CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL F. CAPOTORTI
VAN 3 DECEMBER 1980 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1.
Bij beschikking van 19 februari 1980 heeft het Tribunal d'instance du premier arrondissement te Parijs het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag gevraagd of de verordeningen „waarbij bij uitvoer van roquefort uit Frankrijk naar andere landen, zowel Lid-Staten als derde landen, monetair compenserende bedragen werden toegepast” rechtsgeldig zijn. Deze vraag is gerezen in het kader van een bij het Tribunal aanhangig geding, waarin een aantal producenten en exporteurs van roquefort van de Franse douane terugbetaling vorderen van de monetair compenserende bedragen die zij tussen maart 1976 en juni 1979 (het tijdvak waarin het stelsel van compenserende bedragen van toepassing was op roquefort) naar hun mening onverschuldigd hebben betaald. Voor een antwoord op deze vraag dienen de verordeningen waarbij de Commissie voornoemd stelsel op roquefort toepasselijk heeft verklaard, te worden getoetst aan verordening nr. 974/71 van de Raad van 12 mei 1971 betreffende bepaalde conjunctuurpolitieke maatregelen welke naar aanleiding van de tijdelijke verruiming van de fluctuatiemarges van de valuta's van sommige Lid-Staten dienen te worden genomen in de landbouwsector, dat wil zeggen de handeling waarbij het stelsel van monetair compenserende bedragen is ingevoerd en de toepassingsvoorwaarden zijn geregeld.
2.
Het lijkt mij nuttig eerst eraan te herinneren welke deze voorwaarden zijn. Ingevolge artikel 1, lid 2, van verordening nr. 974/71 kan de Commissie compenserende bedragen instellen voor produkten die onder de gemeenschappelijke ordening der landbouwmarkten vallen mits voor deze produkten in interventiemaatregelen is voorzien, dan wel hun prijs afhankelijk is van die van andere produkten waarvoor in interventiemaatregelen is voorzien (hierbij laat ik het geval terzijde van produkten die niet onder de gemeenschappelijke ordening der markten vallen, doch die het voorwerp zijn van een specifieke regeling krachtens artikel 235 EEG-Verdrag). Bovendien kan de Commissie van de haar verleende bevoegdheid enkel gebruik maken wanneer het produkten betreft waarvan het handelsverkeer door de valutaschommelingen is verstoord (artikel 1, lid 3, van verordening nr. 974/71, zoals gewijzigd bij verordening nr. 2746/72 van de Raad van 19 december 1972).
In de onderhavige zaak staat buiten kijf, dat roquefort evenals alle andere kaassoorten valt onder de gemeenschappelijke marktordening voor de sector melk en zuivelprodukten (artikel 1 van verordening nr. 804/68 van 27 juni 1968), en dat anderzijds voor dit produkt niet in interventiemaatregelen is voorzien. In geding zijn mitsdien de volgende punten: moet de prijs van roquefort worden beschouwd als afhankelijk van die van andere produkten waarvoor in interventiemaatregelen is voorzien, en hebben zich in 1976 ten gevolge van de schommelingen van de wisselkoers van de Franse frank verstoringen in de handel in roquefort voorgedaan.
3.
Met betrekking tot het eerste punt merkt de Commissie in de eerste plaats op dat, ook al zijn voor slechts twee kaassoorten, namelijk Grana padano en Parmigiano reggiano, interventieprijzen vastgesteld, alle soorten in het algemeen voordeel trekken uit de gemeenschappelijke zuivelmarktordening, aangezien zij worden beschermd door concrete maatregelen zoals heffingen bij invoer. Binnen de betrokken gemeenschappelijke marktordening constateert de Commissie een algemene afhankelijkheidsverhouding tussen de prijs van kaas en die van boter en melkpoeder, twee produkten waarvoor in interventiemaatregelen is voorzien. Een dergelijke verhouding bestaat volgens haar voor alle kaassoorten, ook voor uit schape- of geitemelk bereide kaas. Bovendien zijn roquefort en andere, uit koemelk bereide blauwe kaassoorten qua verkoopprijs afhankelijk van elkaar, aangezien de prijs van roquefort verandert met de wijzigingen van de prijs van de overige daarmee concurrerende blauwe kaassoorten.
