CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL G. REISCHL
VAN 21 JANUARI 1981 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
De zaak waarin ik heden conclusie neem, heeft wederom betrekking op problemen, die zijn ontstaan bij de toepassing van verordening nr. 563/76 van de Raad van 15 maart 1976 inzake de verplichting tot aankoop van magere-melkpoeder dat in het bezit is van de interventiebureaus en wordt bestemd voor vermenging in diervoeder (PB L 67 van 1976, blz. 18).
Zoals bekend had de bij deze verordening ingevoerde regeling ten doel, de voorraden magere-melkpoeder in de Gemeenschap te verminderen door het in magere-melkpoeder voorkomende eiwit meer te gaan gebruiken voor diervoeder. Daarom verbond de verordening de toekenning van steun voor een aantal plantaardige eiwitprodukten, waaronder koolen raapzaad, sobjabonen enzovoorts, en het in de Gemeenschap in het vrije verkeer brengen van bepaalde ingevoerde diervoeders aan de verplichting, bepaalde hoeveelheden magere-melkpoeder aan te kopen. Om de naleving van deze verplichting te verzekeren, werden de toekenning van steun en het in het vrije verkeer brengen afhankelijk gesteld van het in een bepaalde vorm te leveren bewijs van de aankoop en van het denatureren van de voorgeschreven hoeveelheid magere-melkpoeder, of van het stellen van een waarborg, die bij niet-nakoming van de aankoopverplichting werd verbeurd.
Het Hof van Justitie heeft deze verordening in drie arresten van 5 juli 1977 in de prejudiciële zaken 114/76, Bela-Mühle Josef Bergmann KG; 116/76, Granaria B.V.; en 119 en 120/76, Ölmühle Hamburg AG en Firma Kurt A. Becher (Jurispr. 1977, blz. 1211 e. v.) ongeldig verklaard. Het overwoog hiertoe dat de in de verordening neergelegde verplichting tot aankoop van magere-melkpoeder tegen een zo onevenredig hoge prijs neerkwam op een discriminerende verdeling van lasten over de verschillende landbouwsectoren en bovendien niet noodzakelijk was ter bereiking van het beoogde doel, te weten de afzet van de voorraden magere-melkpoeder.
Na deze arresten stelde de SpA International Chemical Corporation, verzoekster in het hoofdgeding en producente van mengvoeder, op 17 november 1978 bij het Tribunale civile te Rome beroep in tegen de Italiaanse administratie van de Staatsfinanciën, waarbij zij vorderde verweerster te veroordelen tot terugbetaling van 61057554 lire aan waarborgsommen, die rechtstreeks door verzoekster zelf of door haar leveranciers, aan wie zij ze had terugbetaald, waren gesteld voor de invoer van onder bedoelde verordening vallende produkten, en verbeurdverklaard, daar de aankoop niet had plaatsgevonden.
Voorts vorderde zij verweerster te veroordelen tot betaling van 173494317 lire aan restituties, die haar krachtens artikel 16 van verordening nr. 2727/75 van de Raad van 29 oktober 1975 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen (PB L 281 van 1975, blz. 1) toekwamen voor de tussen 4 augustus en 1 oktober 1976 verrichte uitvoer van verschillende partijen diervoeder, hoofdzakelijk bestaande uit granen met toevoeging van andere produkten, waaronder gemiddeld 20 % meel van sojabonen en aardnoten die in het kader van het actieve veredelingsverkeer uit derde landen, waren geïmporteerd.
Tot staving van het eerste onderdeel van haar vordering stelt verzoekster zich in hoofdzaak op het standpunt, dat de ongeldigverklaring van verordening nr. 563/76 in de zaken Bela-Mühle e. a. zich moet uitstrekken tot de transacties die zij vóór het wijzen van deze arresten had verricht. Bijgevolg moeten de verbeurdverklaarde waarborgsommen worden terugbetaald, daar zij zijn gesteld om de nakoming van een met het gemeenschapsrecht strijdige verplichting te garanderen.
Verweerster daarentegen is van mening dat de niet-toepasselijkheid van de litigieuze verordening in casu niet kan worden afgeleid uit het feit, dat het Hof haar in andere gevallen ongeldig heeft verklaard. Het definitieve karakter van met inachtneming van het geldende gemeenschapsrecht vastgestelde heffingen sluit een condictio indebiti uit.
Met betrekking tot de vordering tot betaling van restituties voert verzoekster aan, dat zij van de in artikel 10, lid 2, van verordening nr. 677/76 van de Commissie van 26 maart 1976 houdende uitvoeringsbepalingen bij verordening nr. 563/76 (PB L 81 van 1976, blz. 23) geboden mogelijkheid van actief veredelingsverkeer slechts gebruik heeft gemaakt, om niet verplicht te zijn een waarborg te stellen voor het ingevoerde plantaardige diervoeder dat, overigens vrij, zonder douanerechten of heffingen, in de Gemeenschap kan worden ingevoerd. Het in het kader van het actieve veredelingsverkeer geproduceerde mengsel van ingevoerde plantaardige voeders en uit de Gemeenschap afkomstig of zich daar in het vrije verkeer bevindend graan, moest als onder post 23.07 B GDT vallend mengvoeder weer worden uitgevoerd, zonder dat daarvoor een restitutie werd toegekend.
Verweerster staat daarentegen op het standpunt dat geen recht op restitutie bestaat, daar de uitgevoerde mengvoeders bestanddelen bevatten, die niet in de Gemeenschap in het vrije verkeer zijn gebracht. Volgens artikel 8, lid 1, van verordening nr. 192/75 van de Commissie van 17 januari 1975 houdende uitvoeringsbepalingen inzake de restituties bij uitvoer voor landbouwprodukten (PB L 25 van 1975, blz. 1), wordt de restitutie namelijk slechts verleend voor die produkten welke van oorsprong zijn uit de Lid-Staten of zich daar in het vrije verkeer bevinden. In casu gaat het echter om produkten uit de graansector, waarvoor de restitutie voor het produkt als geheel en niet voor de afzonderlijke bestanddelen wordt vastgesteld.
De Eerste kamer van het Tribunale civile te Rome heeft bij beschikking van 12 november 1979 het geding geschorst en het Hof van Justitie krachtens artikel 177 EEG-Verdrag de volgende vragen voorgelegd:
„1. Heeft de ongeldigverklaring van een gemeenschapsverordening ingevolge artikel 177 van het Verdrag werking erga omnes, of is ze alleen bindend voor de rechter a quo? Kan in dat geval het beginsel, vervat in het arrest van 27 maart 1963 (gevoegde zaken 28, 29 en 30/62) worden uitgebreid tot de ongeldigverklaring?
