CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL J.-P. WARNER
VAN 27 NOVEMBER 1980 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne beren Rechters,
De onderhavige zaak betreft een verzoek van het Gerechtshof te Amsterdam om een prejudiciële beslissing in de strafzaak tegen een Nederlandse kaasfabrikant, de Koninklijke Kaasfabriek Eyssen BV (hierna genoemd „Eyssen”), wegens handelen in strijd met de Nederlandse wetgeving inzake de toevoeging van conserveermiddelen aan smeltkaas. De voorgelegde vragen betreffen de verenigbaarheid van die wettelijke regeling met de artikelen 30-36 EEG-Verdrag.
De Nederlandse wetgeving inzake toevoegingsmiddelen is gebaseerd op het zogenoemde stelsel van positieve lijsten, dat wil zeggen dat bepaalde onschadelijk geachte toevoegingsmiddelen uitdrukkelijk zijn toegestaan en grosso modo alle andere toevoegingsmiddelen zijn verboden. Dit stelsel bestaat in een aantal Lid-Staten en is als uitgangspunt gekozen voor de harmonisatierichtlijnen van de Raad op dit gebied — zie de richtlijn van 23 oktober 1962 inzake kleurstoffen, de richtlijn van 5 november 1963 inzake conserveermiddelen, de richtlijn van 13 juli 1970 inzake oxydatie tegengaande stoffen en de richtlijn van 18 juni 1974 inzake emulgators, stabilisators en verdikkings- en geleermiddelen.
Aan Eyssen is telastegelegd dat zij voor de handel en de menselijke consumptie bestemde smeerkaas en zogenaamde „korstloze kaas” in voorraad had, waaraan als conserveermiddel het antibioticum „nisine” was toegevoegd, zulks in strijd met artikel 8, sub h, van het Smeltkaasbesluit (Warenwet).
Er is het Hof nogal was informatie verstrekt over nisine. Ik wil niet overal op ingaan. Bijzonder nuttig vond ik echter hetgeen ons ter terechtzitting werd meegedeeld door A. Kinch, hoofd van de afdeling Voedingsmiddelen van het Directoraat-generaal III (Interne markt en industrie). Dit vormde een goede aanvulling op het door het Gerechtshof overgelegde dossier en de door Eyssen, de Nederlandse regering en de Duitse regering verstrekte gegevens.
Nisine is blijkbaar van nature in kaas aanwezig. Het kan ook als conserveermiddel aan voedingsmiddelen worden toegevoegd, met name aan smeltkaas en conserven. De Duitse regering merkt op, dat de chemische structuur ervan nog niet volledig bekend is. Hoe dit ook zij, nisine is het onderwerp van een rapport van het gezamenlijk Comité van deskundigen van de FAO/WHO (WHO Tech. Rep. Ser. 1969, nr. 430). Op grond van experimenten met dieren kwam dit comité tot de conclusie dat een dagelijkse opneming van 3300000 internationale eenheden nisine per kg lichaamsgewicht bij dieren geen nadelige gevolgen had. Om de a.d.i. (acceptable daily intake = aanvaardbare dagelijkse opneming) bij de mens vast te stellen, deelde het comité dit cijfer door een veiligheidsfactor van 100, waarbij onder meer rekening werd gehouden met de verschillende leeftijd van de eventuele consumenten van het produkt. Aldus kwam het comité tot een a.d.i. van 33000 internationale eenheden, overeenkomend met 0,78 mg per kg lichaamsgewicht. Het probleem is dan, die a.d.i. te „vertalen” in aanvaardbare hoeveelheden nisine in bepaalde levensmiddelen, een probleem dat volgens de heer Kinch „enorme moeilijkheden” oplevert en dat eigenlijk alleen maar kan worden opgelost als men eerst de voedingsgewoonten van de mensen heeft vastgesteld, en dit, aldus de heer Kinch, is „a very long and complicated job”. Zijn afdeling was daarmee begonnen, maar het eind was nog lang niet in zicht. Een complicatie daarbij is dat smaken van land tot land verschillen. Dit blijkt ook wel uit door de Nederlandse regering aangevoerde cijfers, volgens welke bijvoorbeeld de kaasconsumptie per hoofd van de bevolking in Nederland meer dan twee maal zo hoog is als in het Verenigd Koninkrijk. Op een vraag mijnerzijds antwoordde Kinch, dat er geen algemeen erkende internationale norm bestaat met betrekking tot de hoeveelheid nisine die zonder gevaar in kaas kan worden gebruikt. Op zijn best kon hij verwijzen naar een — ons ook door anderen genoemde — aanbeveling van de gemeenschappelijke commissie voor de „Codex Alimentarius” van de FAO/WHO, die erop neerkomt dat 121/2 mg nisine per kg kaas (met inbegrip van de van nature aanwezige nisine) veilig kan worden geacht. Kinch deelde ons echter mee, dat de Codexprocedure met betrekking tot die aanbeveling nog niet was afgesloten, en daaruit leid ik af dat het niet zeker is of de aanbeveling op den duur zal worden aanvaard.
