CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL J.-P. WARNER
VAN 20 NOVEMBER 1980 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Deze zaak heeft betrekking op een verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Arbeidsrechtbank van Brussel.
De verzoeker in het bij de rechtbank aanhangig geschil is de heer Giuseppe Romano, een Italiaans staatsburger die in België woont. De verweerder is het Belgisch Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering („RIZIV”).
In deze procedure gaat het in feite om de vraag, wie van partijen een koersverlies moet dragen dat voortvloeit uit een waardevermindering van de Italiaanse lire tussen het ogenblik waarop een Italiaans pensioen aan de heer Romano verschuldigd werd, en het ogenblik waarop het werd uitbetaald.
De feiten zijn de volgende.
De heer Romano, geboren op 20 december 1910, werkte achtereenvolgens in Italië en in België. Op 29 augustus 1969 werd hij arbeidsongeschikt. Tengevolge daarvan kreeg hij krachtens de Belgische wet recht op een invaliditeitspensioen met ingang van 29 augustus 1970 tot 31 december 1975. Daarna kreeg hij in België recht op een rustpensioen.
Aan de heer Romano werd een volledig Belgisch invaliditeitspensioen uitbetaald. Het wordt niet betwist dat deze betalingen op voorschotbasis geschiedden in afwachting van de vaststelling van Romano's rechten in Italië. De raadsman van het RIZIV zette ter zitting uiteen, dat de heer Romano op dergelijke voorlopige uitkeringen recht had ingevolge artikel 45, lid 1 van Raadsverordening nr. 574/72, maar dat hij, ook zonder deze bepaling, er recht op zou hebben gehad ingevolge Belgisch recht.
Bij een besluit dat op 6 april 1976 aan het RIZIV werd gericht en dat werd aangevuld op 1 juli 1976, kende het bevoegde Italiaanse orgaan voor sociale zekerheid, het INPS, de heer Romano overeenkomstig de bepalingen van de verordeningen nrs. 1408/71 en 574/72 een invaliditeitspensioen toe met ingang van 1 september 1970. Het duurde echter nog meer dan een jaar totdat het INPS de eerste pensioenbetaling verrichte.
Intussen deelde het RIZIV op 24 september 1976 aan Romano de inhoud van het besluit van het INPS mee, alsook dat, overeenkomstig artikel 70, lid 2 van de Belgische wet van 9 augustus 1963 inzake ziekte- en invaliditeitsverzekering, zijn Belgisch pensioen zou worden verminderd met het bedrag van zijn Italiaans pensioen. Voorts schreef het RIZIV:
„Daar uw Belgisch verzekeringsorgaan in afwachting van het buitenlands besluit u de volledige dagvergoedingen (sic) op voorschotbasis heeft betaald, hebben wij het bedrag berekend dat u te veel is betaald (zie bijlage), en hebben wij het buitenlandse orgaan gevraagd de tot op 31 december 1975 verschenen termijnen van uitkeringen op onze rekening te storten.
Zo de overschrijving op onze rekening niet exact het bedrag zou dekken van de voorlopige uitkeringen, zullen wij uw verzekeringsorgaan opdragen om, in overleg met u, het verschil terug te vorderen. Zo er daarentegen een saldo te uwen gunste zou zijn, zal dit u door ons worden overgemaakt.”
Tussen partijen is niet betwist dat het bedrag van BFR 107848, dat blijkens de bijlage bij die brief „te veel” was betaald, was berekend op basis van de wisselkoers Belgische frank/lire van 1 januari 1975, i. e. BFR 0,05784 per lire.
