CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL
SIR GORDON SLYNN
VAN 7 MEI 1981 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Deze zaken, die door het Hof zijn gevoegd, zijn op 22 april 1980 door het Arbeidshof te Antwerpen (afdeling Hasselt) met het oog op een prejudiciële beslissing naar het Hof verwezen voor „interpretatie van artikel 51 van het EEG-Verdrag, en, in zoverre als nodig, van andere Verdragsartikelen en afgeleide voorschriften in verband met de in motieven uiteengezette vraagstelling.”
De feitelijke context waarin de kernvraag in deze zaken moet worden geplaatst, wordt in die motieven niet uiteengezet. Evenmin blijkt hij ten volle uit 's Hofs dossier. Bovendien bestaan er discrepanties tussen de feiten zoals die zijn weergegeven in bepaalde stukken waarover het Hof beschikt. Niettemin lijken zij, voor zover dit voor de zaak nodig is, voldoende duidelijk te kunnen worden samengevat als volgt.
Celestre, Dreilich en Bohnefeld hebben 27 of 28 jaar lang als mijnwerker in België gewerkt. Voor hun komst naar België hadden zij in verschillende hoedanigheden een aantal jaren gewerkt in een andere Lid-Staat: Celestre in Italië, de twee anderen in Duitsland. Ook de overleden echtgenoot van mevrouw Rydlakowski is 27 jaar lang mijnwerker geweest in België, nadat hij eerst in Duitsland had gewerkt. Wegens het werk dat de vier mannen in Italië respectievelijk Duitsland hadden verricht, ontvingen Celestre en Bohnefeld een rustpensioen, Dreilich een invaliditeitspensioen en mevrouw Rydlakowski een overlevingspensioen. Deze pensioenen werden betaald door de sociale-zekerheidsorganen in die landen. Wegens hun dienstjaren als mijnwerker maakten zij allen aanspraak op een volledig pensioen in België. Deze aanspraken werden verworpen door de pensioenorganen, die slechts een gedeeltelijk pensioen toekenden, doch erkend door de Arbeidsrechtbank waartoe zij zich hadden gewend. In hoger beroep voor het Arbeidshof stelde de Rijksdienst voor Werknemerspensioenen dat de verzoekers geen recht hadden op het rustpensioen waarop zij in België aanspraak maakten.
Strehl (zaak 121/80) is mijnwerker geweest in België. Hij had ook in Duitsland gewerkt. Van beide landen ontving hij een invaliditeitspensioen, waarvan het Duitse wel en het Belgische niet afhankelijk was van de duur der verzekeringstijdvakken. Toen beide pensioenen in 1974 werden herzien, wees het Nationaal Pensioenfonds voor Mijnwerkers Strehls aanspraak op een volledig Belgisch pensioen af. De zaak kwam voor de Arbeidsrechtbank te Hasselt, die het Hof een vraag stelde, 's Hofs arrest in deze zaak (62/76) is gepubliceerd in Jurispr. 1977, blz. 211. Na de verdere behandeling door de Arbeidsrechtbank werd Strehls vordering toegewezen, waarop het Pensioenfonds in hoger beroep ging bij het Arbeidshof.
De eerste vier zaken betreffen dus de vaststelling van rustpensioenen en kunnen tezamen worden behandeld, behoudens één punt waarop ik aan het eind van deze conclusie terugkom. De vijfde betreft de vaststelling van een invaliditeitspensioen, dat onder een aparte Belgische wettelijke regeling valt.
De rustpensioenen waarom het in de vier zaken gaat, worden geregeld in koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 (Belgisch Staatsblad 27 oktober 1967, blz. 11258). Kort samengevat voert koninklijk besluit nr. 50 een enkele regeling in voor rust- en overlevingspensioenen voor werknemers. Het bedrag van een rustpensioen wordt berekend op basis van een gedeelte van het werkelijke of vermoede inkomen van de werknemer in elk jaar van zijn loopbaan. Voor de meeste mannelijke werknemers duurt de loopbaan 45 jaar en eindigt zij op de pensioengerechtigde leeftijd van 65 jaar. Het pensioen wordt dus berekend als een breuk met als noemer 45 en als teller het aantal werkelijk vervulde arbeidsjaren. 45/45e is dan hat maximum voor de arbeidsjaren vervuld vóór de leeftijd van 65 jaar, hoewel blijkbaar een aanvullend pensioen kan worden verworven voor na het bereiken van die leeftijd vervulde arbeidsjaren.
