CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL G. REISCHL
VAN 19 MAART 1981 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne beren Rechters,
De zaak waarin ik thans heb te concluderen, is door de heer J. Kindermann tegen de Commissie aanhangig gemaakt. Als Nederlandstalig hoofdvertaler was hij van 1 februari 1970 tot en met 31 december 1979 werkzaam als lid van de gespecialiseerde vertaalafdeling, verbonden aan de Administratieve Commissie voor de sociale zekerheid van migrerende werknemers (Commission administrative pour la sécurité sociale des travailleurs migrants — CASSTM), een in de artikelen 80 en 81 van's Raads verordening nr. 1408/71 van 14 juni 1971 voorzien en met de instandhouding van betrekkingen tussen de Lid-Staten belast bureau, waarvan het secretariaat door de Commissie wordt behartigd.
De heer Kindermann vordert nietigverklaring van het besluit van 4 oktober 1979, waarbij de heer Tugendhat, destijds als lid van de Commissie met Personeelszaken en Algemeen beheer belast, hem op het directoraat IXD „Vertaling, documentatie, vermenigvuldiging, bibliotheek” van de afdeling IXD-3 „Vertaling: algemene zaken” overplaatste naar de afdeling IXD-8 „Nederlandse vertalingen”. De zaak behoort dus tot de lange reeks procedures waartoe door de Commissie genomen, al dan niet met wijziging van woonplaats gepaard gaande besluiten om van de diensten van haar ambtenaren een ander gebruik te maken, in telkens nieuwe casusposities leidden. Zij vertoont met name veel overeenkomst met de thans door de Tweede kamer behandelde zaak 168/80, door mevrouw Elke van Schaik, een collega van de heer Kindermann op de vertaalafdeling van de CASSTM, aanhangig gemaakt; eveneens op 4 oktober 1979 besloot de heer Tugendhat haar op de Duitstalige afdeling van het directoraat IXD te plaatsen.
I —
1.
Tot goed begrip van deze zaak zou ik allereerst, behalve bij de loopbaan van verzoeker, stil willen staan bij de structurele ontwikkeling van de vertaaldienst der Commissie.
Nadat de heer Kindermann op 15 juni 1959 tot hulpvertaler was benoemd, werd hij bij beschikking van 3 december 1962 per 1 januari 1982 vast aangesteld als ambtenaar in de salarisgroep LA 6, en wel op de nieuw opgerichte afdeling „Vertaling, vermenigvuldiging, verspreiding van documenten”, welke afdeling ressorteerde onder het directoraat „Interne aangelegenheden” van het Directoraat-generaal „Algemeen beheer”. Binnen de vertaalafdeling werd hem de Nederlandse sectie toegewezen, die echter pas veel later een zelfstandige administratieve eenheid zou gaan vormen.
a)
Bij besluit van 1 februari 1970 werd verzoeker ter beschikking van de gespecialiseerde vertaalafdeling van de CASSTM gesteld.
Anders dan de term „detachering” in verschillende overgelegde stukken van de Commissie doet veronderstellen, heeft men te dezen niet te maken met detachering, maar met een terbeschikkingstelling. In zijn klacht heeft de heer Kindermann er terecht op gewezen, dat de op sommige diensten algemeen gangbare term „gedetacheerd vertaler-reviseur” niets met het statutaire begrip „detachering” uitstaande heeft. Artikel 37 van het Statuut betreft alleen ambtenaren die in het dienstbelang worden aangewezen voor het tijdelijk vervullen van een ambt buiten hun instelling, of belast zijn met het tijdelijk vervullen van een functie bij een persoon die een mandaat vervult als bedoeld in de Verdragen of bij een gekozen voorzitter van een instelling of orgaan der Gemeenschappen of van een politieke fractie van het Europees Parlement, en voorts ambtenaren die op eigen verzoek ter beschikking van een andere instelling der Europese Gemeenschappen gesteld zijn. Inzake zodanige terbeschikkingstelling, waaraan betrokkene dus geen statutaire rechtspositie ontleent, heeft de hiërarchisch hoger geplaatste ambtenaar te beslissen. In casu mag het ervoor worden gehouden dat het besluit verzoeker ter beschikking van de CASSTM te stellen — het is noch in de stukken noch in het persoonsdossier te vinden —, door het hoofd van de vertaalafdeling, wellicht mondeling, werd genomen.
In zijn nieuwe werkkring bleef verzoeker ressorteren onder de afdeling „Vertaling, vermenigvuldiging, verspreiding van documenten”. Zijn werk werd voortaan evenwel beoordeeld door de secretarisgeneraal van de CASSTM, het hoofd van de dienst „Sociale zekerheid van migrerende werknemers” en het hoofd van de vertaalafdeling van de CASSTM.
b)
Op 1 januari 1973 werd de vertaalafdeling verheven tot directoraat: het directoraat D „Vertaling, documentatie, vermenigvuldiging, bibliotheek” van het DG IX (Directoraat-generaal Personeelszaken en Algemeen beheer). Per 1 november 1973 zouden de onderscheiden taaisecties afdelingen (IXD-4 — IXD-9) worden. Zo werd de vertaalsectie waartoe verzoeker aanvankelijk behoorde, afdeling IXD-8 „Nederlandse vertaling.”
