CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL
F. CAPOTORTI
VAN 14 JANUARI 1982 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne beren Rechters,
1.
De drie zaken waarin ik thans concludeer, zijn aanhangig gemaakt door gewezen ambtenaren van de Gemeenschappen, die bezwaar maken tegen de nadelige gevolgen die voor hun respectieve pensioenen voortvloeien uit de verordeningen nrs. 3085/78 en 3086/78 van de Raad van 21 december 1978. Ik herinner eraan, dat bij deze verordeningen wijziging werd gebracht in de bij de toepassing van het Statuut te gebruiken muntpariteiten en in de aanpassingscoëfficiënten die van toepassing zijn op de bezoldigingen en pensioenen van de ambtenaren en andere personeelsleden van de Gemeenschappen. Zo hebben zij onder meer nadelige gevolgen teweeg gebracht voor het niveau van sommige pensioenen, en wel die welke in Belgische franken worden uitbetaald aan in Lid-Staten met een zwakke valuta gevestigde ambtenaren.
Ik zal het procesverloop in elk van de drie zaken kort samenvatten.
a)
Zaak 127/80. De heer Vincent Grogan was van 16 november 1973 tot 31 maart 1975 als ambtenaar in de rang van directeur bij de Commissie werkzaam. Bij besluit van het tot aanstelling bevoegde gezag van 25 maart 1975 werd hij overeenkomstig artikel 50 Ambtenarenstatuut van zijn ambt ontheven; bijgevolg had hij, na de in bijlage IV bij het Statuut geregelde vergoeding te hebben genoten, recht op pensioen. Krachtens artikel 45, derde alinea, van bijlage VIII bij het Statuut koos hij toen voor uitbetaling van zijn pensioen in de valuta van het land waar de instelling waartoe hij behoorde, haar zetel heeft, dus in Belgische franken; hij verklaarde zich in Ierland te zullen vestigen.
Bij memorandum van 23 oktober 1979 deelde de Commissie hem mee dat zijn pensioen ingevolge artikel 4 van verordening nr. 3085/78 van BFR 30145 tot BFR 13080 per maand zou worden verminderd; die vermindering zou geleidelijk worden toegepast over een periode van 10 maanden en haar volledige uitwerking hebben vanaf juli 1980. Daarop diende de heer Grogan een administratieve klacht in; toen de Commissie binnen de bij artikel 90 van het Statuut voorgeschreven termijn van vier maanden geen besluit had genomen, stelde hij bij op 27 mei 1980 ter griffie neergelegd verzoekschrift beroep in rechte in bij het Hof. Zijn beroep strekt tot nietigverklaring van het stilzwijgend genomen besluit tot afwijzing van zijn klacht en tot een verklaring voor recht dat de verordeningen nrs. 3085/78 en 3086/78 van de Raad te zijnen aanzien niet-toepasselijk zijn.
b)
Zaak 164/80. De heer Luigi De Pascale, gewezen ambtenaar van de Commissie, vestigde zich na beëindiging van de dienst in Italië en koos voor uitbetaling van zijn pensioen in de valuta van het land waar de instelling waartoe hij behoorde, haar zetel heeft, dus in Belgische franken. Bij brief van 19 oktober 1979 — waaraan een aantal circulaires met gelijkaardige inhoud doch van algemene strekking, zoals die van 12 juli 1979, waren voorafgegaan — deelde de Commissie hem mee dat zijn pensioen op grond van verordening nr. 3085/78 door toepassing van geleidelijke verminderingen over de tijdsspanne van oktober 1979 tot juli 1980 van BFR 72850 tot BFR 34910 zou worden teruggebracht. Daarop diende de Pascale een administratieve klacht in met het verzoek dat de verordeningen nrs. 3085/78 en 3086/78 niet te zijnen opzichte zouden worden toegepast, hem derhalve hetzelfde pensioen zou worden uitbetaald als hem vóór de inwerkingtreding van die verordeningen was toegekend, en in ieder geval alle passende maatregelen zouden worden genomen opdat hij geen schade zou lijden. Toen de administratie na het verstrijken van de door het Statuut voorgeschreven termijn van vier maanden niet had geantwoord, stelde De Pascale bij op 14 juli 1980 neergelegd verzoekschrift beroep in rechte in tegen de Commissie. Hij verzoekt het Hof de verordeningen nrs. 3085/78 en 3086/78 te zijnen opzichte niet-toepasselijk te verklaren, de besluiten krachtens welke zijn maandelijkse pensioenuitkering geleidelijk is verminderd, nietig te verklaren en verweerster te gelasten hem als schadevergoeding de bedragen te betalen die hem sedert oktober 1979 te weinig zijn uitgekeerd.
c)
Zaak 167/80. Op het verloop van deze zaak ben ik reeds ingegaan in mijn conclusie van 14 mei 1981 in de zaken 153/79 e. a. (Bowden e. a., Jurispr. 1981, blz. 1512). ik kan dan ook volstaan met eraan te herinneren dat de heer Dunstan Curtis, gewezen ambtenaar van het Europees Parlement en woonachtig in het Verenigd Koninkrijk, op 18 juli 1980 beroep in rechte heeft ingesteld tegen de Commissie en het Parlement strekkende tot, primair, een verklaring voor recht dat de verordeningen nrs. 3085/78 en 3086/78 te zijnen opzichte niet-toepasselijk zijn öp grond dat zij onwettig zijn, en, subsidiair, nietigverklaring van de mededeling van de Commissie van 22 oktober 1979 — waarbij hem ter kennis werd gebracht dat zijn pensioen met ingang van diezelfde maand in 10 trappen van BFR 19351 tot BFR 8398 zou worden verminderd — en/of het (stilzwijgend genomen) besluit tot afwijzing van de twee klachten, door hem ingediend tegen die mededeling én de daaraan voorafgaande circulaire van de Commissie van 12 juli 1979. Bij arrest van 4 juni 1981 (zaak 167/80, Curtis, Jurispr. 1981, blz. 1499) heeft het Hof het beroep, voor zover tegen de Commissie ingesteld, niet-ontvankelijk en, voor zover tegen het Parlement gericht, ontvankelijk verklaard. Bijgevolg moet de behandeling van de zaak nu ten gronde worden voortgezet.
2.
In mijn conclusie van 14 mei 1981 heb ik de verschillende problemen die ingevolge de verordeningen nrs. 3085 en 3086/78 zijn gerezen, geanalyseerd. Ik moge dan ook naar deze analyse verwijzen voor wat betreft het normatieve kader waarbinnen onder meer ook de onderhavige zaken zijn te situeren. Hier zal ik vooral stilstaan bij de bepalingen die rechtstreeks of indirekt de pensioenen raken.
Vooreerst zij eraan herinnerd, dat op grond van artikel 45, derde alinea, van bijlage VIII bij het Ambtenarenstatuut de pensioenuitkeringen „naar keuze van de belanghebbenden (worden) verricht in de valuta van hun land van herkomst, van het land waar zij verblijfplaats hebben of van het land van vestiging van de zetel der instelling waartoe de ambtenaar behoorde; een eenmaal gedane keuze geldt voor ten minste twee jaar”. Deze bepaling moet worden gezien in samenhang met artikel 82, lid 1, tweede alinea, van het Statuut, bepalende dat op de pensioenen „voor het land van de Gemeenschappen waar de pensioengerechtigde verklaart zich te zullen vestigen een aanpassingscoëfficiënt (wordt) toegepast, vastgesteld overeenkomstig de artikelen 64 en 65, lid 2”. Voorts bepaalt artikel 64, eerste alinea, dat „op de bezoldiging van de ambtenaar, uitgedrukt in Belgische franken, ... een aanpassingscoëfficiënt van meer dan, minder dan of gelijk aan 100 % (wordt) toegepast, naar gelang van de levensomstandigheden in de verschillende plaatsen van tewerkstelling”; de aanpassingscoëfficiënt, van toepassing op de bezoldigingen van de amb- tenaren die in de voorlopige zetels der Gemeenschappen (Brussel of Luxemburg) zijn tewerkgesteld, is daarbij (op 1 januari 1962) op 100 % vastgesteld. Voorts bepaalt artikel 65, lid 2, dat „bij aanzienlijke wijziging van de kosten van levensonderhoud... de Raad... (beslist) welke maatregelen tot wijziging van de aanpassingscoëfficiënten dienen te worden getroffen en, zo nodig, of dit met terugwerkende kracht dient te geschieden”. Het Hof heeft reeds verduidelijkt dat de coëfficiënt waarvan in artikel 64 sprake is, ertoe strekt alle ambtenaren ongeacht hun plaats van tewerkstelling dezelfde koopkracht te waarborgen, terwijl de in artikel 65 bedoelde coëfficiënt een middel is om de bezoldigingen van alle ambtenaren aan te passen teneinde de wijzigingen van de kosten van levensonderhoud op te vangen (arresten van 13 juli 1978, zaak 114/77, Jacquemart, Jurispr. 1978, blz. 1697, en 19 november 1981, zaak 194/80, Benassi, nog niet gepubliceerd).
