CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL F. CAPOTORTI
VAN 16 DECEMBER 1980 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne beren Rechters,
1.
Deze prejudiciële zaak biedt u de gelegenheid enkele bepalingen uit te leggen van 's Raads verordening nr. 355/79 van 5 februari 1979, tot invoering van „de algemene voorschriften voor de omschrijving en de aanbiedingsvorm van wijn en druivemost”. Het gaat er in de eerste plaats om, de strekking vast te stellen van het verbod — gericht tot degene die zulke produkten met het oog op de verkoop onder zich heeft of in de handel brengt — ze te omschrijven of aan te bieden op een wijze of in een vorm die bij de kopers verwarring of misverstand kan doen ontstaan over hun kenmerken, met name ten aanzien van hun geografische oorsprong. In de tweede plaats moet worden nagegaan of de op dit gebied geldende communautaire voorschriften plaats laten voor de toepassing van eventuele strengere nationale voorschriften.
Ik vat de feiten kort samen.
De firma Weigand, die in de Bondsrepubliek Duitsland in wijn handelt, biedt onder meer twee „in bepaalde gebieden voortgebrachte kwaliteitswijnen” (vqprd) te koop aan onder de omschrijvingen „Klosterdoktor” en „Schloßdoktor”, die op de etiketten en in de reclame worden gebruikt tezamen met een aanduiding van het gebied van herkomst. Het Schutzverband Deutscher Wein, de Duitse organisatie die statutair tot doel heeft oneerlijke mededinging in de wijnsector tegen te gaan, houdt die omschrijvingen voor misleidend, daar zij, hoewel slechts fantasieomschrijvingen, de indruk wekken betrekking te hebben op „Lagen”: het woord „Doktor” komt immers voor in de naam van typisch Duitse wijnen, waaronder de zeer bekende „Bernkasteler Doktor”, terwijl de woorden „Schloß” en „Kloster” synoniem zijn met bepaalde wijnbergen en voorkomen in de omschrijving van andere. Dienvolgens daagde het Schutzverband Deutscher Wein de firma Weigand voor het Landgericht Mannheim, om haar te horen verbieden de wijnen „Klosterdoktor” en „Schloßdoktor” in de handel te brengen of er reclame voor te maken.
De rechter in eerste aanleg verwierp de vordering; in hoger beroep wees het Oberlandesgericht Karlsruhe ze echter toe, en het legde verweerster krachtens artikel 3 van de Duitse wet ter bestrijding van de oneerlijke mededinging verbod op, wijn onder de betwiste omschrijvingen te koop aan te bieden of daarvoor reclame te maken. Van deze beslissing ging de firma Weigand vervolgens in cassatie bij het Bundesgerichtshof. Bij beschikking van 19 december 1979 schorste deze rechterlijk instantie het geding om het Hof krachtens artikel 1 77 EEG-Verdrag de volgende vragen te stellen:
„1.
Moeten het woord ‚verwarring’ in artikel 43, lid 1, van verordening (EEG) nr. 355/79 van de Raad van 5 februari 1979 (PB L 54 van 1979, blz. 99) en/of de woorden ‚aanduidingen die aanleiding kunnen geven tot verwarring’ in artikel 8, sub c, en ‚gegevens die verwarring kunnen veroorzaken’ in artikel 18, sub c, van deze verordening in tegenstelling tot het woord ‚misverstand’ in artikel 43, lid 2, aldus worden uitgelegd, dat zij alleen betrekking hebben op het geval dat
a)
het merk in de handel wordt verward met een bepaald merk of een bepaalde andere omschrijving (in casu van de ‚Lage’), of
b)
moeten onder dergelijke omschrijvingen respectievelijk aanduidingen die verwarring kunnen veroorzaken, ook die omschrijvingen respectievelijk aanduidingen worden verstaan die het publiek in de waan brengen dat het de naam — of een deel van de naam — van een in werkelijkheid niet bestaande wijnbouwplaats of de omschrijving van een in werkelijkheid niet bestaande wijn-bouw-„Lage” betreft?
2.
Zo vraag 1 b) bevestigend moet worden beantwoord:
a)
Kan dan een omschrijving of aanbiedingsvorm (in casu: etikettering) waartegen op grond van artikel 43, lid 1, geen bezwaren kunnen worden gemaakt, nochtans onder artikel 43, lid 2, vallen of bevat artikel 43, lid 1, voor de omschrijving van de produkten een uitputtende regeling?
b)
Laat artikel 43 van de verordening ruimte voor de toepassing van verdergaande nationale regelingen, zoals paragraaf 3 UWG, indien het gaat om misverstanden bij de verbruikers door een omschrijving, die de indruk van een Lagenaam wekt zonder dat zij met een in werkelijkheid bestaande Lagenaam kan worden verward?”
