CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL F. CAPOTORTI
VAN 8 OKTOBER 1981 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne beren Rechters,
1.
Onderwerp van de onderhavige prejudiciële zaak is de uitlegging van verscheidene punten van aantekening 5 Β bij hoofdstuk 85 van het gemeenschappelijk douanetarief (GDT), betreffende elektronische microstructuren (microassemblages en geïntegreerde schakelingen). Deze aantekening dient om de toepassing van postonderverdeling 85.21 D van het tarief, waaronder de elektronische microstructuren vallen, te vergemakkelijken.
Ik vat de feiten van de zaak kort samen.
In de jaren 1971-1973, en vervolgens in 1977, importeerde de vennootschap Analog Devices, gevestigd te München, in de Bondsrepubliek Duitsland verschillende modules (elektronische structuren) bestemd voor automatische gegevensverwerkende machines en andere apparaten. Na controle van de bij elke import toegepaste tariefindeling, besloten de Duitse douane-instanties de in 1971 ingevoerde goederen in te delen onder post 85.21 C van het GDT, in de destijds geldende versie („gemonteerde transistors en dergelijke gemonteerde elementen met halfgeleiders”), en de later ingevoerde goederen onder post 85.21 D van het GDT in de versie die vanaf 1 januari 1972 van kracht was.
De importerende vennootschap, die van oordeel was dat deze indeling niet juist was, diende tegen de beslissing van de douane-instanties een bezwaarschrift in, dat evenwel werd afgewezen. Vervolgens maakte zij de zaak aanhangig bij het Finanzgericht München. Bij beschikking van 10 april 1980 heeft dit de behandeling van de zaak geschorst en het Hof enkele vragen voorgelegd over de uitlegging van aantekening 5 B bij hoofdstuk 85 van het GDT.
2.
Vooraf dienen wij een ogenblik stil te staan bij de tariefbepalingen die voor deze zaak van meer rechtstreeks belang zijn.
Post 85.21 van het GDT, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 1/72 van de Raad van 20 december 1971, omvat sub D „dioden, transistors en dergelijke halfgeleiderelementen”, alsmede — en dit is het punt dat hier van belang is — „elektronische microstructuren”. Voor de goederen van deze postonderverdeling geldt een vrij hoog percentage invoerrechten. Aantekening 5 bij hoofdstuk 85 (getiteld „Elektrische machines, apparaten en toestellen: artikelen voor elektrotechnisch gebruik”) preciseert sub B, welke produkten onder het begrip „elektronische microstructuren” vallen. Er zijn drie categorieën: a. microassemblages, bestaande uit „daarin samengebrachte en onderling verbonden discrete miniatuurelementen”; b. monolitische geïntegreerde schakelingen, hierdoor gekenmerkt dat de elementen van de schakeling tot stand zijn gebracht in de massa en op het oppervlak van een halfgeleidermateriaal en „een onverbrekelijk geheel vormen”; en c. hybride geïntegreerde schakelingen, dat wil zeggen schakelingen waarin, praktisch onverbrekelijk, op een zelfde van isolerend materiaal vervaardigde onderlaag, elementen vervaardigd volgens verschillende technieken, waaronder eventueel ook discrete miniatuurelementen, zijn opgenomen.
3.
De eerste vraag van het Finanzgericht München betreft het begrip discreet miniatuurelement, dat in aantekening 5 B op twee plaatsen wordt gebruikt, namelijk sub a en sub c, laatste zin. Uit de verwijzingsbeschikking blijkt duidelijker wat de Duitse rechtbank wenst te weten omtrent het begrip discreet element, namelijk: of daartoe uitsluitend elementen behoren die als zodanig afzonderlijk zijn aangebracht (en van elektrische aansluitingen voorzien), dan wel of men andere criteria moet hanteren; en of, naast elementen die bestaan uit één enkel elektrisch onderdeel van een schakeling, onder dit begrip ook schakelingen kunnen vallen die uit meer elementen bestaan, zoals monolitische geïntegreerde schakelingen of onderlagen van keramisch materiaal bedrukt met een net van weerstanden.