Krachtens artikel 82, lid 1, tweede alinea (in fine), worden de pensioenen „uitbetaald op de wijze die in artikel 63 is bepaald voor de uitbetaling van de bezoldigingen”. Er zij aan herinnerd dat artikel 63, in de vóór verordening nr. 3085/78 geldende versie, bepaalde dat, aangezien de bezoldigingen worden uitgedrukt in Belgische franken, de betalingen in een andere valuta dan de Belgische frank zouden worden verricht op basis van de door het Internationale Monetaire Fonds aanvaarde pariteiten; dat waren toentertijd die welke op 1 januari 1965 van kracht waren. Die waarden verschilden aanzienlijk van de huidige; men bedenke slechts dat de verhouding tussen de Belgische frank en de lire 1 op 12 bedroeg (nu ongeveer 1 op 32). Teneinde te voorkomen dat die wisselkoersen een nadelige invloed hadden op de pensioenen uitbetaald in andere valuta's dan de Belgische frank — die ingevolge de devaluatie sterk waren verzwakt —, nam de Raad zijn toevlucht tot een voorlopige oplossing, te weten de vaststelling van zeer hoge aanpassingscoëfficiënten voor de landen met een zwakke valuta; aldus werden voor een gepensioneerde die verklaarde zich in Italië te zullen vestigen en voor uitbetaling in de valuta van zijn verblijfplaats, dus in lires, koos, de gevolgen van de nadelige wisselkoers gecompenseerd door een coëfficiënt die ver boven de 100 lag. Een zo hoge coëfficiënt was echter een anomalie en leidde tot een distorsie, in zoverre de in artikel 64 bedoelde coëfficiënten, waarmee een aanpassing naar gelang van het geografische gebied werd beoogd, daardoor een geheel andere functie kregen, namelijk het corrigeren van de gevolgen van de bij artikel 63 voorgeschreven toepassing van de niet langer met de werkelijkheid strokende IMF-pariteiten; met andere woorden, voor de Lid-Staten met lagere kosten van levensonderhoud kwam de coëfficiënt op een hoger niveau te liggen dan voor de landen met hogere kosten van levensonderhoud. In de gevallen waarin een gepensioneerde niet alleen verklaarde zich in een Lid-Staat met een zwakke valuta te willen vestigen, doch tevens voor uitbetaling in de valuta van dat land koos, beantwoordde het resultaat van de onjuiste aanwending van de aanpassingscoëfficiënt niettemin aan de gedachte dat die gepensioneerden hetzelfde pensioen moesten ontvangen als die welke in Lid-Staten met een sterke valuta waren gevestigd en in die valuta werden uitbetaald.
Er bestond echter een andere mogelijkheid, waarvan op grotere schaal gebruik werd gemaakt: een gepensioneerde kon overeenkomstig artikel 45, derde alinea, van bijlage VIII kiezen voor uitbetaling in de valuta van het land van de zetel der instelling waartoe hij had behoord, en tegelijkertijd op grond van artikel 82, lid 1, van het Statuut verklaren zich in een land met een hoge inflatiegraad (gelijk Italië, het Verenigd Koninkrijk of Ierland) te willen vestigen. In dat geval kreeg de betrokkene zijn pensioen onmiddelijk in een sterke valuta uitbetaald, waardoor hij ontsnapte aan de nadelige gevolgen van de voorgoed achterhaalde IMF-pariteiten, terwijl op zijn pensioen bovendien — naar gelang van zijn vooraf gekozen woonplaats — een aanpassingscoëfficiënt van meer dan 100 werd toegepast, zodat het bedrag daarvan achteraf toenam. Als gevolg daarvan kon een in Italië of het Verenigd Koninkrijk gevestigde gepensioneerde een pensioen ontvangen waarvan de werkelijke waarde ongeveer 50 % hoger lag dan van dat van zijn collega die recht had op hetzelfde basispensioen, doch had verklaard zich in België of Luxemburg te zullen vestigen.
Aan deze hoogst ongewone situatie, die het gevolg was van een regeling waaruit sommige gepensioneerden aanzienlijk meer voordeel konden halen dan andere, kwam een einde met de inwerkingtreding van de verordeningen nrs. 3085/78 en 3086/78. Door de eerste werden, zoals bekend, de oude IMF-pariteiten vervangen door de voor de uitvoering van de algemene begroting der Gemeenschappen gehanteerde wisselkoersen, zulks door wijziging van artikel 63, tweede alinea, Ambtenarenstatuut, betreffende de in een andere valuta dan de Belgische frank uitbetaalde bezoldigingen (en — ingevolge de in artikel 82, lid 1, vervatte verwijzing — pensioenen). Tegelijkertijd werden bij verordening nr. 3086/78 de voor de verschillende geografische gebieden geldende aanpassingscoëfficiënten in dier voege gewijzigd dat werd aangeknoopt bij de aan artikel 64 van het Statuut ten grondslag liggende gedachte, en werden derhalve voor de landen met hogere kosten van levensonderhoud dan België en Luxemburg coëfficiënten van meer dan 100 en voor de landen met lagere kosten van levensonderhoud coëfficiënten van minder dan 100 vastgesteld. Vanzelfsprekend bracht het nieuwe stelsel een aanzienlijke pensioenvermindering mee voor diegenen die onder het vroegere stelsel de hierboven beschreven voordelen hadden genoten. Teneinde de gevolgen van die vermindering te matigen bepaalde artikel 4 van verordening nr. 3085/78 dat „voor de pensioenen en bezoldigingen waarvan het nettobedrag een vermindering [onderging] ten opzichte van de toepassing van het [vroegere] stelsel”, de nieuwe regeling „eerst met ingang van 1 oktober 1979 van toepassing [zou zijn]” en dat „met ingang van die datum het verschil tussen de nettobedragen zoals die [voortvloeiden] uit de toepassing van [die] verordening, en die welke in de maand september 1979 [werden] ontvangen, met 1/10 per maand [zou worden] verminderd”.
3.
De drie zaken 127/80, 164/80 en 167/80 kunnen ongetwijfeld samen ten gronde worden behandeld, aangezien alle verzoekers, door de individuele uitvoeringsbesluiten te betwisten, voornamelijk een uitspraak beogen te verkrijgen over de vraag of de verordeningen nrs. 3085/78 en 3086/78 te hunnen opzichte toepasselijk zijn. Bovendien brengen Grogan, De Pascale en Curtis tegen die verordeningen grotendeels dezelfde grieven in. Volgens verzoekers zijn de bepalingen op grond waarvan hun pensioenuitkeringen met ingang van oktober 1979 werden verminderd, om verschillende redenen aanvechtbaar, te weten :
a)
schending van wezenlijke vormvoorschriften;
b)
schending van verschillende algemene beginselen (of beweerde beginselen) van de communautaire rechtsorde (het beginsel van onaantastbaarheid van verworven rechten, het beginsel dat het gewettigd vertrouwen bescherming verdient, het gelijkheidsbeginsel, het beginsel dat op de pensioenen van de ambtenaren der Gemeenschappen niet mag worden gekort en tenslotte het beginsel volgens hetwelk de administratie de fundamentele voorwaarden van de dienstbetrekking heeft te eerbiedigen);
c)
misbruik van bevoegdheid;
d)
schending van statutaire bepalingen.
4.
Er zou in twee opzichten sprake zijn van schending van wezenlijke vormvoorschriften: de verordeningen nrs. 3085/78 en 3086/78 zouden volgens een onregelmatig te achten procedure tot stand zijn gekomen (met name zouden het Parlement, het Hof van Justitie, het Economisch en Sociaal Comité, de Rekenkamer, het Comité voor het Statuut en het personeelscomité niet zijn geraadpleegd) en niet voldoende met redenen zijn omkleed. Deze grieven heb ik reeds in voornoemde conclusie van 14 mei 1981 onderzocht, en ik heb toen als mijn mening te kennen gegeven dat deze twee verordeningen volgens een volstrekt regelmatige procedure zijn tot stand gekomen. Ik had de betrokken regeling toen echter bekeken uit het oogpunt van haar gevolgen voor de kosten verbonden aan de overmakingen door ambtenaren van de Gemeenschappen van een deel van hun bezoldiging naar andere landen. Bijgevolg is het wenselijk dat ik hier opnieuw op bovenvermelde vormgebreken inga, doch nu met bijzondere aandacht voor de wijzigingen van de pensioenregeling.
A —
Met betrekking tot de grief dat het Europees Parlement niet zou zijn geraadpleegd, zij vooraf opgemerkt dat die raadpleging enkel verplicht was voor verordening nr. 3085/78, waarbij twee bepalingen van het Ambtenarenstatuut zijn gewijzigd, te weten artikel 63 en artikel 17 van bijlage VIL Volgens artikel 24 van het Verdrag tot instelling van één Raad en één Commissie welke de Europese Gemeenschappen gemeen hebben en artikel 10, tweede alinea, van het Statuut moet het Parlement immers worden gehoord over elk voorstel tot wijziging van het Statuut. Daarentegen behoefde het Parlement niet te worden geraadpleegd over verordening nr. 3086/78, aangezien deze slechts uitvoering gaf aan statutaire voorschriften, met name die betreffende de aanpassingscoëfficiënten.
Op welke argumenten berust nu het betoog dat het Parlement niet zou zijn geraadpleegd? Verzoekers (en met name de raadsman van De Pascale) voeren in de eerste plaats aan dat het Parlement is gehoord over een voorstel tot wijziging van het Statuut dat aanmerkelijk verschilde van de op 21 december 1978 vastgestelde tekst, en wel over het door de Commissie op 1 april 1977 bij de Raad ingediende voorstel (zie PB C 99 van 22 april 1977, blz. 5) houdende invoering van de Europese rekeneenheid in het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen en in de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden. Huns inziens had over het nieuwe voorstel van 1978 een aparte raadpleging moeten plaatsvinden. Op dit punt zij het mij toegestaan te verwijzen naar mijn uiteenzettingen in mijn conclusie van 14 mei laatstleden (paragraaf 20) en er nogmaals op te wijzen dat de technische oplossing van verordening nr. 3085/78, inhoudende dat bij de uitbetaling van de bezoldigingen en pensioenen aan de ambtenaren niet de Europese rekeneenheid maar de voor de begroting van de Gemeenschappen gehanteerde wisselkoersen worden toegepast, economisch gesproken geen wijziging heeft gebracht in de regeling betreffende de in andere valuta's dan de Belgische frank uitbetaalde pensioenen. Met andere woorden, de nadelige invloed die de nieuwe pariteiten (tezamen met de nieuwe aanpassingscoëfficiënten) op sommige pensioenen hebben gehad, zou zich ook hebben voorgedaan indien de Europese rekeneenheid was ingevoerd.
Verzoekers (en met name de raadsman van Curtis) betogen voorts dat d Commissie in 1977, bij indiening van haar eerste voorstel tot wijziging van het Statuut, het Parlement onvoldoende en op misleidende wijze zou hebben ingelicht door te verzekeren dat de nieuwe regeling inzake de wisselkoersen voor de ambtenaren geen verlaging van bezoldiging inhield.