Artikel 70, lid 2 van de Belgische wet van 9 augustus 1963, zoals gewijzigd in 1971, waarop het RIZIV zich beroept, luidt, voor zover hier van belang, als volgt:
„De in deze wet bedoelde prestaties worden slechts toegekend onder de door de Koning te bepalen voorwaarden als de schade waarvoor om die prestaties wordt verzocht door het gemeen recht of door een andere wetgeving is gedekt. In die gevallen worden de verzekeringsprestaties niet samen genoten met de schadeloosstelling voortvloeiende uit de andere wetgeving; ze zijn ten laste van de verzekering in zoverre voor de door die wetgeving gedekte schade niet werkelijk schadeloosstelling is verleend. In al de gevallen moet de rechthebbende sommen ontvangen welke ten minste gelijk zijn aan het bedrag van de verzekeringsprestaties. ...
De verzekeringsinstelling treedt rechtens ¡n de plaats van de rechthebbende.”
Het lijkt wel vast te staan dat de uitdrukking „een andere wetgeving” zowel op een andere Belgische wettelijke regeling als op buitenlandse wettelijke regelingen doelt.
De redenering waarmee het RIZIV haar keuze van de per 1 januari 1975 geldende wisselkoers tussen de lire en de Belgische frank rechtvaardigt of probeert te rechtvaardigen, is blijkbaar de volgende. Romano had recht op een Belgisch invaliditeispensioen krachtens de Belgische wet alleen. De tweede zin van artikel 12, lid 2, van verordening nr. 1408/71 was dan ook niet van toepassing. Gelet op uitspraken van het Hof in zaak 22/77 (Mura I, Jurispr. 1977, blz. 1699, r.o. 14) en in zaak 73/77 (Greco, Jurispr. 1977, blz. 1711, r.o. 10) moet mitsdien de eerste zin van artikel 12, lid 2, worden geacht van toepassing te zijn op artikel 70, lid 2, van de Belgische wet. Dit brengt de toepassing mee van artikel 107 van verordening nr. 574/72, zoals gewijzigd bij verordening nr. 2639/74 van de Raad, betreffende de omrekeningskoersen. En dit leidt dan weer tot toepassing van besluit 101 van de Administratieve commissie voor de sociale zekerheid van migrerende werknemers (PB C 44 van 1976, blz. 3), waarvan het vijfde lid luidt als volgt:
„Ten aanzien van pensioenen welke ingaan vóór 1 januari 1975 maar die op de datum waarop dit besluit in werking treedt [d.w.z. 1 maart 1976] nog niet waren vastgesteld, wordt de omrekeningskoers in aanmerking genomen welke geldt op 1 januari 1975.”
Op 7 oktober 1976 ging Romano bij de Arbeidsrechtbank van Brussel in beroep tegen de beschikking van het RIZIV, vervat in de brief van 24 september 1976. Hij ging ermee akkoord dat het bedrag van zijn Italiaans pensioen van zijn Belgisch pensioen zou worden afgetrokken, maar hij maakte bezwaren tegen de omrekeningskoers die door het RIZIV werd toegepast. Hij stelde dat het RIZIV aanspraak kon maken op het bedrag dat het INPS het zou betalen, maar niet meer en niet minder.
Op 29 juli 1977, en hangende het beroep, maakte het INPS de tot op 30 juni 1977 verschenen termijnen van Romano's Italiaans pensioen over aan het RIZIV, ofschoon, zoals men zich kan herinneren, het Belgisch invaliditeitspensioen, waarom het het RIZIV ging, maar tot op 31 december 1975 had gelopen. Deze overmaking, zo werd ons gezegd, werd door het INPS verricht overeenkomstig artikel 111 en bijlage 6 van verordening nr. 574/72. Omgerekend in Belgische franken, tegen de wisselkoers van de dag van betaling, dat wil zeggen BFR 0,040355 per lire, kwam dat neer op BFR 125491. Dit was BFR 17643 meer dan wat het RIZIV had gevorderd, en het RIZIV betaalde dit bedrag dan ook aan Romano. Deze BFR 17643 was echter minder dan dat gedeelte van het totale bedrag van BFR 125491, dat overeenkwam met Romano's Italiaanse pensioen over de periode van 1 januari 1976 tot 30 juni 1977. In feite kwam het er dus op neer dat het RIZIV Romano een deel van zijn pensioen over die periode onthield.