In technische taal wordt de uitdrukking discreet element (in het Frans „composant discret”, in het Engels „discrete component” en in het Duits „Einzelbauelement”) gewoonlijk gebruikt om een eenheid aan te duiden die deel uitmaakt van een complexere structuur, maar die zelf en fysieke zelfstandigheid bezit. Als een eerste benadering kunnen wij dus stellen dat de discrete elementen van een bepaalde module (elektronische structuur) basiseenheden zijn, die voor de vervaardiging van die module worden aangewend.
De opvattingen van de Commissie en van verzoekster in het hoofdgeding over de uitlegging die in de context van aantekening 5 Β moet worden gegeven aan de term discrete elementen, lopen niettemin duidelijk uiteen. Volgens verzoekster in het hoofdgeding zijn discrete elementen op zichzelf staande eenheden van de elektronische structuur (dat wil zeggen dioden, transistors, weerstanden en dergelijke), die niet alleen worden gekenmerkt door hun oorspronkelijke fysieke zelfstandigheid, maar ook door het feit dat zij elk één enkele functie vervullen; volgens de Commissie daarentegen dient men onder discreet element om het even welk element van de schakeling te verstaan, dat een ondeelbare fysieke eenheid vormt. Elk van deze uitleggingen leidt tot een ander antwoord op de vraag van de Duitse rechter: volgt men immers de opvatting van de Commissie, dan kan een monolitische geïntregreerde schakeling een element zijn van een elektronische structuur waarin zij, fysiek gezien, een eenheid vormt, ook als is zij zelf weer samengesteld uit verschillende elementen en onverschillig of zij één of meer functies vervult; volgt men daarentegen de stelling van verzoekster in het hoofdgeding, dan is deze mogelijkheid uitgesloten, omdat een monolitische geïntegreerde schakeling niet steeds één enkele functie vervult, maar, vooral met het oog op haar bruikbaarheid in diverse apparaten, een veelheid van functies kan hebben.
Laat ik onmiddellijk zeggen dat de uitlegging van de Commissie mij het meest overtuigend voorkomt, in de eerste plaats omdat zij overeenstemt met de algemene criteria van het GDT. Met het oog op een juiste toepassing moeten de tariefposten de goederen die tot de verschillende sectoren behoren, aan de hand van duidelijke en objectieve elementen onderscheiden. Dit stelt de douane in staat snel de vereiste controles uit te voeren, en waarborgt de importeurs een redelijke mate van rechtszekerheid. Het Hof heeft deze zienswijze onlangs nog bevestigd toen het overwoog dat „het beginsel van rechtszekerheid eist dat een regeling waarbij aan de belastingplichtige lasten worden opgelegd, duidelijk en nauwkeurig omschreven is, opdat de belastingplichtige ondubbelzinnig zijn rechten en verplichtingen kan kennen en dienovereenkomstig zijn beschikking kan treffen” (arrest van 9 juli 1981, zaak 169/80. Gondrand, Jurispr. 1981, r.o. 17). Indien echter de indeling van elektronische structuren mede zou afhangen van hun variabele functionele bestemming, dan zou een moeilijk te beoordelen element worden toegevoegd aan die waarmee de douane-instanties rekening hebben te houden bij de bepaling van de toepasselijke post, en dit zou de uitvoering van de vereiste administratieve controles alleen maar bemoeilijken.
Dit argument vindt steun in de laatste alinea van aantekening 5, waarin wordt verklaard: „Voor de indeling van de in deze aantekening omschreven goederen heeft post 85.21 voorrag boven alle andere posten waaronder die goederen, bij voorbeeld in verband met hun functie, eventueel zouden kunnen worden ingedeeld.” Dit houdt in dat, althans voor de goederen die onder post 85.21 vallen, het functioneel aspect niet relevant is voor hun indeling.