De nieuwe structuur omvatte, behalve deze met strikt linguistieke arbeid belaste afdelingen, de door het voormalig hoofd van de (enige) vertaalafdeling, de heer Pignot, geleide afdeling IXD-3 „Vertaling: algemene zaken”, belast met de administratieve taken, aan het werk der linguistieke afdelingen verbonden. Onder deze afdeling kwamen de vertalers te ressorteren die ter beschikking van de verschillende directoraten-generaal van de Commissie waren gesteld, met name ook de voor de CASSTM werkende vertalers.
2.
Op 22 augustus 1979 riep de heer Ciancio, directeur van het directoraat IXD, de bij de CASSTM werkzame vertalers bijeen en deelde hun mede dat zij, voor zover zij aldaar sinds tien jaar of langer werkzaam waren geweest, op hun eigen vertaalafdeling werden teruggeplaatst. Dit zou vooreerst gelden voor vier vertalers en réviseurs, waaronder mevrouw van Schaik en de heer Kindermann die, toen bedoelde vergadering plaatsvond, beiden met vakantie afwezig waren.
Op de vergadering las de directeur Vertaling een nota voor, die aan iedere vertaler zou worden toegezonden zodra hij tien jaar voor de CASSTM zou hebben gewerkt, en waarin hij van zijn gewijzigde tewerkstelling op de hoogte zou worden gesteld. De tot verzoeker gerichte nota werd door de heer Ciancio diezelfde dag ondertekend. Verzoeker werd met name verzocht zich, na contact met zijn afdelingshoofd, de heer Pignot te hebben opgenomen, op 2 januari 1980 te vervoegen bij de heer Dallinga, hoofd van de Nederlandse vertaalafdeling.
Op 27 augustus keerde verzoeker van vakantie terug en vernam van zijn collega's van het te zijnen aanzien genomen besluit, dat hem later, zij het niet rechtstreeks, schriftelijk werd bevestigd, toen hij een kopie ontving van de nota de dato 22 augustus 1979, door de secretaris-generaal van de CASSTM, de heer Schneider, tot de heer Ciancio gericht; die nota zal door mij nog worden besproken in verband met de vraag of het beroep van de heer Kindermann gegrond is. Tenslotte ontving verzoeker op 4 september 1979 de nota van zijn directeur langs hiërarchieke weg.
Op 17 september wendde verzoeker zich zijnerzijds tot de heer Ciancio met een brief, waarin hij bezwaar maakte tegen het te zijnen aanzien genomen besluit. Na tevergeefs op antwoord te hebben gewacht, diende hij op 3 oktober tegen deze nota een klacht in als bedoeld in artikel 90, lid 2, van het Statuut.
Een paar dagen later ontving hij het op 4 oktober 1979 door de heer Tugendhat genomen formele besluit, dat hem aanleiding gaf op 12 oktober wederom een klacht in te dienen; het tweede klaagschrift was gelijkluidend aan het eerste, zij het dat op het rechtskarakter van het besluit nader werd ingegaan.
Beide klachten werden pas op 22 april 1980 expressis verbis afgewezen, dat wil zeggen meer dan twee maanden na het verstrijken van de termijn bij afloop waarvan er geacht wordt stilzwijgend afwijzend te zijn beslist. Inmiddels had verzoeker zich op 21 februari in beroep gewend tot het Hof van Justitie.
II — De Commissie acht het beroep van de heer Kindermann niet ontvankelijk, omdat het genomen besluit alleen maar een interne organisatorische maatregel zou zijn, waardoor verzoeker zich niet bezwaard kon gevoelen, zodat er ook niet overeenkomstig artikel 91 van het Statuut tegen kon worden opgekomen.
Bij nader toezien blijkt dit betoog op twee gronden te berusten.
1.
De Commissie beroept zich allereerst op's Hofs jurisprudentie, volgens welke een handelen of nalaten slechts als bezwarend is te beschouwen, wanneer daardoor afbreuk kan worden gedaan aan de in het Statuut geregelde rechtspositie der ambtenaren. Waar verzoeker niet heeft gesteld, laat staan bewezen, dat het niveau van de taken welke hem sinds 1 januari 1980 werden toevertrouwd, niet in voege als in de artikelen 5 en 7 van het Statuut verlangd, met zijn rang en ambt overeenkomt, zou de vordering niet ontvankelijk zijn.
a)
De Commissie beroept zich in zoverre op vier arresten. Al aanstonds zij opgemerkt dat het in drie van deze vroegere uitspraken, namelijk in de arresten, op 20 mei 1976, 14 juli 1976 en 12 juli 1979 onderscheidenlijk gewezen in de zaken 66/75 (Macevičius t. Parlement, Jurispr. 1976, blz. 593), 129/75 (Hirschberg t. Commissie, Jurispr. 1976, blz. 1259) en 124/78 (List t. Commissie, Jurispr. 1979, blz. 2499) ging om andere casusposities dan de onderhavige, terwijl het Hof in het vierde — en oudste — van deze arresten een standpunt heeft ingenomen dat het inmiddels heeft verlaten.