2. Is — in het tweede geval — verordening nr. 563 van 15 maart 1976 ongeldig op dezelfde gronden als die welke worden uiteengezet in de arresten van 5 juli 1977 in de zaken 114, 116, 119 en 120/76?
3. Wanneer genoemde verordening ongeldig is, volgt dan uit de beginselen die ten grondslag liggen aan de communautaire rechtsorde dat de terugbetaling van door een particulier onverschuldigd betaalde bedragen wel, respectievelijk niet, respectievelijk binnen bepaalde grenzen of termijnen is toegestaan en, zo ja, schept de ongeldigverklaring dan voor de particulier de mogelijkheid om volgens het nationale recht van de Lid-Staten terug te vorderen wat hij voorheen krachtens de ongeldigverklaarde verordening heeft betaald en, zo ja, gelden hiervoor bepaalde grenzen, termijnen of voorwaarden, met name gelet op het geval dat de terugvordering betrekking heeft op bedragen die de betrokkene aan zijn leveranciers heeft terugbetaald?
4. Is, gelet op het gemeenschapsrecht en inzonderheid de verordeningen nrs. 192 van 17 januari 1975, 2727 van 29 oktober 1975, 2743 van 29 oktober 1975, 677 van 26 maart 1976, 1871 van 30 juli 1976, 2141 van 31 augustus 1976, en 2372 van 30 september 1976, de restitutie bij de uitvoer van mengvoeders enkel verschuldigd voor de graanbestanddelen en is het in strijd met de uit deze bepalingen af te leiden algemene beginselen, dat bij de uitvoer van mengvoeders alleen een restitutie wordt toegekend voor een aantal bestanddelen, wanneer de andere bestanddelen tijdelijk met vrijstelling zijn ingevoerd?”
Mijn standpunt in deze is als volgt:
De eerste en tweede vraag
De eerste twee vragen betreffen de bindende kracht van door het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag gegeven prejudiciële beslissingen over de geldigheid van de handelingen der gemeenschapsinstellingen. De verwijzende rechter wil weten of hij bij de beslissing in het hoofdgeding gebonden is aan's Hofs prejudiciële beslissingen van 5 juli 1977 in de zaken Bela-Mühle e. a., waarin verordening nr. 563/76 ongeldig werd verklaard, dan wel of hij zich opnieuw tot het Hof kan of moet wenden met een verzoek om een prejudiciële beslissing over de geldigheid van de betrokken verordening.
Zoals u weet, is de rechtswetenschap het niet eens over de vraag of arresten van het Hof waarin krachtens artikel 177 EEG-Verdrag communautaire rechtshandelingen worden nietigverklaard, uitsluitend inter partes dan wel erga omnes werken. Daar u de in de doctrine uiteengezette argumenten over deze theorieën kent en deze problematiek reeds uitvoerig aan de orde is geweest in de conclusies van advocaat-generaal Gand in zaak 16/65 (Firma C. Schwarze, Jurispr. 1965, blz. 1122), advocaat-generaal Warner in de zaken 112/76, 22/77, 32/77 en 37/77 (Manzoni, Jurispr. 1977, blz. 1658) en advocaat-generaal Capotorti in zaak 23/78 (Ireks-Arkady GmbH, Jurispr. 1979, blz. 2976), kan ik mij beperken tot een overzicht van de belangrijkste argumenten en een zeer beknopte analyse van's Hofs arresten, voor zover daaruit voor dit onderwerp relevante gegevens kunnen worden afgeleid.
In dit verband kan niet worden ontkend dat een procedure ex artikel 177 EEG-Verdrag, strekkende tot vaststelling dat een handeling van een gemeenschapsinstelling met het Verdrag onverenigbaar is, niet hetzelfde toepassingsgebied en dezelfde werking heeft als een procedure krachtens de artikelen 173 en 174 EEG-Verdrag, waarbij een dergelijke handeling wordt nietigverklaard. Uit het onderscheid tussen bedoelde procedures kan echter — zoals met name advocaat-generaal Warner in bovengenoemde conclusie onderstreepte — niet worden afgeleid dat een beslissing van het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag alleen bindende werking heeft voor de daardoor beslechte zaak. Een dergelijke opvatting zou namelijk onverenigbaar zijn met de zin en het doel van artikel 177, de uniforme uitlegging en toepassing van het gemeenschapsrecht in alle Lid-Staten te verzekeren. Dit kan worden aangetoond aan de hand van een reeks arresten van het Hof, ook al betreffen die hoofdzakelijk de uitlegging van het gemeenschapsrecht.
Zo heeft het Hof laatstelijk in de arresten van 27 maart 1980 in de zaken 61/79 (Denkavit italiana, Jurispr. 1980, blz. 1205), en de gevoegde zaken 66, 127 en 128/79 (Meridionale Industria Salumi e. a., Jurispr. 1980, biz. 1237) opnieuw beslist dat „de uitlegging die het Hof van Justitie krachtens de hem bij artikel 177 EEG-Verdrag verleende bevoegdheid geeft van een voorschrift van gemeenschapsrecht, wanneer daaraan behoefte bestaat, de betekenis en de strekking van dat voorschrift verklaart en preciseert, zoals het sedert het tijdstip van zijn inwerkingtreding moet of had moeten worden verstaan en toegepast. Hieruit volgt dat het aldus uitgelegde voorschrift door de rechter ook kan en moet worden toegepast op rechtsbetrekkingen die zijn ontstaan en tot stand gekomen vóór het arrest waarbij op het verzoek om uitlegging is beslist...”