Een verdere bevestiging van de uitlegging waaraan ik de voorkeur geef, is te vinden in de toelichtingen op de Nomenclatuur van de Internationale Douaneraad, ingesteld door het Verdrag van Brussel. Hierbij wijs ik er vooraf op, dat die toelichtingen, zij het binnen bepaalde grenzen, mogen worden aangewend bij de uitlegging van het gemeenschappelijk douanetarief; het Hof heeft eerder al verklaard dat „... zolang op de tariefposten van het gemeenschappelijk douanetarief geen communautaire toelichtingen werden gegeven, het in acht nemen van genoemde toelichtingen ( gegeven door de internationale Douaneraad van Brussel) een nuttig middel vormt ter verzekering van een uniforme uitlegging en toepassing van het gemeenschappelijke buitentarief aan alle grenzen van de gemeenschappelijke markt” (arrest van 8 december 1970, zaak 14/70, Bakels, Jurispr. 1970, blz. 1001, r.o. 10). Wanneer er dus, zoals in het onderhavige geval, communautaire toelichtingen bestaan, zijn de IDR-toelichtingen noodzakelijkerwijze van minder belang dan in de gevallen waarin communautaire toelichtingen geheel ontbreken, en moeten de aantekeningen van communautaire oorsprong in elk geval voorrang hebben. Dit vooropgesteld, noteer ik dat volgens de toelichtingen op afdeling XVI, hoofdstuk 85, sub F, tweede alinea, „microstructuren naar de wijze van vervaardiging worden onderverdeeld in twee groepen, te weten microassemblages en geïntegreerde schakelingen.” De uitdrukking „naar de wijze van vervaardiging” — die duidelijk doelt op het fabricageprocédé — geeft te verstaan dat de indeling van microstructuren in groepen gebeurt aan de hand van materiële criteria. En in dit geval kan er, dunkt mij, geen twijfel over bestaan dat voor de uitlegging van het GDT een beroep mag worden gedaan op de IDR-toelichtingen, aangezien de onderverdeling van elektronische microstructuren in microassemblages in geïntegreerde schakelingen, in aantekening 5 Β van het GDT, volledig overeenkomt met de identieke ondervedeling van de IDR-Nomenclatuur.
Er is dus meer dan één argument dat ons doet kiezen voor de stelling van de Commissie, volgens welke (monolitische of hybride) schakelingen, omdat zij „geïntegreerd” zijn en derhalve een ondeelbare fysieke eenheid vormen, onder het begrip discrete elementen vallen en daardoor deel kunnen uitmaken van een microassemblage zoals omschreven in aantekening 5 B, sub a.
Daartegenover beroept verzoekster in het hoofdgeding zich in de eerste plaats op een argument, ontleend aan de context van aantekening 5 Β van het GDT. Daar wordt immers sub c gepreciseeerd, dat in hybride geïntegreerde schakelingen ook elementen kunnen zijn opgenomen die zijn vervaardigd volgens de halfgeleidertechniek, en als zodanig worden onder meer monolitische geïntegreerde schakelingen genoemd. Daaruit zou men kunnen afleiden dat, wegens het ontbreken van een overeenkomstige uitdrukkelijke bepaling, monolitische geïntegreerde schakelingen geen discrete elementen van de in dezelfde aantekening sub a bedoelde microassemblages kunnen zijn. Ik geloof echter niet, dat een zo marginaal tekstgegeven van enig belang voor de uitlegging kan zijn. Daartoe volstaat het op te merken dat bij de omschrijving van microassemblages sub a enkel wordt gezegd dat deze microassemblages bestaan uit actieve, of actieve en passieve, discrete elementen, doch zonder deze nader te specificeren zoals dit sub c wél gebeurt met betrekking tot de elementen van hybridische geïntegreerde schakelingen, zij het tussen haakjes en als voorbeeld. Volgens mij verzet dan ook niets in de tekst zich ertegen, een monolitische geïntegreerde schakeling die is opgenomen in een microassemblage, als een discreet element te beschouwen.
Verzoekster doet voorts een beroep op de toelichtingen bij de IDR-Nomenclatuur. In afdeling XVI, hoofdstuk 85, sub F, I (microassemblages) worden onder 1 de discrete elementen opgesomd („dioden, transistors, condensatoren, inductie-elementen en weerstanden”); monolitische of hybride geïntegreerde schakelingen worden daar echter niet genoemd. Uit deze weglating wil men afleiden dat geïntegreerde schakelingen niet tot de discrete elementen kunnen worden gerekend. Het komt mij voor, dat dit argument van weinig belang is ter verduidelijking van het begrip discreet element; wij moeten immers voor ogen houden dat de opsomming in genoemde paragraaf niet de discrete elementen in het algemeen betreft, maar is opgenomen in de context van punt 1, dat enkel betrekking heeft op een bijzondere categorie van modules (de „cordwood”- of fagotmodules).
