CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL G. REISCHL
VAN 12 MAART 1981 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
De prejudiciële procedure waarin ik vandaag conclusie neem, betreft een tariferingsprobleem.
De firma Dr. Ritter GmbH & Co. KG, te Keulen-Deutz, verzoekster in het hoofdgeding, verzocht op 24 april 1978 de Oberfinanzdirektion München overeenkomstig § 23 Zollgesetz van 14 juni 1961 om een bindend tariferingsadvies (verbindliche Zolltarifauskunft) voor een als „Voll-Hefe (flüssige Bierhefe)” omschreven produkt.
Volgens een later door de Zolltechnische Prüfungs- und Lehranstalt Hamburg opgesteld testrapport gaat het bij dit produkt om een in halve-literflessen verpakte vloeistof die na omroeren geelwit en troebel wordt, met een eigenaardige, zure smaak. Het bestaat uit 80,5 % inactief zuiver biergist, 3,9 % natuurlijk citrussap en een hoeveelheid water, overeenkomend met het natuurlijk watergehalte van biergist. Volgens verzoekster wordt het produkt vervaardigd door biergist met citrussap te verdunnen en vervolgens door verhitting houdbaar te maken. Op de verpakking staat vermeld dat het produkt een voedingssupplement is, tot behoud van het prestatievermogen en van een gezonde huid. Het moet driemaal daags worden ingenomen in een dosis van een tot twee eetlepels, dat wil zeggen circa 50-70 ml.
Nadat de Oberfinanzdirektion München het verzoek had doorgezonden aan de bevoegde Oberfinanzdirektion Hamburg, deelde deze laatste bij bindend tariferingsadvies van 14 juni 1978 het produkt in onder post 22.02 A van het gemeenschappelijk douanetarief (GDT), als alcoholvrije drank, geen melk of van melk afkomstige vetstoffen bevattend. Voor de produkten van deze post is een autonoom invoerrecht van 20 % en een conventioneel invoerrecht van 15 % verschuldigd.
Verzoekster diende op 28 juni 1978 een bezwaarschrift in tegen dit advies, aangezien zij meende dat het betrokken produkt viel onder post 21.06 B II van het GDT. Voor de produkten van deze post („natuurlijke gist, ook indien inactief, andere dan in tabletten, in brokken of in dergelijke vormen, dan wel in verpakkingen met een netto-inhoud per onmiddellijk verpakking van 1 kg of minder”) is een autonoom invoerrecht van 10 % en een conventioneel invoerrecht van 8 % verschuldigd.
Bij beschikking van 6 december 1978 verklaarde de Oberfinanzdirektion Hamburg dit bezwaarschrift ongegrond. Daarop wendde de firma zich tot het Bundesfinanzhof met het verzoek het produkt onder post 21.06 B II in te delen.
Het Bundesfinanzhof (VIIe Senat) heeft bij beschikking van 1 april 1980 besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof van Justitie krachtens artikel 177 EEG-Verdrag te verzoeken om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen :
„1.
Moet het begrip ‚andere alcoholvrije dranken’ in de zin van post 22.02 van het gemeenschappelijk douanetarief aldus worden uitgelegd, dat daaronder ook een produkt valt dat uit biergist, water en 3,9 % natuurlijk citrussap bestaat, dat vloeibaar en drinkbaar is en bestemd om ter bevordering van de gezondheid meerdere malen per dag in kleine hoeveelheden te worden ingenomen?
2.
Zo neen, moet post 21.06, gelezen in samenhang met punt 3b van de Algemene bepalingen voor de toepassing van de nomenclatuur van het gemeenschappelijk douanetarief worden uitgelegd in die zin; dat Hij bovenbedoeld produkt omvat?”
Ik zou hierover het volgende willen opmerken.
Blijkens de verwijzingsbeschikking is in het hoofdgeding de vraag gerezen, of een produkt als het onderhavige moet worden aangemerkt als een „alcoholvrije drank, geen melk of van melk afkomstige vetstoffen bevattend” in de zin van post 22.02 A, als „andere natuurlijke gist” in de zin van post 21.06 B II, dan wel als een „ander produkt voor menselijke consumptie, geen saccharose bevattend” in de zin van post 21.07 G I a van het GDT. Daar het antwoord op de gestelde vragen slechts uit de inhoud en de onderlinge afbakening van genoemde drie posten valt af te leiden, acht ik het zinvol te onderzoeken welke draagwijdte deze posten hebben.