In het gemeenschapsrecht kennen we richtlijn nr. 64/54/EEG van de Raad van 5 november 1963 — die ik hiervóór al noemde — „betreffende de aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten inzake conserveermiddelen die mogen worden gebruikt in voor menselijke voeding bestemde waren”. Met betrekking tot nisine evenwel zegt deze richtlijn enkel (artikel 6) : „Deze richtlijn laat onverlet de bepalingen van de nationale wetgevingen betreffende ... b. Nisine”.
De wettelijke regelingen van de Lid-Staten inzake de toevoeging van nisine aan smeltkaas vallen uiteen in drie groepen. In Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk is het gebruik van nisine onbeperkt toegestaan, zij het dat in het Verenigd Koninkrijk de verplichting bestaat op het etiket aan te geven dat de kaas „een toegestaan conserveermiddel bevat”. In België, Denemarken, Ierland en Italië is het gebruik van nisine tot bepaalde, wisselende hoeveelheden toegestaan. In Duitsland, Luxemburg en Nederland is de toevoeging van nisine verboden, behalve bij produkten die bestemd zijn voor de export en — in Nederland — met uitdrukkelijke toestemming van de minister wanneer toevoeging technisch noodzakelijk is.
Het schijnt dat in Nederland een commissie van deskundigen (de Adviescommissie) liberalisering van de Nederlandse regeling heeft aanbevolen, in die zin dat toevoeging van nisine tot op zekere hoogte is toegestaan, en een ontwerpregeling heeft opgesteld ter uitvoering van haar aanbevelingen. Die aanbevelingen en ontwerpen hebben echter geen rechtskracht.
Eyssen had in december 1977, toen de strafzaak tegen haar aanhangig werd gemaakt, de minister niet om toestemming gevraagd, hoewel zij dat sindsdien wel heeft gedaan. Ook bestaan geen aanwijzingen dat de kaas die Eyssen in voorraad had, bestemd was voor export, hoewel blijkens de verwijzingsbeschikking van het Gerechtshof Eyssen in feite zowel voor de Nederlandse markt als voor de export produceert. Uit de verwijzingsbeschikking blijkt voorts dat de hoeveelheid nisine in Eyssens produkten beneden de grens van 121/2 mg lag, genoemd in de aanbeveling van de commissie voor de „Codex Alimentarius ” — door het Gerechtshof aangeduid als „de aanbeveling van september 1976 van het FAO/WHO committee of government experts”.