Verzoekster in het hoofdgeding verwijst nog in een ander opzicht naar de toelichtingen op de IDR-Nomenclatuur. Zij wijst erop dat in de reeds genoemde afdeling XVI, hoofdstuk 85, sub F, II, 2, vierde alinea, een uitzonderingsbepaling voorkomt die van de post elektronische microstructuren uitsluit „de samenstellingen van een elektronische microstructuur met andere elementen of met andere elektronische microstructuren”, en dit weer met uitzondering van praktisch niet scheidbare hybride geïntegreerde schakelingen. Door de opneming van een geïntegreerde schakeling als element in een microstructuur, zou volgens verzoekster een „samenstelling” ontstaan van het type bedoeld in de zoëven aangehaalde passage; een dergelijke samenstelling zou derhalve niet kunnen worden ingedeeld als een microassemblage bestaande uit discrete elementen. Past men de inhoud van de IRD-toelichtingen op dit punt toe op de uitlegging van het begrip elektronische microstructuur in de zin van post 85.21 D van het GDT, dan zou men tot het besluit moeten komen dat een microassemblage die mede uit een geïntegreerde schakeling bestaat, niet als elektronische microstructuur onder genoemde post kan worden ingedeeld.
Ook dit argument is vatbaar voor kritiek. Ik wijs erop dat de in de IDR-toelichtingen vermelde uitzondering enkel geldt voor de samenstellingen die complete machines of apparaten dan wel delen of onderdelen van machines vormen. Volgens de vijfde alinea van onderdeel F immers worden samenstellingen die niet als elektronische microstructuren kunnen worden omschreven, als machines dan wel als delen of onderdelen van machines ingedeeld; hier gaat het dus om goederen die, in tegenstelling tot elektronische microstructuren, in wezen naar hun functie worden onderscheiden. Wij zagen echter, dat aantekening 5, laatste alinea, van het GDT tariefpost 85.21 voorrang geeft boven elke andere post die op hetzelfde produkt zou kunnen worden toegepast indien men rekening hield met zijn functionele bestemming. En ik meen dat deze voorrangsregel, wegens zijn algemeen karakter, in de context van het GDT ook moet gelden voor samenstellingen die bij toepassing van de hier ingeroepen IDR-toelichtingen (afdeling XVI, hoofdstuk 85, F, II, 2, vierde alinea) niet als microstructuren zouden kunnen worden ingedeeld. Met andere woorden, deze voorrangsregel, neergelegd in een aantekening van communautaire oorsprong, belet ons rekening te houden met de aanwijzingen inzake „samenstellingen” van de IDR-toelichtingen, daar deze betekenis hechten aan de functionele bestemming van de betrokken goederen.
4.
Hierboven zei ik reeds, dat de eerste vraag van de verwijzende rechter het begrip discreet miniatuurelement betreft. Wij dienen nu dus nog na te gaan hoe het vereiste van miniaturisatie, dat in aantekening 5 B, sub a en c, uitdrukkelijk wordt gesteld, moet worden opgevat. In dit verband wenst de verwijzende rechter meer bepaald te weten of miniaturisatie alleen de verkleining van de afzonderlijke elementen of ook de plaatsing van deze elementen in een bepaalde dichtheid onderstelt; of verkleining en dichtheid kunnen worden bepaald aan de hand van absolute waarden; en ten slotte, of het aankomt op de in de elektronisch industrie gangbare graad van miniaturisatie.
Voor alles wijs ik erop, dat aantekening 5 B het vereiste van miniaturisatie in verband brengt met de discrete elementen. Niettemin moet worden aangenomen dat deze aantekening, wanneer zij in het opschrift van punt B spreekt van elektronische microstructuren en sub a van microassemblages, impliciet naar hetzelfde vereiste verwijst, maar dan met betrekking tot de structuur in haar geheel.