2.
De Duitse rechter noemt dus met name vier bepalingen van verordening nr. 355/79: artikel 8, sub c, artikel 18, sub c, en de twee leden van artikel 43. De artikelen 8 en 18 betreffen beide der voor de omschrijving van de wijn gebruikte merken die op de etiketten van de flessen worden aangebracht. Hun inhoud is in grote mate identiek; zij verschillen voornamelijk hierin, dat artikel 8 van toepassing is op tafelwijn en artikel 18 op in bepaalde gebieden voortgebrachte kwaliteitswijnen; in casu zou het dus volstaan, enkel laatstgenoemde bepaling in aanmerking te nemen. In elk geval wordt zowel in artikel 8 als in artikel 18, sub c verboden op de etikettering merken te gebruiken waarin woorden, delen van woorden, tekens of illustraties voorkomen die onjuiste aanduidingen inhouden of aanduidingen die aanleiding kunnen geven tot verwarring, met name betreffende de geografische oorsprong, het wijnstokras, het oogstjaar of een vermelding betreffende een hogere kwaliteit.
Artikel 43 stelt beperkingen aan de omschrijving en de aanbiedingsvorm van wijnbouwprodukten in de etikettering (lid 1) en de reclame (lid 2), met het doel verwarring (lid 1) of misverstand (lid 2) over de kenmerken van het produkt te voorkomen. In artikel 43, lid 1, wordt met name bepaald dat „de omschrijving en de aanbiedingsvorm van de in artikel 1, lid 3, bedoelde produkten” (dat zijn de produkten die met het oog op de verkoop zijn opgeslagen of die in het verkeer zijn gebracht) „met inbegrip van alle vormen van reclame, geen aanleiding mogen geven tot verwarring over aard, oorsprong en samenstelling van het produkt met betrekking tot de in de artikelen, 2, 12, 27, 28 en 29 bedoelde vermeldingen” (dat zijn de verplichte of eenvoudig toegestane vermeldingen die voorkomen op de etiketten van tafelwijn, van in bepaalde gebieden voortgebrachte kwaliteitswijn en van wijn uit derde landen). Lid 2 bepaalt vervolgens dat „de omschrijving en de aanbiedingsvorm in de reclame zodanig moeten zijn dat zij geen aanleiding geven tot misverstand over het betrokken produkt”, met name wat betreft een aantal kenmerken, waaronder de soort van het produkt, de oorsprong, de kwaliteit, het wijnstokras, en andere die in casu niet van belang zijn.
Vergelijkt men de twee leden, dan blijkt het tweede lid een gedeeltelijk andere werkingssfeer te hebben dan het eerste; het eerste lid wil immers de verwarring tegengaan, die kan voortvloeien uit de aanduidingen op de etiketten, ook in geval dat die aanduidingen worden gebruikt voor reclamedoeleinden, terwijl het tweede lid wil voorkomen dat reclame in het algemeen aanleiding geeft tot misverstand over het produkt, ook wanneer daarbij elementen worden gebruikt die niet op de etiketten voorkomen (zoals beschrijvingen, afbeeldingen, illustraties enz.).
Tenslotte dienen wij artikel 43, lid 1, te vergelijken met artikel 18, sub c. Beide leggen de etikettering beperkingen op in het belang van authenticiteit en duidelijkheid, maar terwijl artikel 18 slechts de merken betreft, ziet artikel 43, lid 1, op alle gegevens die op de etiketten voorkomen. Ook de in die artikelen vermelde gevallen van verwarring stemmen slechts gedeeltelijk overeen; ik wijs er echter op, dat er in allebei sprake is van verwarring over de oorsprong van het produkt.
3.
Laat ons thans nagaan welke uitlegging moet worden gegeven aan de uitdrukkingen „verwarring” en „aanduidingen die aanleiding kunnen geven tot verwarring”, die respectievelijk worden gebezigd in artikel 43, lid 1, en in de artikelen 8, sub c, en 18 sub c, van verordening nr. 355/79, en die volgens de verwijzende rechter mogelijk iets anders betekenen dan de uitdrukking „aanleiding geven tot misverstand” in artikel 43, lid 2. Wij staan voor het volgende alternatief: is er slechts dan „verwarring”, wanneer het merk dreigt te worden verwisseld met een ander bepaald merk of een bepaalde „Lage”, of ook dan, wanneer door het merk de indruk wordt gewekt dat de wijn afkomstig is van een in werkelijkheid niet bestaande„Lage”?