In het algemeen zij opgemerkt dat de Commissie door de enkele indiening van haar voorstellen voor normatieve handelingen bij het Parlement, dit laatste in staat stelt zijn raadgevende functie uit te oefenen. Bijgevolg kan mijns inziens niet worden aangenomen dat de toelichtingen van de Commissie en haar mogelijke uitlatingen omtrent de van een bepaald voorstel te verwachten gevolgen en implicaties (dan wel het feit dat zij geen behoorlijke toelichtingen verstrekt of zich over die gevolgen niet uitspreekt) dermate doorslaggevend kunnen zijn, dat het Parlement daardoor de mogelijkheid wordt ontnomen een valabel advies over de aan deze instelling voorgelegde tekst uit te brengen. Het staat vanzelfsprekend aan de geraadpleegde instelling, aan de hand van het bij haar ingediende voorstel de gevolgen van een normatieve handeling te beoordelen; zo deze zich van bepaalde gevolgen geen rekenschap geeft, dan kan zulks stellig niet als een vormgebrek worden beschouwd. Er zij bovendien aan herinnerd dat het Parlement over de nodige technische middelen beschikt om zich op de hoogte te stellen van de draagwijdte en de gevolgen van de voorstellen waarover het om advies wordt verzocht: artikel 39, lid 4, van het Reglement van het Parlement, in de versie van 12 maart 1979, bepaalt immers dat met instemming van het Bureau elke commissie een of meer van haar leden met een studie- of informatieopdracht kan belasten, terwijl volgens artikel 40, lid 2, benevens de Commissie en de Raad ook andere personenen (klaarblijkelijk worden daarmee deskundigen bedoeld) op de commissievergaderingen kunnen worden uitgenodigd en daar het woord mogen voeren.
Nu dit preliminaire punt is opgehelderd, lijkt het mij niettemin nuttig na te gaan of voormelde bewering van verzoeker juist is, dat wil zeggen of en zo ja in welke mate de Commissie het Parlement heeft misleid omtrent de gevolgen van haar voorstel waaruit later verordening nr. 3085/78 is ontstaan, waardoor het Parlement zich geen rekenschap kon geven van de bijzondere nadelige gevolgen die dat voorstel voor sommige gepensioneerden zou hebben.
Twee omstandigheden staan buiten kijf. Eerst en vooral dat de heer Tugendhat, lid van de Commissie, zich bij de bespreking van het voorstel voor verordening nr. 3085/78 in het Parlement niet heeft uitgelaten over het onderhavige probleem: tijdens de zitting van 7 juli 1977 verklaarde deze dat met het nieuwe stelsel „financiële neutraliteit” werd beoogd (PB bijlage nr. 219, juli 1977, volledig verslag van de zitting van 4-8 juli 1977, blz. 289), doch hij maakte geen gewag van de gevolgen die dat stelsel zou hebben voor het niveau van de pensioenen en met name voor de situatie van de in Lid-Staten met een zwakke valuta gevestigde gepensioneerden die voor uitbetaling in Belgische franken kozen. In de tweede plaats staat vast, dat de Commissie de verzekering gaf dat haar voorstel — wat betreft de werkelijke waarde van de bezoldigingen, pensioenen en vergoedingen — in geen enkel opzicht nadelig zou zijn voor de ambtenaren en andere personeelsleden; verwijzingen naar die toezeggingen zijn zowel te vinden in het verslag van de heer Cointat namens de Commissie voor de begrotingen (doe. 218/77 van 7 juli 1977, EP 49 101/def., punt 13) als in de considerans van de resolutie houdende advies van het Parlement inzake het voorstel van de Commissie (PB C 183 van 1 augustus 1977, blz. 55, vijfde overweging).
Uit andere omstandigheden blijkt evenwel dat het Parlement op de hoogte was gebracht van de wijze waarop de voorgestelde nieuwe regeling het niveau van een bepaalde categorie pensioenen zou gaan beïnvloeden. Bij voornoemd verslag van de heer Cointat is een bijlage (I) gevoegd waarin een tabel voorkomt met een „vergelijking tussen de pensioenen berekend volgens de huidige statutaire bepalingen en die volgens de ontwerpverordening van de Raad COM(77) 43 def”. In die tabel wordt de situatie onderzocht van de in landen met een zwakke valuta gevestigde gepensioneerden die krachtens artikel 45 van bijlage VIII bij het Statuut voor uitbetaling in de valuta van het land van hun verblijfplaats kozen; daaruit blijkt dat voor hen de nieuwe regeling niet tot vermindering van hun pensioen zou leiden. In de aantekeningen bij die tabel wordt sub b wel gezegd dat, „[indien]... betaling in andere valuta dan die van het land van inwoning (wordt) verricht, ... het belang dat inherent is aan de keuze krachtens artikel 45 van bijlage VIII van het Statuut (vervalt).” Aldus had de rapporteur van de Commissie voor de begrotingen gewezen op de nadelige gevolgen van het nieuwe stelsel voor het niveau van de pensioenen van in landen met een hoge inflatiegraad gevestigde gepensioneerden die voor uitbetaling in Belgische franken kozen. Voorts moet worden opgemerkt dat het Parlement zich terdege bewust was van de gelijktijdige wijziging van de geografische aanpassingscoëfficiënten en de gevolgen die dat zou hebben: in het rapport Cointat wordt immers sub 10 gepreciseerd dat de aanpassingscoëfficiënten in dier voege moesten gewijzigd, dat zij „[zouden terugkeren] naar [hun] oorspronkelijke bestemming als graadmeter voor de stijging van de kosten van levensonderhoud, en niet voor koersschommelingen.” Diezelfde gedachte vinden wij later terug in de considerans van voornoemde resolutie van het Parlement: in de vierde overweging daarvan wordt onder meer gesteld dat „de invoering van de Europese rekeneenheid het mogelijk maakt af te zien van het gebruik van aanpassingscoëfficiënten om de muntpariteiten te corrigeren” en dat „deze voortaan, zoals oorspronkelijk ook de bedoeling was, voornamelijk zullen dienen om rekening te houden met de stijging van de kosten van levensonderhoud.”
Volgens mij zijn ook bepaalde passages uit de tussenkomst van de heer Lange tijdens bedoeld parlementair debat van belang. Tijdens de bespreking van de toelichtingen van de Commissie betreffende de gevolgen van het voorstel tot invoering van een nieuwe berekeningsmethode voor bezoldigingen en pensioenen, vestigde deze de aandacht op de tabellen van de bedragen uitgekeerd aan gewezen ambtenaren van gelijke rang, voorkomende op bladzijde 14 (pensioentabel) en bladzijde 15 (tabel van afvloeiingsvergoedingen) van het rapport Cointat, waarbij hij opmerkte dat de nieuwe bedragen rekening hielden met de verschillen in koopkracht tussen de verschillende valuta's (zie het voornoemde volledig verslag van de zitting van het Europees Parlement van 4-8 juli 1977, blz. 288), en niet naliet te wijzen op de distorsies die onder het vroegere stelsel mogelijk waren; in dat verband verklaarde hij: „... bepaalde manipulaties die op grond van de vroegere rekeneenheid, die... op het niveau van 1965 was gebaseerd, mogelijk waren, zijn streng uitgesloten. Er waren immers via verschillende valuta's grappige manipulaties mogelijk. Dat heeft tot ongewenste dingen geleid.”
Tenslotte zou ik nog willen opmerken dat het niet behoeft te verbazen dat dit bijzondere aspect van de hervorming niet grondig is besproken. In de eerste plaats was de nieuwe regeling daadwerkelijk neutraal voor een groot aantal pensioenen, namelijk die welke in Belgische franken worden uitbetaald aan hetzij in België of in Luxemburg hetzij in andere Lid-Staten met een sterke valuta gevestigde gepensioneerden, en al die welke in de plaatselijke valuta worden uitgekeerd aan pensioengerechtigden die in andere landen dan België of Luxemburg woonachtig zijn. Niettegenstaande de wijziging van de pariteiten en aanpassingscoëfficiënten, ontvingen de tot deze categorieën behorende gepensioneerden — uitgedrukt in termen van koopkracht — hetzelfde pensioen als vóór de inwerkingtreding van de nieuwe regeling. In de tweede plaats leidde de vroegere regeling, Waaronder de in landen met een hoge inflatiegraad gevestigde gepensioneerden een veel hoger pensioen konden krijgen dan die woonachtig in België of Luxemburg, tot een ernstige distorsie, waarvan de wettigheid (zij het slechts in het licht van het gelijkheidsbeginsel) ernstig in twijfel kan worden getrokken.
B —
De Raadsman van Curtis heeft zich beklaagd over een ander gebrek, namelijk dat het Hof van Justitie niet zou zijn geraadpleegd. Dit verwijt berust op de gedachte dat het Hof zou zijn gehoord over een voorstel voor een verordening dat aanzienlijk verschilde van de in 1978 vastgestelde tekst, zodat opnieuw tot raadpleging had moeten zijn overgegaan. Deze grief is inhoudelijk dezelfde als die welke in verband met de raadpleging van het Parlement naar voren is gebracht. Ik kan derhalve volstaan met te herhalen dat tussen het in 1977 voor advies bij de bevoegde instellingen ingediende ontwerp en het vervolgens in 1978 aangenomen ontwerp geen zodanige verschillen bestonden, dat de raadplegingsprocedure had moeten worden herhaald.
C —
Verzoekers (en met name de raadslieden van Curtis en De Pascale) betogen dat verordening nr. 3085/78 gebrekkig is op grond dat het Economisch en Sociaal Comité en de Rekenkamer niet zijn geraadpleegd. Zij beroepen zich op artikel 24 Fusieverdrag, bepalende dat „de Raad... met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, op voorstel van de Commissie en na raadpleging van de andere betrokken Instellingen, het statuut (vaststelt) van de ambtenaren... alsmede de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden...” De verwijzing naar de „andere betrokken instellingen” die vóór de vaststelling of wijziging van statutaire voorschriften moeten worden geraadpleegd, heeft volgens verzoekers ook betrekking op het Economisch en Sociaal Comité en de Rekenkamer.
Deze stelling kan niet worden aanvaard. De hypothese dat de term „instellingen” — die in de Verdragen tot oprichting van de Gemeenschappen uitsluitend ter aanduiding van de Raad, de Commissie, het Parlement en het Hof van Justitie wordt gebezigd — in casu zou kunnen slaan op alle organen die binnen de Gemeenschappen personeel in'dienst hebben, heb ik reeds in mijn conclusie van 14 mei 1981 gekritiseerd en verworpen. Ik heb toen verklaard dat „men door zulk een uitlegging de letter [van deze bepaling] geweld [zou aandoen], zonder dat systematische of met de doelstelling van genoemd artikel verband houdende redenen haar vermogen te rechtvaardigen” en voorts opgemerkt dat redelijkerwijze alleen aan de communautaire instellingen sensu stricto een bijzondere rol kan zijn toegekend, wanneer het om de vaststelling en herziening van het Ambtenarenstatuut gaat. Ik blijf bij deze opvatting, temeer daar partijen geen argumenten hebben aangevoerd die mij ertoe zouden nopen op mijn zienswijze terug te komen.
