CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL F. CAPOTORTI
VAN 27 NOVEMBER 1980 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1.
De prejudiciële zaak waarin ik heden concludeer heeft betrekking op de douaneregeling welke van toepassing is op een als smokkelwaar ingevoerd verdovend middel, dat niet rechtmatig in de handel kan worden gebracht en dat door de nationale autoriteiten in beslag mag worden genomen en kan worden vernietigd, te weten heroïne. Vastgesteld moet worden of op dergelijke goederen krachtens het gemeenschapsrecht douanerechten mogen worden toegepast en zo ja, op basis van welke bepalingen en aan de hand van welke criteria de douanewaarde moet worden vastgesteld.
Ik zal om te beginnen een korte samenvatting geven van de feiten.
In maart 1978 vorderden de Duitse douaneautoriteiten van de heer Joszef Horvath — die door het Landgericht Hamburg wegens handel in heroïne én smokkelarij tot vijf jaar gevangenisstraf was veroordeeld — betaling van douanerechten voor clandestien ingevoerde heroïne ten bedrage van DM 1296. Nadat Horvath tegen die vordering vergeefs verzet had aangetekend bij het Hauptzollamt Hamburg-Jonas, stelde hij beroep in bij het Finanzgericht Hamburg. Dit heeft het Hof van Justitie bij beschikking van 15 januari 1980 de volgende vragen voorgelegd :
„1.
Moeten de bepalingen van verordening (EEG) nr. 803/68 van de Raad van 27 juni 1968 en van verordening (EEG) nr. 603/72 van de Commissie van 24 maart 1972 aldus worden verstaan dat zij, met uitzondering van de bepalingen die een regelmatige douaneaangifte van goederen vooropstellen, ook rechtstreeks gelden voor de berekening van de douanewaarde van goederen die het douanegebied van de Gemeenschap zijn binnengesmokkeld?
2.
Moeten de bepalingen van verordening nr. 803/68, met name de artikelen 1, 2, 4, 6, 7 en 8, aldus worden uitgelegd, dat de douanewaarde van goederen die het douanegebied van de Gemeenschap zijn binnengesmokkeld, wordt bepaald door de tijd en de plaats waarop de goederen in het douanegebied van de Gemeenschap zijn binnengebracht, ook wanneer volgens de toepasselijke nationale materieelrechtelijke bepalingen de douaneschuld op een ander tijdstip en bij een ander dan de eerste op het grondgebied van de Gemeenschap gevestigde koper ontstaat?
3.
Moeten de bepalingen van verordening (EEG) nr. 375/69 van de Commissie van 27 februari 1969 en van verordening (EEG) nr. 1343/75 van de Commissie van 26 mei 1975 aldus worden uitgelegd, dat zij ook in geval goederen het douanegebied van de Gemeenschap worden binnengesmokkeld, met dien verstande gelden dat iedere latere dan de eerste in de Gemeenschap gevestigde koper in wiens bezit het smokkelgoed wordt aangetroffen, opgave moet doen van de door hem betaalde prijs, met als gevolg dat de door de betrokkene betaalde prijs bepalend is voor de douanewaarde, of zijn de bevoegde nationale instanties gehouden, de douanewaarde van de binnengekomen goederen te schatten op basis van de door de eerste op het grondgebied van de Gemeenschap gevestigde koper betaalde koopprijs, overeenkomstig de beginselen neergelegd in de artikelen 1, 2, 4, 6, 7 en 9 van verordening nr. 803/68?”
Op verzoek van het Hof heeft de Commissie vervolgens gegevens verstrekt over de douaneregelingen van de Lid-Staten op het gebied van de illegale invoer van verdovende middelen. Zij heeft er met name op gewezen dat in alle negen Lid-Staten, behalve in de Bondsrepubliek Duitsland, illegaal ingevoerde verdovende middelen in beslag worden genomen en in de regel worden vernietigd, en dat in dat geval geen douanerechten worden toegepast. Na van die gegevens in kennis te zijn gesteld, heeft het Finanzgericht bij beschikking van 8 juli 1980 de aan het Hof gestelde vragen als volgt gerectificeerd en aangevuld :
„1.