In het geschil voor de Arbeidsrechtbank wijzigde Romano zijn eis derhalve in die zin, dat hij van het RIZIV betaling vorderde van de tegenwaarde in Belgische franken, tegen de wisselkoers per 29 juli 1977, van hetgeen hem door het INPS was verschuldigd over de periode van 1 januari 1976 tot 30 juni 1977, verminderd met de BFR 17643 die hij reeds had ontvangen.
Voor de rechtbank stelde Romano onder meer, dat besluit 101 van de administratieve commissie onverenigbaar was met artikel 7 van verordening nr. 574/72. Dit is een lang en ingewikkeld artikel over de uitvoering van artikel 12 van verordening nr. 1408/71. Zoals men zich van eerdere zaken zal herinneren, heeft lid 1, sub a, ervan vooral betrekking op het geval waarin non-cumulatievoorschriften die in de wettelijke regelingen van verschillende Lid-Staten voorkomen, tegelijkertijd van toepassing zijn.
Het is in deze omstandigheden dat de rechtbank het Hof de vraag heeft voorgelegd, of besluit 101 wettig is, en zo ja, hoe het dan moet worden geïnterpreteerd „gelet op artikel 7 van verordening (EEG) nr. 574/72 waarin” — aldus de rechtbank — „in wezen wordt bepaald dat terugvorderingen de krachtens een andere wetgeving daadwerkelijk ontvangen uitkering niet te boven mogen gaan?”
Het RIZIV en de Commissie merken op dat artikel 7 van verordening nr. 574/72 niet van toepassing is. Ik stel voor dit punt even te laten rusten. (Met „Commissie” bedoel ik natuurlijk de Commissie van de Europese Gemeenschappen. Zoals gebruikelijk zal ik die verder eenvoudigheidshalve „de Commissie” noemen, ter onderscheiding van de administratieve commissie, de auteur van besluit 101).
De Commissie vraagt zich af, of enige bepaling van gemeenschapsrecht in de onderhavige zaak van belang kon zijn. Zij wijst erop, dat op de vordering Belgisch recht (artikel 70, lid 2, van de wet van 9 augustus 1963) van toepassing is, en meent dat dan ook de omvang van die vordering naar Belgisch recht moet worden bepaald.
Of dat zo is, hangt af van wat het Hof precies bedoelde met haar dicta in de eerder genoemde zaken Mura en Greco. In elk geval voor artikel 11, lid 2, van verordening nr. 3, de voorganger van artikel 12, lid 2, van verordening nr. 1408/71, staat vast dat de eerste zin van die bepaling alleen maar kan ingeroepen worden tegen iemand die aanspraak maakt op een uitkering krachtens gemeenschapsrecht, maar niet tegen iemand die een uitkering enkel krachtens nationaal recht verlangt — zie zaak 34/69 (Duffy, Jurispr. 1969, blz. 597) en zaak 83/77 (Naselli, Jurispr. 1978, blz. 683). In de zaken Mura en Greco kan het Hof onmogelijk hebben bedoeld dat de situatie onder artikel 12, lid 2, van verordening nr. 1408/71 anders ligt, want daarvoor is in principe geen enkele reden te vinden. In mijn conclusie in de zaak Naselli heb ik geprobeerd deze dicta te verklaren (Jurispr. 1978, blz. 695 en 704). Zij betekenden, zo meende ik, dat in een geval als dit het primaire effect van de toepassing van de eerste zin van artikel 11, lid 2, enkel was dat iets werd toegestaan; het was niet zo dat het gemeenschapsrecht in zo'n geval de toepassing van het nationale anti-cumulatievoorschrift verbood. Maar ik zag nog een secundair effect, namelijk dat wanneer in geval van concurrerende nationale anti-cumulatievoorschriften de eerste zin van artikel 11, lid 2, op die wijze werd toegepast, artikel 9, lid 1, van verordening nr. 4, overeenkomend met artikel 7, lid 1, sub a, van verordening nr. 574/72, een rol kon gaan spelen. Het is duidelijk dat in de zaak-Naselli niemand onderzocht heeft of een verder bijkomstig effect kon leiden tot de toepasselijkheid van de bepalingen van verordening nr. 4, overeenkomend met artikel 107 van verordening nr. 574/72. Voor zover het nodig zou zijn die vraag te beantwoorden, zou ik denken dat het antwoord moet worden gezocht in een bekend grondbeginsel: daar het hier gaat om een uitkering die enkel krachtens nationaal recht is verschuldigd, kan het gemeenschapsrecht niet tot gevolg hebben dat zij wordt verminderd.