Wat de betekenis betreft die aan het begrip miniaturisatie moet worden gegeven, zijn verzoekster in het hoofdgeding en de Commissie het erover eens dat het gaat om een relatief begrip, gebonden aan de ontwikkeling van de techniek op het tijdstip waarop de import plaatsvindt. Deze opvatting lijkt mij redelijk en gegrond. Rekening houdende met de snelheid van de technische vooruitgang, inzonderheid in de sector van de elektronica, zou het immers ongerijmd zijn het begrip miniaturisatie te bepalen aan de hand van absolute waarden. De opvattingen van partijen lopen evenwel uiteen over de vraag, welke maatstaf men dient aan te leggen om te kunnen uitmaken of een afzonderlijk onderdeel al dan niet geminiaturiseerd is. Volgens verzoekster moet men zien naar de afmetingen van elementen van hetzelfde type, zoals die in het algemeen worden geproduceerd op het tijdstip van de import: volgens dit criterium waren die onderdelen als geminiaturiseerd te beschouwen, waarvan de afmetingen onder de gemiddelde produktienorm in de betrokken sector liggen. De Commissie daarentegen betoogt dat men er enkel op moet letten of de onderdelen, gezien de technische mogelijkheden op het tijdstip van vervaardiging, zodanig zijn ontworpen, dat zij beantwoorden aan de bestaande tendens om steeds kleinere elementen te bouwen.
Volgens mij verdient deze laatste opvatting de voorkeur. Te bedenken valt immers dat — zoals ook is gebleken tijdens de informele bijeenkomst, waaraan deskundigen deelnamen — de produktie van steeds kleinere elementen een algemene tendens is op het gebied van de elektronische structuren. Zou men derhalve als maatstaf de gemiddelde produktienorm op het tijdstip van de import nemen, dan zou het waarschijnlijk zeer moeilijk worden de elektronische structuren te onderkennen waarvan de afmetingen onder het gemiddelde liggen, en zou bijgevolg de toepassing van de onderhavige tariefpost eerder uitzondering worden. Daarom vind ik de door de Commissie voorgestelde uitlegging logischer en meer in overeenstemming met de functie van het tarief; deze uitlegging heeft immers het voordeel, dat zij rekening houdt met het relatieve karakter van het begrip „miniaturisatie” en tevens een redelijke speling laat bij de toepassing van de tariefpost waaronder de elektronische microstructuren vallen.
Wat verder het belang betreft dat moet worden gehecht aan de plaatsing van de verschillende elementen in een bepaalde mate van dichtheid, hier gaat het klaarblijkelijk om een vereiste dat de schakeling in haar geheel aangaat. Dit vooropgesteld, moet worden erkend dat de dichtheidsfactor naast die van de verkleining der afzonderlijke elementen in aanmerking moet worden genomen. Bovendien gelden ook hier de algemene opmerkingen die ik omtrent het begrip miniaturisatie heb gemaakt: ook de dichtheid heeft dus, evenals de afmetingen van de elementen, een relatief karakter; en als zodanig moet zij worden bepaald aan de hand van het ontwikkelingspeil van de techniek op het tijdstip van de import.
5.
De tweede vraag betreft enige uitdrukkingen in aantekening 5 B, sub a, waarvan sommige betrekking hebben op de microassemblages („in de vorm van gegoten blokjes”, „en dergelijke”) en een andere op de discrete elementen („samengebracht”). In wezen gaat het om de techniek volgens welke de verschillende onderdelen worden samengevoegd tot een elektronische microstructuur. De Duitse rechter wenst in de eerste plaats te weten, wat dient te worden verstaan onder gegoten-blokjestechniek: alleen het procédé waarbij de afzonderlijke elementen in blokjes worden ingegoten en vervolgens elektrisch met elkaar verbonden, of ook de techniek die erin bestaat de elementen aan te brengen op een van een gedrukte schakeling voorziene onderlaag en de schakeling vervolgens in een kastje te brengen? Bovendien werpt de verwijzingsbeschikking de vraag op, welk belang moet worden gehecht aan de afmetingen van de elementen, hun plaatsing op de onderlaag en de wijze waarop de schakeling is bevestigd en de elementen onderling zijn verbonden.
