CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL F. CAPOTORTI
VAN 25 FEBRUARI 1981 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1.
De feiten die aan de onderhavige prejudiciële zaak ten grondslag liggen, kunnen in het kort als volgt worden omschreven: de Belgische Staat onderwerpt de import van vis aan een zeer gedetailleerde regeling van sanitaire controle en verplicht de importeurs om bepaalde bedragen te storten uit hoofde van keuringsrechten. De vennootschappen United Foods en Van den Abeele, die bepaalde hoeveelheden vis uit andere Lid-Staten in België hebben ingevoerd, betaalden deze rechten onder voorbehoud, daar zij ze in strijd met het EEG-Verdrag achtten. Daarop hebben zij de Belgische Staat voor de Rechtbank van eerste aanleg te Brugge gedaagd, om terugbetaling van de betaalde bedragen te verkrijgen. De door de verwijzende rechter overeenkomstig artikel 177 EEG-Verdrag gestelde vragen betreffen zakelijk gezien twee verschillende problemen: in de eerste plaats de beoordeling van de sanitaire controlemaatregelen van de aangegeven soort in het licht van het verbod van maatregelen van gelijke werking als kwantitatieve invoerbeperkingen (artikel 30), waarbij overigens de mogelijkheid van een uitzondering op dat verbod krachtens artikel 36 wordt nagegaan; in de tweede plaats de beoordeling van de ten laste van de importeurs gebrachte keuringsrechten aan de hand van de artikelen 9 en 12 (verbod van heffingen van gelijke werking als douanerechten), ofwel van artikel 95 (verbod van alle vormen van binnenlandse belasting van discriminerende aard).
Alvorens de draagwijdte van deze bepalingen ten aanzien van gevallen als het onderhavige te onderzoeken, wil ik erop wijzen dat het Hof thans wederom niet in het kader van een op grond van artikel 169 ingestelde actie, maar door middel van een procedure ex artikel 177 in wezen om een uitspraak wordt gevraagd over de vraag of in een Lid-Staat geldende bepalingen al dan niet verenigbaar zijn met het gemeenschapsrecht. De bezwaren van een dergelijke benadering zijn reeds zo vaak aangestipt, dat het zinloos lijkt hierop nogmaals in te gaan. Ik zou alleen willen zeggen dat wij het erover eens kunnen zijn dat de taak van het Hof beperkt is tot de uitlegging van communautaire voorschriften, terwijl het aan de verwijzende rechter staat, de concrete feiten te beoordelen die de meer specifieke kenmerken van het onderhavige geschil vertonen.
2.
De eerste vraag van de Rechtbank te Brugge luidt: „dienen de artikelen 30 en volgende van het EEG-Verdrag in deze zin te worden uitgelegd, dat een sanitair toezicht, aan de grens, bij de invoer van vis, dat een verplicht en systematisch karakter draagt, beschouwd moet worden als een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve invoerbeperking ...”. Maar de vraag gaat verder dan de algemene hypothese van een verplichte sanitaire controle; de aangehaalde zin wordt immers gevolgd door talrijke specificaties die, hoewel voorgesteld als hypothetische kenmerken van de controle, stuk voor stuk overeenkomen met de details van het in België geldende stelsel. Zeer nauwkeurig geeft de verwijzende rechter de volgende opsomming: a) de verplichting van de importeur om ten minste 24 uur vóór de invoer de bevoegde administratieve dienst schriftelijk in te lichten over de aard, de hoeveelheid en de herkomst van de zending en te vermelden dag en uur van de invoer, alsmede het douane- of hulpkantoor langswaar de invoer zal geschieden; b) de invoer van vis is slechts toegelaten langs douane- en hulpkantoren, door de overheid aangewezen, en op dagen en uren door deze overheid vastgesteld; c) de recipiënten, verpakkingen en gebruikt ijs moeten voldoen aan wettelijk voorziene eisen; d) de keurmerken — door de overheid opgelegd — moeten op iedere kleinste verpakking worden aangebracht; e) de zendingen ingevoerde vis moeten voorzien zijn van een gezondheidsattest, verstrekt door de bevoegde autoriteit van het land van oorsprong, waaruit blijkt dat de vis het voorwerp heeft uitgemaakt van een veterinair gezondheidsonderzoek, en dat hij, op de dag van de verzending, voor consumptie geschikt werd verklaard, van welk gezondheidsattest trouwens een model wordt vastgesteld door de overheid van de importerende Lid-Staat.