Vooropgesteld moet echter worden — en daarover schijnen ook alle partijen het met elkaar eens te zijn — dat het betrokken produkt niet kan worden aangemerkt als een geneesmiddel in de zin van post 30.03. Hiertoe behoren immers, zoals uit de aantekeningen bij hoofdstuk 30 van het GDT blijkt, alleen produkten voor inwendig of uitwendig gebruik, die in de geneeskunde of diergeneeskunde voor therapeutische of profylactische doeleinden tegen ziekte worden gebruikt. Daarom wordt daar ook uitdrukkelijk bepaald dat „bovenstaande bepalingen niet gelden ten aanzien van voedingsmiddelen en dranken (zoals dieetvoeding, veredelde voedingsmiddelen, voedingsmiddelen voor diabetici, opwekkende dranken en mineraalwater) ...” Daarom wordt ook in de Nomenclatuur van de Internationale Douaneraad (hierna: ID R-Nomenclatuur) met betrekking tot dit hoofdstuk nogmaals uitdrukkelijk gesteld dat van deze post zijn uitgezonderd „voedingssupplementen” die vitaminen en minerale zouten bevatten en die bestemd zijn om het organisme gezond te houden, maar die geen aanwijzing bevatten betreffende het voorkomen of het behandelen van een ziekte. Deze produkten worden — volgens de IDR-Nomenclatuur — in de regel ingedeeld onder post 21.07 van het GOT.
Volgens verzoekster echter kan het betrokken produkt, gezien het grote en kenmerkende gistbestanddeel, slechts een gistprodukt zijn, waaraan met het oog op de verduurzaming en de verbetering van de smaak slechts een geringe hoeveelheid citrussap is toegevoegd. Gelet op de algemene bepalingen voor de toepassing van de nomenclatuur van het gemeenschappelijk douanetarief en op de rechtspraak van het Hof zou het produkt daarom onder post 21.06 B II moeten worden ingedeeld. Zou het produkt wegens de toevoeging van citrussap niet onder deze post vallen, dan ware het als een produkt voor menselijke consumptie in de zin van post 21.07 te beschouwen. Indeling onder post 22.02 zou niet mogelijk zijn, daar onder deze post alleen dranken vallen die als dorstlesser of genotmiddel dienen.
Al moet ik toegeven dat op het eerste gezicht — gelet op de typische smaak en het traditionele gebruik van het produkt als vitamine B-preparaat — er wel wat voor verzoeksters stelling pleit, toch ben ik met verweerster in het hoofdgeding, met de Commissie — die opmerkingen heeft gemaakt over de prejudiciële vragen — en ten slotte ook met het Bundesfinanzhof (Vile Senat) van mening, dat dit preparaat niet kan worden beschouwd als gist in de zin van post 21.06 BII van het GDT. Hierbij speelt een rol dat het basisprodukt biergist, naar wij hebben gehoord, een uit meerdere fasen bestaande bewerking ondergaat. Aan het uitgeperste biergist wordt water en citrussap toegevoegd en het geheel wordt ter verduurzaming verhit tot meer dan 60° C. De toevoeging van het vreemdsoortige bestanddeel „citrussap” (tot een gehalte van 3,9 %) moet daarbij volgens verzoekster in het hoofdgeding dienen als katalysator en stabilisator van de gistcellen en heeft bovendien ten doel daarin eventueel voorkomende gistgom en harsachtige hopbestanddelen te verwijderen. Voorts heeft deze toevoeging ten doel de natuurlijke smaak van de gist, die vele consumenten onaangenaam vinden, te verzachten. Door deze bewerking en door toevoeging van water ontstaat een produkt dat zonder de bovenomschreven behandeling niet op dezelfde wijze geschikt zou zijn voor menselijke consumptie en niet de consistentie zou hebben waardoor het in vloeibare vorm kan worden ingenomen. Het gaat dan niet meer — zoals verzoekster beweert — om biergist in de zin van het gemeenschappelijk douanetarief, die enkel is gepasteuriseerd, doch zoals verweerster in het hoofdgeding in haar afwijzende beschikking terecht heeft vastgesteld, er is met name door de toevoeging van citrussap een nieuw produkt ontstaan, concreet gezegd een bereiding („Lebensmittelzubereitung”) op basis van biergist. En zoals het Hof in zijn arrest van 23 maart 1972 heeft overwogen (zaak 36/71, Henck, Jurispr. 1972, blz. 187), is onder bereiding een bewerking van een produkt dan wel een menging met andere produkten te verstaan.