In verband met de aard van het werk in de mijnen is de pensioengerechtigde leeftijd voor mijnwerkers 55 of 60 jaar, al naar gelang de mijnwerker onder- of bovengronds werkzaam was. Toch kan een mijnwerker overeenkomstig artikel 10, § 2, van het koninklijk besluit na 25 jaar mijnarbeid gepensioneerd worden op een volledig rustpensioen, berekend als een breuk van het aantal arbeidsjaren, doch met als noemer 30 in plaats van 45. Zo hij tenminste 25 jaar ondergronds heeft gewerkt, wordt hij geacht in totaal 30 arbeidsjaren te hebben vervuld en heeft hij recht op een volledig pensioen van 30/30e. De vermoede jaren — het verschil tussen 30 jaar en het aantal werkelijk gepresteerde jaren — worden geacht te zijn vervuld vóór 1955. Dit geschiedt blijkbaar opdat het „forfaitaire loon” (een vast bedrag toegekend voor elk arbeidsjaar) voor die vermoede jaren gelijk is aan het bedrag dat voor de jaren vóór 1955 moet worden toegekend.
Uit het verwijzingsarrest van het Arbeidshof en uit inlichtingen van partijen blijkt dat, om cumulatie te voorkomen wanneer iemand zowel in de mijnen als elders heeft gewerkt, de jaren als mijnwerker met 1,5 worden vermenigvuldigd waarna de twee cijfers worden opgeteld teneinde de teller te verkrijgen. Afgezien van arbeidsjaren na het 65e levensjaar, kan het pensioen niet meer bedragen dan 45/45e. Deze berekeningswijze, zo zegt men, is afgeleid uit het koninklijk besluit en met name uit artikel 10, hoewel zij daarin niet uitdrukkelijk schijnt te zijn opgenomen. Wanneer iemand buiten België werkzaam is geweest en voor die jaren een pensioen ontvangt krachtens de wetgeving van een andere Lid-Staat, trekken de Belgische pensioenorganen het betrokken aantal jaren af van de jaren boven de 25, die door artikel 10, § 2, van het koninklijk besluit worden beschouwd als jaren van tewerkstelling in de mijnen. Het is deze praktijk die aanleiding heeft gegeven tot de vorderingen in de eerste vier zaken. Zo heeft bijvoorbeeld Celestre 27 jaar gewerkt. Had hij niet in Italië gewerkt, dan zou er geen geschil zijn ontstaan over zijn recht op een volledig 30/30e pensioen. Zijn jaren van tewerkstelling in Italië worden geacht samen te vallen met de drie „vermoede” jaren, en deze drie vermoede jaren worden niet meegeteld, zodat zijn Belgisch pensioen wordt berekend op de grondslag van 27/30e. In de eerste vier gevallen komt men tot een gelijksoortig resultaat. Voor de Arbeidsrechtbank schijnen de pensioenorganen zich ter rechtvaardiging van deze vermindering te hebben beroepen op artikel 46 van verordening nr. 1408/71.
Het koninklijk besluit van 19 november 1970 (Belgisch Staatsblad 26 november 1970, blz. 12012) kent een invaliditeitspensioen toe aan mijnwerkers die hun werkzaamheid hebben beëindigd wegens een ziekte die arbeidsongeschiktheid tot gevolg had. De in casu relevante bepaling van de regeling is dat de betrokkene om voor dat pensioen in aanmerking te komen, tenminste 10 jaar in de mijnen moet hebben gewerkt. Het pensioenbedrag is niet afhankelijk van het exacte aantal arbeidsjaren. Artikel 23 bepaalt dat „het overeenkomstig dit besluit toegekende invaliditeitspensioen slechts met één of meerdere rust- of invaliditeitspensioenen gecumuleerd mag worden tot het beloop van het jaarlijkse bedrag van het in artikel 4 ... vastgestelde pensioen.”