Moeten de bepalingen van het EEG-Verdrag inzake de douane-unie (artikel 9, lid 1, artikelen 12 tot en met 29) aldus worden uitgelegd, dat een Lid-Staat niet gerechtigd is douanerechten toe te passen op illegaal ingevoerde en naderhand vernietigde verdovende middelen, indien alle overige Lid-Staten op illegaal ingevoerde maar in beslag genomen en vernietigde verdovende middelen geen douanerechten toepassen; is de toepassing van douanerechten in slechts één Lid-Staat eventueel ook in strijd met artikel met artikel 7 EEG-Verdrag?
2.
De reeds bij beschikking van 15 januari 1980 voorgelegde vragen worden slechts subsidiair gesteld voor het geval de Bondsrepubliek gerechtigd is, op binnengesmokkelde en vernietigde verdovende middelen douanerechten toe te passen”.
2.
Ik zou willen beginnen met een onderzoek van de sub 1 van de jongere beschikking gestelde vraag. Het gaat erom of een Lid-Staat op grond van de artikelen 9, lid 1, en 12 tot en met 29 EEG-Verdrag gerechtigd is, douanerechten toe te passen op illegaal ingevoerde en vervolgens vernietigde verdovende middelen. De verwijzende rechter spreekt hierover zijn twijfel uit, op grond dat alleen de Duitse wettelijke regeling in de toepassing van douanerechten in bovengenoemde gevallen voorziet. Moet deze zwaardere behandeling van smokkelaars van verdovende middelen krachtens de wettelijke regeling van de Bondsrepubliek Duitsland — en bijgevolg dit gebrek aan uniformiteit tussen de wettelijke regeling van de Lid-Staten met betrekking tot een bepaald aspect op douanegebied — al dan niet verenigbaar met de verdragsbepalingen betreffende de douane-unie worden geacht?
Alvorens die vraag te beantwoorden, meen ik te moeten beklemtonen dat het Finanzgericht spreekt van „het douanegebied van de Gemeenschap binnengesmokkelde goederen”, zodat het bij zijn verzoek om uitlegging van de communautaire regeling betreffende de vaststelling van de douanewaarde van de goederen het oog heeft gehad op gevallen van invoer vanuit derde landen. In casu werd de heroïne Duitsland ingevoerd aan de Nederlands-Duitse grens, maar hij was natuurlijk afkomstig uit een derde land. De in casu relevante bepalingen van het EEG-Verdrag met betrekking tot de douane-unie zijn bijgevolg die welke de betrekkingen van de Gemeenschap met derde landen regelen, te weten de artikelen 18 tot en met 29, en niet de artikelen 12 tot en met 17, die betrekking hebben op de afschaffing van de douanerechten tussen de Lid-Staten.
Luidens artikel 9, lid 1, EEG-Verdrag „(is) de Gemeenschap ... gegrondvest op een douane-unie welke zich uitstrekt over het gehele goederenverkeer en welke ... de invoering van een gemeenschappelijk douanetarief (medebrengt) voor (de) betrekkingen met derde landen”. Behalve de noodzaak van een nieuwe tariefregeling — volgens de in de artikelen 19 tot en met 26 neergelegde modaliteiten —, heeft zich van begin af aan het vereiste doen gevoelen van een geharmoniseerde douaneregeling: dit blijkt uit artikel 27, dat bepaalt dat de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de Lid-Staten op douanegebied „voor zover noodzakelijk” en binnen korte termijn (vóór het einde van de eerste etappe) nader tot elkaar moeten worden gebracht. Op grond van ditzelfde artikel is de Commissie bevoegd, de Lid-Staten „alle terzake dienende aanbevelingen” te doen.