Ook zonder deze details moet de vraag naar mijn mening bevestigend worden beantwoord. In uw arrest van 8 november 1979 in zaak 251/78, Denkavit (Jurispr. 1979, blz. 3369) werd terecht beklemtoond dat „het Hof het begrip maatregelen van gelijke werking als kwantitatieve beperkingen in artikel 30 EEG-Verdrag in een vaste rechtspraak aldus uitlegt, dat het ook de stelselmatige sanitaire controles aan de intracommunautaire grenzen omvat” (overweging 10). Dit is vanzelfsprekend: elke vorm van controle van ingevoerde goederen is op zichzelf een belemmering voor het vrije verkeer van deze goederen en vormt logischerwijze een middel om produkten te selecteren, waardoor het een kwantitatieve belemmering kan vormen voor de binnenkomst van die goederen in een Lid-Staat. Overigens zij opgemerkt dat ook een selectie op grond van „kwalitatieve” criteria uitmondt in een beperking van de op het grondgebied toegelaten hoeveelheden. Ik voeg hieraan toe dat het Hof in genoemd arrest Denkavit ook als een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve beperking heeft aangemerkt een door de Lid-Staat van invoer opgelegde verplichting om een certificaat over te leggen dat door de instanties van de staat van uitvoer is opgemaakt (rechtsoverweging 11). Derhalve is een stelsel waarin de verplichting om een dergelijk certificaat over te leggen gepaard gaat met een nieuwe rechtstreekse sanitaire controle a fortiori in strijd met artikel 30.
De vertegenwoordiger van de Belgische regering heeft tijdens de mondelinge behandeling betoogd dat het betrokken stelsel geen maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve beperking kan vormen omdat de sanitaire controle gelijkelijk van toepassing is op vis die na de vangst in de Belgische havens wordt aangevoerd en op ingevoerde vis. In werkelijkheid is deze gelijkstelling niet correct, maar hierop kom ik nog terug. In beginsel behoeft slechts te worden gewezen op het in de rechtspraak van uw Hof gehanteerde criterium — dat laatstelijk in het arrest van 26 juni 1980 in de zaak 788/79, Gilli-Andres werd uitgedrukt — volgens hetwelk ook een nationale regeling die zonder onderscheid van toepassing is op nationale en ingevoerde produkten slechts mag afwijken van de uit artikel 30 voortvloeiende vereisten, „wanneer zij haar rechtvaardiging vindt in dwingende eisen verband houdend met, inzonderheid, de bescherming van de volksgezondheid, de eerlijkheid van de handelstransacties en de bescherming van de consumenten”. Daarom sluit het feit dat een nationaal stelsel van sanitaire controle eventueel van toepassing is op visprodukten van eender welke herkomst niet uit dat de controle op ingevoerde produkten onverenigbaar is met artikel 30 en moet alsnog worden nagegaan of er termen aanwezig zijn (zoals de bescherming van de volksgezondheid) om af te wijken van deze bepaling.
Tenslotte moet de idee worden verworpen dat de Lid-Staten vrijelijk kunnen voortgaan met de toepassing van hun eigen wetgeving ter zake van de voorwaarden voor de verhandeling van produkten die in andere Lid-Staten rechtmatig in het verkeer zijn gebracht, zolang de Gemeenschap de verschillende nationale wettelijke regelingen in elke sector nog niet heeft geharmoniseerd. In het arrest van uw Hof van 5 april 1979 in de zaak 148/78, Ratti (Jurispr. 1979, blz. 1629) werd overwogen dat wanneer communautaire richtlijnen de harmonisatie voorschrijven van maatregelen die noodzakelijk zijn om de bescherming van de gezondheid te- waarborgen en communautaire procedures instellen voor het toezicht op de naleving ervan „een beroep op artikel 36 niet meer is gerechtvaardigd, aangezien de uitvoering van de geëigende controles en het treffen van de beschermingsmaatregelen voortaan binnen het kader van de harmonisatierichtlijn moet geschieden” (rechtsoverweging 36). Doch het is duidelijk dat, nu in het onderhavige geval richtlijnen ter harmonisatie van de wetgevingen inzake de sanitaire controle van vis ontbreken, de desbetreffende nationale regelingen niet kunnen ontkomen aan de beginselen van de artikelen 30 en 36 EEG-Verdrag.