In de zaak-Strehl vat het Arbeidshof het probleem samen als volgt: „Overwegende dat het in casu gaat om een mijnwerker die voorhoudt dat de Belgische en de buitenlandse uitkeringen inzake invaliditeitspensioen volledig moeten samengevoegd worden; dat het vonnis a quo de eis inwilligde; ... dat de vorige vraag aan het Hof van Justitie het gerezen probleem niet volledig heeft opgelost; dat het arrest van 3 februari 1977 van genoemd Hof voor recht verklaart dat artikel 46, lid 3, van verordening nr. 1408/71 onverenigbaar is met artikel 51 van het EEG-Verdrag voor zover het een samenvoegen van twee in verschillende Lid-Staten verkregen uitkeringen beperkt door verlaging van het bedrag van een uitsluitend onder de nationale wetgeving verkregen uitkering; dat evenwel in het nationale recht zelf een ontzegging van dubbeltelling van tijdvakken kan besloten liggen, wat hier het geval is, zodat de vraag van de weerslag van het verdragsrecht op deze eigen regeling nog te onderzoeken is.”
Partijen zijn het eens over bepaalde, voor de gestelde vraag relevante basisbeginselen inzake de benadering van het gemeenschapsrecht, die door het Hof zijn ontwikkeld: 1) gelijk in zaak 24/75 (Petroni, Jurispr. 1975, blz. 1149) werd overwogen, zou het doel der artikelen 48 tot en met 51 (EEG-Verdrag) niet worden bereikt indien de werknemers ten gevolge van de uitoefening van hun recht op vrij verkeer voordelen op het gebied van de sociale zekerheid zouden verliezen, welke hun in ieder geval reeds door de wettelijke regeling van een Lid-Staat zijn gewaarborgd; 2) behoudens uitdrukkelijke uitzondering in overeenstemming met de doelstellingen van het Verdrag, mogen de bepalingen van de verordeningen nrs. 1408/71 en 574/72 niet op dusdanige wijze worden toegepast, dat een alleen krachtens nationaal recht toegekende uitkering aan de migrerende werknemer wordt ontnomen of dat het bedrag ervan wordt verminderd (zie bijvoorbeeld het arrest van 9 juli 1980, zaak 807/79, Gravina, Jurispr. 1980, blz. 2205); 3) het gemeenschapsrecht staat niet in de weg aan de toepassing van nationale bepalingen tegen samenloop van verzekeringstijdvakken of cumulatie van sociale-zekerheidsuitkeringen in geval van alleen aan het nationale recht ontleende aanspraken (zie bijvoorbeeld de zaken 22/77, Mura I, en 33/77, Greco, Jurispr. 1977, blz. 1699 en 1711; zaak 98/77, Schaap, en zaak 105/77, Boerboom-Kersjes, Jurispr. 1978, blz. 707 en 717).
Derhalve moet in deze zaken eerst worden vastgesteld op welk bedrag aanspraak bestaat krachtens uitsluitend de Belgische wettelijke regeling in haar geheel beschouwd. Vervolgens moet worden vastgesteld op welk bedrag aanspraak bestaat krachtens de bepalingen van het gemeenschapsrecht. De betrokkene zal dan recht hebben op het voor hem gunstigste resultaat.
Wat het Belgische recht betreft, staan geen gemeenschapsbepalingen in de weg aan de toepassing door het Belgische orgaan van een voorschrift van Belgisch recht, op grond waarvan het een uitsluitend onder de Belgische regeling verkregen pensioen kan verminderen om samenloop of cumulatie met een andere uitkering van sociale zekerheid te voorkomen. Evenmin is er een bepaling van gemeenschapsrecht op grond waarvan het Belgische orgaan een dergelijke vermindering krachtens Belgisch recht zou moeten of mogen toepassen, wanneer zulk een bepaling in het Belgische recht zelf ontbreekt. Het staat natuurlijk aan de Belgische rechter om te beslissen of het Belgische recht dergelijke bepalingen bevat.
De vaststelling van de uitkering krachtens het gemeenschapsrecht draait om artikel 46, dat moet worden gelezen als een geheel (zie de aangehaalde zaken Schaap en Boerboom-Kersjes), behoudens andere bepalingen van gemeenschapsrecht die ter zake relevant zouden kunnen zijn.