Volgens verzoekster in het hoofdgeding doelt de term gegoten blokjes uitsluitend op modules vervaardigd volgens de bijzondere techniek die bekend staat als „simi-blocs”. Bij deze techniek worden de onderdelen van de module ingegoten in een met hars gevulde vorm; vervolgens wordt de vorm verwijderd en worden de oppervlakken van het blokje afgeslepen om de aansluitdraadjes vrij te maken; daarna wordt de elektrische assemblage afgewerkt door het blokje met koper te bekleden en daarin de leidingen te etsen. Modules bestaande uit onderlagen met gedrukte schakelingen, zouden daarentegen niet onder het begrip gegoten blokjes vallen, ook niet indien zij na hun samenstelling in een met hars gevulde vorm worden ingegoten. De Commissie van haar kant betoogt, dat modules vervaardigd volgens beide technieken als gegoten blokjes zijn te beschouwen. Deze laatste opvatting lijkt mij het best gefundeerd.
De toelichtingen op de IDR-Nomenclatuur (afdeling XVI, hoofdstuk 85, sub F, I, 2) maken duidelijk wat onder een gegoten blokje wordt verstaan, en aangezien verscheidene aanwijzingen ontbreken in de aantekeningen bij het GDT, meen ik dat wij de IDR-toelichtingen als hulpmiddel voor de uitlegging mogen gebruiken. Deze toelichtingen omschrijven de gegoten modules als modules waarbij „de elementen zijn ingegoten in een blokje (kubus, parallelepipedum, bolsegment, enz.), meestal van kunsthars.” Deze omschrijving past dus zowel op de produktietechniek van de „simi-blocs”, die hierdoor wordt gekenmerkt dat de harsmassa niet enkel als bescherming, maar tevens als onderlaag voor de afzonderlijke onderdelen dient, als op de techniek die erin bestaat een microschakeling die reeds op een eigen onderlaag is aangebracht, in een met hars gevuld kastje in te gieten.
Een kenmerk van beide technieken is de overbrekelijkheid van de module na het gieten. Dit kenmerk treffen wij ook aan bij de twee andere moduletypes die in aantekening 5 B, sub a, worden genoemd: de fagotmodules en de micromodules, die ook in de toelichtingen op de IDR-Nomenclatuur worden omschreven. Ik voeg hieraan toe, dat de door de Commissie voorgestelde uitlegging beter beantwoordt aan het vereiste van rechtszekerheid, waarop ik reeds de aandacht vestigde; deze uitlegging stelt de douane immers in staat om aan de hand van objectieve en gemakkelijk waarneembare gegevens de kenmerken van de goederen te bepalen met het oog op hun tariefindeling.
Wat verder de betekenis betreft die aan de uitdrukking „en dergelijke” moet worden gegeven, ben ik van mening dat het wezenlijke kenmerk om bij volgens bijzondere technieken vervaardigde modules uit te maken of een microassemblage al dan niet kan worden geacht tot een „dergelijke” type te behoren, hierin bestaat, dat de onderdelen niet van het geheel kunnen worden gescheiden. Wij zagen reeds, dat dit kenmerk voorkomt bij alle drie types van microschakelingen die in de aantekening uitdrukkelijk worden genoemd: bijgevolg lijkt het mij logisch dat hetzelfde kenmerk ook van wezenlijk belang is voor het onderkennen van „dergelijke” types. Natuurlijk moet men het eens worden over het begrip „onverbrekelijkheid”: het lijkt mij niet redelijk dit te beperken tot technische onverbrekelijkheid in strikte zin; sommige microassemblages kunnen immers in theorie worden gerepareerd door de beschadigde elementen weg te nemen en te vervangen. Dit is echter een zeer kostbare ingreep, die slechts door gespecialiseerd personeel kan worden verricht, en die derhalve oneconomisch is in die zin, dat vervanging van de hele module sneller gaat en goedkoper is. Om uit te maken of een module onverbrekelijk is en derhalve onder de hier behandelde tariefpost valt, zou men dan ook eerder op aspecten van economische opportuniteit moeten letten. Volgens dit criterium kunnen ook modules die ter bescherming in een plastic doosje zijn geplaatst, „dergelijke” microassemblages zijn in de zin van het tarief; daartoe is voldoende dat het verwijderen van de afzonderlijke elementen economisch niet opportuun is.