Gezien de declaratoire aard van uitleggingsarresten was het dan ook consequent, dat het Hof in het arrest van 27 maart 1963 in de gevoegde zaken 28-30/62 (Da Costa & Schaacke NV, Jacob Meijer NV en Hoechst Holland NV, Jurispr. 1963, blz. 61) verklaarde voor recht dat de door artikel 177, derde alinea, EEG-Verdrag aan de nationale rechter in hoogste instantie opgelegde verplichting door het gezag van een door het Hof reeds krachtens artikel 177 gegeven uitlegging van haar grond kan worden beroofd, wanneer de opgeworpen vraag zakelijk gelijk is aan een vraag welke reeds in een gelijksoortig geval voorwerp van een prejudiciële beslissing is geweest. Terwijl de principieel tot verwijzing verplichte rechters in hoogste instantie van de verwijzingsplicht zijn ontslagen, omdat zij zich op grond van de bindende kracht van prejudiciële beslissingen toch aan de door het Hof gegeven uitlegging moeten houden, bestaat een dergelijke bindende kracht eerst recht voor alle lagere rechterlijke instanties. Een dergelijke bindende werking sluit echter, blijkens genoemde zaak-Da Costa en het arrest van 24 juni 1969 (zaak 29/68, Milch-, Fett- und Eier-Kontor GmbH, Jurispr. 1969, blz. 165), niet uit dat de nationale rechter het Hof andermaal om een prejudiciële beslissing verzoekt.
Zoals alle in het geding optredende partijen erkennen, moeten deze beginselen ook worden toegepast op prejudiciële beslissingen inzake de geldigheid van gemeenschapshandelingen. Dit blijkt reeds uit het feit dat artikel 177 EEG-Verdrag en artikel 20 van's Hofs Statuut-EEG een uniforme regeling bevatten voor de procedure tot uitlegging en die tot beoordeling van de geldigheid. Bijgevolg heeft het Hof ook nimmer geaarzeld om, onder verwijzing naar de bijzondere aard van de prejudiciële procedure, in het kader van een verzoek om uitlegging de geldigheid de toetsen.
Dat ook het Hof ervan uitgaat, dat een prejudiciële beslissing inzake de geldigheid van een gemeenschapshandeling gevolgen heeft die verder gaan dan het concrete hoofdgeding, blijkt bovendien uit de volgende overwegingen. Het Hof zelf heeft zich reeds herhaaldelijk gebaseerd op prejudiciële beslissingen waarin bepaalde verordeningen ongeldig zijn verklaard, wanneer uitspraak moest worden gedaan in schadevorderingen ingesteld door anderen dan de partijen in de voor de nationale rechter aanhangige gedingen, in het kader waarvan die prejudiciële beslissingen waren gegeven (zie de arresten van 25 mei 1978, gevoegde zaken 83 en 94/76, 4, 15 en 40/77, Bayerische HNL Vermehrungsbetriebe GmbH & Co. e. a., Jurispr. 1978, blz. 1209; 28 maart 1979, zaak 90/78, Granaria, Jurispr. 1979, blz. 1081; 4 oktober 1979, zaak 238/78, Ireks-Arkady, Jurispr. 1979, blz. 2955; 4 oktober 1979, gevoegde zaken 64 en 113/76, 167 en 239/78, 27, 28 en 45/79, P. Dumortier Frères, Jurispr. 1979, blz. 3091).
Dat het Hof aan prejudiciële beslissingen meer dan alleen een „werking inter partes” toekent, blijkt voorts uit het arrest van 8 april 1976 (zaak 43/75, Defrenne, Jurispr. 1976, blz. 455). In deze zaak zag het Hof zich genoopt, met het oog op de ernstige moeilijkheden die het arrest bij te goeder trouw aangegane rechtsverhoudingen voor het verleden kon teweegbrengen, voor alle betrokkenen de mogelijkheid te beperken om zich op de in het arrest gegeven uitlegging van artikel 119 EEG-Verdrag te beroepen met het doel over bedoelde rechtsverhoudingen een nieuwe uitspraak ten gronde te verkrijgen. Tenslotte blijkt's Hofs opvatting dat de prejudiciële beslissingen krachtens artikel 177 qua werking moeten worden gelijkgesteld met nietigverklaringen krachtens artikel 173 EEG-Verdrag, glashelder uit de zaken 4/79, Société Coopérative „Providence agricole de la Champagne, 109/79, Sàrl Maïserie de Beauce, en 145/79, Roquette Frères. In deze arresten heeft het Hof met overeenkomstige toepassing van artikel 174, lid 2, EEG-Verdrag de mogelijkheid om zich op de bij wege van prejudiciële beslissing vastgestelde ongeldigheid van een verordening te beroepen, beperkt tot de tijd na het wijzen van deze arresten. Een dergelijke overeenkomstige toepassing van artikel 174, lid 2, is echter alleen mogelijk en zinvol wanneer, zoals advocaat-generaal Capotorti in zijn conclusie in zaak Ireks-Arkady heeft voorgesteld, wordt uitgegaan van een werking „ex-tunc” van de bij wege van prejudiciële beslissing vastgestelde ongeldigheid van een verordening en wanneer voorts wordt aangenomen dat de aldus vastgestelde ongeldigheid dezelfde rechtskracht heeft, als ware de litigieuze verordening krachtens artikel 173 „erga omnes” nietigverklaard.
Voor gelijkstelling van de rechtskracht van prejudiciële beslissingen en nietigverklaringen pleiten overigens ook's Hofs arresten van 30 oktober 1975 (zaak 23/75, Rey Soda, Jurispr. 1975, blz. 1279) en 19 oktober 1977 (zaken 117/76 en 16/77, Albert Ruckdeschel & Co. en Hansa-Lagerhaus Ströh & Co. t. Hauptzollamt Hamburg-St. Annen en Diamalt AG t. Hauptzollamt Itzehoe, Jurispr. 1977, blz. 1753; en 124/76, S.A. Moulins et Huileries de Pont-à-Mousson, Jurispr. 1977, blz. 1795). Het Hof heeft in de beide laatstgenoemde arresten kennelijk naar analogie van artikel 176, eerste alinea, EEG-Verdrag, voor recht verklaard dat het aan de inzake het gemeenschappelijk landbouwbeleid bevoegde instellingen staat, de nodige maatregelen te treffen om de in het kader van een prejudiciële procedure vastgestelde onverenigbaarheid van een verordening met hoger gemeenschapsrecht op te heffen. In het arrest-Rey Soda werd bovendien duidelijk dat het in de eerste plaats aan de nationale instanties staat om in hun eigen rechtsorde de consequenties te trekken uit een aldus in het kader van artikel 177 EEG-Verdrag vastgestelde ongeldigheid.