Ik wil erop wijzen dat deze bepaling de omvang van bedoelde harmonisatie tamelijk vaag aangeeft en dat zij in geen enkele vorm van tussenkomst van de gemeenschapsinstellingen voorziet die bindende werking heeft. De richtlijnen tot harmonisatie op douanegebied zijn bijgevolg vastgesteld krachtens de algemene regel van artikel 100 EEG-Verdrag, terwijl de vaststelling van verordeningen alleen met een beroep op artikel 235 kon geschieden. De in artikel 27 gestelde termijn is reeds enige tijd verstreken, zonder dat de harmonisatie van de nationale bepalingen voor zover objectief gezien noodzakelijk is verwezenlijkt: dit blijkt uit de omstandigheid dat de Commissie in 1979 een nieuw „meerjarenprogramma voor de totstandbrenging van de douane-unie” (PB C 84 van 1979), heeft opgesteld. Daarin heeft zij onder meer verklaard: „Het uiteindelijke doel van de douane-unie ... bestaat erin de vereiste omstandigheden te creëren voor het versmelten van de nationale markten tot één enkele markt, en voor het verdwijnen van de binnengrenzen. Daartoe volstaat het niet een gemeenschappelijk douanetarief en een aantal basisbeginselen ... vast te stellen. Er dient daarenboven een complete, uniforme en doelmatige wetgeving te worden uitgewerkt, die een homogene regeling van het handelsverkeer tussen de Gemeenschap en de derde landen waarborgt en die zodoende een situatie in het leven roept waarin het goederenverkeer binnen de Gemeenschap kan plaatsvinden onder dezelfde voorwaarden als binnen de nationale markten”. In het programma 1980 voor de totstandbrenging van de douane-unie (PB C 44 van 1980), werd het voornemen van de Commissie aangekondigd, „wat de douanebepalingen betreft die nog slechts in nationale besluiten voorkomen, voorstellen bij de Raad in (te) dienen welke de communautaire grondbeginselen bevatten die in de plaats zullen komen van die in de nationale besluiten”.
Gezien het bovenstaande kan het geen verbazing wekken, dat sommige onderwerpen op douanegebied in de verschillende Lid-Staten nog steeds beheerst worden door nationale bepalingen, die niet zijn geharmoniseerd met die welke in de andere Lid-Staten gelden. Het zou onjuist zijn om in die gevallen te spreken van leemtes in het gemeenschapsrecht, want het gaat hier niet om een materie waarvan de regeling geheel aan de communautaire wetgever is opgedragen maar om een materie die gedeeltelijk nog tot het bevoegdheidsgebied van de nationale wetgever behoort, en waarvoor een verdere en vollediger harmonisatie van de nationale regelingen wordt verwacht. Het is derhalve mogelijk dat sommige activiteiten op douanegebied onder nationale bepalingen vallen welke van Lid-Staat tot Lid-Staat verschillen, ook al wordt daardoor de volledige totstandbrenging van de douane-unie wellicht verhinderd.
3.
Een sector waarin de harmonisatie van de wettelijke regelingen van de Lid-Staten nog niet is doorgevoerd, is die van de redenen van het tenietgaan van de douaneschuld. De Raad heeft op 25 juni 1979 richtlijn nr. 79/623 inzake de harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen op het gebied van de douaneschuld vastgesteld, waarmee eveneens tot op zekere hoogte een unificatie wordt beoogd van de regeling van het tenietgaan. De aan de Lid-Staten toegestane termijn om aan de voorgeschreven verplichtingen te voldoen, zal evenwel eerst op 1 januari 1982 verstrijken. Voor het onderhavige probleem kan worden verwezen naar de negende overweging van die richtlijn, waarin het onder meer luidt dat „dient te worden bepaald ten gevolge van welke omstandigheden de douaneschuld niet noodzakelijkerwijze ontstaat of teniet kan gaan” en dat „de redenen van dit tenietgaan dienen te worden gebaseerd op de vaststelling dat de goederen niet daadwerkelijk de economische bestemming hebben gekregen, welke de toepassing van rechten ... rechtvaardigt”. In deze gedachtengang gaat de douaneschuld bij invoer eveneens teniet in geval de goederen welke zijn aangegeven om in het vrije verkeer te worden gebracht, op bevel van de bevoegde autoriteiten zijn vernietigd voordat zij zijn vrijgegeven (artikel 9, lid 2, sub a).
Op grond van de enkele omstandigheid dat eerst onlangs communautaire bepalingen zijn vastgesteld met betrekking tot het tenietgaan van de douaneschuld, moet worden aangenomen dat de terzake geldende nationale bepalingen van toepassing blijven totdat de Lid-Staten genoemde richtlijn hebben doorgevoerd. De regeling van een Lid-Staat volgens welke de douaneschuld in een bepaald geval (inbeslagneming en vernietiging van de goederen op last van de overheid) blijft bestaan, moet derhalve verenigbaar worden geacht met de verdragsbepalingen betreffende de douane-unie, ondanks de omstandigheid dat die schuld in een dergelijk geval volgens de wettelijke regeling van alle andere Lid-Staten teniet gaat.