3.
In de tweede plaats vraagt de Belgische rechter: „in geval van een bevestigend antwoord op de voorgaande vraag, dient artikel 36 van het EEG-Verdrag aldus te worden geïnterpreteerd dat een sanitair toezicht, van het type beschreven in de eerste vraag, gerechtvaardigd is uit hoofde van de doelstellingen van bescherming van volksgezondheid, die het beschreven sanitair toezicht zou beogen?” Hierover zij opgemerkt dat, waar de verwijzende rechter spreekt over controle „van het beschreven type”, hij uiteraard wil verwijzen naar alle kenmerken van het controlesysteem die gedetailleerd in zijn eerste vraag zijn vermeld. Daarom dient bij het antwoord rekening te worden gehouden met deze kenmerken.
Aangezien artikel 36 afwijkt van het beginsel van artikel 30 moet het strikt worden uitgelegd : de handelsbeperkingen die het laat voortbestaan moeten daadwerkelijk gerechtvaardigd zijn op een der gronden die het artikel zelf limitatief opsomt (in casu gaat het om „de gezondheid en het leven van personen”). Bovendien is de uitzondering onderworpen aan de voorwaarde dat de op grond van het artikel ingevoerde beperkingen „geen middel tot willekeurige discriminatie noch een verkapte beperking van handel tussen de Lid-Staten vormen”. Het is duidelijk dat de functie van een sanitaire controle aan de grens het toelaat dat de betrokken Lid-Staat artikel 36 inroept; doch het is evenzeer duidelijk dat moet worden vastgesteld: a) of de controle daadwerkelijk gerechtvaardigd is; b) of zij al dan niet een discriminerend of buitensporig beperkend karakter draagt. Wat dit laatste punt betreft moet worden gewezen op het bepaalde in artikel 3 van richtlijn 70/50/EEG van de Commissie van 22 december 1969 (houdende opheffing van de maatregelen van gelijke werking als kwantitatieve invoerbeperkingen), namelijk dat maatregelen die een regeling inhouden voor het in de handel brengen van produkten — ook indien zij zonder onderscheid van toepassing zijn op nationale en op ingevoerde produkten — een beperkende werking hebben die het kader van de eigenlijke gevolgen van een handelsregeling te boven gaat, met name wanneer de beperking in geen verhouding staat tot het nagestreefde doel en wanneer hetzelfde doel door een ander middel kan worden bereikt dat het handelsverkeer minder belemmert.
In het licht van deze criteria moet de soort sanitaire controle worden onderzocht waarnaar de Rechtbank te Brugge heeft verwezen. Als eerste kenmerk moet worden onderzocht de cumulatie van een op de dag van uitvoer verrichte controle in het land van uitvoer met een tweede controle in het land van invoer. Het Hof heeft in genoemd arrest van 8 november 1979 in de zaak Denkavit ten aanzien van een analoog systeem beslist (punt 3 van het dictum) dat de dubbele controle van diervoeders door het land van invoer, bestaande in het vereiste van een sanitaire verklaring van de bevoegde instantie van het land van uitvoer en bovendien in een nieuwe stelselmatige sanitaire controle aan de grens met hetzelfde oogmerk van de produkten die van een dergelijke verklaring zijn voorzien „verder gaat dan artikel 36 EEG-Verdrag toestaat, wanneer de gezondheid en het leven van personen en dieren even doeltreffend kunnen worden beschermd door maatregelen die het intracommunautaire handelsverkeer minder beperken”.
De vraag is of dit volstaat om elk stelsel van dubbele sanitaire controle te beschouwen als gaande buiten de perken van artikel 36.