Op genoemd arrest kan echter geen beroep worden gedaan tot staving van verzoeksters redenering. Het Hof heeft weliswaar in deze zaak overwogen dat niet iedere bewerking wijziging brengt in de aard van het produkt en dat op basis van mais en sorgho bewerkte produkten daarom onder de posten 11.01 en 11.02 kunnen worden gebracht, wanneer na de bewerking de verhouding van de wezenlijke componenten van het basisprodukt in het bewerkte produkt niet belangrijk verschilt van het gehalte dezer componenten in het betrokken produkt in natuurlijke staat, doch deze vaststelling mag, gelijk de Commissie opmerkt, niet uit haar verband worden gelicht; zij moet worden gezien in samenhang met de bijzondere kenmerken van het produkt waarom het in die zaak ging — en zoals men zich zal herinneren, was het de vraag of dat produkt graan dan wel veevoeder was. De moeilijkheid in dat geval was dat niet met zekerheid aan de hand van objectief te toesten criteria kon worden gezegd of het een bewerkt dan wel een onbewerkt produkt was, zodat een andere beoordeling niet mogelijk was. In het onderhavige geval daarentegen kunnen de toevoeging van citrussap aan de gist en het effect daarvan duidelijk en objectief worden vastgesteld. Daarom gaat hier op hetgeen in genoemd arrest eveneens werd overwogen, namelijk dat „in het belang van de rechtszekerheid en van de werkzaamheden der administratie [de indeling van waren] in beginsel op grond van hun objectieve kenmerken geschiedt”.
Tegen indeling van het betrokken produkt onder „Lebensmittelzubereitungen” die hetzij direct hetzij na verdere verwerking als levensmiddelen worden gebruikt, valt ook niet in te brengen, gelijk verzoekster poogt te doen, dat dit produkt goeddeels uit een enkel basisprodukt bestaat, dat daardoor ook kenmerkend is voor de gerede waar. Hiervoor kan een hele reeks produkten als voorbeeld worden genoemd, die nagenoeg uitsluitend uit één stof bestaan en toch als „Lebensmittelzubereitungen” (produkten voor menselijke consumptie) in het gemeenschappelijk douanetarief zelf of in de IDR-Nomenclatuur worden genoemd.
Waar het betrokken produkt in principe een produkt voor menselijke consumptie is in de zin van het tarief, is het reeds onmogelijk het onder de bewoordingen van post 21.06 te brengen, die volgens punt 1 van de algemene bepalingen voor de toepassing van de nomenclatuur van het gemeenschappelijk douanetarief alleen bepalend zijn voor de indeling. De Commissie wijst er terecht op, dat er daardoor geen ruimte meer blijft voor toepassing van de punten 2b en 3b van deze algemene bepalingen, daar deze enkel een rol spelen wanneer binnen het door de tekst van de betrokken post gegeven kader meer posten in aanmerking komen. Dit wordt verduidelijkt door de IDR-toelichtingen op regel 2b, die op zijn beurt voorwaarde is voor de toepassing van regel 3b; daarin wordt namelijk gezegd dat de draagwijdte van de desbetreffende posten door deze regel niet zodanig wordt verruimd, dat daaronder ook goederen kunnen worden ingedeeld, die niet overeenkomstig het bepaalde in regel 1 aan de omschrijving van de posten beantwoorden. Dit is echter het geval — zo vervolgen de toelichtingen — indien toevoeging van andere stoffen of andere bestanddelen aan een goed dit goed zodanig van aard wijzigt, dat het niet meer het karakter heeft van een onder de betrokken post vallend goed.
Na deze vaststelling dienen wij nog na te gaan of, zoals verzoekster subsidiair stelt, het produkt moet worden ingedeeld onder post 21.07 of, als andere alcoholvrije drank, onder post 22.02 van het GDT, daar onder eerstgenoemde post alleen produkten voor menselijke consumptie vallen, voor zover zij elders genoemd noch elders onder begrepen zijn. Met andere woorden: post 21.07 komt niet in aanmerking, wanneer een dergelijk produkt een drank in de zin van post 22.02 vormt. Of de waar onder deze post valt, hang daarom, zoals het Bundesfinanzhof (Vile Senat) terecht opmerkt, af van de uitlegging van het in deze post gebruikte begrip „drank”.
Het valt wel niet te betwisten dat een produkt vloeibaar en onmiddellijk drinkbaar moet zijn om als drank te kunnen worden omschreven. De discussie tussen partijen betreft dan ook de vraag of een produkt met deze eigenschappen bovendien, zoals verzoekster meent, ook steeds en noodzakelijkerwijze een dorstlesser of genotmiddel moet zijn om als drank in de zin van het douanetarief te kunnen worden aangemerkt.
Heel in het algemeen kan al worden gezegd dat, zoals uit de woordenboeken van alle gemeenschapstalen blijkt, volgens het gewone spraakgebruik het criterium „dorst lessen” of „genotmiddel” niet noodzakelijk een element van het begrip „drank” respectievelijk van de overeenkomstige begrippen in de andere gemeenschapstalen is. Zo kan bij voorbeeld moeilijk worden gesteld dat gedistilleerd, waarvan men toch bezwaarlijk kan beweren dat het geen drank is, bestemd is om de dorst te lessen. Voorts vallen onder het begrip „drank” naar normaal spraakgebruik ook niet alleen genotmiddelen, doch ook vloeibare voedingsmiddelen zoals melk, chocolademelk, soepen, en dergelijke. Daarom worden dit begrip en de overeenkomstige termen in de andere gemeenschapstalen in de betreffende woordenboeken ook — vrijwel gelijkluidend — omschreven als vloeistof die wordt gedronken respectievelijk bestemd is om te worden gedronken.
