CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL G. REISCHL
VAN 17 DECEMBER 1980 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
In de onderhavige prejudiciële zaak, die de Cour d'appel te Colmar het Hof bij interlocutoir vonnis van 30 november 1979 heeft voorgelegd, wordt een probleem opgeworpen dat grote gelijkenis vertoont met dat waarover het Hof zich onlangs — op verzoek van het Tribunal de Grande Instance te Straatsburg — in het arrest van 12 juni 1980 heeft uitgesproken (zaak 88/79), Grunert, Jurispr. 1980, blz. 1827).
Evenals Grunert wordt Kugelmann ervan beschuldigd, een produkt dat zich leent voor het vervalsen van voor menselijke voeding bestemde waren, te koop te hebben aangeboden of te hebben verkocht, zulks terwijl hij de bestemming ervan kende; dit levert een strafbare handeling op ingevolge de wet van 1 augustus 1905 inzake fraude en vervalsingen op het gebied van produkten of diensten, gelijk gewijzigd bij wet nr. 78/23 van 10 januari 1978. Het als „cocktail gelei” aangeduide produkt, dat als toevoegsel wordt gebruikt bij de bereiding van voor vleeswaren bestemde gelei, werd door Kugelmann — die evenals Grunert additieven voor vleeswaren vervaardigt en verkoopt — aan vleeswarenfabrikanten verkocht. Omdat het sorbinezuur bevat wordt het beschouwd als een produkt dat zich leent voor vervalsing van voor menselijke voeding bestemde waren.
Zoals advocaat-generaal Mayras in zijn conclusie in de zaak Grunert heeft opgemerkt, mag ingevolge artikel 1 van het decreet van 15 april 1912 ter uitvoering van de wet van 1905, gelijk gewijzigd bij decreet nr. 73-138 van 12 februari 1973, een voor menselijke voeding bestemde waar — zoals een additief voor vleeswaren — niet worden verkocht indien zij andere chemische stoffen bevat dan die waarvan het gebruik bij interministeriële beschikking is toegelaten. Maar voor sorbinezuur is evenmin als voor melkzuur en voor citroenzuur — waarom het in de zaak-Grunert ging — toestemming verleend voor het gebruik als additief voor vleeswaren. Derhalve is het gebruik voor dit doel in Frankrijk verboden.
Evenmin als Grunert betwist Kugelmann de hem verweten feiten. Hij betoogt echter evenals Grunert, dat de Lid-Staten krachtens richtlijn nr. 65/54 van de Raad van 5 november 1963 betreffende de aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten inzake conserveermiddelen die mogen worden gebruikt in voor menselijke voeding bestemde waren (PB 1964, blz. 161), weliswaar enkel de in de bijlage daarvan opgesomde conserveermiddelen — waarvan sorbinezuur in de eerste plaats wordt genoemd — mogen toestaan, doch dat zij geen wettelijke of bestuursrechtelijke maatregelen mogen vaststellen die tot gevolg hebben dat het gebruik in levensmiddelen van een in de bijlage genoemd conserveermiddel volledig wordt uitgesloten. Het uitdrukkelijk in de bijlage bij de richtlijn genoemde sorbinezuur zou mitsdien niet mogen worden uitgesloten van de stoffen die in Frankrijk als conserveermiddelen mogen worden gebruikt. Het gebruik ervan zou dan ook niet mogen leiden tot strafrechtelijke vervolging op grond van de wet van 1905.
De Cour d'appel te Colmar vraagt zich af of de Lid-Staten op grond van richtlijn nr. 64/54 gehouden zijn, in hun nationale wetgeving alle conserveermiddelen toe te staan die in levensmiddelen mogen worden gebruikt en in de richtlijn zijn genoemd, dan wel of zij enkel het gebruik van alle niet daarin genoemde stoffen dienen te verbieden. Met het oog op deze vraag betreffende de uitlegging van een gemeenschapsregeling heeft de verwijzende rechter de procedure geschorst en het Hof van Justitie krachtens artikel 177 EEG-Verdrag de volgende vraag gesteld:
„Vormt het feit dat een Lid-Staat van de EEG in zijn nationale wetgeving het gebruik verbiedt van een conserveermiddel in voor menselijke voeding bestemde waren, terwijl dat gebruik is toegestaan bij de richtlijn van de Raad van 5 november 1963, een inbreuk op het beginsel van de voorrang van het gemeenschapsrecht boven het nationale recht, waarop een particulier die ter zake van vervalsing van voedingswaren door middel van bedoeld conserveermiddel (sorbinezuur) wordt vervolgd, zich kan beroepen?”