Een verdere aanwijzing dat in het kader van artikel 177 EEG-Verdrag gewezen arresten ten aanzien van hun werking moeten worden gelijkgesteld met arresten waarin de nietigheid van een rechtshandeling wordt vastgesteld kan tenslotte worden gevonden in het arrest van 13 februari 1979 (zaak 101/78, Granaria B.V., Jurispr. 1979, blz. 623). Daarin besliste het Hof dat alle rechtssubjecten van de Gemeenschap gehouden zijn de volle werking van een overeenkomstig het Verdrag ingevoerde verordening te erkennen, zolang zij niet door een bevoegde rechterlijke instantie ongeldig is verklaard. Blijkens de artikelen 173 en 184 EEG-Verdrag kan echter alleen het Hof van Justitie zich enerzijds over de rechtmatigheid van verordeningen en anderzijds krachtens artikel 177 over de geldigheid van verordeningen uitspreken. Daaruit volgt a contrario dat een verordening niet meer kan worden toegepast, zodra het Hof van Justitie in om het even welk soort procedure, haar ongeldigheid heeft vastgesteld.
Aan deze conclusie staat ook niet in de weg dat het Hof in de arresten van 3 februari 1977 (zaak 62/76, Jozef Strehl, Jurispr. 1977, blz. 211) en 20 oktober 1977 (zaak 32/77, Giuliani, Jurispr. 1977, blz. 1857) een nieuwe verwijzing inzake de geldigheid van een verordening ontvankelijk heeft verklaard, nadat het reeds bij arrest van 21 oktober 1975 (zaak 24/75, Teresa Petroni, Jurispr. 1975, blz. 1149) de ongeldigheid van bedoelde voorschriften had vastgesteld. Blijkbaar moet de ontvankelijkheid van een nieuwe verwijzing de nationale rechter die wegens onbekendheid met een desbetreffende prejudiciële beslissing of om andere redenen de geldigheid van een gemeenschapshandeling betwijfelt, de mogelijkheid bieden het Hof van Justitie om een prejudiciële beslissing te verzoeken. Dit sluit echter de bindende kracht niet uit, die een prejudiciële beslissing inzake de geldigheid van een gemeenschapshandeling tegenover alle nationale rechters heeft, wanneer deze het Hof van Justitie niet opnieuw om een prejudiciële beslissing verzoeken.
Bij deze stand van zaken behoeft niet meer te worden ingegaan op de tweede vraag, zodat ik u wil voorstellen op de eerste twee vragen te antwoorden dat de in het kader van artikel 177 EEG-Verdrag vastgestelde ongeldigheid van een gemeenschapsverordening alle nationale instanties bindt, behoudens bij een nieuwe verwijzing naar het Hof.
De derde vraag
In de derde plaats vraagt de rechter of, en eventueel binnen welke grenzen of termijnen, het gemeenschapsrecht de terugvordering van onverschuldigd betaalde bedragen toestaat, wanneer verordening nr. 563/76 van meet af aan ongeldig moet worden geacht. Deze vraag is begrijpelijk wanneer men weet dat volgens artikel 2033 van de Italiaanse Codice civile de terugvordering van een dergelijke betaling, ongeacht of deze inmiddels op anderen afgewenteld werd of niet, binnen een periode van tien jaar is toegestaan.
Verzoekster in het hoofdgeding verdedigt dan ook het standpunt dat uit de bestaande rechtspraak van het Hof inzake de terugvordering van onverschuldigd betaalde bedragen blijkt, dat in de huidige stand van het gemeenschapsrecht en bij gebreke van een gemeenschapsrechtelijke regeling inzake de betwisting of teruggave van ten onrechte geïnde belastingen, geschillen inzake teruggave vallen onder de competentie van de nationale rechterlijke instanties, die ze moeten beslechten volgens nationaal formeel en materieel recht. Zoals het Hof uitdrukkelijk heeft verklaard, moeten de hieruit voortvloeiende verschillen in behandeling van particulieren in de onderscheiden Lid-Staten op de koop toe worden genomen.
Daarentegen wijzen de Italiaanse regering, de Raad en de Commissie erop, dat volgens deze rechtspraak geschillen over de terugbetaling van onverschuldigd gedane betalingen slechts onder de bevoegdheid van de nationale rechterlijke instanties vallen en door deze overeenkomstig het nationale recht moeten worden beslist, voor zover het gemeenschapsrecht bedoelde materie niet rechtstreeks regelt. Voorwaarde voor de toepassing van het nationale recht is echter steeds, dat een recht op terugvordering op grond van het gemeenschapsrecht kan worden erkend. Aan deze voorwaarde is echter in casu niet voldaan, zoals blijkt uit de ongeldig verklaarde verordening nr. 563/76. Het afwentelen van door de aankoopverplichting veroorzaakte financiële lasten op de successieve kopers vloeide namelijk voort uit de verordening zelf en was een essentieel kenmerk van het hierin neergelegde stelsel. Wanneer de gemeenschapsregeling echter zelf uitdrukkelijk de afwenteling van de daarin voorgeschreven financiële lasten toestaat, sluit de structuur van de tussen de achtereenvolgende contractpartners overeengekomen rechtsverhouding juist elk recht op terugvordering van het onverschuldigd betaalde bedrag uit. Voorts moet in aanmerking worden genomen, dat het Hof van Justitie de schadevordering van de kopers van mengvoeders, op wie de financiële lasten zijn afgewenteld, heeft afgewezen.
Zou de „condictio indebiti” worden toegewezen, dan zou verzoekster in het hoofdgeding volgens de Italiaanse regering, de Raad en de Commissie worden bevoordeeld, zowel ten opzichte van haar concurrenten, die de verplichting tot aankoop van magere-melkpoeder wel zijn nagekomen, als tegenover hun rechtverkrijgenden, op wie de lasten waren afgewenteld en die niet door hun schadevordering waren vergoed. Daar verzoekster in het hoofdgeding bovendien geen nadeel heeft geleden, zou zij bovendien ongerechtvaardigd worden verrijkt. Gaat men er niet van uit dat het gemeenschapsrecht in die gevallen, waarin terugbetaling tot ongerechtvaardigde verrijking leidt en een ontelbaar aantal rechtsverhoudingen op losse schroeven zet, de terugvordering van onverschuldigd bedragen uitsluit, dan wordt in ernstige mate afbreuk gedaan aan het beginsel van de rechtszekerheid. In elk geval zou het Hof van Justitie, wanneer het de „condictio indebiti” in dergelijke gevallen niet van meet af aan wil uitsluiten, door overeenkomstige toepassing van artikel 174, lid 2, EEG-Verdrag, rekening moeten houden met de eisen van de billijkheid en rechtszekerheid. Het Hof moet ook in een later arrest nog de mogelijkheid hebben, de rechtsgevolgen van een voordien bij wege van prejudiciële beslissing vastgestelde ongeldigheid van de verordening alsnog naar tijd te beperken.