De zaak kwam in eerste aanleg voor de Arrondissementsrechtbank te Alkmaar. Bi; vonnis van 14 november 1978 achtte deze het aan Eyssen telastegelegde bewezen, doch zij ontsloeg haar van rechtsvervolging op grond dat de hoeveelheid nisine die Eyssen aan haar produkten had toegevoegd, wenselijk was ter voorkoming van bederf en geen gevaar voor de gezondheid opleverde. Verder overwoog de rechtbank dat artikel 6, sub b, van richtlijn nr. 64/54/EEG de Lid-Staten vrij laat nisine als toevoeging toe te staan, en dat de Nederlandse regeling, op grond waarvan de strafvervolging tegen Eyssen was ingesteld, onverenigbaar was met de artikelen 30 en 34 EEG-Verdrag.
De officier van justitie ging van dit vonnis in hoger beroep bij het Gerechtshof te Amsterdam, dat zich thans tot het Hof heeft gewend. In zijn verwijzingsbeschikking geeft het Gerechtshof een overzicht van de belangrijkste feiten en merkt het onder meer op „dat nisine moet worden aangemerkt als een voor de gezondheid van personen niet absoluut doch wel relatief (weinig) schadelijke stof”. Vervolgens vraagt het, kort samengevat, of, niettegenstaande het in artikel 36 bepaalde omtrent verboden die gerechtvaardigd zijn uit hoofde van de bescherming van de gezondheid en het leven van personen, de in het EEG-Verdrag opgenomen bepalingen betreffende het vrije verkeer van goederen aldus moeten worden uitgelegd, dat een bepaling als vervat in artikel 8, sub h, van het Smeltkaasbesluit, houdende verbod van toevoeging van nisine aan smeltkaas tenzij ontheffing is verleend, onwettig is, en of het verschil maakt of zodanige ontheffing is verleend voor kennelijk voor uitvoer bestemde smeltkaas.
Wanneer aan het eind van de vraag wordt gesproken over een ontheffing voor kennelijk voor uitvoer bestemde smeltkaas, dan heeft dat, neem ik aan, betrekking op een door Eyssen voor de Nederlandse rechterlijke instanties aangevoerd argument, dat het praktische gevolg van de Nederlandse regeling is dat een Nederlandse kaasfabrikant twee produktielijnen zou moeten opzetten, één voor kaas bestemd voor de Nederlandse markt, en één voor kaas bestemd voor de uitvoer naar landen waar toevoeging van nisine is toegestaan; dit zou neerkomen op een krachtens artikel 34 EEG-Verdrag verboden maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve uitvoerbeperking. Voor het Hof evenwel beriep Eyssen zich in de eerste plaats op artikel 30 EEG-Verdrag in de daaraan door het Hof gegeven uitlegging in de zaken 8/74 (Dassonville, Jurispr. 1974, blz. 837), 104/75 (De Peijper, Jurispr. 1976, blz. 613), 120/78 (Rewe — „Cassis de Dijon” —, Jurispr. 1979, blz. 649) en 788/79 (Gilli, Jurispr. 1980, blz. 2071). Het argument van Eyssen luidt, kort gezegd, dat het Nederlandse verbod om nisine toe te voegen, een maatregel is van gelijke werking als een kwantitatieve beperking van de invoer uit Lid-Staten waar deze toevoeging wel is toegestaan.
Alvorens op dit argument in te gaan, wil ik twee punten van minder belang behandelen, die door de Commissie naar voren zijn gebracht.
De Commissie verwijst in de eerste plaats naar artikel 22, lid 1, van verordening (EEG) nr. 804/68, de basisverordening inzake de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelprodukten. Deze verbiedt de toepassing, in het handelsverkeer binnen de Gemeenschap, van „enigerlei kwantitatieve beperking of maatregel van gelijke werking”. Mij dunkt dat deze verwijzing niet ter zake is, want sedert het einde van de overgangsperiode, toen de artikelen 30-36 EEG-Verdrag rechtstreekse werking verkregen, zijn bepalingen zoals artikel 22, lid 1, uitgewerkt — zie bijvoorbeeld zaak 251/78 (Denkavit Futtermittel, Jurispr. 1979, blz. 3369, r.o. 3).