De raadsman van De Pascale heeft getracht te steunen op het adjectief „betrokken” dat naast het substantief „instellingen” wordt gebezigd; in de context van voornoemd artikel 24 dienen zijns inziens alle instellingen die ambtenaren in dienst hebben, als „betrokken” instellingen te worden beschouwd. Bijgevolg zouden het Economisch en Sociaal Comité en de Rekenkamer, die immers ook over eigen personeel beschikken, op gelijke voet moeten worden gesteld met de instellingen sensu stricto, die in de Verdragen als zodanig zijn aangeduid. Deze stelling kan mijns inziens echter niet worden aanvaard. Zij heeft het nadeel dat aan het adjectief „betrokken” een dermate overdreven belang wordt gehecht, dat door een bepaalde uitlegging van die term afbreuk zou worden gedaan aan de technische betekenis van de term „instellingen” zoals die uit de tekst van de Verdragen is af te leiden. Het komt mij voor dat, waar in artikel 24 sprake is van raadpleging der betrokken instellingen, aan die gevallen is gedacht waarin het toepassingsgebied van statutaire voorschriften tot één enkele instelling of tot sommige instellingen is beperkt. Als voorbeeld kan worden venvezen naar de regels vervat in titel VIII van het Statuut („Bijzondere bepalingen voor de ambtenaren der wetenschappelijke en technische groepen der Gemeenschappen”), waarin luidens artikel 92, eerste alinea, „bijzondere bepalingen” zijn opgenomen „welke van toepassing zijn op de ambtenaren van de Gemeenschappen, die op het gebied van de kernenergie een ambt bekleden waarvoor wetenschappelijke of technische bekwaamheden worden vereist, en die bezoldigd worden uit kredieten van de begroting voor onderzoek en investeringen.” Het ligt voor de hand dat een eventuele wijziging van de bepalingen van deze titel geen belang zou hebben voor het Hof van Justitie, dat gezien zijn institutionele bevoegdheden geen tot voormelde categorie behorend technisch personeel in dienst heeft; mitsdien zou net Hof niet op grond van artikel 24 behoeven te worden geraadpleegd over voorstellen tot wijziging van het Statuut die op deze bepalingen betrekking hebben. De uitdrukking „betrokken instellingen” moet derhalve worden uitgelegd aan de hand van het criterium dat, voor wat betreft bepaalde statutaire voorschriften, het aantal in gevalvan wijziging te raadplegen instellingen beperkt kan zijn. Deze uitlegging verdient mijns inziens zonder meer de voorkeur, omdat zij er rekening mee houdt dat het belang van een instelling bij een eventuele raadpleging afhangt van de inhoud van de te wijzigen regels, en aldus het voordeel biedt dat zowel de technische betekenis van de term „instellingen” in de context van de Verdragen als de letterlijke betekenis van de uitdrukking „betrokken” worden geëerbiedigd.
De raadsman van De Pascale heeft voorts aangevoerd dat de regeling inzake de aanpassing der Verdragen, neergelegd in titel I („Institutionele bepalingen”) van het tweede deel van de Akte betreffende de voorwaarden voor de toetreding van Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland tot de Gemeenschappen en de aanpassing der Verdragen, niet alleen betrekking heeft op de vier instellingen sensu stricto, doch ook op andere organen en met name het Economisch en Sociaal Comité, het Raadgevend Comité EGKS en het Wetenschappelijk en Technisch Comité. Dit zou betekenen dat, voor wat betreft het primaire gemeenschapsrecht — waartoe benevens de oprichtingsverdragen stellig ook de toetredingsakte behoort — het Economisch en Sociaal Comité als een „instelling” wordt beschouwd.
Dit argument kan échter de toets van een kritische beoordeling niet doorstaan. In de eerste plaats duidt de titel „Institutionele bepalingen” niet noodzakelijkerwijze op bepalingen betreffende de instellingen: deze uitdrukking is redelijkerwijze veeleer uit te leggen in de zin van bepalingen betreffende de institutionele aspecten, dat wil zeggen de structuur en de organisatie van de Gemeenschappen. Dat deze laatste uitlegging juist is vindt bevestiging in de omstandigheid dat in titel I, zoals gezegd, ook bepalingen betreffende het Raadgevend Comité EGKS en het Wetenschappelijke en Technische Comité voorkomen; het zou beslist overdreven zijn te stellen dat die twee comités, die binnen de communautaire organisatie een beperkte en duidelijk omschreven functie hebben, als „instellingen” op gelijke voet met de Commissie, het Parlement, de Raad en het Hof kunnen worden aangemerkt.
In de tweede plaats moet worden herinnerd aan de recente wijziging van artikel 1 van het Statuut bij verordening nr. 1376/77 van de Raad van 21 juni 1977, die aan dat artikel een tweede alinea heeft toegevoegd, inhoudende dat „tenzij anders is bepaald, ... het Economisch en Sociaal Comité en de Rekenkamer voor de toepassing van dit Statuut (worden) gelijkgesteld met de instellingen der Gemenschappen.” Gelijk ik heb opgemerkt in mijn conclusie van 14 mei 1981, blijkt hieruit dat „toen de communautaire wetgever meende dat bepaalde lichamen met de instellingen van de Gemeenschap moesten worden gelijkgesteld, hij zich heeft bediend van speciale bepalingen, waarin die gelijkstelling tot een bepaalde normatieve context beperkt bleef; hieraan mag de conclusie worden verbonden dat, wanneer er in de primaire of afgeleide bronnen van gemeenschapsrecht van „instellingen” sprake is, bij gebreke van bepalingen ad boe, wordt gedoeld op hetgeen in de Verdragen zo wordt genoemd.”
Derhalve ben ik van oordeel dat de omstandigheid dat het Economisch en Sociaal Comité en de Rekenkamer niet zijn geraadpleegd, niet afdoet aan de rechtsgeldigheid van verordening nr. 3085/78.
D —
Wat betreft het verwijt dat bet Comité voor bet Statuut niet is geraadpleegd, waarover de raadsman van De Pascale zich terloops heeft beklaagd, zij eraan herinnerd dat artikel 10, tweede alinea, van het Statuut bepaalt dat dit Comité (bestaande uit vertegenwoordigers van de instellingen der Gemeenschappen en van de personeelscomités) „door de Commissie [moet worden] geraadpleegd over elk voorstel tot herziening van het statuut”. Deze regel is ongetwijfeld van toepassing op verordening nr. 3085/78, waarbij het Statuut op een aantal punten is gewijzigd; en luidens de considerans van die verordening is bedoeld advies inderdaad verstrekt. Volgens verzoekers had dat advies echter betrekking op een ontwerp dat aanzienlijk verschilde van de in december 1978 vastgestelde tekst, zodat deze laatste het voorwerp van nieuwe raadplegingen had moeten uitmaken. Deze opvatting is reeds verdedigd met betrekking tot het betoog dat het Parlement en het Hof van Justitie niet zouden zijn gehoord, zodat ik kan volstaan met te verwijzen naar hetgeen ik bij het onderzoek van die twee punten heb opgemerkt.
Verordening nr. 3086/78 moet worden gezien in een ander juridisch kader. In mijn conclusie van 14 mei heb ik er reeds op gewezen dat deze verordening „uitvoering (geeft) aan de statutaire voorschriften betreffende de aanpassingscoëfficiënten” en dat „(wij ons hier) in de hiërarchie der communautaire rechtsbronnen.. dus op substatutair niveau (bevinden).” In die omstandigheden was raadpleging van het Comité voor het Statuut niet vereist; wij hebben immers gezien dat artikel 10 van het Statuut uitsluitend de voorstellen tot herziening van het Statuut betoogt. In mijn conclusie van 14 mei heb ik voorts opgemerkt dat een verplichting tot raadpleging van het Comité voor het Statuut evenmin kon worden afgeleid uit artikel 110 van het Statuut, waarin wij lezen dat „de algemene bepalingen ter uitvoering van dit statuut... door elke instelling (worden) vastgesteld na raadpleging van haar personeelscomité en na advies van het comité voor het statuut, bedoeld in artikel 10.” Ik heb er toen de aandacht op gevestigd dat „artikel 10... de algemene bepalingen (betreft) welke de onderscheiden instellingen, om aan het Statuut uitvoering te geven, op eigen terrein hebben vast te stellen..., terwijl [een] verordening... bepalingen geeft die op het personeel van alle instellingen gelijkelijk toepassing moeten vinden.” Ik ben die mening nog steeds toegedaan, zodat ik niet bij dit onderwerp behoef stil te staan.
E —
Wat betreft de stelling dat het personeelscomité niet is geraadpleegd — een ander gebrek waarover de raadsman van De Pascale zich beklaagt —, moet opnieuw de aandacht worden gevestigd op artikel 110 van het Statuut, luidens hetwelk dit comité dient te worden geraadpleegd vóór de vaststelling van de algemene uitvoeringsbepalingen die elke instelling op haar eigen gebied heeft te geven. Daarin is evenwel geen rechtsgrond te vinden voor het betoog dat een zodanige raadpleging ook had moeten plaatsvinden voor de verordeningen nrs. 3085 en 3986; eerstgenoemde verordening bevat immers bepalingen tot wijziging van het Statuut, terwijl bij de tweede uitvoeringsbepalingen zijn vastgesteld, bestemd om op het personeel van alle instellingen gelijkelijk te worden toegepast.