Ten bewijze van de door haar gestelde algemene afhankelijkheidsverhouding herinnert de Commissie aan de opmerkingen van advocaat-generaal Roemer in zijn conclusie van 26 juni 1973 in zaak 5/73 (Balkan). Het ging toen over de vraag of de prijs van kaas (en met name van een Bulgaarse geitekaas waarop bij invoer compenserende bedragen waren toegepast) afhankelijk is van de interventieprijs voor boter en magere-melkpoeder. Advocaat-generaal Roemer stelde toen onder meer het volgende: „Ook al bestaat er geen nauw verband tussen de prijzen van kaas en genoemde interventieprijzen, dan is toch weinig aannemelijk dat ze geheel los van elkaar zouden staan. De interventieprijzen voor boter en magere-melkpoeder garanderen toch in elk geval een minimumprijsniveau voor kaas” (Jurispr. 1973, blz. 1130).
Het Hof volgde deze opvatting. In het arrest-Balkan van 24 oktober 1973 (Jurispr. 1973, blz. 1091, r.o. 39) erkende het Hof immers dat een prijsrelatie tussen kaas enerzijds en boter en mageremelkpoeder anderzijds, met name wat de drempelprijs betreft, wordt gelegd door's Raads verordeningen nr. 804/68 van 27 juni 1968 en nr. 823/68 van 28 juni 1968 houdende vaststelling van de produktengroepen en de bijzondere voorschriften betreffende de berekening van de heffingen in de sector melk en zuivelprodukten. Meer onlangs heeft het Hof nog eens de gelegenheid gehad het begrip afhankelijkheid in voornoemd artikel 1, lid 2, van verordening nr. 974/71, ruim uit te leggen. In zijn arrest van 3 mei 1978 (zaak 131/77, Milac, Jurispr. 1978, blz. 1041) overwoog het immers dat „de prijs van een produkt, dat onder de gemeenschappelijke marktordening valt, afhankelijk is van de prijs van een produkt waarvoor in het kader van de gemeenschappelijke ordening der landbouwmarkten is voorzien in interventiemaatregelen, indien eerstgenoemde prijs merkbaar schommelt onder de invloed van wijzigingen van laatstgenoemde prijs” (r.o. 5). Deze twee precedenten lijken mij beslissend.
De fabrikanten van roquefort betogen evenwel dat deze kaas, anders dan de eveneens uit schapemelk bereide kaas waarop het arrest-Balkan betrekking had, bijzondere kenmerken vertoont, waardoor hij aan de mededinging met andere kaas en aan de werking van de communautaire interventieregeling ontsnapt. Ook in het vonnis van de verwijzende rechter zelf is sprake van het bijzondere karakter van roquefort, waardoor het verdedigbaar zou zijn te twijfelen aan de geldigheid van de gemeenschapsverordeningen waarbij de betaling van monetair compenserende bedragen bij uitvoer werd vastgesteld.
Vaststaat dat roquefort van andere, gelijksoortige produkten verschilt omdat hij uit schapemelk is bereid; dit neemt evenwel niet weg dat hij behoort tot de categorie „blauwe” kaas (ook wel „geaderde kas” genoemd) en dat dit, vanuit het standpunt van de verbruiker gezien, het meest opvallende en wezenlijke kenmerk ervan is. Het is, dunkt mij, echter onjuist te stellen dat bedoeld produkt niet aan de mededinging bloot staat omdat het „uniek” zou zijn: in de ogen van de gemiddelde verbruiker is het smaakverschil tussen roquefort en andere blauwe kaas niet van dien aard, dat eerstgenoemde onvervangbaar is.
Wat de prijzen betreft, is het bekend dat roquefort, juist omdat hij uit schapemelk is bereid, van oudsher tenminste zo'n 30 % duurder is dan andere, uit koemelk bereide blauwe kaas. Doch van belang is hier enkel de bestendige verhouding tussen de prijs van beide produkten. Uit de door de Commissie verstrekte cijfers, die ten processe op generlei wijze zijn betwist, blijkt dat tussen 1974 en 1978 zowel de opwaartse als neerwaartse schommelingen in de prijs van roquefort, een parallel verloop te zien gaven met de prijs van vergelijkbare, uit koemelk bereide kaassoorten, gelijk de Franse „bleu des Causses” en „bleu d'Auvergne”.
De roquefortfabrikanten betoogden dat het prijspeil van schapemelk in Frankrijk aanmerkelijk hoger ligt dan dat van koemelk, en bepaald wordt door de produktie van roquefort, de belangrijkste afzet voor dit produkt. Als dit juist is, dan is het aannemelijk dat de prijsschommeling van roquefort wordt beïnvloed door andere factoren dan de prijs van schapemelk, en met name door de ontwikkeling op de markt van uit koemelk bereide blauwe kaas. Aangezien immers de produktie van roquefort veel geringer is dan die van andere, gelijksoortige, uit koemelk bereide kaas, moet worden aangenomen dat het de prijs van laatstgenoemde kaas is die de prijs van roquefort beïnvloedt, en niet omgekeerd.