Mijns inziens mag men niet voorbijzien aan de aard van het produkt waarop de controle moet worden verricht. Visprodukten waarom het in casu gaat, zijn bijzonder bederfelijk en de bescherming van de volksgezondheid zou de dubbele controle kunnen rechtvaardigen wanneer tussen het tijdstip van sanitaire controle in de staat van uitvoer en het tijdstip van aankomst in de staat van invoer zoveel tijd verloopt dat de vis veranderingen kan ondergaan. Dit betekent echter a contrario dat indien dit tijdsverloop kort is, de tweede controle niet beantwoordt aan een objectieve noodzakelijkheid. Bovendien moet rekening worden gehouden met het verschil tussen verse en bevroren vis, met het koelsysteem en met het gebruikte vervoermiddel. Al deze concrete factoren zijn uiteindelijk doorslaggevend voor de vaststelling of de dubbele controle in het licht van artikel 36 al dan niet rechtmatig is. Maar de bepaling ervan kan slechts geschieden door de nationale autoriteiten (de administratie en vervolgens eventueel de rechter) op basis van het algemene criterium van gemeenschapsrecht volgens hetwelk controles van het omschreven type alleen rechtmatig zijn wanneer zij onontbeerlijk blijken voor de bescherming van de volksgezondheid. Te dezen zij gewezen op de overweging van het Hof in het reeds genoemde arrest van 8 november 1979 in de zaak Denkavit (rechtsoverweging 24) dat „het aan de nationale rechterlijke instanties staat om deze criteria op elk afzonderlijk geval toe te passen, zulks gelet op alle omstandigheden van de aan hun beoordeling onderworpen geschillen. Daarbij dienen zij in aanmerking te nemen dat de nationale instantie die zich op artikel 36 EEG-Verdrag beroept steeds moet aantonen dat de door haar opgelegde maatregelen aan deze criteria voldoen”.
Tot de factoren die de sanitaire controle van vis overmatig restrictief kunnen maken, behoort ook de op de importeur rustende verplichting om de bevoegde douanedienst ten minste 24 uur vóór de invoer schriftelijk in te lichten over de aard, de hoeveelheid en de herkomst van de waar, en bovendien dag en uur van de invoer alsmede het douanekantoor waarlangs de invoer zal geschieden te vermelden. Zoals de vertegenwoordiger van de Deense regering terecht heeft opgemerk dient verse vis naar zijn aard snel te worden vervoerd, zodat bedoelde verplichting een buitensporige beperking kan inhouden wanneer de aankomst van ingevoerde verse vis vertraging ondergaat die alleen aan deze formaliteit te wijten is. Het gaat uiteraard om een omstandigheid die van geval tot geval moet worden beoordeeld.
Ten aanzien van het eventuele discriminerende karakter van de betrokken sanitaire controle wil ik tenslotte opmerken dat er voor de toepassing van een verschillend controlesysteem voor enerzijds ingevoerde vis en anderzijds in het binnenland gekweekte vis alsmede voor direct na de vangst in de nationale havens aangevoerde vis objectieve rechtvaardigingsgronden moeten bestaan. In België vindt de controle van binnenlandse vis plaats op de verkooppunten; de Commissie en de Deense regering vragen zich af of voor ingevoerde vis niet dezelfde procedure zou kunnen gelden. Ook bij de controle van de vervoermiddelen en de omstandigheden waaronder het vervoer plaatsvindt, zijn binnenlandse vis en ingevoerde vis onderworpen aan een verschillende regeling die qua strengheid uiteenloopt (en natuurlijk voor de tweede soort vis strenger is). Het staat uitsluitend aan de verwijzende rechter om te beoordelen of er van willekeurige discriminatie sprake is — en derhalve of de uitzondering op het beginsel van artikel 30 niet-toepasselijk is — : het Hof kan slechts herhalen wat artikel 36, laatste zin, duidelijk bepaalt.
4.