F —
Volgens de raadsman van Curtis is van schending van wezenlijke vormvoorschriften ook sprake voor zover de verordeningen nrs. 3085/78 en 3086/78 niet voldoende met redenen zijn omkleed. Deze grief is mijns inziens evenmin gegrond als de vorige. Blijkens de tweede overweging van verordening nr. 3085/78 „[was] het noodzakelijk... gebleken over te gaan tot wijziging van de bepalingen van het Statuut betreffende de bij de toepassing van het Statuut te gebruiken muntpariteiten.” Mijns inziens voldoet deze redengeving, hoe beknopt ook, aan de in artikel 190 EEG-Verdrag bedoelde motiveringsplicht, hetgeen — gelijk ik reeds in mijn conclusie van 14 mei laatstleden heb opgemerkt — temeer geldt wanneer men de in de considerans vermelde adviezen der geraadpleegde instellingen ernaast legt. Ook verordening nr. 3086/78 is mijns inziens voldoende met redenen omkleed; in dit verband herhaal ik wat ik in mijn vorige conclusie heb opgemerkt, namelijk dat „in de enige overweging van haar considerans wordt gesproken van de wijziging welke de bepalingen van het Statuut betreffende de muntpariteit hadden ondergaan, waardoor ook de aanpassingscoëfficiënten die op de bezoldigingen en de pensioenen van toepassing zijn, dienden te worden aangepast.”
5.
Thans moet worden overgegaan tot onderzoek van verzoekers' betoog dat de verordeningen nrs. 3085/78 en 3086/78 ongeldig zijn wegens schending van algemene beginselen. Verzoekers voeren in de eerste plaats aan dat afbreuk is gedaan aan het beginsel dat verworven rechten moeten worden geëerbiedigd, en wel ten nadele van alle gepensioneerden die onder de oude regeling hadden verklaard zich in een Tand met een zwakke valuta te vestigen en tegelijkertijd voor uitbetaling van hun pensioen in Belgische franken hadden gekozen. Op grond van bedoeld beginsel zouden zij immers recht hebben op behoud van het bedrag dat zij tot de inwerkingtreding van de nieuwe regeling ontvingen. Met andere woorden, verzoekers gaan ervan uit dat zij, toen de betalingsmodaliteiten werden gewijzigd, reeds een definitief recht hadden verkregen op het pensioen dat hun tot dan toe was uitgekeerd, en dat de administratie dit niet mocht verminderen.
Bij het begrip verworven rechten en de uitlegging daarvan in de rechtspraak van het Hof, heb ik reeds stilgestaan in mijn conclusie van 14 mei laatstleden (paragraaf 24). Bijgevolg behoef ik er slechts in het kort aan te herinneren dat van verworven rechten slechts sprake kan zijn, wanneer het feit dat het recht heeft doen ontstaan, zich heeft voorgedaan onder vigeur van een regel die voorafging aan de wijzigingen waartoe het communautair gezag vervolgens is overgegaan. Dit betekent dat bedoeld gezag het Statuut niet met terugwerkende kracht ten nadele van de ambtenaren en gewezen ambtenaren mag wijzigen, doch er kan geenszins uit worden afgeleid dat het niet voor de toekomst wijziging mag brengen in de juridische en economische positie van de ambtenaren en gepensioneerden, zelfs zo dit voor hen nadelig is. Mijns inziens staat buiten kijf dat de betrokken verordeningen enkel voor de toekomst gelden, en dat het feit waaraan de gewezen ambtenaar zijn recht op een bepaalde maandelijkse pensioenuitkering ontleent, zich telkens opnieuw voordoet bij het vervallen van de maandelijkse termijn en derhalve door de op dat ogenblik geldende bepalingen wordt beheerst.
De raadsman van Grogan betoogt dat het recht op een pensioenuitkering een contractuele grondslag heeft: tussen de administratie en de ambtenaren in dienst zou een overeenkomst tot stand zijn gekomen, waarop de pensioenregeling zou berusten. Het zou gaan om een „uit het recht afgeleide overeenkomst” — een rechtsfiguur uit het „common law”-stelsel —, krachtens welke de ambtenaren gehouden zouden zijn bepaalde bijdragen te storten, terwijl de administratie verplicht zou zijn hun bij beëindiging van de dienst een pensioen uit te keren waarvan de hoogte evenredig is aan de som der gestorte bijdragen. Deze rechtsconstructie knoopt aan bij de opvatting dat het pensioen zou tot stand komen door storting van bijdragen, zodat het daaraan zou moeten zijn aangepast.
Mijns inziens is deze stelling echter niet houdbaar. Vast staat dat volgens het Ambtenarenstatuut het bedrag van het pensioen niet wordt vastgesteld op basis van de som der gestorte bijdragen, doch rekening houdende met „het totale aantal... verkregen pensioenjaren” (artikel 2, eerste alinea, van bijlage VIII bij het Statuut) en de bezoldiging bij beëindiging van de dienst (artikel 82, lid 1, eerste alinea van het Statuut). Eventuele wijzigingen van de sociale zekerheidsbijdragen in de loop van de dienstbetrekking hebben geen invloed op het uiteindelijke niveau van het pensioen. Bijgevolg is het mogelijk dat twee ambtenaren, ofschoon de door elk van hen gestorte bijdragen een verschillend totaal opleveren, bij beëindiging van hun respectieve dienst recht hebben op hetzelfde pensioen; daartoe is voldoende dat deze ambtenaren hetzelfde aantal pensioenjaren hebben verworven en bij beëindiging van de dienst dezelfde bezoldiging ontvangen, ongeacht het verloop van hun loopbaan. Deze regeling komt overigens overeen met het in bepaalde Lid-Staten (zoals Frankrijk, Italië, Luxemburg en Nederland) geldende stelsel, waarbij op de bezoldiging van de ambtenaren in overheidsdienst maandelijks bepaalde sociale-zekerheidsbijdragen worden ingehouden, doch het uiteindelijke pensioen niet evenredig is aan de som der ingehouden bijdragen.
De raadsman van Grogan stelt dat zijn zienswijze inzonderheid moet gelden voor een ambtenaar die op grond van artikel 50 van het Statuut om redenen van dienstbelang van zijn ambt is ontheven. Door het op deze bepaling gebaseerde besluit zou Grogan een onveranderlijk recht op de in bijlage IV bij het Statuut bedoelde vergoeding en vervolgens op een pensioen hebben verworven. Ik meen echter niet dat aan de verwijzing naar deze bijzondere situatie een argument tot staving van verzoekers stelling kan worden ontleend. De ontheffing van het ambt onderstelt rechtens immers geen wilsovereenstemming tussen de administratie en de ambtenaar; het gaat juist om een duidelijke uiting van de suprematie van de administratie in haar betrekkingen met de personeelsleden, aangezien aldus elke instelling, door een handeling waarover zij vrij beslist, de dienstbetrekking voortijdig kan beëindigen. De omstandigheid dat ten gunste van de ambtenaar in een bijzondere geldelijke compensatie (de tijdelijke vergoeding) is voorzien, doet niet af aan het feit dat de procedure van artikel 50 de administratie de mogelijkheid biedt, te allen tijde de arbeidsverhouding van ambtenaren van de hoogste rang te beëindigen, voor zover zulks in het belang van de dienst geschiedt. De gedachte dat de wil van de administratie en die van de ambtenaar op gelijke voet zijn te stellen en dat uit hun onderlinge wilsovereenstemming een niet eenzijdig door de administratie te wijzigen pensioenregeling ontstaat, is uiteindelijk dan ook moeilijk in overeenstemming te brengen met de in artikel 50 van het Statuut geregelde ontheffing van het ambt.
6.
Een ander door verzoekers aangevoerd beginsel zou een duidelijker omschreven inhoud hebben, te weten het verbod de pensioenen op enigerlei wijze te verminderen.
In mijn conclusie van 14 mei 1981 (sub 25) heb ik verklaard dat het Statuut geen beginsel bevat volgens hetwelk op de bezoldiging van de ambtenaren níet mag worden gekort. Ik heb toen twee aspecten van artikel 65 Ambtenarenstatuut onderzocht, te weten de aanpassing van de bezoldigingen en de wijziging van de aanpassingscoëfficiënten, waarbij ik tot de conclusie kwam dat bedoelde aanpassing zowel in een verhoging als in een vermindering kan bestaan, terwijl laatstbedoelde wijziging strekt tot behoud van de koopkracht ingeval van verandering van de kosten van levensonderhoud; bijgevolg is in geen van beide gevallen een vermindering der bezoldigingen uitgesloten. Dit geldt eveneens voor de pensioenen, aangezien artikel 65 ingevolge de verwijzing in artikel 82 ook van toepassing is op de pensioenregeling. Voorts zij opgemerkt — en ook hier knoop ik aan bij voornoemde conclusie — dat zelfs indien het Statuut vermindering van de pensioenen verbood, de Raad daar te allen tijde van zou kunnen afwijken, aangezien een verordening in de hiërarchie der rechtsbronnen op hetzelfde niveau staat als het Statuut.
Voorts bevat het gemeenschapsrecht mijns inziens geen algemeen beginsel, gebaseerd op beginselen die de rechtsordes der Lid-Staten gemeen hebben, volgens hetwelk het pensioen van gewezen ambtenaren in overheids- of privédienst niet zou mogen worden verminderd. Onder bepaalde rechtsstelsels kunnen gewezen ambtenaren aanspraak maken op handhaving van hun pensioen op hetzelfde niveau; een dergelijke waarborg bestaat in het Verenigd Koninkrijk, Italië en Luxemburg, terwijl in Denemarken het recht op pensioen en het eigendomsrecht blijkbaar op gelijke voet worden gesteld in die zin dat ook gepensioneerden recht hebben op compensatie wanneer de staat hun een gedeelte van hun pensioen ontneemt. Volgens het recht van de andere Lid-Staten evenwel kan de wetgevende mapht te allen tijde de bestaande regeling wijzigen, zelfs zo dit minder gunstig is voor de gepensioneerden. Mijns inziens is ook de rechtspraak van de Europese Commissie voor de rechten van de mens in dit verband van belang; deze heeft niet alleen verklaard dat het recht op pensioen onder een nationaal stelsel van sociale zekerheid niet behoort tot de door het Europese Verdrag beschermde rechten en vrijheden, doch ook ontkend dat het zou gaan om een vermogensrecht, gelijk te stellen met „eigendom” in de zin van artikel 1 van het Protocol van 20 maart 1952 (zie beslissing op klacht nr. 4130/69, Recueil des Décisions nr. 38, biz. 9). Derhalve is volgens mij geen sprake van een beginsel, gemeen aan het recht van de Lid-Staten, volgens hetwelk een pensioen niet door wetgevende maatregelen mag worden verminderd.