In de tweede plaats betoogt de Commissie, dat Eyssen geen beroep kan doen op artikel 30, omdat zij geen importeur is. In dit verband verwijst de Commissie naar zaak 68/79 (Just, Jurispr. 1980, blz. 501), waarin het Hof overwoog dat artikel 95 EEG-Verdrag uitsluitend bescherming biedt aan uit de overige Lid-Staten ingevoerde produkten en niet door een nationaal producent kan worden ingeroepen. Dit arrest lijkt mij echter in casu niet relevant. Het is vaste rechtspraak dat artikel 95 een Lid-Staat verbiedt, op ingevoerde produkten uit andere Lid-Staten hogere belastingen te heffen dan op nationale produkten, doch dat het niet het omgekeerde verbiedt (zaak 86/78, Peureux, Jurispr. 1979, blz. 897, r.o. 32). Deze conclusie vloeit onontkoombaar voort uit de bewoordingen van artikel 95. Met andere woorden, artikel 95 is een van die zeldzame verdragsbepalingen die „omgekeerde discriminatie” toestaan. Artikel 30 is anders en heeft een veel ruimere strekking. Dit artikel verbiedt — in de bekende bewoordingen van's Hofs arrest in de zaak-Dassonville — „iedere handelsregeling der Lid-Staten die de intracommunautaire handel al dan niet rechtstreeks, daadwerkelijk of potentieel, kan belemmeren”. Artikel 30 verbiedt dus niet slechts discriminatie van goederen uit andere Lid-Staten; het kan ook toepassing vinden zonder dat er sprake is van dergelijke discriminatie. Een voorbeeld daarvan is de zaak-Gilli, waarin het daarin betwiste verbod — namelijk om in Italië appelazijn in de handel te brengen — gold voor alle appelazijn, ongeacht of hij in Italië of hij in een andere Lid-Staat was geproduceerd. Op dit punt werd bijzondere nadruk gelegd door advocaat-generaal Capotorti, die zei:
„De nationale regeling valt... onder artikel 30, omdat zij een absolute belemmering van de invoer van een bepaald produkt uit andere Lid-Staten vormt. Dit volstaat voor de vaststelling dat inbreuk is gemaakt op de regel betreffende het vrije verkeer van goederen, ook al geldt de betrokken handelsbelemmering ongeacht in welk land het produkt is vervaardigd”.
Ik ben mij ervan bewust dat de verdachten in de zaak-Gilli importeurs waren. Voor de uitspraak van het Hof was echter niet dit punt van belang, doch het feit dat de Italiaanse regeling — objectief gezien en los van de feiten van de zaak — een belemmering vormde voor het intracommunautaire handelsverkeer. Zo kan mijns inziens ook het feit dat Eyssen een Nederlandse fabrikant is en geen Nederlandse importeur, niet van belang zijn voor het antwoord op de thans door het Gerechtshof gestelde vraag.
Laten wij dan nu die vraag bezien die bij nader toezien in drie vragen uiteenvalt:
(i)
Is een bepaling zoals die van artikel 8, sub h, van het Smeltkaasbesluit onverenigbaar met artikel 30 EEG-Verdrag?
(ii)
Is een dergelijke bepaling onverenigbaar met artikel 34 EEG-Verdrag?
(iii)
Indien een dergelijke bepaling onverenigbaar is met deze artikelen of met één daarvan, kan zij dan toch worden gerechtvaardigd door artikel 36 EEG-Verdrag?
Wat de eerste twee vragen betreft, kan ik kort zijn.
Eyssen en de Commissie hebben beide betoogd dat artikel 8, sub h, voorshands onverenigbaar is met artikel 30, terwijl niemand het tegendeel heeft gesteld. Het lijkt mij evident dat Eyssen en de Commissie op dat punt gelijk hebben. Artikel 8, sub h, heeft ten gevolge dat smeltkaas waaraan nisine is toegevoegd en die is geproduceerd in een Lid-Staat waar die toevoeging is toegestaan, in Nederland niet mag worden verkocht. Het is duidelijk dat het intracommunautaire handelsverkeer in die kaas daardoor wordt belemmerd.