Mijns inziens moet het woord „verwarring” in ruime zin worden uitgelegd; bovendien moeten de uitdrukkingen „aanleiding geven tot verwarring” en „aanleiding geven tot misverstand” als gelijkwaardig worden beschouwd. De uitlegging die ik voorsta, berust in de eerste plaats op een tekstargument: „aanleiding geven tot verwarring over aard, oorsprong en samenstelling” van de wijn (artikel 43, lid 1) betekent, verhinderen dat de koper nauwkeurig wordt ingelicht over genoemde kenmerken van het produkt doordat in het onzekere wordt gelaten dat zij anders zijn dan de werkelijke kenmerken. Het wil echter niet noodzakelijk zeggen dat een andere bepaalde aard, een andere bepaalde oorsprong, een andere bepaalde samenstelling wordt omschreven of voorgesteld: ware dit het geval, dan zou het juister zijn te spreken van vervalsing. Te dien aanzien zij opgemerkt dat in de aangehaalde artikelen 8, sub c, en 18, sub c, afwisselend sprake is van twee verschillende gevallen: de aanduidingen op het etiket zijn vals, ofwel van dien aard, dat zij aanleiding kunnen geven tot verwarring. Ik voeg hieraan toe, dat de communautaire wetgever, waar hij het heeft over de gevallen waarin met iets bepaalds wordt verward, zich duidelijk heeft uitgedrukt: in dezelfde artikelen 8 en 18 wordt, sub b, telkens gesproken van het gevaar verwarring te scheppen met de omschrijving van een andere wijnsoort (zo ook in artikel 31, sub c: „verwarring met een aanduiding die wordt gebruikt voor de omschrijving van een vqprd, een tafelwijn of een andere ingevoerde wijn”; en in artikel 34, sub b: „verwarring met de omschrijving van een tafelwijn, een vqprd of een ingevoerde wijn, of met een illustratie die een van deze wijnen kenmerkt”). Artikel 43, lid 1, geeft geen van die bijzonderheden: het lijkt mij dan ook arbitrair om de tekst ervan geweld aan te doen en hem te lezen als „verwarring met een ander bepaald merk of een andere bepaalde produktieplaats”. Tenslotte wil ik opmerken dat de bedoeling, verwarring tussen twee merken te vermijden, eigen is aan de voorschriften ter bestrijding van de oneerlijke mededinging en ter bescherming van het merkrecht, terwijl verordening nr. 355/79 bedoeld is om de consumenten te beschermen en het overheidstoezicht op wijnbouwprodukten te vergemakkelijken.
Te dien aanzien moet rekening worden gehouden met de uitleggingselementen, ontleend aan de considerans van de betrokken verordening. In de tweede overweging wordt gesteld dat „het doel van elke omschrijving en aanbiedingsvorm moet zijn de eventuele koper alsmede de openbare instanties die belast zijn met het beheer en de controle van de handel in de betrokken produkten, zo juist en zo nauwkeurig mogelijk voor te lichten als nodig is om die produkten te kunnen beoordelen”, en dat „het derhalve dienstig is voorschriften vast te stellen waardoor dat doel kan worden bereikt”. In de derde overweging wordt dan, vooral met betrekking tot de omschrijving, beklemtoond „dat het, gezien het belang van het vraagstuk en de uitgestrektheid van het toepassingsgebied, wenselijk is een optimale voorlichting van de betrokkenen na te streven...”. Er is dus geen twijfel mogelijk over de doeleinden die met de onderhavige bepaling worden nagestreefd.