Volgens de raadsman van De Pascale mogen het pensioen en de bezoldiging van de ambtenaren slechts worden verminderd in geval van daling van de kosten van levensonderhoud of indien de instelling zich in een financiële crisissituatie bevindt. Dit beperkend beginsel zou gelden voor de gehele internationale overheidsdienst en dus ook voor het personeel van de Gemeenschappen. Deze stelling is echter ongegrond. Vooreerst zij opgemerkt dat de dienstbetrekking van de ambtenaren der Gemeenschappen door een statutaire regeling wordt beheerst, terwijl die van de ambtenaren van de meeste andere internationale organisaties op overeenkomsten berust: gezien deze verschillende rechtsgrondslag kunnen uit de praktijk van andere organisaties bezwaarlijk beginselen worden afgeleid die ook op het personeel van de Gemeenschappen zouden kunnen worden toegepast. Bovendien wordt niet het bestaan aangetoond van het beginsel waarop De Pascale zich beroept. Er bestaan echter wel bewijzen van het tegendeel, zoals beslissing nr. 285 van het Administratieve tribunaal van de Internationale Arbeidsorganisatie van 4 oktober 1976 in de zaak Watson t. Eurocontrol: in die zaak ging het om een vermindering van het pensioen van een gewezen ambtenaar, en het Tribunaal heeft niet geaarzeld te erkennen dat deze rechtmatig was. Aldus heeft het stilzwijgend maar ondubbelzinnig het bestaan van vorenbedoeld beperkend beginsel ontkend.
7.
Alle verzoekers bestrijden de nieuwe betalingsregeling voor de pensioenen voorts op grond dat daardoor afbreuk zou worden gedaan aan het beginsel van het gewettigd vertrouwen. De gewezen ambtenaren die jarenlang het dubbele voordeel van uitbetaling in een sterke valuta en toepassing van een hoge aanpassingscoëfficiënt hadden genoten, zouden op definitief behoud van dat voordeel hebben gerekend. De in 1978 door de Raad ingevoerde wijzigingen zouden hun vertrouwen hebben geschonden en derhalve onrechtmatig zijn.
In mijn conclusie van 14 mei laatstleden heb ik eraan herinnerd dat volgens de rechtspraak van het Hof „het vertrouvolge wen alleen relevant is, wanneer het op verzekeringen van de wederpartij berust” (zie met name het arrest van 5 juni 1973, zaak 81/72, Commissie t. Raad, Jurispr. 1973, blz. 575). Dit vooropgesteld, kon bij de pensioengerechtigden geen rechtens relevante verwachting groeien door het enkele feit dat de administratie hun eeri bepaald bedrag aan pensioen uitbetaalde; zij dienden te weten dat de communautaire overheid rechtens bevoegd is om de pensioenen te verminderen, aangezien — zoals gezegd — van een recht van ambtenaren op onaantastbaarheid van hun pensioen geen sprake is. Het vertrouwen dat de pensioenen niet zouden worden verminderd had enkel gewettigd kunnen zijn, indien de communautaire overheid de belanghebbenden formeel had verzekerd van haar bedoeling de pensioenen öp het niveau van vóór de in december 1978 ingevoerde wijzigingen te handhaven, dat wil zeggen indien zij zichzelf de beperking had opgelegd geen gebruik te maken van haar bevoegdheid om de pensioenregeling zelfs in peins te wijzigen. Uit niets blijkt echter dat zulks het geval was en het wordt door verzoekers ook niet beweerd.
In dit verband zou ik willen opmerken dat in casu de administratie op grond van de tot december 1978 geldende voorschriften voor de uitbetaling van bezoldigingen en pensioenen geenszins gerechtigd was haar eigen bevoegdheden in vorenbedoelde zin te beperken, dat wil zeggen te beloven dat voornoemd dubbel voordeel ook voor de toekomst zou worden gehandhaafd. Ik heb er reeds op gewezen dat de vóór de inwerkingtreding van de verordeningen nrs. 3085/78 en 3086/78 gevolgde praktijk aanleiding gaf tot onmiskenbare discriminaties: ingebinnen de toepassing van een hoge aanpassingscoëfficiënt op de in sterke valuta's uitbetaalde pensioenen ontvingen de in landen met een zwakke valuta gevestigde gepensioneerden die voor uitbetaling in Belgische franken hadden gekozen, in werkelijkheid hogere pensioenen dan hun in landen met een zwakke valuta woonachtige en in die valuta uitbetaalde collega's. Mijns inziens had de communautaire overheid ook vóór de wijziging van het Statuut bij verordening nr. 3085/78 de met de onjuiste toepassing van de geografische aanpassingscoëfficiënten gepaard gaande ongelijke behandeling kunnen en moeten voorkomen door de statutaire voorschriften toe te passen zonder het hogere gelijkheidsbeginsel uit het oog te verliezen. Dat zulks mogelijk was, vindt indirect bevestiging in voornoemde beslissing nr. 285 van het Administratieve tribunaal van de Internationale Arbeidsorganisatie van 4 oktober 1976 in de zaak Watson t. Eurocontrol.
Zoals bekend is de rechtspositie van de personeelsleden van Eurocontrol, ofschoon contractueel van aard, afgestemd op die van de ambtenaren van de Gemeenschappen: ten tijde van de feiten waarop genoemde zaak betrekking heeft, was derhalve voor de gepensioneerden zowel voorzien in de toepassing van geografische aanpassingscoëfficiënten (die kunstmatig hoog werden gehouden om de aan de IMF-pariteiten gebonden strakke wisselkoersen te corrigeren) als in de mogelijkheid te kiezen voor uitbetaling in een sterke valuta. Indien tegelijkertijd toepassing van de hoge aanpassingscoëfficiënten en uitbetaling in een sterke valuta had plaatsgevonden, zou men bijgevolg ten aanzien van de personeelsleden van Eurocontrol tot dezelfde buitenissige resultaten zijn gekomen als de Gemeenschappen; dat zulks niet geschiedde, is hieraan te danken dat de administratie de gelijktijdige toepassing van die twee regelingen als onrechtmatig beschouwde. Het Administratieve tribunaal van de Internationale Arbeidsorganisatie heeft in voornoemd vonnis erkend dat die keuze in overeenstemming was met het recht; het merkte op dat door de gepensioneerden tegelijkertijd de voordelen van de aanpassingscoëfficiënt en van de voor de uitbetaling gekozen valuta te laten genieten „de in artikel 82 van het Administratieve Statuut bepaalde berekeningswijze grondig zou zijn gewijzigd” (deze bepaling komt overeen met artikel 82 van het Statuut van de ambtenaren der Gemeenschappen). Volgens het Tribunaal had een gepensioneerde derhalve wel het recht in Belgische franken te worden uitbetaald, doch mocht hij van die keuzemogelijkheid niet op zodanige wijze gebruik maken, dat hij een hoger pensioen ontving dan dat berekend volgens de artikelen 82 en 63 (van het Administratieve Statuut). Het verklaarde voorts dat de uitkering in Belgische franken niet hoger mocht zijn dan te tegenwaarde in Belgische franken, berekend tegen de op het ogenblik van de uitbetaling geldende wisselkoers, van het bedrag dat in een zwakke valuta werd uitgekeerd aan de gepensioneerden die voor uitbetaling in deze laatste valuta hadden gekozen. De administratie van de Gemeenschappen daarentegen gaf er blijkbaar de voorkeur aan een kennelijk ongerijmde situatie te laten voortduren (zie onder meer de conclusie van advocaatgeneraal Mayras van 25 februari 1975 in zaak 28/74, Gillet, Jurispr. 1975, blz. 476). Doch juist daarom kon zij bij de pensioengerechtigden geen gewettigd vertrouwen wekken: de door haar gevolgde praktijk druiste te openlijk in tegen het beginsel van gelijke bezoldiging.
Voorts werd op een gegeven ogenblik duidelijk dat de Commissie van plan was een nieuwe betalingsregeling in te voeren om een einde te maken aan de bestaande discriminatie. Het door de Commissie op 1 april 1977 bij de Raad ingediende voorstel tot wijziging van het Ambtenarenstatuut (PB C 99 van 22 april 1977, blz. 5) beantwoordde geheel aan die gedachte: het beoogde immers de afschaffing van de irrealistische IMF-pariteiten en de vervanging ervan door de Europese rekeneenheid. Logischerwijze moest dit gepaard gaan met het prijsgeven van de hoge aanpassingscoëfficiënten die tot dan toe hadden gegolden voor de landen met lage kosten van levensonderhoud; de aanpassingscoëfficiënt behoefde niet meer te worden aangewend als corectief, zoals dat het geval was toen de IMF-pariteiten nog werden aangehouden, en hij kon weer de functie vervullen die er volgens het Statuut aan toekwam, te weten het aanpassen van de pensioenen aan de kosten van levensonderhoud in het land van de verblijfplaats. Aldus zou een einde worden gemaakt aan de voordelen die voordien aan de onjuiste toepassing van de aanpassingscoëfficiënten waren verbonden.
Uit een en ander blijkt dat de vermindering van de pensioenen van degenen die in landen met een zwakke valuta waren gevestigd en voor uitbetaling in Belgische franken hadden gekozen, niet als een verrassing kwam doch integendeel redelijkerwijze voorzienbaar was. Bovendien moet erop worden gewezen dat de Commissie De Pascale bij brief van 21 februari 1978 heeft meegedeeld dat door de beoogde invoering van de Europese rekeneenheid voor de berekening van de bezoldigingen en pensioenen een einde zou komen aan het soms aanzienlijke wisselvoordeel verbonden aan de gelijktijdige toepassing van de voor een bepaald land geldende aanpassingscoëfficiënt en de uitbetaling in de valuta van een ander land, en de omzetting door de begunstigde in de valuta van het land van de verblijfplaats. In dezelfde zin antwoordde de Commissie het Europees Parlement op 12 oktober 1978 op de schriftelijke vraag van de heer Ripamonti (vraag nr. 412/78 van 30 juni 1978, PB C 267 van 10 november 1978, blz. 18); bij die gelegenheid werd erop gewezen dat voor de gepensioneerden „de invoering van de ERE” (die economisch gesproken niet verschilt van de vaststelling van de voor de communautaire begroting gehanteerde pariteiten) „de wisselkoersen actueel [zou] maken. Dit [kon] in sommige gevallen leiden tot een verlaging van pensioenen.” Als reden voor deze verwachte nadelige gevolgen werd voorts uitdrukkelijk gesteld dat „de [toenmalige] situatie ..., gezien de mogelijkheden die het Statuut biedt voor de betaling van de pensioenen, niet voor iedereen dezelfde gevolgen [had].”