Tenslotte moet nog worden opgemerkt dat roquefort, althans indirect, in gelijke mate als andere „blauwe” kaas uit de Gemeenschap profiteert van de bescherming die wordt geboden door het op alle geaderde kaas toepasselijke stelsel van heffingen.
Ik deel mitsdien de mening van de Commissie dat roquefort moet worden geacht op gelijke wijze als andere kaassoorten deel uit te maken van de gehele melk- en zuivelmarkt, en dat de prijs van roquefort een van de prijzen is die afhankelijk is van de prijs van produkten waarvoor in het kader van de gemeenschappelijke ordening van de zuivelmarkt in interventiemaatregelen is voorzien (boter en melkpoeder).
4.
Het tweede punt dat opheldering behoeft, is of er in 1976 tengevolge van de schommelingen in de wisselkoersen een gevaar voor verstoring van de handel in het betrokken produkt bestond. Men dient in dit verband vooral voor ogen te houden, dat het overeenkomstig artikel 6 van voornoemde verordening nr. 974/71 aan de Commissie staat, om volgens de zogenoemde beheerscomitéprocedure vast te stellen of er gevaar bestaat voor een dergelijke verstoring. Gelijk het Hof in het tweede arrest-Balkan (arrest van 22 januari 1976 in zaak 55/75, Jurispr. 1976, blz. 19, speciaal r.o. 8 en 11) heeft overwogen, hebben de Commissie en het beheerscomité, wanneer het om de beoordeling van een ingewikkelde economische situatie gaat, een ruime beoordelingsvrijheid. De rechter heeft zich bij de controle op de rechtmatige uitoefening van een dergelijke bevoegdheid te beperken tot de vraag of daarbij niet sprake is van een kennelijke dwaling of misbruik van bevoegdheid dan wel of dit gezagsorgaan de grenzen van zijn beoordelingsvrijheid niet klaarblijkelijk heeft overschreden (dit standpunt is nogmaals bevestigd in het arrest van 25 mei 1978 in zaak 136/77, Racke, Jurispr. 1978, blz. 1245). Meer bepaaldelijk overwoog het Hof dat de Commissie niet gehouden is om van geval tot geval en per produkt te beslissen of gevaar voor verstoring aanwezig is; het legde het bepaalde in artikel 1, lid 3, van voornoemde verordening nr. 974/71 aldus uit, dat de Commissie te dezen een globaal oordeel kan geven dat betrekking heeft op hele groepen produkten. Ook indien na de vaststelling van compenserende bedragen voor een bepaald produkt zou worden aangetoond dat de invoer of uitvoer daarvan geen verstoring van de handel in landbouwprodukten in de Gemeenschap kon veroorzaken, zou zulks niet betekenen dat de Commissie, toen zij aannam dat bij ontbreken van compenserende bedragen de handel in het betrokken produkt zou worden verstoord, ipso facto kennelijk heeft gedwaald of de grenzen van haar beoordelingsbevoegdheid kennelijk te buiten is gegaan (zie r.o. 11 van voornoemd arrest in zaak 55/75).
In zijn eerder geciteerde conclusie in de zaak-Balkan heeft advocaat-generaal Roemer de praktische overwegingen uiteengezet die voor deze opvatting pleiten. Hij merkte toen namelijk op, dat de Commissie niet kan worden geacht verplicht te zijn bij de vaststelling van monetair compenserende bedragen voor een bepaalde categorie van waren (kaas) de noodzaak van uitzonderingen voor elk afzonderlijk produkt in overweging te nemen, aangezien zulks bijzondere onderzoeken zou vergen en de taak van de administratie aanzienlijk zou verzwaren (Jurispr. 1973, blz. 1131). In hetzelfde verband voegde advocaat-generaal Roemer daaraan toe dat bij de vaststelling van compenserende bedragen door middel van een verordening van de Commissie „een juist beleid uitsluitend een summiere prognose van de toekomstige ontwikkeling van een groot aantal produkten vereist”. Tenslotte stelde hij nog dat een bijzondere behandeling van afzonderlijke produkten hoogstens ingevolge een concreet, deugdelijk gemotiveerd verzoek in overweging had kunnen worden genomen. Het Hof volgde deze opvatting en in rechtsoverweging 41 van voornoemd arrest van 24 oktober 1973 verklaarde het dat „gezien het feit dat het stelsel der compenserende bedragen noodzakelijkerwijs een forfaitair en algemeen karakter heeft, en de eis van een snelle aanpassing aan de voortdurende monetaire schommelingen, het aannemelijk is dat de Commissie slechts rekening heeft gehouden met verstoringen voor groepen produkten”.