Tegen deze bewering kunnen volgens mij geen algemene gemeenschapsrechtelijke beginselen worden aangevoerd. De verwijzende rechter heeft waarschijnlijk de opportuniteit van een volledig gelijke behandeling van de importeurs voor ogen gehad, toen hij heeft gewezen op het nadeel van het verschil tussen de Duitse regeling en die van de andere Lid-Staten. Maar zoals gezegd laat de communautaire regeling van de douaneunie tijdelijk enkele verschillen tussen de nationale douaneregelingen bestaan. Het is onvermijdelijk dat dergelijke verschillen leiden tot een ongelijke behandeling van de importeurs van goederen uit derde landen, al naar gelang de Lid-Staat waarin zij de douaneformaliteiten vervullen. Volgens mij kan derhalve niet worden gesproken van een beginsel van gelijke behandeling van importeurs in alle douaneaangelegenheden: van gelijke behandeling is sprake voor zover een communautaire douaneregeling bestaat. Zulks blijkt ook uit de bewoordingen van de achtste overweging van verordening nr. 803/68 inzake de douanewaarde van de goederen, volgens welke het van belang is „de importeurs een gelijke behandeling te verzekeren ten aanzien van de heffing van de rechten van bet gemeenschappelijk douanetarief'. Ik kan hieraan toevoegen dat het Hof, toen het in de gelegenheid was zich uit te spreken over een geval waarin de gelijke behandeling van importeurs aan de orde kwam (arrest van 3 juni 1980, zaak 735/79, Gedelfi, nog niet gepubliceerd), zich ertoe heeft beperkt de gemeenschappelijke regeling van de handel met derde landen aan te merken als een van de fundamentele doelstellingen van de gemeenschappelijke markt en een van de essentiële doelstellingen van verordening nr. 516/77, waarna het die doelstelling in aanmerking heeft genomen als element voor de uitlegging van de verordening. Deze redenering is mijns inziens van belang, voor zover zij de gelijke behandeling van importeurs aanmerkt als een — door het gemeenschapsrecht in etappes nagestreefde — doelstelling en niet als een algemeen beginsel.
Met betrekking tot de vraag of het verband tussen de douaneschuld en de daadwerkelijke economische bestemming van de ingevoerde goederen als een gemeenschapsrechtelijk beginsel kan worden aangemerkt, ben ik van mening dat die mogelijkheid beperkt blijft tot een abstracte hypothese. Alleen bovengenoemde richtlijn nr. 79/623 hanteert zoals gezegd het criterium volgens hetwelk de douaneschuld teniet moet gaan, indien de goederen de economische bestemming op basis waarvan de rechten worden toegepast, in concreto niet hebben bereikt. Maar dit rechtvaardigt niet de stelling, dat de communautaire wetgever een algemeen beginsel heeft toegepast: ik heb hiervoor reeds beklemtoond dat hij in werkelijkheid regels heeft ingevoerd ter bereiking van een bepaalde doelstelling.
4.
In het laatste onderdeel van de aan het Hof gestelde vraag, vraagt het Finanzgericht of het in strijd is met artikel 7 EEG-Verdrag, indien in één enkele Lid-Staat douanerechten worden toegepast op de invoer van op last van de overheid in beslag genomen en vervolgens vernietigde goederen. Zoals bekend wordt door dit artikel elke discriminatie op grond van nationaliteit” verboden. Evenwel staat vast dat in het onderhavige geval geen sprake is van een dergelijke discriminatie tussen importeurs, vanuit het gezichtspunt van de Lid-Staat die de vernietiging van de goederen gelast maar toch douanerechten toepast. Het probleem bestaat in de ongelijke behandeling van importeurs al naar gelang de Lid-Staat waarin de douaneformaliteiten worden vervuld. Dit laatste heeft echter niets uitstaande met genoemd voorschrift van artikel 7 EEG-Verdrag.
5.
Ik kom thans toe aan het onderzoek van de door het Finanzgericht in diens eerste beschikking gestelde vragen. Deze hebben in de eerste plaats betrekking op het probleem van de toepasselijkheid van de communautaire regeling inzake de douanewaarde van als smokkelwaar in het douanegebied van de Gemeenschap ingevoerde goederen, terwijl vervolgens wordt gevraagd volgens welke modaliteiten de douanewaarde van dergelijke goederen moet worden vastgesteld.
