leiden tot het totaal afwijzen van de fiscale souvereiniteit van de Lid-Staten, die nog slechts de mogelijkheid zou omvatten, discriminaties uitsluitend ten laste van bepaalde binnenlandse produkties te brengen.
Nu mijns inziens derhalve op grond van de hierboven aangetoonde bijzonderheden vaststaat, dat de onderhavige verschillende fiscale belasting zowel de binnenlandse produktie als de invoer van synthetische alcohol in gelijke mate kan verhinderen, geef ik het Hof in overweging, de vragen van de verwijzende rechter te beantwoorden als volgt:
Artikel 95 EEG-Verdrag verbiedt niet een verschillende fiscale belasting van gedenatureerde, dezelfde economische gebruiksdoeleinden dienende alcohol, waarmee, al naar gelang minerale of argrarische basisprodukten zíjn gebruikt, om legitieme economische, sociale of energiepolitieke redenen ongewenste produkten van de markt van een Lid-Staat kunnen worden geweerd, ongeacht de vraag of het binnenlandse dan wel uit andere Lid-Staten ingevoerde produkten betreft.
( 1 ) Vertaald uit het Duits.
Full & Egal Universal Law Academy