In de onderhavige zaak kan uit de in de vroegere rechtspraak van het Hof neergelegde beginselen een duidelijke conclusie worden getrokken: aangezien ten tijde van de instelling van de litigieuze compenserende bedragen noch de belanghebbenden, noch een van de in het bevoegde beheerscomité vertegenwoordigde regeringen zich de moeite hebben getroost de aandacht van de Commissie te vestigen op de beweerde bijzondere positie van roquefort, of te verlangen dat dit produkt van de toepassing van de monetair compenserende bedragen zou worden uitgesloten, was de Commissie gerechtigd ook roquefort te onderwerpen aan de voor haast alle andere kaassoorten geldende gemeenschappelijke behandeling.
Deze algemene bevinding wordt nog bevestigd wanneer men de positie van elk van de belangrijkste soorten Franse blauwe kaas vanuit hun concurrentievermogen beziet. Men mag daarbij niet uit het oog verliezen dat in de onderhavige periode de in Frankrijk geldende monetair compenserende bedragen vrij hoog waren (ongeveer 18-20%). Naar de Commissie ons heeft meegedeeld, bedroeg anderzijds het prijsverschil tussen roquefort en zijn naaste concurrent, „bleu des Causses”, ongeveer 30 %. Een eventuele vrijstelling van roquefort van compenserende bedragen had mitsdien de betrokken fabrikanten in staat gesteld de prijs van hun produkt aanmerkelijk dichter bij die van de andere, minder gewaardeerde Franse blauwe kaassoorten te brengen, waardoor roquefort niet alleen op de Franse markt, doch ook op de exportmarkt in een bevoorrechte concurrentiepositie zou zijn gebracht. Dit zou de mededingingsvoorwaarden ernstig hebben vervalst, een nadelige uitwerking hebben gehad op het evenwicht in de handelsstromen in de betrokken landbouwprodukten, en de juiste werking van de gemeenschappelijke zuivelmarktordening in de sector geaderde kaas hebben verstoord.
5.
Wat ik zoeven heb gezegd, wordt niet weerlegd door het feit dat de Commissie bij verordening nr. 777 /79 van 20 april 1979, die op 4 juni daaropvolgende in werking trad, de compenserende bedragen voor roquefort heeft opgeheven. Deze maatregel past in het kader van het streven van de Commissie naar een geleidelijke afschaffing van de compenserende bedragen, iets waarop ook werd aangedrongen in twee vragen van een Europees parlementslid van 2 juni en 4 december 1978, en in een verzoek van de producenten van roquefort van 15 november van hetzelfde jaar. Daarbij werd vooral beklemtoond dat de export van roquefort naar de Verenigde Staten, het belangrijkste buitenlandse afzetgebied voor dit produkt, door de compenserende bedragen gevaar liep. De Commissie heeft er rekening mee gehouden, dat voor roquefort geen restituties bij uitvoer bestaan, en dat de twee Franse kaassoorten die roquefort het meest concurrentie aandoen, bijna niet naar de Amerikaanse markt worden uitgevoerd. Bovendien heeft zij in aanmerking genomen dat de compenserende bedragen op roquefort en zijn naaste concurrenten begin 1979 waren gedaald tot ongeveer 5 %, tegen 18-20 % in 1977 en 1978. De afschaffing van deze bedragen voor roquefort kon mitsdien geen gevaar van ernstige verstoring van het intracommunautaire handelsverkeer in geaderde kaas meer opleveren.
Tot afschaffing van de compenserende bedragen op roquefort werd mitsdien besloten op grond van latere beoordelingsgegevens. Men kan de Commissie dan ook geenszins verwijten dat zij een houding heeft aangenomen die strijdig is met haar eerder besluit deze bedragen op roquefort toe te passen ten tijde van de feiten die in het kader van het bij de Franse rechter aanhangige geding ter discussie staan.
6.
Op grond van deze overwegingen concludeer ik dat bij onderzoek van de vraag niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid kunnen aantasten van de verordeningen waarbij de Commissie voor het tijdvak van 25 maart -1976 tot 3 juni 1979 monetair compenserende bedragen heeft ingesteld voor roquefort. Ik geef het Hof mitsdien in overweging, de door het Tribunal d'instance du premier arrondissement te Parijs bij beschikking van 19 februari 1980 gestelde vraag in deze zin te beantwoorden.
( 1 ) Vertaald uit het Italiaans.
Full & Egal Universal Law Academy