In de onderhavige zaken bestaat er in België recht op uitkeringen zonder dat elders vervulde verzekeringstijdvakken in aanmerking moeten worden genomen. Het eerste wat nu volgens artikel 46, lid 1, moet worden gedaan, is het uitkeringsbedrag te bepalen dat overeenkomt met de totale duur van de tijdvakken van verzekering welke krachtens de toegepaste nationale wettelijke regeling in aanmerking moeten worden genomen. Op zichzelf beschouwd lijkt deze bepaling tot hetzelfde resultaat te leiden als de eerste berekening waarbij uitsluitend nationaal recht wordt toegepast. Maar ik geloof niet dat zo'n geïsoleerde lezing juist zou zijn. Men dient ook te letten op artikel 12, lid 2, van verordening nr. 1408/71, dat onder meer bepaalt:
„De bepalingen inzake vermindering ... waarin de wetgeving van een Lid-Staat voorziet ingeval van samenloop van een uitkering met andere uitkeringen van sociale zekerheid ..., zijn op de rechthebbenden van toepassing, zelfs indien het gaat om uitkeringen welke op grond van de wetgeving van een andere Lid-Staat zijn verkregen ... Deze regel is evenwel niet van toepassing indien de betrokkene gelijksoortige uitkeringen bij invaliditeit, ouderdom, overlijden (pensioenen) of beroepsziekte geniet, welke door de organen van twee of meer Lid-Staten overeenkomstig de artikelen 46, 50, 51 of 60, lid 1, sub b, worden vastgesteld.”
De betekenis hiervan voor de eerste berekening volgens artikel 46, lid 1, van de aanspraak krachtens nationaal recht, is mijns inziens dat nationale anti-cumulatiebepalingen buiten beschouwing moeten blijven. Dit geldt niet enkel, zoals men uiteraard zou kunnen stellen, voor de gevallen waarin de anti-cumulatiebepalingen cumulatie met buitenlandse uitkeringen niet uitdrukkelijk uitsluiten, doch voor alle gevallen.
De enige bepaling van Belgisch recht waarop een beroep wordt gedaan ter rechtvaardiging van de praktijk om de vermoede jaren af te trekken, is artikel 10, § 2, van koninklijk besluit nr. 50. Indien dit artikel, juist uitgelegd, die betekenis heeft, dan kan het bezwaarlijk iets anders zijn dan „een bepaling inzake vermindering in geval van samenloop van een uitkering met andere uitkeringen van sociale zekerheid” in de zin van artikel 12, lid 2, en moet het buiten beschouwing blijven. Is er geen wettelijke regeling die de vermindering van de uitkering in een dergelijk geval voorschrijft, dan moet bij artikel 46, lid 1, in elk geval worden uitgegaan van het volledige recht, zonder aftrek van de vermoede jaren.
De tweede stap onder artikel 46, lid 1, is dat het bevoegde orgaan het uitkeringsbedrag berekent dat zou worden verkregen bij toepassing van de regels van artikel 46, lid 2, sub a en b, te weten het theoretische bedrag van de uitkering indien alle verzekeringstijdvakken zouden zijn vervuld krachtens de wettelijke regeling in de Lid-Staat waaraan de werknemer onderworpen is geweest, aangepast naar verhouding van de duur van de tijdvakken van verzekering welke krachtens de door het betrokken orgaan toegepaste wettelijke regeling zijn vervuld, tot de totale duur van de tijdvakken van verzekering, welke krachtens de wettelijke regeling van alle Lid-Staten zijn vervuld („het werkelijke bedrag”).
Het hoogste van de twee bedragen (het nationale bedrag zonder rekening te houden met anti-cumulatiebepalingen, en het werkelijke bedrag) moet in aanmerking worden genomen. Aangezien de rustpensioenen en het invaliditeitspensioen voor het volle bedrag zijn verkregen krachtens uitsluitend het nationale recht overeenkomstig artikel 46, lid 1, eerste alinea, lijkt in de onderhavige gevallen geen beter resultaat te kunnen worden verkregen door toepassing van lid 2, sub a en b, overeenkomstig artikel 46, lid 1, tweede alinea.
