CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL F. CAPOTORTI
VAN 16 OKTOBER 1980 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne beren Rechters,
1.
Slechts enkele maanden na het ar-rest-Chatain (gewezen op 24 april van dit jaar in de prejudiciële zaak 65/79) wordt ons opnieuw een vraag voorgelegd betreffende de uitlegging van verordening nr. 803/68 van de Raad van 27 juni 1968 inzake de douanewaarde van de goederen. Ook thans gaat het over een importeur die ervan wordt verdacht een hogere dan de werkelijke waarde te hebben gefactureerd teneinde op ongeoorloofde wijze geld over te maken naar het buitenland; het betreft dan ook een bij de nationale rechter aanhangig strafgeding. In de door deze rechter gestelde vraag gaat het er echter niet in de eerste plaats om, of de douane-instanties al dan niet bevoegd zijn de door de importeur aangegeven waarde te verlagen, maar of het mogelijk is een douanewaarde te bepalen die lager is dan de normale prijs van de waar. In het licht van de duidelijke bepalingen van voornoemde verordening en afgezien van de oplossing die in het arrest-Chatain werd aanvaard, ligt mijns inziens een ontkennend antwoord voor de hand.
Ik vat even de feiten samen. De in Parijs gevestigde naamloze vennootschap „Victory France” voerde van 1972 tot 1974 stoffen en gedragen kledingstukken in uit de Verenigde Staten; als douanewaarde declareerde zij ongeveer 1,5 miljoen dollar, hetgeen overeenkwam met de gefactureerde prijs. De Franse douane weigerde echter deze facturen in aanmerking te nemen, temeer omdat zij in Frankrijk door de importerende vennootschap zelf zouden zijn opgemaakt, doch baseerde zich op de door de Amerikaanse expediteur opgemaakte exportaangifte, waarin een lager bedrag was vermeld. Op grond daarvan meende de douane dat de goederen ongeveer FF 4 miljoen minder waard waren dan was aangegeven, en zij heeft de directeur van de vennootschap, S. Wilner, doen dagvaarden ter zake van valse douaneaangifte en ongeoorloofde kapitaaloverdracht. De onderhavige prejudiciële vraag is gerezen in het kader van het strafgeding voor het Tribunal de grande instance te Parijs.
De door de verwijzende rechter aan het Hof voorgelegde vraag is enigszins ongelukkig geformuleerd. Zij komt evenwel hierop neer, of de douanewaarde van ingevoerde goederen kan worden bepaald aan de hand van de door de expediteur van het land van oorsprong aangegeven waarde, zelfs indien deze lager ligt dan de werkelijk betaalde prijs, niet berust op enig boekhoudkundig document en lager ligt dan de normale, tussen een koper en een verkoper onder omstandigheden van vrije mededinging, voor de goederen bedongen prijs.
2.
Artikel 1 van verordening nr. 803/68 bepaalt dat „voor de toepassing van het gemeenschappelijk douanetarief de douanewaarde van in te voeren goederen de normale prijs is, dat wil zeggen de prijs welke geacht wordt (...) voor die goederen te kunnen worden bedongen ingevolge een onder voorwaarden van vrije mededinging tot stand gekomen koop en verkoop tussen een koper en een verkoper die onafhankelijk van elkaar zijn.” Artikel 9 herhaalt dat de betaalde of te betalen prijs als douanewaarde kan worden aanvaard indien, onder meer „de prijs, op het ogenblik dat deze wordt overeengekomen, overeenstemt met prijzen welke zijn bedongen ingevolge een onder voorwaarden van vrije mededinging tot stand gekomen koop en verkoop tussen een koper en een verkoper die onafhankelijk van elkaar zijn.”
Gelijk ik in mijn conclusie in de zaak-Chatain al heb opgemerkt, „lijdt het geen twijfel dat het bij de bepaling van de douanewaarde van ingevoerde produkten op de normale theoretische waarde aankomt en niet op de in feite overeengekomen en betaalde prijs.” Dientengevolge kunnen de nationale instanties, bij een prijs die is overeengekomen en betaald ingevolge een niet onder voorwaarden van vrije mededinging tot stand gekomen koop en verkoop, voor de bepaling van de douanewaarde afwijken van de factuurprijs; doch wanneer zij dit doen, moeten zij trachten vast te stellen welke de normale prijs van de goederen is. Deze stelling vindt bevestiging in uw arrest van 13 maart 1980 in zaak 111/79 (Caterpillar nog niet gepubliceerd).