De raadsman van Grogan heeft betoogd dat krachtens de artikelen 64, 65 en 82, lid 1, van het Statuut de eigenlijke functie van de aanpassingscoëfficiënten erin bestaat de pensioenen aan te passen aan de veranderingen van de kosten van levensonderhoud in de verschillende landen. Toen de coëfficiënten bij verordening nr. 3086/78 werden gewijzigd, zou echter van twee andere overwegingen zijn uitgegaan, namelijk dat zij niet langer mochten dienen om de distorsies als gevolg van de achterhaalde IMF-pariteiten te corrigeren, en dat rekening moest worden gehouden met de vergelijkbare reële verschillen tussen de prijsniveau's in de onderscheiden Lid-Staten. De bij verordening nr. 3086/78 ingevoerde wijzigingen zouden dan ook in tegenspraak zijn met de eigenlijke functie van de aanpassingscoëfficiënten en neerkomen op schending van het beginsel van het gewettigd vertrouwen, aangezien de coëfficiënten werden verlaagd voor landen waar zich in werkelijkheid geen daling van de kosten van levensonderhoud had voorgedaan.
Het is juist dat de kosten ven levensonderhoud er in landen gelijk Italië en Ierland in 1978 niet minder op zijn geworden, en dat de betrokken aanpassingscoëfficiënten ingevolge verordening nr. 3086/78 desondanks aanzienlijk werden verlaagd. Mijns inziens is door die verlaging het vertrouwen evenwel niet geschonden. Zoals bekend heeft verordening nr. 3086/78 enkel de geografische aanpassingscoëfficiënt weer de functie gegeven die deze volgens het Statuut oorspronkelijk had, door een ingrijpende wijziging die noodzakelijk was geworden na de actualisering van de wisselkoersen ingevolge de herziening van artikel 63 van het Statuut. Bijgevolg kan redelijkerwijze niet worden betoogd dat de gepensioneerden staat maakten op de juiste toepassing van de artikelen 64 en 65: het gaat niet op, bepaalde voorschriften in te roepen en daaruit tegelijkertijd voordelen te willen halen die niet met het doel van die voorschriften in overeenstemming zijn te brengen. Volgens artikel 65 kunnen de aanpassingscoëfficiënten weliswaar alleen bij wijziging van de kosten van levensonderhoud worden aangepast, doch wij mogen niet vergeten dat de bij verordening nr. 3086/78 gewijzigde coëfficiënten niets uitstaande hadden met de compenserende functie die volgens het Statuut aan dat instrument toekomt, doch eenvoudig dienden om bij wijze van overgangsmaatregel de buitensporige gevolgen van de in 1965 vastgestelde IMF-pariteiten te corrigeren.
Gezien het voorgaande kan mijns inziens niet worden gesteld dat verzoekers door de administratie in de waan zijn gebracht dat de regeling inzake de uitbetaling van de pensioenen ongewijzigd zou worden gehandhaafd. Volgens mij kunnen de verordeningen nrs. 3085/78 en 3086/78 dan ook niet worden bestreden op grond dat zij het vertrouwen van de gepensioneerden in behoud van de vroegere regeling zouden hebben geschonden; zelfs zo dat vertrouwen bij hen leefde, miste het klaarblijkelijk elke rechtsgrondslag.
8.
Volgens De Pascale en Grogan zijn de verordeningen nrs. 3085/78 en 3086/78 eveneens ongeldig wegens schending van het gelijkheidsbeginsel. In dit verband voeren zij vooreerst aan dat onder de bij deze verordeningen ingevoerde regeling het bedrag van een bepaald pensioen niet evenredig is aan de som der gestorte bijdragen: het zou (met name volgens de raadsman van Grogan) in strijd zijn met het gelijkheidsbeginsel dat aan gelijke bijdragen verschillende pensioenen kunnen. beantwoorden en vice versa. Ik heb hiervoor reeds gezegd dat de door de Gemeenschappen. uitbetaalde pensioenen niet op basis van bijdragen doch op grond van het Statuut worden toegekend: daaraan wordt door de verordeningen nrs. 3085/78 en 3086/78 niet afgedaan. Bijgevolg kan de omstandigheid dat de pensioenen niet evenredig zijn aan de bijdragen niet als een discriminatie worden beschouwd.
Voorts betoogt De Pascale dat verordening nr. 3085/78 niet voorziet in passende overgangsmaatregelen tot matiging van de nadelige gevolgen van de nieuwe regeling voor de categorie van gewezen ambtenaren wier pensioen een soms aanzienlijke vermindering heeft ondergaan. De geleidelijke toepassing van die vermindering in tien maandelijkse schrijven (van oktober 1979 tot juli 1980), geregeld in artikel 4 van de verordening, zou als correctief weinig doeltreffend zijn, gezien het aanmerkelijke verschil tussen het vroegere en het nieuwe niveau van de betrokken pensioenen en de te korte tijdsspanne waarbinnen dit laatste niveau moest worden bereikt. Daardoor zouden gepensioneerden en ambtenaren in dienst op ongelijke wijze worden behandeld, aangezien voor laatstgenoemden de nadelige gevolgen van de nieuwe regeling inzake de overmakingen naar het buitenland van een gedeelte van de bezoldiging wel door doeltreffende overgangsmaatregelen werden gematigd.
De maatregelen waarop hier wordt gedoeld, zijn die welke door de Commissie in overleg met de andere instellingen werden vastgesteld en die in „Mededelingen van de administratie” nr. 233 van 30 april 1979 ter kennis van het personeel werden gebracht. Zij hebben betrekking op de wijze van berekening van de in artikel 2, lid 4, van bijlage VII bij het Statuut bedoelde veronderstelde kosten voor het onderhoud van personen ten laste, met het oog op de toekenning van de gezinstoelagen. Aangezien de raming van die kosten ingevolge de invoering van de nieuwe aanpassingscoëfficiënten bij verordening nr. 3086/78 in vele gevallen lager uitviel dan tevoren, werd besloten de gezinstoelagen voor met een kind ten laste gelijkgestelde personen gedurende een overgangsperiode van vijf jaar te blokkeren voor degenen die op 31 maart 1979 recht hadden op die toelagen en waren gevestigd in landen waar de veronderstelde onderhoudskosten een vermindering hadden ondergaan. Deze bepaling heeft echter niets uitstaande met de regeling inzake de overmakingen naar het buitenland van een gedeelte van de bezoldiging: zij heeft uitsluitend betrekking op een bijzondere categorie van gezinstoelagen. Volgens mij gaat het dan ook niet aan een dergelijke maatregel met de pensioenregeling te vergelijken en op grond daarvan te beweren dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden. De werkelijke situatie is juist omgekeerd: voor de overmakingen golden geen overgangsmaatregelen, terwijl voor de pensioenen de nieuwe betalingsregeling eerst haar volledige uitwerking kreeg en van een werkelijke vermindering sprake was na verloop van een periode van een jaar, ingaande bij de inwerkingtreding van de verordeningen nrs. 3085/78 en 3086/78. Over dit verschil tussen beide regelingen heb ik het reeds in mijn conclusie van 14 mei laatstleden gehad en ik heb toen uitgelegd op welke gronden het te rechtvaardigen is.
Meer in het algemeen vindt mijn opvatting dat de onverhavige grief ongegrond is, bevestiging in de vaststelling dat ambtenaren en gepensioneerden geen vergelijkbare groepen vormen, zodat een der voorwaarden om zich op het gelijkheidsbeginsel te kunnen beroepen niet is vervuld.
Tenslotte wijs ik erop dat het ontbreken van passende overgangsmaatregelen in verordening nr. 3085/78 volgens verzoekers tevens schending van de in artikel 24 Ambtenarenstatuut bedoelde zorgplicht oplevert. Op dit aspect van het probleem zal ik later terugkomen.
Volgens Grogan is het gelijkheidsbeginsel nog in een derde opzicht — op meer algemene wijze — geschonden; hij betoogt in feite dat niet alleen de verordeningen nrs. 3085/78 en 3086/78 aanvechtbaar zijn, doch tevens de in artikel 82 van het Statuut voorziene toepassing van de geografische aanpassingscoëfficiënten op de pensioenregeling. De logica van de coëfficiënten berust op de veronderstelling dat de gepensioneerde zich definitief in een bepaald land vestigt; in werkelijkheid is dat echter niet steeds het geval, aangezien het kan gebeuren dat de gepensioneerde zich meermaals en voor lange tijd van het ene naar het andere land begeeft. Hieruit — aldus Grogan — kan men afleiden dat de geografische aanpassingscoëfficiënt in werkelijkheid te kort schiet in zijn functie alle gepensioneerden, ongeacht hun verblijfplaats, dezelfde koopkracht te waarborgen, en juist aanleiding geeft tot ernstiger ongelijkheden dan zich zouden voordoen indien hij niet werd toegepast. In dezelfde gedachtengang beroep Grogan zich voorts op het beginsel van het vrije verkeer van personen. Doordat de coëfficiënt aan het verblijf in een bepaald land is gebonden, zou de gepensioneerde er bij de keuze van zijn verblijfplaats toe worden aangezet bepaalde landen boven andere te verkiezen, hetgeen zou neerkomen op „een onduldbare inmenging in het privé-leven”.
Ik meen dat deze grieven ongegrond zijn. Ik zal niet ontkennen dat de toepassing van de aanpassingscoëfficiënt op de pensioenen de bewegingsvrijheid van de gepensioneerden enigszins (zij het stellig niet in belangrijke mate) kan beïnvloeden. Volgens mij moet echter voor ogen worden gehouden dat de communautaire wetgever met de geografische aanpassingscoëfficiënt juist een resultaat nastreeft dat de gelijkheid ten goede komt, te weten de waarborg dat alle gepensioneerden die zich in gelijke omstandigheden bevinden, over het algemeen dezelfde koopkracht hebben. Dat resultaat strookt met het beginsel der gelijke behandeling, die daardoor over het algemeen ook wordt verwezenlijkt; vanuit het oogpunt van het algemeen belang moet het mijns inziens prevaleren boven de geringe beperking die daartoe aan de bewegingsvrijheid wordt opgelegd.