In deze vierde zaak (46/69; arrest op 13 mei 1970 gewezen in de zaak Reinarz t. Commissie, Jurispr. 1970, blz. 275) was door verzoeker nietigverklaring gevorderd van een besluit waarbij hij met de taak van raadadviseur — rang A 2 — belast was, ofschoon zijn voorkeur naar een directeursfunctie uitging. Het Hof heeft geoordeeld dat bedoeld besluit verzoeker niet bezwaarde, omdat een directeur en een raadadviseur dezelfde rang bekleden; ook al zou betrokkenes voorkeur, gezien de andere taakstelling, naar bedoelde andere functie zijn uitgegaan, het besluit was niet in strijd te achten met de door ambtenaren in te roepen regel, volgens welke rang en ambt met elkander moeten overeenstemmen (r.o. 9 en 10).
b)
In zijn arrest van 27 juni 1973, gewezen in de zaak 35/72 (Kley t. Commissie, Jurispr. 1973, blz. 679) heeft het Hof dit standpunt evenwel kennelijk verlaten. De heer Kley vorderde nietigverklaring van het afwijzend besluit, stilzwijgend genomen naar aanleiding van zijn beklag over een besluit van de directeur-generaal van het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek, waarbij hij van de leiding van de natuurkundige groep van de reactor te Ispra was ontheven en tot adviseur van de wetenschappelijke directie der instelling was benoemd. Zich onder meer beroepend op het arrest-Reinarz (Jurispr. 1970, blz. 275), betoogde de Commissie dat de vordering tegen een verzoeker niet bezwarende maatregel gericht zou zijn, zodat verzoeker er niet in zou kunnen worden ontvangen. De overplaatsing zou noch aan zijn materiële belangen afbreuk doen noch ten koste gaan van zijn positie binnen de hiërarchie, zodat zijn rechtspositie niet in het geding zou zijn (r.o. 2 en 3).
In afwijking van eerdere arresten overwoog het Hof nu dat „een overplaatsingsbesluit, zelfs wanneer het de materiële belangen of de rang van een ambtenaar niet raakt, nochtans — in verband met de aard van de functie en de omstandigheden in aanmerking genomen — aan de immateriële belangen en toekomstverwachtingen van het betrokken personeelslid afbreuk kan doen; dat het derhalve niet a priori als voor betrokkene niet bezwarend mag worden beschouwd” (r.o. 4 en 5).
Voor zover men mocht willen tegenwerpen dat dit arrest, waarin het om een overplaatsing ging, niet kan worden toegepast op het onderhavige geval, waarin hoogstens kan worden gezegd dat een ambtenaar die zijn ambt behoudt, met een andere taak is belast, stel ik vast dat de term „overplaatsing” in voormelde zaak door het Hof, zoals trouwens ook door de Commissie, in ruime zin en niet in strikt statutaire zin werd gebruikt (vgl. mijn conclusies van 12 februari 1981 in de gevoegde zaken 161 en 162/80, Carbognani en Coda Zabetta, blz. 15 van de getypte tekst, en het nog niet gepubliceerde arrest van ‚s Hofs Tweede kamer de dato 24 februari 1981, r.o. 19 en 20). Uit de stukken in de zaak-Kley blijkt dat ook hij met behoud van zijn ambt ander werk te doen kreeg, waarmede ik, ter weerlegging van het betoog der Commissie, meen te kunnen volstaan.
c)
Voor zover er met zoveel woorden sprake was van een andere taakstelling met behoud van ambt — een begrip dat de Commissie pas onlangs in voor het Hof aanhangige zaken is gaan hanteren — kan voorts worden verwezen naar het arrest, op 28 mei 1980 gewezen in de gevoegde zaken 33 en 75/79 (Kuhner t. Commissie, Jurispr. 1980, blz. 1694), waarin het arrest-Kley, zij het in enigszins geresumeerde vorm, werd bevestigd. Nadat het Hof in twijfel had getrokken „of de maatregel waarbij verzoeker in een nieuwe functie werd tewerkgesteld, veeleer moet worden beschouwd als overplaatsing in de zin van het Statuut dan als een interne maatregel”, de inrichting van de dienst betreffende, overwoog het dat er nochtans dezelfde gevolgen aan waren verbonden als aan een overplaatsing (r.o. 12). Ofschoon verzoeker, raadadviseur bleef en zijn rang behield, kon de gewijzigde taakstelling, die hem, wat betreft de omschrijving van de werkzaamheden en bevoegdheden der onderscheiden standaardfuncties, als bedoeld in artikel 5, lid 4, tweede alinea, van het Statuut, ook in een andere rubriek deed terechtkomen, zijn vooruitzichten beïnvloeden en hem bezwaren. Ook al mochten in het geval van de heer Kindermann, die hoofdvertaler is gebleven, aan de gewijzigde taakstelling niet precies dezelfde gevolgen verbonden zijn, dat zijn vooruitzichten erdoor kunnen worden beïnvloed, mag niet a priori uitgesloten worden geacht. Hij ontleent hieraan in ieder geval een der argumenten ten betoge dat het aangevochten besluit niet in het dienstbelang zou zijn genomen.
d)
Gaat men met deze opvatting mee, dan kan men al heel spoedig in zijn vordering worden ontvangen. Een ambtenaar behoeft dan alleen maar te stellen dat een te zijnen aanzien genomen besluit, wijziging van zijn taakstelling inhoudend, zijn toekomstkansen kan beïnvloeden, om in een desbetreffende vordering ontvankelijk te worden verklaard.