Wat ten slotte de term „samengebracht” betreft, welke sub a wordt gebezigd in verband met de discrete elementen die de microassemblage vormen, wijs ik erop, dat het niet gerechtvaardigd lijkt zelfstandige betekenis toe te kennen aan het adjectief „samengebracht”, los van het adjectief „verbonden” dat in één adem ermee wordt genoemd. Beide adjectieven dienen in elk geval duidelijk om uitdrukking te geven aan de idee van een technisch procédé waarbij met afzonderlijke elementen een geheel wordt gevormd.
6.
De derde vraag betreft de hybride geïntegreerde schakelingen, vermeld in aantekening 5 Β, sub c, en meer bepaald de zin: „waarin, praktisch onverbrekelijk, ... elementen zijn opgenomen die deels zijn vervaardigd ... volgens de halfgeleidertechniek.” In dit verband is de eerste moeilijkheid die door de verwijzende rechter wordt opgeworpen, de vraag of elementen vervaardigd volgens de halfgeleidertechniek, hoofdzakelijk niet-discrete elementen dienen te zijn, dan wel of hybride schakelingen, behalve uit passieve elementen vervaardigd volgens de dunfilm- of dikfilmtechniek, ook uitsluitend uit (afzonderlijke) discrete elementen mogen bestaan.
Hybride geïntegreerde schakelingen worden hierdoor gekenmerkt, dat de passieve elementen op de onderlaag worden bevestigd door metallisatie onder vacuüm, volgens de dunfilm- of dikfilmtechniek. Bij dit bijzondere procédé moet, als onderlaag voor de afzonderlijke elementen, glas, keramisch materiaal of een ander materiaal met dezelfde eigenschappen worden gebruikt. Wat de actieve elementen betreft (dioden, transistors, monolitische geïntegreerde schakelingen), zegt aantekening 5 Β in algemene bewoordingen enkel, dat deze worden vervaardigd volgens de halfgeleidertechniek, en verder, in de laatste zin sub c, dat in deze schakelingen „tevens discrete miniatuurelementen mogen zijn opgenomen.” Aangezien deze zin het gebruik van discrete elementen zonder enige beperking toelaat, meen ik dat dergelijke elementen mogen worden gebruikt als halfgeleiders, en dat de schakelingen waarover het hier gaat, ook uitsluitend uit discrete elementen mogen bestaan (behalve uiteraard de op glas of keramisch materiaal bevestigde passieve elementen).
Een tweede door de Duitse rechter opgeworpen probleem betreft de onverbrekelijke verbinding van de elementen van de schakeling: moet die zijn tot stand gebracht door middel van een elektrische verbinding, of volstaat het dat de schakeling in een kastje is gevat? En moet de verbinding zo stevig zijn, dat zij niet kan worden verbroken zonder dat de elementen stukgaan, of volstaat het dat door het losmaken van de afzonderlijke elementen het kastje breekt? En ten slotte, geldt het vereiste van de onverbrekelijke samenvoeging ook voor afzonderlijke elementen van de hybride schakeling? Het uiterst gedetailleerd en technisch karakter van deze problemen maakt het niet gemakkelijk het juridisch belang ervan te begrijpen. Niettemin merk ik op, dat er voor wat de passieve elementen betreft, een logisch argument is dat de oplossing aan de hand doet: aangezien deze elementen in hybride geïntegreerde schakelingen zo zijn samengevoegd, dat zij alle één geheel vormen met de onderlaag van glas of keramisch materiaal, is het onmogelijk de elementen zonder ze te beschadigen van de onderlaag los te maken. Met betrekking tot de passieve elementen bestaat de onverbrekelijkheid dus hierin, dat zij fysiek niet uit het geheel kunnen worden losgemaakt. Wat daarentegen de andere elementen betreft (dioden, transistors, monolitische geïntegreerde schakelingen), deze zijn eenvoudig op de geleidende onderlaag gesoldeerd, zodat het althans meestal mogelijk is ze los te maken zonder ze te beschadigen of de onderlaag aan te tasten. Weliswaar worden ook deze, volgens de halfgeleidertechniek vervaardigde elementen vaak beschermd door een harsfilm, die breekt wanneer men een element losmaakt: daardoor wordt uiteraard de module als fysieke eenheid aangetast.