In dit verband herinner ik eraan dat het Hof zich in het arrest van 21 mei 1981 (zaak 28/80, Reinarz, Jurispr. 1981, blz. 1311) heeft beziggehouden met de geografische coëfficiënt toegepast op de vergoedingen aan gewezen ambtenaren. In die zaak ging het om een gewezen ambtenaar van de Commissie, gevestigd in Canada, die in 1973 gebruik had gemaakt van de bijzondere bepalingen van verordening nr. 2530/72 van de Raad van 4 december 1972 om zijn dienstbetrekking te beëindigen, en wiens maandelijkse vergoeding werd berekend met toepassing van de voor België geldende coëfficiënt, ofschoon die volstrekt geen verband hield met de kosten van levensonderhoud in Canada. Verzoeker beklaagde zich erover dat diezelfde coëfficiënt ook ten goede kwam aan gewezen ambtenaren in landen waar de kosten van levensonderhoud veel lager waren dan in Canada, hetgeen hij in strijd achtte met het gelijkheidsbeginsel en het recht zich in het land van zijn keuze te vestigen. Het Hof verklaarde dat de behandeling van alle gewezen ambtenaren die zich in dezelfde situatie als verzoeker bevonden, op een gemeenschappelijk gegeven berustte, te weten hún besluit zich buiten de Gemeenschap te vestigen, en dat derhalve van discriminatie geen sprake kon zijn (r.o. 15). Het is moeilijk. in een zo beknopte motivering een nauwkeurige leidraad te vinden voor de onderhavige zaak; ik acht het evenwel niet zonder belang dat het Hof, zelfs met betrekking tot een regeling die voorziet in dezelfde geldelijke behandeling van klaarblijkelijk verschillende gevallen, geen schending van het gelijkheidsbeginsel heeft menen te ontdekken en het gemeenschappelijk element waarvan de communautaire wetgever uitging, waarschijnlijk omdat zulks beter beantwoordde aan het belang van de Gemeenschap bij vereenvoudiging, als rechtmatig heeft beschouwd.
9.
De raadsman van De Pascale voert voorts aan dat door de vermindering van sommige pensioenen ingevolge de verordeningen nrs. 3085/78 en 3^86/78 het Statuut dermate ingrijpend is gewijzigd, dat de bereidheid van de gewezen ambtenaren om zich eraan te onderwerpen niet onberoerd kan blijven. Deze argumentatie knoopt opnieuw aan bij het betoog, door mij in mijn conclusie van 14 mei laatstleden reeds weerlegd, dat de fundamentele voorwaarden van de dienstbetrekking zouden zijn geschonden. In werkelijkheid betreft het hier een opvatting die wellicht houdbaar is voor zover het om contractuele arbeidsverhoudingen gaat, doch die stellig niet te verenigen is met een statutaire regeling, zoals die van de ambtenaren van de Gemeenschappen.
10.
Volgens Curtis en Grogan is de rechtsgeldigheid van verordening nr. 3086/78 aangetast door misbruik van bevoegdheid, in zoverre bij de vaststelling van de nieuwe aanpassingscoëfficiënten niet van de wijzigingen van de kosten van levensonderhoud zou zijn uitgegaan en derhalve niet zou zijn voldaan aan de voorwaarden van artikel 65, lid 2, van het Statuut. Daarmee zou de Raad het instrument van de aanpassingscoëfficiënten voor andere doeleinden hebben aangewend dan die waartoe het volgens de artikelen 64 en 65 van het Statuut dient.
Gezien haar ruime formulering omvat deze grief zowel de gevallen waarin de nieuwe coëfficiënten niet tot vermindering van de pensioenen hebben geleid (hetgeen met name het geval is voor de gepensioneerden die voor uitbetaling in de valuta van het land van hun verblijfplaats hebben gekozen) als die waarin zich wel een vermindering heeft voorgedaan (en hier gaat het, zoals gezegd, om de in landen met lagere kosten van levensonderhoud gevestigde gepensioneerden die voor uitbetaling in een sterke valuta hebben gekozen). Wat betreft de situatie van eerstgenoemde groep, is mijns inziens van misbruik van bevoegdheid reeds geen sprake op grond dat de nieuwe coëfficiënten het niveau van de pensioenen onaangeroerd hebben gelaten en overeenkomstig de doelstellingen van de artikelen 64 en 65, lid 2, van het Statuut de overeenstemming tussen de pensioenen en het niveau van de kosten van levensonderhoud hebben gehandhaafd. Wat de situatie van de tweede groep aangaat, is volgens mij beslissend dat — gelijk ik al eerder heb opgemerkt — de actualisering van de wisselkoersen het noodzakelijk maakte de goegrafische coëfficiënten weer de functie te geven die er volgens het Statuut oorspronkelijk aan toekwam. De daaruit in vele gevallen voortvloeiende vermindering van de pensioenen moet worden toegeschreven aan de noodzaak een einde te maken aan een onrechtmatige en klaarblijkelijk met het gelijkheidsbeginsel strijdige praktijk. Mitsdien kan worden gesteld dat de wijziging van de coëfficiënten bij verordening nr. 3086/78, waarmee in de eerste plaats werd beoogd een distorsie op te heffen, strookte met het doel van artikel 65, gelijke behandeling te verzekeren.
11.
Grogan en De Pascale voeren aan dat de verordeningen nrs. 3085 en 3086 ongeldig zijn wegens schending van regels van afgeleid gemeenschapsrecht en met name de statutaire voorschriften betreffende de aanpassingscoëfficiënt (artikelen 64, 65, lid 2, en 82) en inzake de zorgplicht van de administratie ten aanzien van haar ambtenaren (artikel 24).
Wat het eerste punt betreft, verwijs ik naar mijn eerdere opmerkingen in verband met het gestelde misbruik van bevoegdheid; de aangevoerde argumenten zijn dezelfde, ook al worden zij thans aangewend ten betoge dat bepalingen van gemeenschapsrecht zouden zijn geschonden, en naar ik meen kunnen zij op dezelfde wijze worden weerlegd.
Op de bewering dat artikel 24 van het Statuut is geschonden moet evenwel uitvoeriger worden ingegaan. Volgens verzoekster heeft de Commissie verzuimd passende overgangsmaatregelen vast te stellen om de nadelige gevolgen van de nieuwe regeling voor het niveau van de pensioenen in de tijd te spreiden en aldus te matigen. Huns inziens heeft de geleidelijke toepassing van de verminderingen over een tijdsspanne van tien maanden daartoe weinig bijgedragen, vooral gezien het totale bedrag van die verminderingen, die in bepaalde gevallen 50% van de voordien door de belanghebbenden ontvangen uitkeringen beliepen.
Zoals bekend legt artikel 24 van het Statuut de Gemeenschappen de verplichting op, hun ambtenaren bijstand te verlenen. In de eerste alinea wordt, bij wijze van voorbeeld (gelijk blijkt uit het woord „inzonderheid” waarmee dit zinsdeel begint), gesproken van bijstand aan de ambtenaar bij vervolging in rechte van hen die zich schuldig hebben gemaakt aan vergrijpen tegen persoon of goed, waaraan hijzelf of de leden van zijn gezin blootstaan. In de tweede alinea is voorts, als logisch uitvloeisel van vorenbedoelde verplichting, sprake van vergoeding van de schade die de ambtenaar door genoemde feiten heeft geleden, terwijl de derde paragraaf betrekking heeft op de bij- en omscholing van de ambtenaar, die de Gemeenschappen gehouden zijn te vergemakkelijken. Aangezien deze korte opsomming niet als volledig is te beschouwen, dienen wij ons af te vragen of de zorgplicht ook de verplichting omvat de nadelige gevolgen waartoe mogelijke wijzigingen van de regeling van de dienstbetrekking leiden, te matigen door deze in de tijd te spreiden. Algemeen gesproken kan deze vraag mijns inziens weliswaar bevestigend worden beantwoord, doch beslissend is de inhoud van de wijziging en het geheel der omstandigheden waaruit de nadelige gevolgen van de daartoe genomen maatregelen zijn ontstaan.
In casu staat vast dat de Raad krachtens artikel 65, lid 2, de aanpassingscoëfficiënten moet herzien bij aanzienlijke wijziging van de kosten van levensonderhoud; neemt hij op grond van die bepaling een besluit, dan dient hij de voorschriften van artikel 65 na te leven, ook wat betreft het tijdstip waarop tot aanpassing moet worden overgegaan, hetgeen betekent dat elk besluit tot aanpassing tijdig moet worden genomen. Mijns inziens ware het dan ook duidelijk in strijd geweest met het voorschrift van artikel 65, indien — op grond van „passende” overgangsmaatregelen zoals die volgens verzoekers hadden moeten worden vastgesteld — de niet langer met de werkelijke verschillen tussen de prijsniveaus in de onderscheiden Lid-Staten strokende geografische aanpassingscoëfficiënten nog jarenlang in stand waren gehouden. Ik meen dat in die omstandigheden aan de in artikel 24 bedoelde zorgplicht meer belang mag worden gehecht dan aan de duidelijke bepaling van artikel 65, in hoofdzaak een technisch instrument ter verzekering van gelijke behandeling.
Voorts is in verordening nr. 3086/78 reeds een overgangsmaatregel opgenomen die, zoals gezegd, voorziet in de geleidelijke vermindering van sommige pensioenen over een tijdsspanne van meer dan een jaar (van april 1978 tot juli van het daaropvolgende jaar). Ingevolge die bepaling werd de ongelijke behandeling van gepensioneerden reeds geruime tijd gehandhaafd. Door de volledige toepassing van de verminderingen nog langer uit te stellen, zou het gelijkheidsbeginsel volgens mij nog ernstiger zijn geschonden, ernstiger dan op grond van artikel 24 van het Statuut te verantwoorden was.
12.
Om bovengenoemde redenen concludeer ik tot verwerping van de beroepen van Grogan en De Pascale tegen de Commissie en van Curtis tegen het Parlement, ingesteld bij verzoekschriften neergelegd ter griffie op respectievelijk 27 mei 1980, 14 juli 1980 en 18 juli 1980.
Gezien de aard van de gedingen, dient elke partij overeenkomstig artikel 70 van het Reglement voor de procesvoering in de eigen kosten te worden verwezen.
( 1 ) Vertaald uit het Italiaans.
Full & Egal Universal Law Academy