Tegen zulk een resultaat heb ik evenwel geen principieel bezwaar. Ik kan mij vinden in de opvatting, door de advocaat-generaal Trabucchi in zijn conclusie in de zaak-Kley (Jurispr. 1973, blz. 692) voorgestaan, volgens welke men, wanneer het om de ontvankelijkheid van een vordering gaat, een royaler standpunt behoort in te nemen dan wanneer er over de gegrondheid moet worden beslist; de advocaat-generaal Trabucchi wees erop dat, waar voor ontvankelijkheid wordt verondersteld dat men met een bezwarende maatregel te doen heeft, een vordering alleen gegrond wordt geacht wanneer het bewijs wordt geleverd dat betrokkene door de maatregel welke hij wenst te zien nietigverklaard, zijn subjectieve rechten zag geschonden. De advocaat-generaal Trabucchi betoogde voorts dat „artikel 91 van het Statuut ... een regeling [geeft] die niet alleen moet dienen om de subjectieve rechten van de ambtenaar te beschermen, zoals bij beroepen de pleine juridiction (zodanige „volledige rechtsmacht” — ter bescherming van de rechtsposities der ambtenaren — is het Hof echter alleen toegekend met betrekking tot geschillen van geldelijke aard), doch bedoeld is om objectieve controle op de wettigheid van de gedragingen der administratieve gezagsorganen van de Gemeenschap mogelijk te maken”. Met hem ben ik dan ook van mening, dat er „alle aanleiding bestaat om aan de term ‚bezwarend besluit’ een geheel andere en in ieder geval een ruimere betekenis toe te kennen dan aan de schending van een subjectief recht van een ambtenaar”, alsook dat het feit „dat een ambtenaar aan een bepaalde post de voorkeur geeft boven een andere ... een besluit van de administratie tot overplaatsing tegen zijn wil ... niet onwettig [maakt], doch ... wel voldoende [is] voor de ontvankelijkheid van het beroep ex artikel 91”.
e)
Waar blijkens de uitlatingen van de Commissie zelf, overplaatsingsbesluiten zich van besluiten tot wijziging van de taakstelling alleen onderscheiden voor zover het om de formele, doch niet voor zover het om de materiële voorwaarden gaat, ware het onlogisch om, al naar het gelang men met de ene dan wel de andere groep van besluiten te doen heeft, de ontvankelijkheidsvraag zonder meer bevestigend dan wel ontkennend te beantwoorden.
Mijns inziens zijn dan ook besluiten tot wijziging van de taakstelling zo goed als overplaatsingen stricto sensu te beschouwen als bezwarende maatregelen, waartegen men in beroep kan komen.
2.
Thans behoeft nog slechts te worden onderzocht, of het besluit tot wijziging van verzoekers taakstelling, werkelijk als zodanig was te beschouwen, dan wel of de betekenis van het besluit beperkt is gebleven tot de aan verzoeker gedane mededeling dat hij niet langer ter beschikking van het CASSTM werd gesteld.
De Commissie erkent weliswaar, dat het besluit van 4 oktober 1979, blijkens zijn bewoordingen, geacht moet worden in formele zin een wijziging van verzoekers taakstelling in te houden. In functioneel en organisatorisch opzicht zou dit echter niet het geval zijn. In functioneel opzicht niet, omdat verzoeker niet, komende van de vertaaldienst der Commissie, bij de CASSTM was gedetacheerd, doch alleen ter beschikking van de CASSTM was gesteld; het besluit hem wederom op de vertaaldienst tewerk te stellen, kon dan ook slechts worden gegoten in de vorm van een besluit tot beëindiging van deze terbeschikkingstelling. Ook in organisatorisch opzicht zou het aangevochten besluit er niet toe hebben geleid dat van verzoekers diensten een ander gebruik werd gemaakt: voor en na bleef hij deel uitmaken van de Nederlandse vertaalsectie, die na bedoelde terbeschikkingstelling tot afdeling was verheven.
Dat het aangevochten besluit werd genomen door het in personeelsaangelegenheden bevoegde lid der Commissie en niet, zoals bij beëindiging van een terbeschikkingstelling in den regel het geval was, door de hiërarchisch boven verzoeker geplaatste ambtenaar, het hoofd van afdeling IX-D-3 „Vertaling: Algemene zaken”, vond zijn oorzaak in het feit dat de vertaaldiensten na verzoekers terbeschikkingstelling werden gereorganiseerd. De in deze situatie overigens ongewone procedure zou berusten op artikel 3 van het besluit van de Commissie van 5 oktober 1977 betreffende de uitoefening der in het Statuut aan het tot aanstelling bevoegde gezag toegekende bevoegdheden.