Na deze precisering moet het verband tussen beide leden van artikel 43 worden gezien in het licht van die doeleinden. De bescherming van de koper, erop gericht dat hij het produkt op zijn juiste waarde waardeert, kan slechts op passende wijze worden verzekerd zo aan het woord „verwarring” in lid 1 een betekenis wordt toegekend welke samenvalt met die van de uitdrukking „misverstand” in lid 2. Indien immers het woord „verwarring” beperkend zou worden uitgelegd, dan zou een bepaalde etikettering eventueel volgens lid 1 geoorloofd kunnen worden geacht — gesteld dat de op het etiket aangebrachte fantasiebenaming geen aanleiding geeft tot verwarring met een ander bepaald merk of met een andere bepaalde „Lage” —, maar in strijd zijn met lid 2 voor zover zij aanleiding geeft tot misverstand over de oorsprong van het produkt. Een dergelijke regel zou innerlijk tegenstrijdig zijn en niet voldoen aan het vereiste de consument te beschermen; dit vereiste blijkt immers evenzeer te gelden voor de op het etiket verstrekte inlichtingen als voor de verschillende vormen van reclame die worden aangewend om de reputatie en de verspreiding van het produkt te vergroten. De logische samenhang tussen de twee leden van artikel 43 verlangt derhalve, dat aan de uitdrukkingen „aanleiding geven tot verwarring” en „aanleiding geven tot misverstand” goeddeels dezelfde betekenis wordt toegekend.
Vergelijking van de verschillende taalversies van de verordening kan mijns inziens geen enkel argument van betekenis opleveren. Ook indien zou worden aangetoond dat de uitdrukking „aanleiding geven tot misverstand” steeds een ruimere betekenis heeft dan „aanleiding geven tot verwarring” — zoals dat in de Duitse versie het geval lijkt te zijn —, dan nog zou dit niet volstaan om aan te tonen dat „verwarring” per se moet worden verstaan als „verwarring met een ander bepaald merk of met een andere bepaalde plaats”. Ik vergeet daarbij niet, dat de Duitse rechter vraagt naar de juiste betekenis van de uitdrukking „aanduidingen die aanleiding kunnen geven tot verwarring”, die in de artikelen 8, sub c, en 18, sub c, geenszins tegenover de uitdrukking „aanleiding geven tot misverstand” wordt gesteld.
4.
Ik kom thans te spreken over de tweede reeks vragen en wijs er vooraf op, dat de nationale rechter ze — blijkens de tekst van de beschikking — heeft gesteld voor het geval dat vraag 1, sub b, bevestigend zou worden beantwoord. De Commissie en alle andere partijen die in dit geding zijn opgetreden, hebben echter terecht opgemerkt dat de Duitse rechter een vergissing moet hebben gemaakt: de tweede reeks vragen heeft slechts zin ingeval vraag 1, sub b, ontkennend wordt beantwoord en niet omgekeerd. Het is immers duidelijk dat de vraag of „een omschrijving en aanbiedingsvorm..., waartegen op grond van artikel 43, lid 1, geen bezwaren kunnen worden gemaakt, nochtans onder artikel 43, lid 2, kunnen vallen”, slechts kan worden gesteld — zoals in vraag 2, sub a —, voor zover is gekozen voor de opvatting dat de werkingssfeer van artikel 43, lid 1, beperkter is dan die van artikel 43, lid 2 (dat wil zeggen dat het uitsluitend is gericht tegen verwarring met bepaalde merken of produktieplaatsen), en deze opvatting komt overeen met een ontkennend antwoord op vraag 1, sub b. Mitsdien moet de aanhef van de tweede reeks vragen worden verbeterd en moet het woord „bevestigend” worden vervangen door het woord „ontkennend”.
Dit vooropgesteld, valt eenvoudig te constateren dat bij het door mij voorgestelde bevestigende antwoord op vraag 1, sub b, een bespreking van vraag 2, sub a, overbodig wordt.
Wat echter punt 2, sub b, betreft, geloof ik dat een andere redenering zich opdringt. Weliswaar is ook dit een ondergeschikte vraag (zoals hierboven bedoeld) die dus, formeel gesproken niet moet worden beantwoord. Toch acht ik het nodig het gestelde probleem in algemene termen te onderzoeken, namelijk als het vraagstuk van de verhouding tussen de communautaire regeling van de artikelen 8, sub c, 18, sub c, en 43 van verordening nr. 355/79 en de eventuele nationale regeling die de bij de consumenten ontstane „verwarring” beziet onder het aspect van de oneerlijke mededinging. Deze problematiek staat immers los van de eerste reeks vragen en is ongetwijfeld relevant voor de verwijzende rechter, die in casu bevoegd is te beslissen of, en binnen welke grenzen, naast bedoelde verordening ook de Duitse wetgeving inzake oneerlijke mededinging toepasselijk is.