Om de zaken nog ingewikkelder te maken, vertelde het RIZIV ons dat er in de periode toen er aan Romano een Belgisch invaliditeitspensioen werd betaald, geen Belgische wettelijke regeling bestond met betrekking tot omrekeningskoersen. Zo'n regeling werd pas ingevoerd bij Koninklijk Besluit van 2 juni 1976, dat op 1 juli 1976 van kracht werd. Daarom, zegt het RIZIV — zo begrijp ik het althans —, zo het gemeenschapsrecht al niet rechtstreeks van toepassing was, moet het naar analogie worden toegepast, om een leemte in het Belgisch recht op te vullen. Of het tot de taak van het Hof ingevolge artikel 177 van het Verdrag behoort, leemtes in het nationale recht op te vullen, bleef onbesproken.
Het lijkt mij evenwel niet nodig deze vragen geheel uit te diepen. Zo Romano's aanspraken onder louter Belgisch recht beneden zijn aanspraken op grond van artikel 46 van verordening nr. 1408/71 en de bijbehorende bepalingen blijven, zijn de laatste zijn minimumaanspraken. Dat blijkt uit de leer van dit Hof zoals die is neergelegd in zaak 98/77 (Schaap, Jurispr. 1978, blz. 707), zaak 105/77 (Boerboom-Kersjes, ibid., blz. 717) en zaak 236/78 (Mura II, Jurispr. 1979, blz. 1819). De rechtbank moet daarom onderzoeken welke Romano's aanspraken krachtens artikel 46 zijn. Zoals ter terechtzitting door het RIZIV werd opgemerkt, is het gewijzigde artikel 107 van verordening nr. 574/72 uitdrukkelijk evenzeer van toepassing in verband met artikel 46, lid 3, als in verband met artikel 12, lid 2. Hieruit volgt dat de door de rechtbank aan het Hof gestelde vraag tenminste in zoverre relevant is.
Laten wij thans deze vraag eens bezien.
Zij werpt al meteen een punt van constitutionele aard op, namelijk of het wel in overeenstemming was met het Verdrag dat de Raad de administratieve commissie een wetgevende bevoegdheid heeft toegekend. Die vraag moet worden gesteld omdat de administratieve commissie bij de vaststelling van besluit 101 handelde of pretendeerde te handelen krachtens artikel 107, lid 4, van verordening nr. 574/72, zoais gewijzigd bij verordening nr. 2639/74, dat luidt als volgt:
„De administratieve commissie stelt op voorstel van de rekencommissie vast welke datum in aanmerking moet worden genomen voor de vaststelling van omrekeningskoersen die moeten worden toegepast...”