Dit betoog vermag mij niet te overtuigen. Weliswaar moet, naar ik ook in mijn conclusie in de zaak-List (t.a.p., blz. 2516) heb betoogd, „volgens vaste rechtspraak van het Hof bij de vaststelling van de aard van een rechtshandeling niet worden gelet op het formele criterium van het uiterlijk aanzien of de door de auteur of derden daaraan gegeven benaming, doch uitsluitend op de objectieve inhoud en de werkelijke betekenis van de handeling”. In casu ben ik er evenwel van overtuigd dat het „uiterlijk aanzien” van de maatregel aan de werkelijke aard ervan beantwoordt.
Ik zou mij slechts bij de opvatting der Commissie willen aansluiten, wanneer verzoeker ononderbroken tot de Nederlandse afdeling van de vertaaldienst had behoord; dit is evenwel niet het geval. Weliswaar kwam verzoeker in 1970, toen hij ter beschikking van de CASSTM werd gesteld, van de Nederlandse sectie van de enige destijds bestaande vertaalafdeling en werd hij in 1980 op de Nederlandse afdeling teruggeplaatst. Zulks vaststellend, laat men evenwel juist de reorganisatie van de vertaaldienst, die in 1973 plaatsvond, buiten beschouwing. Vaststaat dat de ter beschikking van de CASSTM gestelde vertalers tussen de omzetting van de Nederlandse sectie in een afdeling en 1 januari 1980 hiërarchisch stonden onder het hoofd van afdeling IX-D-3 „Vertaling: Algemene zaken”, met dien verstande dat de secretaris-generaal en het hoofd van de voor genoemde instelling werkzame vertaalafdeling hun werk hadden te beoordelen. Ik vraag mij dan ook af welke rol er te hunnen aanzien voor de linguistische afdelingen, in verzoekers geval afdeling IX-D-8 „Nederlandse vertalingen”, bleef weggelegd.
Ik concludeer dat het aangevochten besluit werkelijk een besluit tot wijziging van verzoekers taakstelling is, zodat het met volledig reguliere toepassing van artikel 3 van genoemd besluit van 5 oktober 1977, werd genomen door het in personeelsaangelegenheden bevoegde lid der Commissie en niet op grond van een reorganisatie der diensten, mogelijkheid die in het hierbedoelde artikel 3 niet is voorzien.
Het tegen het besluit gericht beroep is dan ook ontvankelijk te achten.
III — Ten betoge dat het beroep gegrond is, heeft verzoeker een aantal argumenten aangevoerd, die hij in laatste instantie maar zeer gedeeltelijk heeft gehandhaafd.
In de eerste plaats heeft hij in zijn conclusie van repliek de in zijn rekest allereerst aangevoerde beroepsgrond laten varen, volgens welke er in strijd zou zijn gehandeld met het besluit van de Commissie de dato 24 november 1976 betreffende de roulatieprocedure.
De bedoeling van de eerste beroepsgrond komt in zekere zin toch tot zijn recht nu verzoeker, eveneens voor repliek, de volgende drie beroepsgronden heeft aangevoerd: schending van het nondiscriminatiebeginsel, van de plicht van de overheid voor de belangen van haar ambtenaren te waken en van het recht op verweer. Waar het hier om nieuwe grieven gaat, die volgens het Reglement voor de procesvoering in de loop van het geding in beginsel niet meer mogen worden aangevoerd, zou ik er, zeer subsidiair, met een enkel woord op zijn ingegaan. Nu verzoekers raadsman ze evenwel in zijn pleidooi niet meer ter sprake heeft gebracht, ontmoet het bij mij geen bezwaar ze geheel buiten beschouwing te laten.
Derhalve zal nog moeten worden ingegaan op twee beroepsgronden, die met elkander in verband staan: schending van artikel 7, lid 1, van het Statuut, voor zover inhoudende dat tot overplaatsing uitsluitend in het dienstbelang mag worden overgegaan, en misbruik van discretionaire bevoegdheden. Daarbij komt aan laatstbedoelde beroepsgrond tegenover de schending van het dienstbelang slechts subsidiaire betekenis toe. Alleen wanneer bewezen wordt dat het aangevochten besluit niet in het dienstbelang werd genomen, zullen de werkelijke redenen elders moeten worden gezocht. Is het besluit echter met een beroep op het dienstbelang te rechtvaardigen, dan behoeft niet meer te worden onderzocht of er van misbruik van discretionaire bevoegdheden mag worden gesproken.
1.
Verzoeker is van mening dat artikel 7, lid 1, van het Statuut door het besluit tot wijziging van zijn taakstelling in tweeërlei opzicht wordt geschonden. In de eerste plaats zou de Commissie zich niet hebben gehouden aan de voor overplaatsing voorziene procedure; in de tweede plaats zou het besluit niet uitsluitend in het dienstbelang zijn genomen.