Mijns inziens is de materie van de omschrijving en aanbiedingsvorm van wijn en druivemost uitputtend en volledig geregeld door verordening nr. 355/79 en de bijbehorende uitvoeringsbepalingen (vervat in verordening nr. 1608/76 van de Commissie). Dat het een volledige regeling is, blijkt duidelijk uit artikel 54, lid 1, van 's Raads verordening nr. 337/79 houdende een gemeenschappelijke ordening van de wijnmarkt, waarvan de eerste alinea bepaalt dat de Raad „zo nodig” de voorschriften vaststelt met betrekking tot de omschrijving en de aanbiedingsvorm van de onder genoemde marktordening vallende produkten, terwijl de tweede alinea voorschrijft dat, „totdat de in de eerste alinea bedoelde voorschriften van toepassing worden, ter zake de door de Lid-Staten vastgestelde voorschriften gelden”. Logisch gevolg van deze bepaling is dat, als de communautaire regeling eenmaal van kracht is geworden (hetgeen, althans voor wijn en druivemost, is gebeurd bij de vaststelling van verordening nr. 355/79), deze de latere toepasselijkheid van nationale voorschriften op datzelfde gebied uitsluit, tenzij bepaalde communautaire voorschriften ze op specifieke punten toestaan. In de betrokken verordening is dat soort bepalingen immers talrijk vertegenwoordigd: ik citeer als voorbeeld artikel 1, lid 3, tweede alinea; artikel 2, leden 2, sub h, en 3, sub d, g en i; artikel 3, leden 2, 3, tweede alinea, 4 en 5, tweede alinea; artikel 4, lid 2; artikel 5, lid 2; artikel 6, lid 2; artikel 11, lid 3, enzvoort.
Opgemerkt zij, dat op dit gebied de voor ons geval meest relevante regel artikel 13, lid 2, is, luidens hetwelk „de Lid-Staten, voor wat betreft de op hun grondgebied verkregen vqprd, het gebruik van bepaalde in artikel 12, lid 2, bedoelde aanduidingen... kunnen verplicht stellen, verbieden of beperken”. Ik wijs erop, dat artikel 12, lid 2, de vermeldingen opsomt die facultatief op de etikettering van de vqprd kunnen worden aangebracht, waaronder het merk (sub c). Kan deze bepaling aldus worden uitgelegd, dat een nationale regeling het gebruik van het merk kan beperken door het verbieden van omschrijvingen die bij de consument aanleiding zouden kunnen geven tot misverstand omtrent de geografische oorsprong of andere kenmerken van het produkt? Ik geloof dat het antwoord ontkennend moet zijn, aangezien dit aspect van de omschrijving en de aanbiedingsvorm van de produkten uitdrukkelijk en uitputtend wordt geregeld in de artikelen 18 en 43 van verordening nr. 355/79, tot welke artikelen de bij artikel 13, lid 2, toegekende bevoegdheid tot afwijking niet kan worden uitgebreid.
Toch houdt de vaststelling, dat de communautaire regeling voor de omschrijving en aanbiedingsvorm van wijnbouwprodukten volledig en in beginsel exclusief is, niet in dat bepaalde nationale regels niet van toepassing kunnen blijven, die, hoewel zij met die regeling interfereren, andere doelstellingen nastreven die verenigbaar (of zelfs complementair) zijn met die van de betrokken regeling. Dat is volgens mij het geval met de nationale regels ter voorkoming en bestrijding van oneerlijke mededinging. Ik merkte immers reeds op, dat verordening nr. 355/79 in wezen is bedoeld om de verbruiker van wijn en druivemost te beschermen, door hem passende en waarheidsgetrouwe informatie te verzekeren over de kenmerken van het produkt dat hij van plan is te kopen, en om de beheers- en controletaak van de overheid te vergemakkelijken. De nationale wetgeving inzake oneerlijke mededinging strekt daarentegen voornamelijk tot bescherming van de deelnemers aan het economisch verkeer en slechts onrechtstreeks tot die van de consumenten. Ik voeg daaraan toe dat, waar bedoelde verordening (zoals in het aangehaalde artikel 43) handelt over de „verwarring” geschapen door het gebruik van de onderscheidingstekens van het produkt en zich derhalve inlaat met een probleem dat ook aspecten vertoont die de oneerlijke mededinging (of eventueel het merk) betreffen, niet alleen interferentie ontstaat tussen verschillende groepen van normen, maar tevens kan worden vastgesteld dat de communautaire regeling uitsluitend bestaat uit „materiële” regels, terwijl de nationale wetgeving inzake oneerlijke mededinging (evenals die betreffende het merk) ook voorziet in passende procedures en sancties in geval van inbreuk. Het is dus ondenkbaar dat verordening nr. 355/79, wegens het feit dat zij „volledig” is op het stuk van de omschrijving en aanbiedingvorm van wijn, aldus zou worden uitgelegd, dat zij ook de toepassing van de nationale wetgeving inzake oneerlijke mededinging en merken uitsluit. Noodzakelijk is slechts, maar ook voldoende, dat geen enkele regel inzake oneerlijke mededinging en merken wordt toegepast, die de bepalingen van bedoelde verordening (om het even in welke zin, soepeler of strenger) zou wijzigen.