1.
Alle in het geding optredende partijen zijn het er blijkbaar over eens, dat bij de beoordeling rechtens van dit argument, moet worden uitgegaan van's Hofs rechtspraak met betrekking tot de vordering tot terugbetaling van onverschuldigd betaalde bedragen volgens welke geschillen inzake de terugbetaling van dergelijke betalingen tot de competentie van de nationale rechterlijke instanties behoren en door hen naar nationaal recht moeten worden beslecht, voor zover in het gemeenschapsrecht terzake geen regeling is getroffen. Hiertoe doet niet terzake of het gaat om nationale belastingen die wegens de onverenigbaarheid van de desbetreffende voorschriften met het gemeenschapsrecht ten onrechte zijn toegepast (zie hiertoe de arresten van 10 juli 1980 in de zaken 61/79, Denkavit italiana; 811/79, Ariete SpA; en 826/79) of om terugvordering c.q. teruggave van aan de Gemeenschap verschuldigde bedragen (zie hiertoe de arresten van 15 maart 1980 en 12 juni 1980 in de zaken 265/78, H. Ferwerda B.V., Jurispr. 1980, blz. 617; 66, 127 en 128/79, Meridionale Industria Salumi e.a.; en 119/79 en 126/79, Lippische Hauptgenossenschaft) of zoals in het arrest van 12 juni 1980 in zaak 130/79 (Express Dairy Foods Limited) om een communautaire heffing op grond van een later ongeldig verklaarde gemeenschapsrechtelijke verordening.
Uit genoemde arresten blijkt dat het Hof daarbij uitdrukkelijk op de koop toe heeft genomen dat de betwisting van onwettig geheven belastingen of teruggave van onverschuldigd betaalde bedragen in de afzonderlijke Lid-Staten en zelfs binnen een zelfde Lid-Staat, afhankelijk van de aard van de belastingen en heffingen, verschillend is geregeld. Het beperkt zich echter steeds tot de opmerking dat in het nationale recht niet mag worden gediscrimineerd ten opzichte van procedures, waarin over gelijksoortige, doch zuiver nationale geschillen wordt beslist, en dat de procedurevoorschriften er niet toe mogen leiden dat de uitoefening van door het gemeenschapsrecht toegekende rechten praktisch onmogelijk wordt gemaakt.
Deze verklaringen gelden ook voor de onderhavige zaak, waarin het, evenals in de zaak-Express Dairy Foods, gaat om de terugvordering van aan de Gemeenschap verschuldigde belastingen, die op grond van een ongeldig verklaarde gemeenschapsverordening ten onrechte zijn geheven. Wij moeten dus nagaan of, anders dan in laatstgenoemde zaak, in casu een bijzonder voorschrift of een algemeen beginsel van gemeenschapsrecht de toepassing van het in beginsel toepasselijke nationale recht belet, of dus het gemeenschapsrecht zich er niet tegen verzet dat een „condictio indebiti” wordt ingesteld, die dan volgens het nationale recht moet worden afgewikkeld.
2.
Naar mijn mening moet deze vraag om de volgende redenen bevestigend worden beantwoord. In de eerste plaats valt niet te ontkennen dat verordening nr. 563/76 inzake de verplichting tot aankoop van magere-melkpoeder ten doel had de omvang van de voorraden door gedwongen aankoop van mageremelkpoeder te verminderen. Ook het stellen van een waarborg was bedoeld om de nakoming van deze verplichtingen te waarborgen. Uit de considerans van de verordening blijkt dat de Commissie ervan uitging dat het doorwerken van de lasten van deze maatregelen op de successieve kopers van genoemde produkten het best beantwoordt aan de doelstellingen van de tot stand gebrachte regeling, mits die lasten op billijke wijze over alle betrokkenen worden verdeeld. Zodoende bepaalde artikel 5 van de verordening dat ook bij vòòr de dag van de inwerkingtreding van deze verordening gesloten overeenkomsten de lasten verbonden aan de in deze verordening vastgestelde regeling worden gedragen door de successieve kopers. De bepaling had dus ten doel te verhinderen dat de diervoederproducenten door de in de verordening neergelegde verplichting tot aankoop van magere-melkpoeder in het kader van de lopende overeenkomsten schade konden lijden. Dergelijke schade in de vorm van een verschil tussen de prijs van mageremelkpoeder en de lagere prijs die de producenten voor vervangende produkten betalen, of in de vorm van het verlies van de waarborgsom, zou echter in het kader van de lopende overeenkomsten zijn ontstaan, wanneer de verordening niet uitdrukkelijk de afwenteling van deze lasten op de kopers zou hebben voorzien.
Anderzijds wijst de Commissie er terecht op dat een dergelijke bepaling niet noodzakelijk was voor nà de inwerkingtreding van de verordening gesloten overeenkomsten, daar de uit de verordening voortvloeiende lasten zonder meer op de kopers konden worden afgewenteld. Een dergelijke afwenteling van uit de verordening voortvloeiende lasten op de kopers was — anders dan verzoekster in het hoofdgeding stelt — ook niet uitgesloten wegens de feitelijke marktsituatie, enerzijds omdat de vraag naar diervoeder van nature constant is en anderzijds omdat alle veevoederproducenten destijds dezelfde lasten hadden te dragen.
Anders dan verzoekster in het hoofdgeding meent, wordt de afwenteling van de lasten op de successieve kopers ook niet twijfelachtig of zelfs ongedaan gemaakt door het feit dat het Hof nadien in de zaken Bela-Mühle e. a. de ongeldigheid van de litigieuze verordening heeft vastgesteld. Wij weten immers uit het arrest in zaak 101/78 (Granaria BV), dat het wettigheidsbeginsel meebrengt dat alle rechtssubjecten van de Gemeenschap de volle werking van verordening nr. 563/76 moesten erkennen, zolang de ongeldigheid van die verordening niet dooreen bevoegde rechter was vastgesteld. Dat betekent echter dat verzoekster in het hoofdgeding restitutie vraagt van onverschuldigd gedane betalingen, die zij krachtens het destijds geldende en toepasselijke gemeenschapsrecht uiteindelijk niet behoefde te betalen. Op grond van deze rechtssituatie staat daarom principieel vast dat de gemeenschapsrechtelijke „condictio indebiti” zou leiden tot ongerechtvaardigde verrijking van verzoekster in het hoofdgeding.