Ik behoef, wat eerstbedoelde kwestie betreft, slechts te herhalen dat het aangevochten besluit geen overplaatsing is in de zin van het Statuut, zodat de daarvoor voorziene formaliteiten niet behoefden te worden in acht genomen.
Kennelijk hecht verzoeker evenwel aan de schending van het dienstbelang het grootste gewicht.
a)
Voordat op verzoekers betoog wordt ingegaan, dient mijns inziens nog klaarheid te worden verkregen met betrekking tot de aard van de controle, die het Hof van Justitie, geroepen tot kennisneming van besluiten tot overplaatsing of wijziging van de taakstelling, kan uitoefenen.
Enerzijds is het vaste rechtspraak van het Hof van Justitie (arrest, op 11 juli 1968 gewezen in de zaak 16/67, Labeyrie t. Commissie, Jurispr. 1968, blz. 436; arrest, op 16 juni 1971 gewezen in de zaak 61/70, Vistosi t. Commissie, Jurispr. 1971, blz. 535; arrest, op 14 juli 1977 gewezen in de zaak 61/76, Geist t. Commissie, Jurispr. 1977, blz. 1419; arrest, op 24 februari 1981 gewezen in de gevoegde zaken 161 en 162/80, Carbognani en Coda Zabetta t. Commissie), dat de instellingen van de Gemeenschap vrij zijn bij de organisatie van hun diensten in overeenstemming met de hun opgedragen taken en bij het daartoe inzetten van het te hunner beschikking staande personeel. Zoals ik in mijn conclusie in de zaak-Geist (zaak 61/76, t.a.p.) reeds heb betoogd, bezit „het tot aanstelling bevoegde gezag bij het nemen van dergelijke besluiten die nauw samenhangen met de uitoefening van bestuursmacht, een ruime discretionaire bevoegdheid”, zodat „het Hof van Justitie ... zich ... in zo een geval niet met alle detailkwesties [kan] bemoeien, met name niet wanneer daarbij doelmatigheidsoverwegingen spelen” (Jurispr. 1977, blz. 1441).
Anderzijds kan de administratie met een abstracte verwijzing naar het dienstbelang niet volstaan, wil de wijziging van de taakstelling van een ambtenaar ipso facto rechtmatig zijn. Wie met de zo weinig scherpe, wellicht usantieel geworden, maar geen concrete inhoud dekkende term dienstbelang komt aandragen, maakt daarmede zelfs geen beperkte rechterlijke controle mogelijk. Mijns inziens behoort de administratie in staat te zijn aan te geven, waarin dit belang in concreto is gelegen, terwijl het ook niet aanzienlijk minder zwaarwegend mag zijn dan de gelaedeerde belangen der betrokken ambtenaren.
Aan deze beginselen zal ik nu de argumenten toetsen, door verzoeker gehanteerd ten bewijze van zijn stelling dat het te zijnen aanzien genomen besluit met het welbegrepen dienstbelang in strijd kwam en bovendien, anders dan de Commissie waar wil hebben, geenszins aan zijn eigen belang heeft beantwoord.
b)
Ik begin met het algemene criterium dat verzoeker hanteert, wanneer hij onderscheidt naar gelang betrokkene zich al dan niet in het kader van een reorganisatie der diensten, zoals die in 1973 op de vertaaldiensten heeft plaatsgevonden, een andere taak ziet toegewezen.
Verzoeker erkent dat het dienstbelang aanleiding kan geven een ambtenaar met post en al elders onder te brengen. Waar het te zijnen aanzien genomen besluit evenwel geen enkel verband houdt met een — desnoods: partiële — reorganisatie, kunnen zijns inziens eo ipso ook de werkzaamheden die tot zulk een reorganisatie zouden hebben geleid, niet worden gehanteerd om te bewijzen dat er van zijn diensten op de nieuwe afdeling een nuttiger gebruik kon worden gemaakt dan op zijn oorspronkelijke afdeling.
Ik meen dat verzoeker hier van een onjuiste veronderstelling uitgaat. Verzoekers analyse lijkt mij niet slechts in strijd te komen met de zeer algemeen gehouden bewoordingen, waarin het Hof aan de instellingen van de Gemeenschap het recht heeft toegekend te bepalen hoe zij haar diensten wensen te organiseren casu quo in die organisatie wijzigingen aan te brengen en het te hunner beschikking staande personeel dienovereenkomstig in te zetten; zij lijkt mij ook niet te rijmen met de feitelijke vaststellingen waarvan tenminste in een aantal dier arresten werd uitgegaan (men zie met name de arresten Labeyrie en Vistosi, t.a.p.).
c)
De overige argumenten zijn van minder belang. De heer Kindermann gewaagt bijvoorbeeld van het negatieve effect, dat zijn overplaatsing zou hebben gehad op het werk van de vertaalafdeling van CASSTM, zoals dat ook in de brief van de heer Schneider aan de heer Ciancio de dato 29 augustus 1979 aan den dag zou treden.