Na deze conclusie behoeven wij mijns inziens niet meer in te gaan op de vraag betreffende artikel 34. Zowel de Nederlandse regering als de Commissie hebben betoogd dat artikel 34 niet van toepassing is, daar voor exporten uit Nederland ontheffing wordt verleend van het verbod nisine toe te voegen, en geen enkele Lid-Staat wettelijk voorschrijft dat nisine aan smeltkaas moet worden toegevoegd.
Ik ben er niet zeker van, of de zaak daarmee is afgedaan. Het is bijvoorbeeld denkbaar dat een Nederlandse fabrikant die smeltkaas naar het Verenigd Koninkrijk wil exporteren, constateert dat zijn produkt zonder toevoeging van nisine daar niet kan concurreren omdat het sneller aan bederf onderhevig is dan het plaatselijke produkt. Dan zou het voor de Nederlandse fabrikant economisch noodzakelijk zijn om nisine toe te voegen aan smeltkaas bestemd voor uitvoer naar het Verenigd Koninkrijk. In dit geval zou Eyssens argument betreffende „twee produktielijnen” juist blijken te zijn. Of dit inderdaad het geval is, is echter een feitelijke vraag, die uitsluitend ter beoordeling van de Nederlandse rechter staat.
Ik kom dan tot het eigenlijke probleem in deze zaak, namelijk dat van de werking van artikel 36.
Eyssen en de Commissie betogen dat deze bepaling de ongeldigheid van artikel 8, sub h, niet ongedaan kan maken. De Nederlandse en de Duitse regering menen van wel. Eyssens argumenten en die van de Commissie vallen op sommige punten samen, maar verschillen op andere. De argumenten van de Nederlandse en die van de Duitse regering komen goeddeels met elkaar overeen, zij het dat die van de Duitse regering in bepaalde opzichten een ruimere strekking hebben dan die van de Nederlandse. Het Hof heeft van die argumenten kennis kunnen nemen en het lijkt mij weinig zinvol ze hier te herhalen.
De redenering van de Commissie is hoofdzakelijk en die van Eyssen goeddeels gebaseerd op een bekende rechtspraak van het Hof, en wel op een aantal arresten waarin het Hof enige conclusies heeft getrokken uit de algemene — in casu niet betwiste — stelling, dat artikel 36 EEG-Verdrag niet ten doel heeft bepaalde zaken aan de uitsluitende zeggensmacht van de Lid-Staten voor te behouden, doch enkel om het mogelijk te maken dat de nationale wetgeving afwijkt van het beginsel van het vrije goederenverkeer, voor zover die afwijking gerechtvaardigd is en blijft op de in dat artikel genoemde gronden. Voor zover hier van belang, zijn die conclusies de volgende:
(i)
de in de wetgeving van een Lid-Staat vervatte afwijkingen van het beginsel van het vrije goederenverkeer ter bescherming van de gezondheid en het leven van personen, zijn slechts verenigbaar met het EEG-Verdrag wanneer zij daartoe „noodzakelijk” zijn;
(ii)
de bewijslast dat dergelijke afwijkingen aan dit criterium voldoen, rust op de betrokken Lid-Staat; en
(iii)
wanneer de geldigheid van dergelijke afwijkingen voor een rechterlijke instantie van een Lid-Staat wordt betwist, dient die instantie dat criterium toe te passen en terzake uitspraak te doen.