Wat het eerste punt betreft, ben ik van mening dat de bepalingen van verordening nr. 803/68 en van de aanvullende verordeningen van de Commissie ook gelden voor illegaal op het grondgebied van de Gemeenschap ingevoerde goederen.
Ter ondersteuning van die stelling kan om te beginnen worden aangevoerd dat het Verdrag noch de bepalingen van afgeleid recht de toepasselijkheid van het gemeenschappelijk douanetarief beperken tot legaal ingevoerde goederen. Hetgeen geldt voor het gemeenschappelijk douanetarief, moet ook gelden voor de bepalingen waarmee de tenuitvoerlegging van dat tarief wordt verzekerd, zoals genoemde verordening nr. 803/68, waarvan de laatste overweging luidt dat „het van belang is de eenvormige toepassing van de bepalingen van de onderhavige verordening op de invoer van alle goederen te verzekeren”. Ik wil de betekenis van deze bewoordingen niet overdrijven, maar het schijnt mij toe dat, nu hier nergens wordt gezegd dat illegaal ingevoerde goederen van het douanetarief zijn uitgesloten, zij noodzakelijkerwijze worden beheerst door de gemeenschappelijke douaneregeling, met inbegrip van de bepalingen betreffende de douanewaarde, indien deze objectief gezien toepasselijk zijn. Ik geef toe dat die bepalingen in het algemeen (in ieder geval tot richtlijn nr. 79/623) op de veronderstelling lijken te berusten dat het om wettige handelstransacties gaat; en verordening nr. 375/69 van de Commissie van 27 februari 1969 regelt de door de importeur aan de douane over te leggen verklaring, die bij de vaststelling van de douanewaarde van de goederen in aanmerking wordt genomen. Maar volgens mij moet redelijkerwijs worden aangenomen, dat bij de opstelling van de communautaire regeling is uitgegaan van het normale verloop van handelstransacties, hetgeen kan verklaren waarom van illegale transacties niet met zoveel woorden wordt gesproken. In ieder geval kan men volgens mij niet volstaan met te verwijzen naar de opzet van de regeling betreffende de douanewaarde, om illegaal ingevoerde goederen van haar toepassingsgebied uit te sluiten.
Ik wil wel erop wijzen, dat aan de door mij verdedigde stelling twee beperkingen zijn verbonden. In de eerste plaats moet het gaan om in het gemeenschappelijk douanetarief genoemde goederen (het onderhavige produkt, heroïne, behoort tot deze categorie). In de tweede plaats blijven om objectieve redenen buiten toepassing de communautaire bepalingen die ervan uitgaan dat de invoer (of de uitvoer) op legale wijze plaats vindt, en met name — zoals de verwijzende rechter zelf terecht heeft opgemerkt — de bepalingen die uitgaan van een regelmatige douaneverklaring.
6.
Nu vaststaat dat verordening nr. 803/68 in beginsel ook geldt voor illegaal op het grondgebied van de Gemeenschap ingevoerde goederen, rest de vraag of het moment en de plaats van invoer kunnen worden vastgesteld aan de hand van de bepalingen van voornoemde verordening.
Met betrekking tot het voor de vaststelling van de douanewaarde beslissende moment bevat artikel 5 van verordening nr. 803/68 twee algemene bepalingen, die op de veronderstelling berusten dat het om legale vormen van invoer (of uitvoer) gaat. Artikel 5, sub a, spreekt van de datum van ontvangst door de douane van de verklaring waarbij de aangever blijk geeft van zijn wil om die goederen tot verbruik aan te geven, terwijl sub b) sprake is van het door de gemeenschapsinstellingen en de Lid-Staten vastgestelde tijdstip voor de aangifte tot verbruik volgens een andere douaneregeling. Deze bepalingen hebben het oog op een normale vrijmaking en zijn niet van toepassing op illegaal ingevoerde goederen. Het voor de vaststelling van de douanewaarde van laatstgenoemde goederen in aanmerking te nemen tijdstip zal derhalve uit de nationale wettelijke regeling van iedere Lid-Staat moeten worden afgeleid.