3.
Zoals u weet, heeft het Hof zich echter reeds herhaaldelijk beziggehouden met de vraag, of ongerechtvaardigde betalingen moeten worden teruggegeven, wanneer de gelaedeerde handelaar de belastingen op zijn afnemers heeft afgewenteld. Reeds in het arrest van 17 februari 1980 in zaak 68/79 (Just, Jurispr. 1980, blz. 501) wees het Hof erop, dat de bescherming van de door de communautaire rechtsorde terzake gewaarborgde rechten niet vergt dat ten onrechte toegepaste belastingen worden terugbetaald in omstandigheden die zouden uitlopen op een ongerechtvaardigde verrijking van de rechthebbenden, en dat het gemeenschapsrecht zich er dan ook niet tegen verzet, dat de nationale rechterlijke instanties overeenkomstig hun nationaal recht rekening houden met het feit dat de ten onrechte toegepaste belastingen door de belastingplichtige onderneming in haar prijzen zijn verdisconteerd en zodoende op de afnemers van de litigieuze produkten konden worden afgewenteld.
Werd in dit arrest kennelijk rekening gehouden met de rechtssituatie in Denemarken, waar de rechterlijke instanties er rekening mee moeten houden dat ten onrechte betaalde heffingen op latere handelsfasen kunnen worden afgewenteld, toch heeft het Hof zijn opvatting ook later in de arresten Denkavit (61/79) en Express Dairy Foods (130/79) herhaald. In beide gevallen heeft het Hof voor recht verklaard dat de vordering tot terugbetaling van ten onrechte betaalde bedragen een aangelegenheid is van de betrokken nationale rechtsorde, die, wanneer ik mij niet vergis, het instellen van een „condictio indebiti” niet laat afhangen van een ongerechtvaardigde verrijking van de rechthebbende.
Daar in de zaak-Dairy Express Foods het gemeenschapsrecht geen afwenteling voorzag en dus niet vaststond of de rechthebbenden de kosten inderdaad hadden afgewenteld, heeft het Hof ook slechts overwogen dat het de nationale rechterlijke instanties „vrijstaat hiermee rekening te houden”. Omgekeerd moet echter worden gezegd dat wanneer, zoals in casu, het gemeenschapsrecht afwenteling op de successieve kopers toestaat, daarmee rekening moet worden gehouden, wanneer het tegendeel niet wordt bewezen.
4.
Een verder argument dat de uitsluiting van de „condictio indebiti” in het onderhavige geval lijkt te rechtvaardigen, kan tenslotte worden geput uit's Hofs rechtspraak inzake niet-contractuele aansprakelijkheid. Zo heeft het Hof met name in arrest Bayerische HNL Vermehrungsbetriebe e. a. (gevoegde zaken 83 en 94/76, 4, 15 en 40/77) onder meer beklemtoond dat op de gebieden die onder het economisch beleid van de Gemeenschap vallen, van de particulier kan worden gevergd dat hij binnen redelijke grenzen bepaalde voor zijn economische belangen schadelijke gevolgen van een normatieve handeling draagt, zonder uit de openbare middelen schadeloos te worden gesteld, zelfs indien de handeling ongeldig is verklaard. Deze formule kan ook worden toegepast op de „condictio indebiti”; daarom kan zonder meer worden aangenomen dat particulieren op de onder het economisch beleid van de Gemeenschap vallende gebieden uitsluiting van het recht op terugbetaling uit de openbare middelen aanvaarden, wanneer zij de belasting op grond van de gemeenschapsvoorschriften op de kopers kunnen afwentelen en niet bewijzen dat zij van deze mogelijkheid geen gebruik hebben gemaakt.
5.
Tenslotte eist ook het in het gemeenschapsrecht algemeen erkende beginsel van gelijke behandeling dat de „condictio indebiti” in casu wordt uitgesloten. Verordening nr. 563/76 had namelijk tengevolge dat handelaren die mageremelkpoeder hadden gekocht de daaruit voortvloeiende lasten konden afwentelen op de successieve kopers en zodoende de waarborgsom konden terugkrijgen. De ondernemingen die zich niet aan de aankoopverplichting hielden verloren weliswaar de waarborg, doch konden eveneens deze last op hun kopers afwentelen. Aangezien het bedrag van de waarborg, zoals wij hebben gehoord, ongeveer overeenkwam met de uit de aankoopverplichting voortvloeiende financiële last, kan worden gezegd dat het afwentelen op de successieve kopers uiteindelijk dezelfde gevolgen had. Zou nu de waarborg aan de diervoederproducenten worden terugbetaald, dan zou dit ertoe leiden dat deze worden bevoordeeld tegenover concurrenten die zich hebben gehouden aan de verplichte aankoop van magere-melkpoeder. Wie de verordening naleefde, zou niets ontvangen, terwijl degenen die de uit de verordening voortvloeiende verplichtingen slechts gedeeltelijk zijn nagekomen, de waarborg zouden terugkrijgen en aldus ongerechtvaardigd worden verrijkt ten opzichte van die concurrenten, voor wie het op grond van's Hofs arrest-Bayerische HNL onmogelijk is schadevergoeding te vorderen.
De onderhavige prejudiciële zaak moet voorts — zoals met name de Raad opmerkte — worden gezien in samenhang met de andere arresten die het Hof in verband met verordening nr. 563/76 heeft gewezen. Zoals u weet, heeft het Hof in de zaken Bayerische HNL en Granaria (101/78) de na de ongeldigverklaring van verordening nr. 563/76 ingestelde schadevorderingen om voornoemde redenen afgewezen. Enerzijds zou het onbillijk zijn de rechtverkrijgenden, op wie de uit genoemde verordening voortvloeiende lasten werden afgewenteld, schadevergoeding te weigeren en anderen, die deze lasten hebben doorgegeven, ongerechtvaardigd te verrijken. Anderzijds mag niet uit het oog worden verloren, dat de Italiaanse bedrijven op grond van het nationale recht gedurende een periode van tien jaren een vordering uit onverschuldigde betaling konden instellen, terwijl de door Granaria en Bayerische HNL terstond ingestelde schadevorderingen geen succes hadden.
6.