Deze overwegingen komen overeen met mijn redenering in zaak 50/76 (Amsterdam Bulb, Jurispr. 1977, blz. 152). Ik stelde toen vast, dat de Lid-Staten geen maatregelen mogen nemen die ertoe strekken de draagwijdte van gemeenschapsverordeningen te wijzigen of de bepalingen ervan aan te vullen, en ik citeerde in dat verband uw arresten van 18 februari 1970 (zaak 40/69, Bollmann, Jurispr. 1970, blz. 69) en 18 juni 1970 (zaak 74/69, Krohn, Jurispr. 1970, blz. 451). Ik voegde er echter aan toe: „Dit standpunt werd ingenomen terzake van gevallen waarin de betrokken nationale regeling voor de uitleg moest dienen van de gemeenschapsverordening en derhalve de draagwijdte daarvan beïnvloedde: de kern van 's Hofs beslissing lag in de wil elke wijziging of aantasting van de draagwijdte of van de inhoud van de gemeenschapshandeling uit te sluiten. Men kan daarentegen niet zeggen dat een strafsanctie de inhoud van de bepalingen van de verordening wijzigt... Het feit dat een staat aan de gemeenschapsvoorschriften strafsancties verbindt om... garantie te bieden, is niet in strijd met de beginselen van het Europese recht”. Het Hof sloot zich hierbij aan en besliste onder meer: „Bij ontbreken in de gemeenschapsregels van een bepaling welke bepaalde sancties stelt op de overtreding dier regels door particulieren, zijn de Lid-Staten bevoegd die sancties te voorzien welke hun geëigend voorkomen” (arrest van 2 februari 1977, zaak 50/76, reeds aangehaald, r.o. 33 en dictum punt 4).
Terugkerend tot de onderhavige zaak, geloof ik dat in de geschetste situatie van interferentie tussen communautaire en nationale regels, moet worden vastgehouden aan het beginsel van de voorrang van de communautaire regel. Hieruit kan worden afgeleid dat het nationale recht slechts toepasselijk is, voor zover het met die gemeenschapsregel verenigbaar is of deze aanvult. Op het gebied van de oneerlijke mededinging kan mijns inziens dus worden gesteld, dat die nationale regels toepasselijk zijn die geen afbreuk doen aan de volle naleving van de artikelen 8, 18, 43 (of andere) van verordening nr. 355/79 en die bovendien de naleving ervan waarborgen door het instellen van procedures en sancties.
5.
Concluderend ben ik van oordeel dat het Hof de door het Bundesgerichtshof bij beschikking van 19 december 1979 gestelde vragen zou moeten beantwoorden als volgt:
1.
De uitdrukkingen „verwarring over aard, oorsprong en samenstelling van het produkt” in artikel 43, lid 1, van 's Raads verordening nr. 355 van 5 februari 1979, en „aanduidingen die aanleiding geven tot verwarring” in de artikelen 8, sub c, en 18, sub c, van die verordening doelen ook op het geval van wijnomschrijvingen die de koper in de waan kunnen brengen dat daarmee een geografische plaats wordt bedoeld, terwijl die plaats niet bestaat.
2.
's Raads verordening nr. 355/79 geeft, tezamen met haar in verordening nr. 1608/76 van de Commissie vervatte uitvoeringsbepalingen, een volledige regeling van de omschrijving en de aanbiedingsvorm van de binnen haar werkingssfeer vallende wijn en druivemost; daarom zijn eventuele nationale bepalingen op dit gebied slechts toepasselijk in de door de communautaire voorschriften uitdrukkelijk vermelde gevallen. Toch sluit de verplichting de artikelen 8, sub c, 18, sub c, en 43 van bedoelde verordening nr. 355/79 integraal en bij voorrang toe te passen, de toepasselijkheid niet uit van die nationale voorschriften inzake oneerlijke mededinging, welke met de communautaire regeling verenigbaar zijn, met name van die welke van procedurele aard zijn of een strafbedreiging inhouden.
( 1 ) Vertaald uit het Italiaans.
Full & Egal Universal Law Academy