Ik zou met betrekking tot de harmonisatie van de nationale wettelijke regelingen betreffende het ontstaan van de douaneschuld erop willen wijzen, dat onlangs in bovengenoemde richtlijn nr. 79/623 ook is geregeld op welk moment de douaneschuld bij invoer ontstaat (artikel 6) en welk moment in aanmerking moet worden genomen voor de vaststelling van het bedrag van die schuld (artikel 7). In de context van deze richtlijn is het probleem ook opgelost voor illegale importen, waar artikel 2, sub b, bepaalt dat de douaneschuld in die gevallen ontstaat „wanneer goederen die aan rechten bij invoer onderworpen zijn in het douanegebied van de Gemeenschap worden binnengebracht”, terwijl volgens artikel 3 sub b, het tijdstip waarop de douaneschuld ontstaat, wordt geacht te zijr „het tijdstip waarop het binnenbrengen van de goederen in het douanegebied van de Gemeenschap plaatsvindt”. Ik heb er reeds op gewezen dat deze bepalingen op de onderhavige feiten ratione temporis niet van toepassing zijn. Het is niettemin nuttig ze hier te vermelden omdat zij aantonen, dat de betrokken materie voorheen op communautair niveau niet was geregeld en derhalve geheel aan de nationale wetgever werd overgelaten, in afwachting van een harmonisatie.
Met betrekking tot de voor de vaststelling van de douanewaarde in aanmerking te nemen plaats kan volgens mij als criterium dienen de plaats waar de goederen het communautaire douanegebied binnenkomen, ongeacht de vraag of de goederen al dan niet legaal zijn ingevoerd. Ook voor illegaal ingevoerde goederen kunnen derhalve de betrokken bepalingen van verordening nr. 803/68 worden toegepast, voor zover zij niet uitgaan van de inachtneming van bepaalde wettelijke formaliteiten.
7.
Als laatste heeft de verwijzende rechter de vraag opgeworpen, wie verplicht is de douane de noodzakelijke gegevens te verstrekken voor de vaststelling van de douanewaarde van de goederen. Volgens de verordeningen van de Commissie nrs. 375/69 van 27 februari 1969 en 1343/75 van 26 mei 1975 is de importeur met het oog op vaststelling van de douanewaarde van de goederen gehouden, de douaneautoriteiten aangifte te doen van de elementen betreffende die waarde en bedoelde autoriteiten de documenten betreffende de betrokken transactie te overhandigen. De Duitse rechter vraagt of die bepalingen van toepassing zijn op eenieder die in het douanegebied van de Gemeenschap goederen koopt die illegaal in dat gebied zijn ingevoerd — met als gevolg dat ook degene die de goederen van de importeur of van een opvolgende tussenpersoon heeft verkregen, gehouden zou zijn de autoriteiten gegevens te verstrekken over de betaalde prijs — of dat de nationale autoriteiten overeenkomstig het in verordening nr. 803/68 neergelegde beginsel verplicht zijn, de douanewaarde vast te stellen op basis van de prijs die is betaald door de eerste op het grondgebied van de Gemeenschap gevestigde koper.
Volgens mij zijn zowel verordening nr. 375/69 als verordening nr. 1345/75 alleen van toepassing op legale importen: zij voorzien immers in de vervulling van een aantal procedurele formaliteiten, die alleen in het kader van regelmatige handelstransacties denkbaar zijn. Bijgevolg kunnen bovengenoemde verordeningen niet op illegale importen worden toegepast. De verplichting om gegevens te verstrekken over de waarde van de goederen blijft echter ook voor illegale importen bestaan, in het algemeen voor eenieder die als smokkelwaar ingevoerde goederen heeft gekocht. Immers artikel 14 bis, lid 1, van verordening nr. 803/68 (ingevoegd bij verordening nr. 338/75 van 10 februari 1975) bepaalt dat „voor de bepaling van de douanewaarde, en onverminderd de nationale voorschriften waarbij aan de douaneautoriteiten van de Lid-Staten meer uitgebreide bevoegdheden worden verleend, ... alle personen of ondernemingen die direct of indirect bij de desbetreffende invoer zijn betrokken, aan die autoriteiten ... alle noodzakelijke documenten en inlichtingen (dienen) te verstrekken”.