Daar uit deze overwegingen reeds blijkt dat de bedrijven die overeenkomstig verordening nr. 563/76 lasten op de successieve kopers hebben afgewenteld, aan de heersende beginselen van de communautaire rechtsorde geen aanspraak kunnen ontlenen op vergoeding van onverschuldigd gedane betalingen, behoeft naar ik meen niet meer uitvoerig te worden ingegaan op de daarnaast door de in het geding optredende partijen behandelde vraag of met de eisen van de billijkheid en de rechtszekerheid rekening moet worden gehouden door de gevolgen van de ongeldigheid der verordening, met overeenkomstige toepassing van artikel 174, tweede alinea, EEG-Verdrag, in de tijd te beperken.
De Italiaanse regering, de Raad en de Commissie zijn te dezen van mening dat het Hof, ook na de ongeldigverklaring van een verordening bij een latere gelegenheid zijn eerdere beslissing kan aanvullen en de omvang der ongeldigheid nader kan bepalen.
Uit een oogpunt van rechtszekerheid en op grond van's Hofs bestaande rechtspraak acht ik een dergelijke oplossing in casu niet mogelijk. Zoals het Hof namelijk reeds in de zaak-Defrenne heeft erkend, kan het zich slechts bij wijze van uitzondering, dat wil zeggen wanneer geen andere oplossing mogelijk lijkt, om de in dat arrest genoemde redenen gedwongen zien, voor alle betrokkenen de mogelijkheid te beperken om zich op een bepaalde uitlegging te beroepen met het doel een nieuwe uitspraak ten gronde uit te lokken. Die beperking moet echter — zoals in het arrest-Salumi e. a. nogmaals uitdrukkelijk werd vastgesteld — voorkomen in het arrest zelf waarin over het verzoek om uitlegging wordt beslist. Deze beperking moet — zoal niet a fortiori uit overwegingen van rechtszekerheid — om de in mijn betoog inzake de eerste twee vragen genoemde redenen ook gelden voor prejudiciële beslissingen waarin uitspraak wordt gedaan over de geldigheid van een handeling van een instelling. Daarom heeft het Hof ook in de arresten Société Coopérative „Providence agricole de la Champagne” (4/79), Maïserie de Beauce (109/79) en Roquette (145/79) bepaalde gemeenschapshandelingen ongeldig verklaard en tegelijk de gevolgen van deze uitspraak in de tijd beperkt.
7.
Bij deze stand van zaken behoeft ook niet meer te worden ingegaan op de met name door de Italiaanse regering behandelde vraag of de vordering tot terugbetaling van de bedragen die verzoekster in het hoofdgeding aan haar leveranciers heeft vergoed, moeten worden beschouwd als een vordering uit onverschuldigde betaling of dat hier in feite sprake is van een schadevergoeding, die alleen van de Gemeenschap en niet van de Lid-Staten kan worden gevorderd.
De vierde vraag
Met zijn vierde vraag wil de verwijzende rechter tenslotte vernemen of verzoekster aanspraak kan maken op uitvoerrestituties voor de. graanbestanddelen van het door haar tussen 4 augustus en 1 oktober 1976 uitgevoerde mengvoeder van tariefpost 23.07 B GDT. Dit mengvoeder bestond uit graan dat afkomstig was uit de Lid-Staten of zich daar in het vrije verkeer bevond, en uit plantaardige eiwithoudende produkten, ingevoerd in het kader van een veredelingsprocedure onder douanecontrole, bedoeld in artikel 10, lid 2, van verordening nr. 677/76 van de Commissie van 26 maart 1976 houdende uitvoeringsbepalingen betreffende verordening nr. 563/76 inzake de verplichting tot aankoop van magere-melkpoeder, (PB L 81 van 1976, blz. 23).
Volgens verzoekster in het hoofdgeding is het niet aanvaardbaar dat zij, die de in artikel 10, lid 2 van verordening nr. 677/76 bedoelde veredelingsprocedure onder douanecontrole heeft toegepast, op grond van artikel 8, lid 1, van verordening nr. 192/75 van de Commissie van 17 januari 1975 houdende uitvoeringsbepalingen inzake de restitutie bij uitvoer voor landbouwprodukten (PB L 25 van 1975, blz. 1), geen recht op restituties bij de uitvoer zou hebben, terwijl andere handelaren, die van de procedure van het actieve veredelingsverkeer geen gebruik hebben gemaakt, daarop wel recht hebben. De keuze tussen een tijdelijke invoer en het stellen van een waarborg is geregeld in de op verordening nr. 563/76 van de Raad gebaseerde uitvoeringsverordening nr. 677/76 van de Commissie, die wegens de ongeldigheid van de daaraan ten grondslag liggende verordening ook ongeldig moet worden geacht. Verzoekster heeft van de in artikel 10, lid 2, van verordening nr. 677/76 bedoelde veredelingsprocedure onder douanecontrole enkel gebruik gemaakt om zich te onttrekken aan de in de later ongeldig verklaarde verordening nr. 563/76 voorziene verplichting tot aankoop van magere-melkpoeder of tot het stellen van een waarborg. Daardoor is haar een vorm van invoer opgedrongen die volgens verweerster in het hoofdgeding meebrengt dat verzoekster de haar anders toekomende restitutie niet ontvangt. Aan het feit dat zij zich heeft willen onttrekken aan de gevolgen van een onwettige verordening, kunnen echter geen rechtsgevolgen worden verbonden.
Los van de vraag naar de geldigheid van verordening nr. 563/76 zou volgens verzoekster bij een juiste uitlegging van artikel 8, lid 1, van verordening nr. 192/75 in ieder geval een restitutie bij de uitvoer moeten worden betaald voor de uit de Gemeenschap afkomstige graanbestanddclen van het betrokken diervoeder. Dit volgt uit het doel van de restitutieregeling, namelijk het verschil tussen buiten en binnen de Gemeenschap geldende prijzen te overbruggen. Om dezelfde reden moet, zoals vooral uit artikel 16, lid 2, van verordening nr. 2727/75 en artikel 7, lid 1, van verordening nr. 2743/75, alsmede uit de verordeningen nrs. 1871/76 en 2372/76 kan worden afgeleid, bij een uit het vrije verkeer in de Gemeenschap afkomstig graanbestanddeel van meer dan 65 %, voor dit bestanddeel een partiële restitutie worden betaald, ongeacht of alle overige bestanddelen in de Gemeenschap in het vrije verkeer zijn gebracht, dan wel in het kader van een veredelingsprocedure onder douanecontrole zijn ingevoerd.