Artikel 46, lid 3, bepaalt dat wanneer de betrokkene in verschillende Lid-Staten heeft gewerkt, hij recht heeft op de som van (a) het pensioen van artikel 46, lid 1, berekend door het orgaan van de Staat waar, zonder inachtneming van artikel 45, het recht op uitkeringen is vastgesteld, en (b) het pensioen of de pensioenen berekend door de organen van Lid-Staten onder wier wetgeving de voor het recht op uitkeringen gestelde voorwaarden slechts met inachtneming van artikel 45 zijn vervuld, en die zijn berekend krachtens artikel 46, lid 2, in zijn geheel. Het totale verschuldigde bedrag kan echter nooit hoger zijn dan het hoogste theoretische bedrag dat had kunnen worden bereikt indien alle verzekeringstijdvakken zouden zijn vervuld krachtens de wettelijke regeling van elk der betrokken Lid-Staten. Indien het totaal dit hoogste theoretische plafond overschrijdt, past het orgaan dat artikel 46, lid 1, toepast, zijn uitkering proportioneel aan (artikel 46, lid 3). Is het aangepaste bedrag hoger dan het bedrag dat alleen uit de nationale wettelijke regeling voortvloeit (met inbegrip van de anti-cumulatiebepalingen), dan moet het eerste worden betaald. Is het alleen uit de nationale wettelijke regeling voortvloeiende bedrag hoger dan het krachtens artikel 46, lid 3, aangepaste bedrag, dan moet volgens het beginsel-Petroni het uit de nationale wettelijke regeling voortvloeiende bedrag worden betaald. Dit kan betekenen dat de gepensioneerde of invalide werknemer meer krijgt dan het door de nationale wettelijke regeling voorziene maximum. In de opmerkingen werd dit „een vreemd resultaat” genoemd. Het zou zich niet voordoen indien alle stelsels geharmoniseerd waren, maar bij de huidige stand van de wetgeving is het inderdaad mogelijk.
Verder is gezegd dat dit resultaat de migrerende werknemer bevoordeelt en dat deze daardoor beter af is dan de werknemer die steeds in één land blijft, en dat het daarom hiet de juiste benadering kan zijn. Deze overweging kan mijns inziens niet afdoen aan de juistheid van het resultaat waartoe wij zijn gekomen. Het Hof heeft er al eens op gewezen dat de twee categorieën werknemers niet steeds op één lijn kunnen worden gesteld (zie het arrest-Mura I).
Bijgevolg dient de Belgische rechter, wat betreft de aanspraak op een rustpensioen, te beslissen
1.
of er al dan niet een anti-cumulatiebepaling bestaat, en welke de daaruit volgende berekening is krachtens nationaal recht;
2.
welk bedrag resulteert uit de toepassing van de twee alinea's van artikel 46, lid 1, waarbij het hoogste van beide bedragen in aanmerking moet worden genomen;
3.
welk het hoogste theoretische bedrag is, dat in de voor elke werknemer relevante Lid-Staten kan worden bereikt krachtens artikel 46, lid 2, sub a;
4.
indien het in beide Lid-Staten na toepassing van de leden 1 en 2 van artikel 46 bereikte totaal hoger is dan het volgens lid 2, sub a, berekende hoogste theoretische bedrag, welke dan de passende correctie is overeenkomstig de tweede alinea van artikel 46, lid 3.
Het Belgische orgaan moet dan het bedrag betalen dat uit die correctie resulteert, tenzij het bedrag krachtens alleen de nationale wetgeving (in haar geheel genomen) hoger is dan het resultaat van die correctie, in welk geval het krachtens de nationale wetgeving verkregen bedrag moet worden betaald.
Er werd verwezen naar artikel 15, lid 1, sub b, c en d, van verordening nr. 574/72, vastgesteld krachtens artikel 97 van verordening nr. 1408/71, en door artikel 46, lid 1, van verordening nr. 574/72 toepasselijk verklaard op de berekening van het theoretische en het werkelijke bedrag van de uitkering overeenkomstig artikel 46, lid 2, sub a en b, van verordening nr. 1408/71. Artikel 15, lid 1, sub c, lijkt in deze zaken van belang. Het bepaalt:
„Wanneer een krachtens de wetgeving van een Lid-Staat vervuld tijdvak van verzekering dat geen gelijkgesteld tijdvak is, samenvalt met een krachtens de wetgeving van een andere Lid-Staat gelijkgesteld tijdvak, wordt alleen het eerste tijdvak in aanmerking genomen.”