Ik wil volstrekt niet beweren dat het Hof deze conclusies ten onrechte heeft getrokken. Opmerkelijk is echter, dat zij steeds zijn getrokken in zaken die betrekking hadden op administratieve procedures of vereisten die in de wetgeving van een Lid-Staat waren opgenomen wegens onmiskenbare gevaren voor de volksgezondheid. Zo ging het bijvoorbeeld in de zaak-De Peijper (reeds aangehaald) om door de Nederlandse wettelijke regeling vereiste documenten om te voorkómen dat ondeugdelijke farmaceutische produkten in de handel worden gebracht; in zaak 35/76 (Simmenthal, Jurispr. 1976, blz. 1871) ging het om veterinaire en gezondheidskeuringen ter bescherming van de Italiaanse consument tegen invoer van bedorven vlees; in zaak 153/78 (Commissie t. Duitsland, Jurispr. 1979, blz. 2555) om een vereiste van de Duitse wetgeving met betrekking tot de herkomst van ingrediënten van vleesprodukten, dat ten doel zou hebben de consument tegen minderwaardig vlees te beschermen; en in de reeds genoemde zaak 251/78 (Denkavit Futtermittel) om een ingewikkeld Duits systeem van certificaten, inspecties en vergunningen, bedoeld om de aanwezigheid van ziekteverwekkende stoffen in voedermiddelen te voorkomen.
Het onderhavige geval ligt anders. Niemand beweert dat nisine op zichzelf schadelijk is, zoals het geval is met ondeugdelijke farmaceutische produkten of ziekteverwekkende stoffen in vlees, vleesprodukten of veevoeders. Nisine komt van nature in kaas voor, maar een teveel ervan kan schadelijk zijn, al kan niemand met zekerheid zeggen hoeveel nisine in kaas te veel is. De litigieuze Nederlandse regeling geeft bovendien geen procedure om te waken voor de aanwezigheid van nisine in kaas. Zij beperkt zich ertoe de verkoop van nisinehoudende kaas in Nederland te verbieden, tenzij om technische redenen ontheffing van het verbod is gegeven. Het doel van die regeling is duidelijk het gebruik van nisine door de Nederlandse consument te beperken.
De vraag is of een dergelijke regeling „gerechtvaardigd” is in de zin van artikel 36. Het door het Hof in de zoeven genoemde zaken gehanteerde noodzake lijkheidscriterium, kan naar mijn mening hier niet worden toegepast. Evenmin lijkt het mij juist, uit die zaken af te leiden dat — zoals zowel door Eyssen als de Commissie is verdedigd, al is de Commissie aan het eind van de mondelinge behandeling hiervan teruggekomen — het aan de Nederlandse regering staat om aan te tonen dat nisine schadelijk is, of — zoals door de Commissie werd gesteld, doch door Eyssen ontkend — dat de beantwoording van deze vraag moet worden overgelaten aan de Nederlandse rechter.
Wanneer het gaat om de vraag of een administratieve procedure die ten doel heeft bescherming te bieden tegen een onmiskenbaar risico voor de volksgezondheid „gerechtvaardigd” is in de zin van artikel 36, ligt het voor de hand om, zoals het Hof heeft gedaan, te beslissen dat de bevoegde nationale rechter heeft uit te maken of die procedure daartoe onder alle omstandigheden noodzakelijk is, en dat degene die stelt dat dit zo is, dat dan moet bewijzen. Maar in een zaak als de onderhavige, die betrekking heeft op een bij overmatig gebruik mogelijkerwijs schadelijke stof, waar geen algemeen erkende norm bestaat met betrekking tot de hoeveelheid die aanvaardbaar is in bepaalde voedingsmiddelen, en waarin het gaat om de vraag of de nationale regeling die ten doel heeft de consumptie daarvan te beperken, „gerechtvaardigd” is, acht ik deze benadering inadequaat. Zij is inadequaat, omdat iri dit geval niemand kan zeggen dat zij „noodzakelijk” is, laat staan bewijzen dat het noodzakelijk is, en zij is bovendien inadequaat omdat wanneer de beslissing in dergelijke zaken aan de nationale rechter wordt gelaten, dit bijna onvermijdelijk leidt tot dat gemis aan eenheid in de uitlegging van het EEG-Verdrag, dat artikel 177 nu juist wil voorkomen. Het Gerechtshof is er daarom mijns inziens terecht van uitgegaan, dat het aan het Hof van Justitie staat in een dergelijke zaak uitspraak te doen. In dit verband is naar ik meen relevant, dat het Hof in tenminste twee zaken zelf heeft vastgesteld dat een bepaald produkt niet schadelijk voor de gezondheid kon worden geacht, namelijk in de zaak-Cassis de Dijon en de zaak-Gilli.