Ik meen echter dat dit betoog om verschillende redenen moet worden afgewezen. Zo weten wij sinds het arrest-Granaria (zaak 101/78) dat, zolang verordening nr. 563/76 niet overeenkomstig het EEG-Verdrag ongeldig was verklaard, de met haar uitvoering belaste nationale instanties gehouden waren, de volle werking daarvan te erkennen. Dit geldt vanzelfsprekend ook voor de ter uitvoering van bedoelde verordening vastgestelde verordening nr. 677/76 van de Commissie.
Verzoekster had daarom, zoals alle handelaren, de keuze het betrokken plantaardige diervoeder in de Gemeenschap in het vrije verkeer te brengen, dan wel het in het kader van het actieve veredelingsverkeer slechts tijdelijk in te voeren.
Krachtens artikel 3 van verordening nr. 563/76 moest voor het in het vrije verkeer brengen in de Gemeenschap een „eitwitcertificaat” worden overgelegd, waarvan de afgifte wederom afhankelijk was van het stellen van een waarborg of het overleggen van een bewijs van aankoop van magere-melkpoeder. Voor op die wijze in de Gemeenschap in het vrije verkeer gebrachte produkten had dan ook overeenkomstig artikel 8, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 192/75 een restitutie bij de uitvoer moeten worden toegekend.
Zoals u weet, heeft verzoekster echter, met het oog op haar bedrijfsrisico, verkozen gebruik te maken van de in artikel 10, lid 2, van verordening nr. 677/76 geboden mogelijkheid tot tijdelijke invoer van oliehoudende zaden uit derde landen onder de regeling van het actieve veredelingsverkeer, zodat zij de aan de aankoop van magere-melkpoeder of het verlies van de waarborgsom verbonden lasten niet behoefde te dragen. Wegens het nauwe verband tussen deze bij invoer ontstane lasten en de bij uitvoer toe te kennen restituties heeft dit dan ook ten gevolge, dat zij krachtens artikel 8, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 192/75 geen recht op restituties heeft. Dit verband blijkt vooral ook uit het feit dat — zoals de Commissie ons heeft medegedeeld — de restituties werden verhoogd nadat was gebleken dat de oorspronkelijke restitutiebedragen niet volstonden om het verlies van de waarborgsom te compenseren.
Anders dan verzoekster meent, wordt deze bepaling ook niet gewijzigd door artikel 8, lid 1, derde alinea, volgens hetwelk „bij de uitvoer van samengestelde produkten waarvoor een restitutie geldt die is vastgesteld voor één of meer bestanddelen daarvan, de op dit bestanddeel of deze bestanddelen betrekking hebbende restitutie wordt toegekend voor zover het bestanddeel of de bestanddelen waarvoor deze restitutie wordt aangevraagd zich bevindt of zich bevinden in één van de in artikel 9, lid 2, van het Verdrag bedoelde situaties”. Zoals wij van de Commissie hebben vernomen, heeft deze bepaling namelijk alleen betrekking op landbouwprodukten die in de vorm van niet in bijlage II bij het EEG-Verdrag genoemde waren worden uitgevoerd. Daar mengvoeders van post 23.07 B GDT niet onder deze categorie vallen, wordt de restitutie, ofschoon zij op grond van het bestanddeel aan graanprodukten wordt berekend, voor het produkt als geheel en niet voor de daarin voorkomende graanbestanddelen bepaald.
Verzoekster in het hoofdgeding is verder blijkbaar van mening dat de desbetreffende verordeningen van de Raad het de Commissie niet toestonden de restituties voor mengprodukten vast te stellen, zoals zij heeft gedaan. Ter weerlegging van dit argument volstaat het echter reeds erop te wijzen dat volgens de betrokken verordeningen van de Raad de Commissie bevoegd is, met inachtneming van de marktvoorwaarden te bepalen of al dan niet restituties zullen worden toegekend.
Dat in casu ook geen slechts tot de graanbestanddelen beperkt recht op restituties bij de uitvoer bestaat, moet, anders dan verzoekster meent, evenmin in strijd worden geacht met het gemeenschapsrechtelijk beginsel van gelijke behandeling. Hierbij moet namelijk in aanmerking worden genomen dat de handelaren die dergelijke oliehoudende zaden in de Gemeenschap in het vrije verkeer hadden gebracht en zodoende bij de uitvoer van de mengprodukten recht op restitutie hadden, ook de met het zogenoemde eiwitcertificaat samenhangende lasten moeten dragen, zonder dat zij een vordering tot terugbetaling kunnen instellen, tenzij zij kunnen aantonen dat zij deze lasten niet hebben afgewenteld.
Verzoekster, die restituties bij de uitvoer vordert voor diervoeder dat via de procedure van het actieve veredelingsverkeer is geproduceerd met tijdelijk uit derde landen ingevoerde oliehoudende zaden zou daarentegen boven haar concurrenten worden bevoordeeld, wanneer haar een dergelijke restitutie zou worden toegekend.
Tegen de door de Italiaanse autoriteiten gegeven uitlegging van artikel 8, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 192/75 kan dus ook om deze reden geen bezwaar worden gemaakt.
Ik concludeer mitsdien, dat u de gestelde vragen als volgt beantwoorde:
1.
Een in het kader van artikel 177 EEG-Verdrag vastgestelde ongeldigheid van een gemeenschapsverordening is, behoudens een nieuwe verwijzing naar het Hof, bindend voor alle nationale autoriteiten en rechterlijke instanties.
2.
Het gemeenschapsrecht staat eraan in de weg dat op grond van de ongeldig verklaarde verordening nr. 563/76 van de Raad van 15 maart 1976 gedane betalingen worden teruggevorderd, voor zover niet wordt aangetoond dat de betrokken financiële lasten niet op de successieve kopers zijn afgewenteld.
3.
Voor produkten van post 23.02 B van het gemeenschappelijk douanetarief die vòòr de ongeldigverklaring van deze verordening zijn verkregen uit plantaardige eiwithoudende produkten die in het kader van een douaneveredelingsprocedure van artikel 10, lid 2, van verordening nr. 677/76 van de Commissie van 26 maart 1976 slechts tijdelijk uit derde landen zijn ingevoerd en uit granen die zich in de Gemeenschap in het vrije verkeer bevinden, kunnen geen restituties bij de uitvoer worden toegekend.
( 1 ) Vertaald uit het Duits.
Full & Egal Universal Law Academy