In die brief heeft de secretaris-generaal van de CASSTM er jegens de directeur Vertalingen zijn bezorgdheid over uitgesproken dat het werk van de CASSTM en de in het kader van de CASSTM werkzame hulpdiensten van de overplaatsing van vier reviseurs en vertalers, die lange tijd te hunner beschikking hadden gestaan, te lijden zou hebben. Aan het slot van zijn brief sprak hij de wens uit dat de heer Ciancio zijn besluit ongedaan zou maken dan wel de uitvoering van de genomen besluiten zou opschorten, opdat men eerst vervangend personeel zou kunnen zoeken — en inwerken —.
Ofschoon de heer Schneider eind augustus 1979 stellig een zekere bezorgdheid aan den dag legde, kan aan zijn opmerkingen toch niet de betekenis worden toegekend die verzoeker erin wil leggen. Het spreekt om te beginnen vanzelf dat de goede gang van zaken op een bestuursdienst door een gewijzigde samenstelling van het personeel tijdelijk kan stagneren.
In de tweede plaats geeft vergelijking van de stukken in de zaak-van Schaik met het onderhavig dossier aanleiding tot het vermoeden, dat de grootste moeilijkheden binnen de vertaalafdeling van de CASSTM zich niet in de Nederlandse, maar in de Duitse sectie voordeden. Van vier Nederlandstalige vertalers zag slechts de heer Kindermann zich een andere taak toegewezen, en hij had zeer wel kunnen worden vervangen. Het is dan ook waarschijnlijk dat de brief van de heer Schneider, zoals de vertegenwoordiger der Commissie tijdens de mondelinge behandeling verklaarde, in hoofdzaak betrekking had op de Duitse sectie van de vertaalafdeling van de CASSTM, waaraan, naar ik meen te hebben begrepen, twee van de vier ervaren leden zouden worden onttrokken, terwijl de sectie zich toch al met arbeid zag overladen, hetgeen tot een aanzienlijke achterstand bij de afdoening van het vertaalwerk had geleid.
d)
Verzoeker betoogt voorts dat de afdeling „Nederlandse vertaling”, naar hij meent te weten, geen versterking behoefde toen hij zich er geplaatst zag. Men zou hem dus aan een dienst waar men hem nodig had, hebben onttrokken om hem tewerk te stellen op een dienst waar hij ternauwernood iets te doen had. Hij acht dit bewezen door het feit dat men hem rechtstreeks onder het hoofd van de Nederlandse afdeling heeft geplaatst, die hem met allerlei vertaalwerk heeft belast.
Bij bespreking van dit argument zal men zich mijns inziens rekenschap hebben te geven van de ruime bevoegdheden, waarover de Commissie bij de organisatie van haar diensten beschikt. Als de administratie wijziging mag brengen in het gebruik, van de diensten van haar vertalers gemaakt en als het dienstbelang zulke wijzigingen ook vermag te rechtvaardigen, dan is het een normale zaak dat zij vertalers die tevoren ter beschikking van andere administratieve eenheden waren gesteld, op hun „eigen” vertaalafdeling, hun natuurlijk werkterrein, terugplaatst. Het spreekt ook al vanzelf dat degene die de verantwoording voor de afdeling draagt, zich van de speciale bekwaamheden van ieder hunner een indruk wil vormen en, alvorens hen aan een gespecialiseerde groep van een afdeling toe te wijzen, met verschillende soorten vertaalwerk belast.
Verzoeker heeft ook nooit beweerd dat men hem niets te doen had gegeven.
e)
Ik meen hiermede te hebben aangetoond, dat het aangevochten besluit niet met het dienstbelang in strijd kwam.
Ook is er niet kennelijk een onjuist gebruik van discretionaire bevoegdheden gemaakt. De reden waarom de Commissie stelt verzoeker te hebben overgeplaatst, is namelijk plausibel: zij wilde op alle diensten, de vertaaldiensten inbegrepen, voor een zekere mobiliteit zorgen. Verweerster meent dat bij een vertaler die zeer geruime tijd op dezelfde dienst blijft hangen, een zekere verstarring intreedt, waardoor zijn prestaties in kwantitatief en kwalitatief opzicht achteruit gaan.
Met hetgeen verzoeker voor repliek deed zeggen, heeft hij mijns inziens de onjuistheid van dit standpunt niet aangetoond. De heer Kindermann acht een op mobiliteit van het personeel gericht beleid niet principieel ondoelmatig; hij acht het alleen niet toegesneden op de specifieke situatie van vertalers in het algemeen, en nog minder op die van vertalers die zich langdurige inspanningen getroostten om zich op een vakgebied als de sociale zekerheid van migrerende werknemers, door een eigen terminologie gekenmerkt, te specialiseren. Zich met name beroepend op enkele citaten uit de „Guide pratique du traducteur”, betoogt hij dat specialisatie met name bij de vertaler geboden is, dat de specialisatie op de diensten der Commissie in vergaande mate wordt doorgevoerd en dat zij de kwaliteit van het werk heeft verbeterd, omdat er tussen de vertalers en de bureaus die van hun diensten gebruik maken, nauwere betrekkingen ontstaan. Een belangrijk voorbeeld voor het succes dat voor dit toenaderingsbeleid is weggelegd, zou juist de CASSTM bieden.