De administratieve commissie is niet ingesteld door het Verdrag, doch bij artikel 80 van verordening nr. 1408/71, dat bepaalt dat zij „bij de Commissie van de Europese Gemeenschappen is ingesteld”, dat zij „is samengesteld uit een regeringsvertegenwoordiger van elk der Lid-Staten die eventueel door technische adviseurs worden bijgestaan”, dat „een vertegenwoordiger van de Commissie ... met raadgevende stem (deelneemt) aan de vergaderingen”, en dat het secretariaat wordt waargenomen door de diensten van de Commissie. Artikel 81 omschrijft haar taak als volgt:
„a)
alle vraagstukken van administratieve of interpretatieve aard, voortvloeiende uit de bepalingen van deze verordening en van latere verordeningen of van enige overeenkomst of regeling welke in het kader daarvan tot stand zal komen, te behandelen, onverminderd het recht der betrokken autoriteiten, organen en personen om gebruik te maken van de rechtsmiddelen, en zich te wenden tot de rechterlijke instanties bedoeld bij de wetgevingen van de Lid-Staten, bij deze verordening en bij het Verdrag;
b)
op verzoek van de bevoegde autoriteiten, organen en rechterlijke instanties van de Lid-Staten, alle stukken te doen vertalen welke betrekking hebben op de uitvoering van deze verordening, en met name de vertaling van verzoekschriften ingediend door personen op wie deze verordening van toepassing kan zijn;
c)
de samenwerking tussen de Lid-Staten op het gebied van de sociale zekerheid te bevorderen en tot verdere ontwikkeling te brengen, in het bijzonder door het nemen van het gemeenschappelijk belang dienende maatregelen op het terrein van de gezondheidszorg en op sociaal terrein;
d)
de samenwerking tussen de Lid-Staten te bevorderen en tot verdere ontwikkeling te brengen ten einde, gezien de technische ontwikkelingen op administratief gebied, de toekenning van uitkeringen welke bij invaliditeit, ouderdom en overlijden (pensioenen) ter uitvoering van deze verordening verschuldigd zijn, te bespoedigen;
e)
gegevens te verzamelen waarmede rekening dient te worden gehouden bij het opmaken van de rekeningen betreffende de lasten welke de organen van de Lid-Staten krachtens deze verordening moeten dragen en de jaarlijkse afrekening tussen deze organen te stellen;
f)
alle overige werkzaamheden te verrichten welke tot haar bevoegdheid behoren krachtens deze verordening en latere verordeningen of krachtens enige overeenkomst of regeling welke in het kader daarvan tot stand zal komen;
g)
aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen voorstellen te doen voor de uitwerking van latere verordeningen en voor een herziening van deze verordening en latere verordeningen.”
De bevoegdheid die bij artikel 107, lid 4, van de gewijzigde verordening nr. 574/72 aan de administratieve commissie is toegekend, is door de Raad waarschijnlijk gezien als een bevoegdheid als bedoeld onder f. Dit behoeft echter niet te betekenen dat die bevoegdheidsverlening, tenminste voor zover het daarbij om een wetgevende bevoegdheid ging, geldig was.
Overeenkomstig het laatste lid van artikel 155 van het Verdrag kan de Raad wetgevende bevoegdheden aan de Commissie toekennen. In het Verdrag staat evenwel niets waaruit men zou kunnen afleiden dat de Raad wetgevende bevoegdheid mag delegeren aan een lichaam als de administratieve commissie. Bovendien verklaart artikel 173 van het Verdrag het Hof bevoegd om de wettigheid van handelingen van de Raad en van de Commissie na te gaan, terwijl artikel 177 het de bevoegdheid toekent om uitspraak te doen over de geldigheid en de uitlegging van de door de instellingen verrichte handelingen. De administratieve commissie is geen instelling van de Gemeenschap in de zin van artikel 4 en deel V van het Verdrag. Dit Hof zou zich dus, tenzij indirect, niet kunnen uitspreken over de wettigheid van een handeling van de administratieve commissie, en bijgevolg ook niet bevoegd zijn om rechtstreeks antwoord te geven op de vraag die in casu door de Rechtbank is gesteld. De gedachte dat er in de Gemeenschap een administratief lichaam zou kunnen worden ingesteld dat bindende besluiten zou kunnen nemen die echter niet aan het toezicht van het Hof zouden zijn onderworpen, is voor mij onverenigbaar met de opzet van het Verdrag. Evenmin lijkt mij de idee van een administratief lichaam waarvan de besluiten niet aan de rechterlijke controle onderworpen zijn, verenigbaar met de constitutionele beginselen, die in alle Lid-Staten en in ieder ander beschaafd land gelden.