Uiteindelijk ben ik van oordeel dat een bevredigende algemene oplossing gebaseerd moet zijn op dezelfde opvatting van onverbrekelijkheid als ik in verband met aantekening 5 B, sub a, heb aangenomen. Gaat men van die opvatting uit, dan kan men zeggen dat er sprake is van onverbrekelijkheid van de afzonderlijke elementen van een hybride geïntegreerde schakeling, zowel wanneer de afzonderlijke delen niet kunnen worden losgemaakt zonder dat de fysieke eenheid van het geheel in het gedrang komt, als wanneer zulks economisch niet opportuun is.
7.
Concluderende geeft ik het Hof in overweging, op de door het Finanzgericht München bij beschikking van 10 april 1980 gestelde vragen te antwoorden, dat aantekening 5 Β bij hoofdstuk 85 van het GDT moet worden uitgelegd als volgt:
1.
De sub a en c gebruikte term „discrete elementen” doelt op elk element van een microassemblage die een ondeelbare fysieke eenheid vormt. De geïntegreerde microstructuren, zowel monolitische als hybride, bedoeld sub b en c, kunnen discrete elementen van een microassemblage zijn, voor zover zij onverbrekelijke of praktisch onverbrekelijke eenheden vormen.
2.
Het vereiste van miniaturisatie, sub a en c aan de discrete elementen gesteld, moet worden bepaald aan de hand van het technische ontwikkelingspeil op het tijdstip van invoer. Derhalve dienen die elementen als geminiaturiseerd te worden beschouwd, welke zijn vervaardigd in overeenstemming met de huidige tendens om steeds kleinere elementen te bouwen en die zijn aangebracht in een dichtheid die beantwoordt aan het peil van de techniek op het tijdstip van invoer.
3.
De sub a gebezigde term „gegoten blokjes” doelt op de microassemblages vervaardigd volgens de „simi-blocs”-techniek, waarbij het harsblokje dient als onderlaag en als kastje ter bescherming van de verschillende elementen, dan wel volgens de techniek die erin bestaat een schakeling die reeds op een eigen onderlaag is aangebracht, in te gieten in een met hars of met een ander beschermend materiaal gevuld kastje. De uitdrukking „en dergelijke”, gebezigd sub a, heeft betrekking op microstructuren die zijn vervaardigd volgens andere technieken dan de gegoten-blokjestechniek, de micromodule- en de fagotmoduletechniek, maar die, op gelijke wijze als deze drie types van microassemblages, worden gekenmerkt door het feit dat zij een fysieke eenheid vormen die niet kan worden verbroken, hetzij omdat dit technisch onmogelijk, hetzij omdat dit economisch niet opportuun is. De term „samengebracht” doelt op een dusdanige samenvoeging van de discrete elementen, dat deze onscheidbaar zijn in de hiervoor bedoelde zin.
4.
Bij de hybride geïntegreerde schakelingen, bedoeld sub c, mogen als halfgeleiders ook dan wel uitsluitend discrete miniatuurelementen zijn gebruikt. Met de eveneens sub c gebezigde zinswending „ ... waarin, praktisch onverbrekelijk, op een zelfde van isolerend materiaal ... vervaardigde onderlaag ... zijn opgenomen”, wordt bedoeld dat er sprake is van onverbrekelijkheid van de afzonderlijke elementen, wanneer het losmaken van de afzonderlijke delen niet mogelijk is zonder de fysieke eenheid van het geheel aan te tasten, of wanneer zulks economisch niet opportuun is.
( 1 ) Vertaald uit het Italiaans.
Full & Egal Universal Law Academy