Dat het begrip „drank” ook in de zin van het douanetarief slechts betrekking heeft op produkten die vloeibaar zijn, onmiddellijk drinkbaar en bestemd om te worden gedronken, kan voorts ook worden aangetoond aan de hand van de omschrijving der produkten in het GDT. Zo worden blijkens post 22.09 C tot de dranken in de zin van het GDT ook gerekend gedistilleerde dranken zoals rum, gin, whisky, enzovoort, die niet bestemd zijn om de dorst te lessen. Bovendien vallen ook vruchtesappen, die niet altijd enkel dorstlessers zijn, doch ook dienen ter bevordering van de gezondheid, in principe onder de dranken in de zin van het GDT. Dit blijkt in het bijzonder uit het feit dat zij uitdrukkelijk zijn uitgezonderd van post 22.02.
Ten slotte zij er ook aan herinnerd dat, zoals het Hof in zijn rechtspraak steeds opnieuw heeft beklemtoond, in het belang van de rechtszekerheid en de praktijk voor de indeling van waren in het GDT in het algemeen hun objectieve kenmerken en eigenschappen bepalend zijn. Kenmerken zoals dosering, smaak of bevordering van de gezondheid zijn echter, naar de Commissie terecht opmerkt, sterk afhankelijk van het subjectieve oordeel van de betrokken consument en daardoor in de praktijk moeilijk te hanteren.
Anders dan verzoekster in het hoofdgeding meent, is het dan ook terecht dat de toelichtingen op het douanetarief van de Europese Gemeenschappen — die weliswaar niet bindend zijn, doch niettemin als een belangrijk hulpmiddel bij de uitlegging daarvan zijn te beschouwen (laatstelijk's Hofs arrest van 26 februari 1980, zaak 54/79, Hako-Schuh, Jurispr. 1980, blz. 311) — voor de afbakening van de posten 21.07 en 22.02 ook rekening houden met het feit dat een voor menselijke consumptie bestemd produkt al dan niet onmiddellijk drinkbaar is. Zo wordt bij voorbeeld in de toelichtingen op het douanetarief voor de Europese Gemeenschappen bij post 21.07 bepaald, dat deze onderverdeling onder meer yoghurt omvat die als zodanig niet gereed is om als drank te worden gebruikt, terwijl vloeibare yoghurt, die als zodanig gereed is om als drank te worden gebruikt, onder de andere alcoholvrije dranken van post 22.02 is ingedeeld (toelichting bij post 21.07 en, daarmee corresponderend, toelichting bij post 22.02). Hetzelfde geldt voor opwekkende middelen (tonica), gereed voor onmiddellijk gebruik als drank (toelichtingen op het EG-tarief bij post 21.07, respectievelijk de rubriek „Algemeen” van de toelichtingen bij hoofdstuk 22).
Voor dit laatste produkt wordt bovendien uitdrukkelijk bevestigd dat de indeling in hoofdstuk 22 niet afhankelijk is van de hoeveelheden waarin het produkt wordt ingenomen; uitdrukkelijk wordt daar immers bepaald dat opwekkende middelen, gereed voor onmiddellijk gebruik als drank, zelfs indien zij slechts in kleine hoeveelheden (bij voorbeeld met een lepel) worden ingenomen, onder hoofdstuk 22 van het GDT moeten worden ingedeeld. En ook al is dit enkel uitdrukkelijk bepaald voor opwekkende middelen (tonica), toch moet dit ook gelden voor andere produkten die bestemd zijn ter bevordering van de gezondheid respectievelijk van het algemeen welzijn. Wanneer derhalve het litigieuze produkt onder post 22.02 kan worden ingedeeld, dan heeft deze post als de post met de meest specifieke omschrijving volgens punt 3a van de algemene bepalingen van het GDT voorrang boven post 21.07, die een meer algemene strekking heeft.
Om deze redenen, die een antwoord op de tweede vraag overbodig maken, kan ermee worden volstaan de eerste vraag van het Bundesfinanzhof (Vile Senat) te beantwoorden als volgt:
Het begrip „andere alcoholvrije dranken” in de zin van post 22.02 van het GDT moet aldus worden uitgelegd, dat het mede betrekking heeft op een produkt bestaande uit biergist, water en 3,9 % natuurlijk citrussap, dat vloeibaar en drinkbaar is en bestemd om ter bevordering van de gezondheid meerdere malen per dag in kleine hoeveelheden te worden ingenomen.
( 1 ) Vertaald uk het Duits.
Full & Egal Universal Law Academy