Ook harerzijds kwam de Commissie met citaten uit de „Guide pratique du traducteur” waarin de nadruk op de mobiliteit tussen de verschillende groepen van vertalers en op interpenetratie wordt gelegd.
In dit tussen vaklieden gevoerde debat kan het Hof maar moeilijk beslissen. In aanmerking genomen de grenzen, te dezen aan ’s Hofs controlerende bevoegdheden gesteld, kan ik alleen maar zeggen dat het mij niet ongerijmd voorkomt dat zelfs een consciëntieuze vertaler die sinds bijna tien jaar dag in dag uit dezelfde soort teksten vertaalt, het gevaar loopt van een zekere verstarring, en dat de administratie wel degelijk mag proberen het intreden van die verstarring te voorkomen — of te verhelpen — door de betrokken ambtenaar met een andere taak te belasten.
f)
Tenslotte meent verzoeker dat het te zijnen aanzien genomen besluit, anders dan de administratie stelt, geenszins aan zijn belang beantwoordt, doch hem veeleer benadeelt. Met name zijn vooruitzichten zouden hebben te lijden van het feit dat zijn arbeid op zijn nieuwe werkterrein stelselmatig wordt gereviseerd, terwijl hij zich vanwege de vaardigheid, door hem bij de CASSTM opgedaan, aldaar ook wel met het reviseren van het werk zijner collega's belast zag.
Het komt mij voor dat verzoeker zich van dit argument niet kan bedienen. Bij wijziging van betrokkenes taakstelling, niet met overplaatsing in geografische zin of wijziging van zijn standaardfunctie gepaard gaande, staan mijns inziens geen „wezenlijke persoonlijke belangen” op het spel, die bij de behandeling van de vraag of er een juiste beslissing is genomen, „hoogstens” nog aan de orde kunnen komen (men zie mijn conclusie in de zaak-Geist, t.a.p., blz. 1441).
Het is bovendien niet zeker dat deze bewering geheel aan de feiten beantwoordt. In het beoordelingsrapport over de jaren 1975-1977 werd zijn bevordering in hoofdzaak op grond van zijn leeftijd, anciënniteit, vorming casu quo opleiding bepleit. In beide eerstgenoemde opzichten is hij er thans nocg beter aan toe. Zijn juridische opleiding kwam hem, na zijn vertrek bij de CASSTM, nog beter van pas, omdat hij, naar wij tijdens de mondelinge behandeling vernamen, korte tijd het werk van een juridisch vertaler heeft waargenomen. En tenslotte kan hij op zijn nieuwe werkterrein ongtwijfeld zijn horizon verruimen: op de Nederlandse vertaalafdeling maakt hij deel uit van een in sociale-, beheers- en voorlichtingszaken gespecialiseerde vakgroep, die een ruimer terrein dan dat van de CASSTM bestrijkt.
2.
Nu verzoeker dus niet heeft kunnen bewijzen dat het te zijnen aanzien genomen besluit niet uitsluitend in het dienstbelang werd getroffen, behoeft niet te worden nagegaan of verweerster bij het nemen ervan een onjuist gebruik van haar discretionaire bevoegdheden heeft gemaakt.
IV —
Ik behoef thans nog slechts te concluderen.
Eerst moet mij evenwel nog een opmerking van het hart, die in de lijn ligt van hetgeen de advocaat-generaal Capotorti onlangs opmerkte in zijn conclusie in de zaak 148/79 (Korter t. Raad, conclusie van 29 januari 1981, nog niet gepubliceerd, blz. 12 van de getypte tekst). Ik heb de indruk dat dit geding had kunnen worden voorkomen. Verzoekers advocaat heeft er tijdens de mondelinge behandeling op gewezen dat hij dit beroep stellig niet heeft ingesteld omdat hij tot elke prijs tot aan zijn pensioen bij de CASSTM had willen blijven werken, maar omdat hij pijnlijk was getroffen door de voorwaarden, waaronder tot het wijzigen van zijn taakstelling werd besloten, alsook over het feit dat de administratie zich met betrekking tot zijn beroepsbelangen„alleenrechtspraak” toemat. In zoverre kan men slechts de opvatting onderschrijven dat het op zijn minst een onelegante gang van zaken is geweest waardoor aan de vertrouwelijke betrekkingen die tussen de overheid en haar beambten behoren te bestaan, afbreuk is gedaan, dat het besluit verzoeker met andere taken te belasten, buiten zijn aanwezigheid officieel bekend gemaakt werd, zonder dat hij er tevoren van op de hoogte was gebracht of de gelegenheid had gehad zijn standpunt te bepalen, terwijl de rechtsgrondslag van dit optreden ook niet met de nodige duidelijkheid werd vermeld.
Nochtans moet ik u in overweging geven de vordering af te wijzen en te verstaan dat elk van beide partijen, overeenkomstig de artikelen 69, paragraaf 2, en 70 van het Reglement voor de procesvoering, haar eigen kosten zal dragen.
( 1 ) Vertaald uit het Duits.
Full & Egal Universal Law Academy