I —
In voornoemd arrest van 12 juni 1980 in de zaak-Grunert heeft het Hof voor recht verklaard, dat de Lid-Staten ingevolge richtlijn nr. 64/54 van de Raad van 5 november 1963 gehouden zijn geen toestemming te geven voor het gebruik, in voor menselijke voeding bestemde waren, van conserveermiddelen die niet zijn vermeld in de bijlage van die richtlijn. Artikel 2, lid 2, van de richtlijn bepaalt evenwel dat de richtlijn niet van invloed is op de bepalingen van de nationale wettelijke regelingen, waarbij de levensmiddelen worden omschreven waaraan de in bijlage vermelde conserveermiddelen worden toegevoegd. De Lid-Staten zijn derhalve ingevolge richtlijn nr. 64/54 niet gehouden, het gebruik van de in de bijlage genoemde conserveermiddelen in alle levensmiddelen toe te staan. Doch in geen geval mag de aan de Lid-Staten gelaten vrijheid, het gebruik van deze stoffen te verbieden of toe te staan, tot gevolg hebben dat het gebruik in levensmiddelen van een op voornoemde lijst voorkomend conserveermiddel volledig wordt uitgesloten of dat elke verhandeling in een dergelijke stof wordt verhinderd.
Met betrekking tot het onderhavige produkt, sorbinezuur, kan derhalve evenmin als voor wat melk- en citroenzuur betreft, de Franse wetgeving worden betwist op grond dat zij inbreuk zou maken op deze verplichting. Immers blijkens de door de Franse regering en de Commissie verstrekte gegevens is het gebruik van sorbinezuur in Frankrijk toegelaten in onder meer de volgende levensmiddelen: kastanjes, gesuikerd fruit voor yoghurt, ingevroren suikerwaren.
II —
Met betrekking tot de rechtstreekse werking van de richtlijn heeft het Hof in het arrest in de zaak-Grunert voor recht verklaard dat de bepalingen van richtlijn nr. 64/54 voor de nationale rechter enkel kunnen worden ingeroepen voor zover zij de Lid-Staten niet toestaan, het gebruik van de in de bijlage genoemde conserveermiddelen in voor menselijke voeding bestemde waren volstrekt te verbieden en de verhandeling van een dergelijke stof volledig te verhinderen. De rechtstreekse werking die de richtlijn daarmee kreeg toegekend, is bijgevolg beperkt tot de gevallen waarin een Lid-Staat elk gebruik van een in de bijlage van de richtlijn genoemd conserveermiddel in voor menselijke voeding bestemde waren verbiedt of elke verhandeling van een dergelijke stof verhindert, behoudens wanneer er geen technologische noodzaak bestaat voor het gebruik van de stof in de op het grondgebied van de betrokken Lid-Staat voortgebrachte en geconsumeerde voedingsmiddelen (artikel 2, lid 2, tweede zin, van de richtlijn, zoals gewijzigd bij artikel 1, sub 1, van richtlijn nr. 67/427 van de Raad van 27 juni 1967, PB nr. 148 van 1967, blz. 1). Een particulier kan zich bijgevolg niet op de richtlijn beroepen, om een strafvervolging die is ingesteld op grond van met de betrokken richtlijn overeenstemmende nationale strafrechtelijke bepalingen, haar gond te ontnemen.
Concluderend geef ik het Hof mitsdien in overweging, de door de Cour d'appel te Colmar gestelde vraag te beantwoorden als volgt:
1.
Richtlijn nr. 64/54 van de Raad van 5 november 1963 houdt voor de Lid-Staten niet het verbod in, het gebruik van de in de bijlage daarvan genoemde conserveermiddelen in voor menselijke voeding bestemde waren te verbieden. De vrijheid van de Lid-Staten om het gebruik van de stoffen te verbieden of toe te staan mag er evenwel niet toe leiden, dat het gebruik van een van deze stoffen in levensmiddelen — behoudens wanneer hiertoe geen technologische noodzaak bestaat — geheel wordt uitgesloten of dat elke verhandeling van een dergelijke stof wordt verhinderd.
2.
De bepalingen ervan kunnen alleen in zoverre voor de nationale rechter geldend worden gemaakt, als zij de Lid-Staten verplichten, het gebruik van elk der in de bijlage genoemde conserveermiddelen in tenminste één levensmiddel naar keuze — behoudens wanneer hiertoe geen technologische noodzaak bestaat — toe te staan, en niet elke verhandeling van een dezer stoffen te verhinderen.
( 1 ) Vertaald uit het Duits.
Full & Egal Universal Law Academy