Moet u dan beslissen dat een regeling als de bestreden Nederlandse regeling niet gerechtvaardigd kan zijn uit hoofde van de bescherming van de gezondheid van personen? Ik meen van niet. Mij dunkt dat er geen reden bestaat om te zeggen dat die regeling „een middel tot willekeurige discriminatie of een verkapte beperking van de handel tussen de Lid-Staten” vormt. Ook bestaat er volgens mij geen aanleiding om de redenering van Eyssen te volgen dat, nu het gebruik van nisine in Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk onbeperkt is toegestaan en aangenomen mag worden dat de Franse en Britse autoriteiten evenveel verantwoordelijkheidsgevoel hebben als de Nederlandse, de in de Nederlandse regeling opgenomen beperkingen niet gerechtvaardigd kunnen zijn. Het is op zijn minst mogelijk dat de Nederlandse autoriteiten wijzer zijn dan de Britse en Franse. Hoe dit ook zij, zolang geen harmonisatierichtlijn is vastgesteld of in ieder geval zolang er geen algemeen aanvaarde internationale normen bestaan, behouden de Lid-Staten op dit gebied een zekere mate van vrijheid, en ik geloof niet dat men kan zeggen dat Nederland de grenzen van die vrijheid in deze heeft overschreden. Nog minder geloof ik dat u de mening van de Commissie moet volgen dat, wanneer de Nederlandse regeling gerechtvaardigd wordt geacht, de prikkel voor de Lid-Staten om in te stemmen met verdere harmonisatieregelingen wordt verminderd of weggenomen. Het is de taak van het Hof uitspraak te doen in de hem voorgelegde zaken overeenkomstig eigen inzichten omtrent dit recht, en niet met het oog op dergelijke overwegingen van politieke aard.
Naar mijn mening dient u zich bij uw uitspraak in deze zaak te beperken tot de vaststelling dat, gezien het voorgelegde bewijsmateriaal omtrent nisine en de neutrale houding van de Raad in artikel 6, sub h, van richtlijn nr. 64/54/EEG, de Nederlandse wettelijke regeling inzake nisine verenigbaar is met het gemeenschapsrecht in zijn huidige stand. Ik zeg dit, omdat de Duitse regering argumenten heeft aangevoerd waarmee, als ik mij niet vergis, werd beoogd een veel verder gaande uitspraak van het Hof te verkrijgen, namelijk dat een Lid-Staat, bij de huidige algemene milieuvervuiling en de bedreiging van de volksgezondheid die daarvan het gevolg is, krachtens artikel 36 EEG-Verdrag het gebruik kan verbieden, in op zijn grondgebied verkochte produkten, van alle stoffen waarvan de onschadelijkheid niet is aangetoond, zowel geïsoleerd als tezamen met andere stoffen. Dit moge juist zijn, doch ik acht het niet noodzakelijk in de onderhavige zaak zover te gaan. In ieder geval betwijfel ik of een kamer van het Hof wel uitspraak zou kunnen doen over een zo algemene stelling.
Concluderend geef ik u in overweging de vraag van het Gerechtshof te Amsterdam aldus te beantwoorden, dat op dit ogenblik een bepaling in de wetgeving van een Lid-Staat waarbij, uitzonderingen daargelaten, de toevoeging van nisine aan smeltkaas wordt verboden, verenigbaar is met de bepalingen van het EEG-Verdrag inzake het vrije verkeer van goederen.
( 1 ) Vertaald uit het Engels.
Full & Egal Universal Law Academy