Ongetwijfeld zal degene die illegaal ingevoerde goederen koopt, de autoriteiten niet gauw informeren, gezien de gevolgen, ook van strafrechtelijke aard, die zulks meebrengt. Voor de vaststelling van de douanewaarde van die goederen zal de nationale overheid derhalve in de meeste gevallen haar toevlucht moeten nemen tot andere methodes, met name de vergelijkende.
Indien het zoals in casu gaat om goederen die niet alleen als smokkelwaar zijn ingevoerd maar die bovendien niet vrij mogen worden verhandeld, zal de vaststelling van de douanewaarde nog een ander probleem opleveren omdat dan moet worden gekeken naar de op de zwarte markt geldende prijzen. Maar de op die prijzen gebaseerde schattingen zijn minder zeldzaam dan men zou kunnen denken en zij worden niet alleen uitgevoerd door de douaneautoriteiten van de Bondsrepubliek (hoewel deze laatste als enige aldus te werk gaan indien de goederen in beslag zijn genomen, voor de betaling van de boete). In andere rechtsordes wordt de strafrechtelijke sanctie voor smokkelarij bepaald aan de hand van de niet betaalde douanerechten. Als voorbeeld zou ik willen noemen artikel 282 van het decreet van de president van de Italiaanse Republiek nr. 43 van 23 januari 1973, dat een dergelijke bepaling bevat. Dit betekent dat situaties waarin de douanewaarde ook in geval van inbeslagneming of vernietiging van de goederen wordt berekend, niet tot de uitzonderingen behoren, terwijl ik de gevolgtrekking meen te kunnen maken dat de douanewaarde ook kan worden vastgesteld indien men moet uitgaan van de prijzen op de zwarte markt.
8.
Op grond van bovenstaande overwegingen concludeer ik dat het Hof de door het Finanzgericht Hamburg bij beschikkingen van 15 januari en 8 juli 1980 gestelde vragen beantwoorde als volgt:
a)
Een Lid-Staat is gerechtigd douanerechten toe te passen op illegaal ingevoerde en vervolgens vernietigde verdovende middelen, ook indien de andere Lid-Staten op dergelijke importen geen douanerechten toepassen. Deze mogelijkheid is niet in strijd met de bepalingen van het EEG-Verdrag betreffende de douane-unie, noch met artikel 7 van dat Verdrag.
b)
De gemeenschapsrechtelijke voorschriften betreffende de douanewaarde zijn in het algemeen van toepassing op alle goederen waarvoor het gemeenschappelijk douanetarief in de heffing van douanerechten voorziet, met inbegrip van die welke illegaal het douanegebied van de Gemeenschap zijn binnengebracht. Van deze regel zijn evenwel uitgezonderd de voorschriften waarvan de bewoordingen duidelijk ervan uitgaan dat de invoer of de uitvoer van de goederen op legale wijze hebben plaatsgevonden, en die om die reden niet van toepassing zijn op de gevallen van illegaal ingevoerde of uitgevoerde goederen.
c)
De bepalingen van verordening nr. 803/68 van de Raad zijn niet van toepassing wanneer het erom gaat vast te stellen, welk moment in aanmerking moet worden genomen voor de vaststelling van de douanewaarde van illegaal op het grondgebied van de Gemeenschap ingevoerde goederen. Dat moment moet derhalve aan de hand van nationaal recht worden vastgesteld. De bepalingen van genoemde verordening die voorschrijven welke plaats in aanmerking moet worden genomen voor de vaststelling van de douanewaarde van de op het grondgebied van de Gemeenschap ingevoerde goederen, gelden zowel voor legaal ingevoerde als voor binnengesmokkelde goederen, tenzij zij duidelijk op de veronderstelling berusten dat bepaalde wettelijke formaliteiten zijn vervuld.
d)
De bepalingen van de verordeningen van de Commissie nrs. 375/69 en 1343/75 zijn niet van toepassing op als smokkelwaar op het grondgebied van de Gemeenschap ingevoerde goederen. Op de grondslag van artikel 14 bis, lid 1, van verordening nr. 803/68 kunnen de douaneautoriteiten evenwel van eenieder die de betrokken goederen op het grondgebied van de Gemeenschap van de importeur of van een opvolgende tussenpersoon heeft verkregen, de gegevens verlangen welke noodzakelijk zijn voor de vaststelling van de douanewaarde.
( 1 ) Vertaald uit het Italiaans.
Full & Egal Universal Law Academy