Dit geldt duidelijk alleen voor berekeningen volgens de procedure van samentelling en proratisatie (zaak 112/76, Manzoni, Jurispr. 1977, blz. 1647). Het is niet van toepassing op de berekening overeenkomstig artikel 46, lid 1, eerste alinea. Geschiedt de berekening overeenkomstig artikel 46, lid 2, sub a en b, dan zal de nationale rechter moeten vaststellen of een tijdvak „gelijkgesteld” is. Hij zal ook moeten bepalen of de betrokken twee tijdvakken „samenvallen”. Dit betekent volgens mij niet enkel dat beide tijdvakken even lang zijn; aangetoond moet worden dat zij in de tijd samenvallen. Het is niet onmiddellijk duidelijk dat de door artikel 10, § 2, van koninklijk besluit nr. 50 aangerekende vermoede jaren vastliggen in de tijd. Blijkbaar worden zij enkel geacht vóór 1955 te liggen met het oog op de berekening van het forfaitaire loon. In dit opzicht moet artikel 10, § 2, worden gesteld tegenover artikel 35 van een koninklijk besluit van 21 december 1967 (Belgisch Staatsblad 16 januari 1968, blz. 441), dat de perioden tijdens welke een mijnwerker werkloos was of een invaliditeitspensioen genoot, dus in de tijd bepaalde perioden, met werkelijke arbeidsperioden gelijkstelt. Dit is echter een vraag waarover de nationale rechter zich moet uitspreken, uitgaande van de door het Hof aan te geven benadering, en dit zal mijns inziens de benadering moeten zijn welke ik hierboven heb geschetst. Die vraag blijft mijns inziens in de onderhavige zaken in elk geval zonder invloed op de pensioenberekening krachtens de Belgische wettelijke regeling, aangezien (a) de op een rustpensioen aanspraak makende werknemers het voor een volledig pensioen noodzakelijke tijdvak hebben vervuld, om het even of de vermoede of de werkelijke buitenlandse arbeidsjaren in aanmerking worden genomen, en (b) de berekening van (in tegenstelling tot het recht op) Strehls invaliditeitspensioen niet afhangt van de duur van het verzekeringstijdvak. De vraag kan echter van belang zijn bij de berekening van het hoogste theoretische bedrag elders.
Het ministerie van Sociale voorzorg is van mening dat, wanneer iemand behalve een rustpensioen gebaseerd op een loopbaan die fictieve of vermoede tijdvakken omvat, tevens een buitenlandse uitkering ontvangt, dezelfde verzekeringstijdvakken tweemaal worden geteld, en dat werkelijke tijdvakken dan voorrang moeten hebben boven de fictieve. Dit zou slechts steek houden indien de tijdvakken in elk geval in de tijd zouden samenvallen, hetgeen hier niet het geval lijkt te zijn. Bij de berekening overeenkomstig artikel 46 wordt met samenloop rekening gehouden door het toepassen van artikel 46, lid 3, hetgeen dit argument lijkt te ignoreren. Volgens mij laat dit de bovenstaande conclusie ongemoeid.
Een detailkwestie rijst in de zaak-Dreilich. Hij ontvangt blijkbaar een Duits invaliditeitspensioen, en geen rustpensioen van dezelfde aard als de Belgische uitkering.