Ook zonder rechtspraak om op terug te vallen, zou ik daarom menen dat de Raad niet bevoegd was wetgevende bevoegdheid toe te kennen aan de administratieve commissie. Er bestaat echter voldoende rechtspraak in deze materie.
In zaak 19/67 (Van der Vecht, Jurispr. 1967, blz. 432) had het Hof uitspraak te doen over een besluit van wat strikt gezien kan worden beschouwd als de voorganger van de administratieve commissie, namelijk het overeenkomstige lichaam ingesteld krachtens verordening nr. 3. Het ging in de zaak slechts om een interpretatief besluit van dat lichaam, genomen krachtens artikel 43, sub a, van verordening nr. 3 — overeenkomend met artikel 81, sub a, van verordening nr. 1408/71. Het Hof vond het niet moeilijk om te beslissen dat die bepaling het gevolg had dat erin omschreven stond, namelijk dat een besluit als daarin bedoeld „het recht der betrokken autoriteiten, organen en personen om gebruik te maken van de rechtsmiddelen en zich tot de rechterlijke autoriteiten, bedoeld in de wettelijke regelingen van de Lid-Staten in deze verordening en het Verdrag” onverlet liet. Het Hof voegde er aan toe, dat een andere uitleg van artikel 43, sub a, onverenigbaar zou zijn met het Verdrag en met name met artikel 177 daarvan, „hetwelk” — aldus het Hof — „een rechtsgang voorziet ter verzekering van de uniforme rechterlijke uitlegging der communautaire rechtsregelen.” Aanvaarden dat de administratieve commissie de bevoegdheid zou hebben om communautaire rechtsregels af te kondigen, zou met dat arrest moeilijk te verenigen zijn.
Andere relevante zaken zijn 25/70 (Koster, Jurispr. 1970, blz. 1161) en 30/70 (Scheer, ibid. blz. 1197). In deze zaken had het Hof zich uit te spreken over de vraag of de „procedure van het Comité van beheer”, ingesteld bij verordeningen van de Raad, houdende totstandbrenging van gemeenschappelijke marktordeningen, verenigbaar was met de bepalingen van het Verdrag. Het Hof beantwoordde deze vraag bevestigend, omdat het Comité van beheer, alles welbeschouwd, in die procedure een zuiver adviserende functie had. De eigenlijke wetgevende bevoegdheid berustte bij de Commissie dan wel bij de Raad. Er was dus geen inbreuk op artikel 155, en evenmin werd 's Hofs bevoegdheid ingevolge de artikelen 173 en 177 aangetast. Het zou ook met deze arresten onverenigbaar zijn indien men aanvaardde dat de Raad aan een lichaam als de administratieve commissie wetgevende bevoegdheid zou kunnen verlenen.
Dienvolgens ben ik van mening, dat artikel 107, lid 4, van verordening nr. 574/72, zoals gewijzigd bij verordening nr. 2639/74, nietig is, zodat besluit 101, dat pretendeert krachtens die verordening te zijn vastgesteld, geen rechtsgevolg heeft.
Het staat aan u te beslissen of een uitspraak in die zin eigenlijk wel binnen de bevoegdheid van een kamer van het Hof valt, dan wel of u krachtens artikel 95, paragraaf 4 van het Reglement voor de procesvoering, de vraag naar het voltallige Hof dient te verwijzen. Mijns inziens ligt de zaak echter zo duidelijk dat een verwijzing niet nodig is.