Met betrekking tot de waarderingsmethodes bij het vaststellen van de normale prijs, heb ik in mijn conclusie in de zaak-Chatain reeds opgemerkt, dat „het gemeenschapsrecht zwijgt over de waarderingsmethoden die toepassing moeten vinden wanneer het prijselement niet als grondslag kan worden gebruikt”: mitsdien kunnen de nationale douane-instanties, die tot taak hebben de gemeenschapsregeling onder meer in het licht van het Verdrag van Brussel van 1950 toe te passen, bij de bepaling van de waarde van de goederen op grond van andere criteria dan de factuurprijs, zich baseren op het stelsel van genoemd Verdrag, dat ook de Gemeenschap bindt. Het systeem van dit Verdrag is duidelijk gebaseerd op de gedachte dat het douanerecht moet worden berekend over de objectieve waarde van de goederen; het staat aan de douanediensten deze waarde vast te stellen, zonder dat zij daarbij zijn gebonden aan de prijs die in de handelsdocumenten wordt genoemd.
Het is bekend dat de nationale instanties daarbij gebruik kunnen maken van de deductieve methode, waarbij wordt uitgegaan van de prijs waarvoor de goederen worden doorverkocht (zie r. o. 21-25 van voornoemd arrest-Caterpillar), of van een vergelijkende methode waarbij wordt gekeken naar de prijs die voor gelijke goederen wordt betaald. Volgens geen van beide methodes mag men echter uitsluitend uitgaan van de waarde die door de expediteur is vermeld bij zijn aangifte aan de douane van het land van herkomst. Men hoeft daarbij slechts te bedenken dat de expediteur iemand anders is dan de verkoper of koper, en dat zijn aangifte kan zijn ingegeven door belangen en vereisten die in geen enkel verband staan met de bepaling van de objectieve waarde van de goederen.
Per slot kan mitsdien worden gesteld dat, ook al bindt de bij een bepaalde verkoop betaalde prijs de douane niet en kan zij niet automatisch leiden tot de bepaling van de douanewaarde van de goederen, voor de bepaling van deze waarde een onderzoek is vereist naar de normale prijs die voor de betrokken goederen onder voorwaarde van vrije mededinging kan worden bedongen, en daarbij niet eenvoudig kan worden afgegaan op de aangifte van de expediteur.
3.
Het vorenoverwogene volstaat mijns inziens om de vraag van het Tribunal de grande instance te Parijs te beantwoorden; ik herhaal dat deze vraag in wezen erop neerkomt, of op grond van een aangifte van de expediteur een douanewaarde mag worden vastgesteld die lager is dan de normale prijs van de goederen. In de loop van de onderhavige procedure evenwel heeft de Commissie de vraag van de verwijzende rechter anders geïnterpreteerd, namelijk als zou in de eerste plaats worden gevraagd of de douane-instanties een douanewaarde mogen vaststellen die lager is dan de gefactureerde en betaalde prijs. Zou deze uitlegging juist zijn, dan kan het probleem al meteen worden opgelost aan de hand van voornoemd arrest-Chatain, waarin het Hof heeft overwogen dat de in de gemeenschapsverordeningen bedoelde wijzigingen van de douanewaarde steeds „wijzigingen naar boven” zijn, en dat dus de nationale instanties krachtens het gemeenschapsrecht niet een douanewaarde mogen bepalen die lager is dan de aangegeven (en uit facturen blijkende) prijs, zelfs indien deze laatste prijs hoger zou blijken te zijn dan de normale prijs van de goederen.
Het zij mij toegestaan te zeggen dat ik mijn in mijn conclusie in de zaak-Chatain verdedigde standpunt ook thans nog als juist beschouw; ik meen met name dat het beginsel van de voorrang van de normale prijs boven de gefactureerde prijs steeds toepassing moet vinden, ongeacht of eerstgenoemde prijs hoger is dan laatstgenoemde dan wel omgekeerd. Ik acht het evenwel niet noodzakelijk mijn argumenten opnieuw aan het Hof voor te leggen, aangezien de onderhavige zaak volstrekt los van de beslissing in de zaak-Chatain kan worden opgelost. In de vraag van de onderzoeksrechter bij het Tribunal de grande instance te Parijs gaat het immers niet om de verhouding tussen gefactureerde prijs en normale prijs, doch veeleer over de vraag of de douanewaarde ook lager kan zijn dan de normale prijs en kan worden gelijkgesteld met de prijs die uit een aangifte van een derde blijkt.
4
Concluderend geef ik het Hof in overweging, de door het Tribunal de grande instance te Parijs bij beschikking van 11 februari 1980 gestelde uitleggingsvraag te beantwoorden als volgt:
„Het is in strijd met verordening nr. 803/68 van de Raad van 27 juni 1968, dat de nationale instanties de douanewaarde van ingevoerde goederen onder verwijzing naar een door de expediteur bij de douane van het land van herkomst gedane aangifte, zouden bepalen op een bedrag dat ager is dan de normale, tussen een koper en een verkoper onder omstandigheden van vrije mededinging voor bedoelde goederen bedongen prijs.”
( 1 ) Vertaald uit het Italiaans.
Full & Egal Universal Law Academy