Artikel 25 van koninklijk besluit nr. 50 bepaalt dat, tenzij de Koning het anders bepaalt, een rustpensioen slechts uitbetaalbaar is, onder meer zo de gerechtigde geen vergoeding geniet wegens ziekte of invaliditeit bij toepassing van een Belgische of van een buitenlandse wetgeving inzake sociale zekerheid. Dit zou op het eerste gezicht tot gevolg moeten hebben dat Dreilich zijn recht op een Belgisch rustpensioen verliest, hoewel het niet geldt waar de buitenlandse uitkering een rustpensioen is. In zijn schriftelijke opmerkingen wijst de Rijksdienst voor Werknemerspensioenen erop dat als administratieve concessie buitenlandse invaliditeitsuitkeringen, toegekend aan een werknemer die de in het Belgische recht bepaalde pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, als rustpensioen worden beschouwd. Artikel 25 zou dan dus geen toepassing vinden. Indien wegens die administratieve concessie artikel 25 buiten toepassing blijft, is er geen verschil tussen het geval Dreilich en dat van Celestre, Bohnefeld en Rydlakowski. Zo zulks echter niet het geval zou zijn, zou Dreilich blijkbaar slechts een overeenkomstig artikel 46 berekend pensioen ontvangen. In dat opzicht zou artikel 12, lid 2, van verordening nr. 1408/71 tot gevolg hebben dat artikel 25 van het koninklijk besluit geen effect sorteert. Bijgevolg zou Dreilich slechts recht hebben op een overeenkomstig de bepalingen van artikel 46, lid 3, verminderd pensioen ten laste van het Belgische orgaan.
Tot een gelijkaardig resultaat komt men in de tweede zaak-Strehl. Ten tijde van de eerste zaak-Strehl werd aangenomen dat er geen toepasselijke nationale anticumulatieregel bestond en dat Strehl mitsdien recht had op een volledig pensioen, aangezien hij bij toepassing van artikel 46, en met name van artikel 46, lid 3, slechts een verlaagde uitkering zou hebben ontvangen, zodat het beginsel-Petroni in het spel kwam. De Arbeidsrechtbank wees Strehls vordering toe in het licht van's Hofs beslissing. Pas toen het Belgische orgaan in beroep ging bij het Arbeidshof, werd de aandacht gevestigd op artikel 23, § 1, van het hierboven aangehaalde koninklijk besluit van 19 november 1970. Ingevolge deze bepaling zou Strehls aanspraak onder Belgisch recht verminderd worden met het bedrag van zijn Duitse pensioen. Dit verminderde bedrag is lager dan het bedrag berekend bij toepassing van artikel 46: het verminderde Belgische pensioen bedraagt blijkens de stukken 47304 BFR, terwijl krachtens artikel 46 het resultaat van de vermindering, die overeenkomstig artikel 46, lid 3, wordt uitgevoerd om de som van de ontvangen uitkeringen tot het hoogste theoretische bedrag te beperken, 82013 BFR is. Bijgevolg moet het Belgische orgaan het krachtens artikel 46 verschuldigde bedrag toekennen.
Ik concludeer dat de gestelde vragen worden beantwoord als volgt:
(i)
In het geval van een uitkering die uitsluitend krachtens nationaal recht is verkregen en berekend, zonder toepassing van het bepaalde in de verordeningen nrs. 1408/71 en 574/72, staat geen bepaling van het gemeenschapsrecht in de weg aan de toepassing van een nationaalrechtelijke bepaling, krachtens welke fictieve tijdvakken van verzekering of woonplaats moeten worden afgetrokken wanneer zij samenvallen met tijdvakken van werkelijke verzekering of woonplaats in een andere Lid-Staat;
(ii)
in het geval van een uitkering berekend volgens artikel 46, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 1408/71, is er geen bepaling van gemeenschapsrecht, die vereist dat fictieve tijdvakken worden vervangen door in een andere Lid-Staat vervulde werkelijke tijdvakken, doch kan het bedrag van de uitkering worden verminderd door toepassing van artikel 46, lid 3;
(iii)
in het geval van een uitkering die (overeenkomstig artikel 46, lid 2, of lid 1, tweede alinea) is berekend op grond van samentelling en proratisatie, mogen als tijdvakken van verzekering of woonplaats behandelde tijdvakken niet in aanmerking worden genomen, wanneer zij samenvallen met tijdvakken van werkelijke verzekering of woonplaats in een andere Lid-Staat, en kan, wanneer de berekening geschiedt overeenkomstig artikel 46, lid 1, tweede alinea, het bedrag van de uitkering worden verminderd door toepassing van artikel 46, lid 3.
( 1 ) Vertaald uit het Engels.
Full & Egal Universal Law Academy