Maar hiermee is de zaak niet afgedaan.
Ervan uitgaand dat besluit 101 geen rechtsgevolg kan hebben, merkte de Commissie op dat het eventueel kon worden beschouwd als een gezamenlijk door de Lid-Staten genomen administratieve beslissing om een lacune in de wetgeving aan te vullen. De Commissie maakte evenwel onderscheid tussen een normaal geval, waar een orgaan van sociale zekerheid in één Lid-Staat vooraf het bedrag van de uitkeringen moest bepalen waarop een particulier recht heeft, en een geval zoals in de onderhavige zaak, waarin een orgaan probeert te veel betaalde uitkeringen terug te vorderen. In een zaak van de eerste categorie, aldus de Commissie, moet, indien voor de berekening rekening moet worden gehouden met een bedrag waarop de begunstigde in een andere Lid-Staat recht heeft en waarop een omrekeningskoers moet worden toegepast, het niet noodzakelijk de omrekeningskoers zijn die geldt op het ogenblik waarop een termijn van de uitkering verschijnt. Wanneer het evenwel, zoals in het onderhavige geval, gaat om een correctie achteraf, is er geen reden uit te gaan van de wisselkoers waartegen het van de andere Lid-Staat ontvangen bedrag in feite is geconverteerd.
Het lijkt mij in casu niet nodig in te gaan op de vraag of de Commissie gelijk heeft ten aanzien van wat zij een normale zaak noemt. Het is duidelijk dat zij gelijk heeft wanneer zij stelt dat er in de onderhavige zaak geen reden was een kunstmatige wisselkoers te hanteren. Het INPS kwam eerst tot een beslissing toen Romano al geen Belgisch invaliditeitspensioen meer ontving. Het RIZIV had dan ook geen reden om het terug te vorderen bedrag te berekenen voordat het de overeenkomstige betaling van het INPS had ontvangen. En toen die betaling eenmaal was ontvangen, was er geen reden ze voor meer of minder dan haar actuele waarde in aanmerking te nemen.
Dit volstaat mijns inziens om de vraag van de Arbeidsrechtbank te beantwoorden, zonder in te gaan op de relevantie van artikel 7 van verordening nr. 574/72. Ik ben het echter eens met het RIZIV en de Commissie, dat deze bepaling eigenlijk niet terzake is. Wat wel terzake is, is het fundamentele beginsel vastgesteld in artikel 51 van het Verdrag en in tal van arresten van het Hof, namelijk dat in de mate van het mogelijke migrerende werknemers geen nadeel mogen ondervinden van het feit dat zij migrerend werknemer waren. Indien in casu Romano nooit in Italië werkzaam was geweest, had hij recht gehad op een volledig Belgisch invaliditeitspensioen. Het moge billijk zijn dat hij meer krijgt omdat hij in Italië heeft gewerkt, maar er is ook geen enkele geldige reden aangevoerd waarom hij minder zou krijgen.
Ik concludeer derhalve dat het Hof, in antwoord op de vraag van de Arbeidsrechtbank, voor recht verklare dat artikel 107, lid 4, van verordening nr. 574/72, zoals gewijzigd bij verordening nr. 2639/74, ongeldig is, met het gevolg dat geen krachtens dat artikel genomen besluit van de administratieve commissie voor de sociale zekerheid van migrerende werknemers rechtsgevolg heeft.
Volledigheidshalve wijs ik erop dat artikel 107 van verordening nr. 574/72 opnieuw is gewijzigd bij verordening nr. 2615/79 van de Raad van 28 november 1979. Daarbij werd lid 4, zoals vastgesteld bij verordening nr. 2639/74, gehandhaafd. Maar dit kan mijns inziens geen invloed hebben op de uitkomst in deze zaak.
( 1 ) Vertaald uit het Engels.
Full & Egal Universal Law Academy