De derde vraag van de Belgische rechter luidt als volgt:
„zijn de keuringsrechten die aan de invoerder worden opgelegd ter dekking van de kosten van het sanitair toezicht, beschreven in de eerste vraag, te beschouwen als heffingen van gelijke werking als douanerechten in de zin van de artikelen 9 en volgende van het EEG-Verdrag of als binnenlandse heffingen in de zin van artikel 95 van het EEG-verdrag, wanneer:
—
de keuring van viskwekerijen in de betrokken Lid-Staat aan geen enkel recht wordt onderworpen;
—
de keuring van in zee gevangen vis geschiedt bij aanvoer in vismijnen of -hallen, en slaat op de sanitaire deugdelijkheid, de versheid en de gaafheid van vis, terwijl het sanitair toezicht bij de invoer plaatsgrijpt in de douanekantoren en betrekking heeft op het gezondheidsattest, de wijze waarop de vis is vervoerd, op de staat van bewaring, alsook op de conformiteit met de eisen van de verordeningen van de invoerende Lid-Staat betreffende de keuring en de invoer van vis:
—
de keuringsrechten bij de invoer verplicht dienen betaald te worden op het ogenblik van de grensoverschrijding;
—
de keurrechten bij de aanvoer uniform worden vastgesteld voor vis, in om het even welke staat, terwijl de keuringsrechten bij de invoer, van andere dan gehele niet bewerkte vis, het dubbele bedragen van de keurrechten bij de aanvoer.
Opgemerkt zij dat de verwijzende rechter opnieuw gebruik maakt van de in de eerste vraag gehanteerde techniek om de meest kenmerkende van de in België vigerende bepalingen op het gebied van de keuringsrechten voor vis samen te vatten en ze voor te stellen als voorwaarden van een hypothetisch systeem. Voor ons is evenwel van belang dat de beschreven voorwaarden de verscheidenheid van de regeling weergeven naargelang zij van toepassing is op ingevoerde vis of op binnenlandse vis. In wezen volgt deze verscheidenheid uit de vier in de vraag aangegeven feiten, die als volgt kunnen worden weergegeven :
a)
voor binnenlandse vis (gekweekte vis) behoeft geen keuringsrecht betaald te worden, terwijl deze verplichting wel bestaat voor alle ingevoerde vis;
b)
de controle die de grond vormt voor de heffing van het keuringsrecht is voor de twee categorieën vis verschillend en wordt op verschillende plaatsen verricht:
c)
de verplichting tot betaling ontstaat op verschillende momenten;
d)
het bedrag van de keuringsrechten is niet hetzelfde (tenminste voor andere vis dan niet-bewerkte binnenlandse vis).
Aan dit laatste punt wil ik nog toevoegen dat de verwijzende rechter bij zijn uiteenzetting van de Belgische regeling ook had kunnen wijzen op een vijfde omstandigheid, namelijk de verschillende heffingsgrondslag van het keuringsrecht: in de Belgische regeling bedragen de rechten voor de controle van niet-bewerkte ingevoerde vis BFR 15 per 100 kg of gedeelte van 100 kg (BFR 30 voor bewerkte vis), terwijl de rechten voor in zee gevangen en in de nationale havens aangevoerde vis BFR 0,15 per kg of gedeelte daarvan bedragen.
Ter beantwoording van de derde vraag is met betrekking tot de gesignaleerde verschillen beslissend het in 's Hofs rechtspraak gehanteerde criterium ten aanzien van de grenzen tussen de werkingssfeer van artikel 9 en die van artikel 95 EEG-Verdrag. Dit criterium kan als volgt worden samengevat: onder artikel 95 vallen de heffingsvormen die deel uitmaken van een algemeen stelsel van binnenlandse belastingen die zonder onderscheid worden toegepast op nationale of ingevoerde produkten van een bepaalde soort; met name moeten de belastingen worden geheven volgens dezelfde criteria en in een vergelijkbare produktiefase, ofwel in hetzelfde verhandelingsstadium (zie de arresten van 5 februari 1976 in zaak 87/75, Bresciani, Jurispr. 1976, blz. 129, overweging 11; 28 juni 1978 in zaak 70/77, Simmenthal, Jurispr. 1978, blz. 1453, punt 1 van het dictum; 31 maart 1979 in zaak 132/78, Denkavit, Jurispr. 1979, blz. 1923, overweging 8).
Naar mijn mening moet deze rechtspraak worden bevestigd. Artikel 95 geeft immers het beginsel van gelijkheid op het gebied van de fiscale lasten weer door eenheid van het mechanisme — om niet te zeggen van het „type” — van een bepaalde belasting, en de toepasselijkheid ervan zowel op nationale als op ingevoerde produkten te vooronderstellen. De situatie is anders wanneer eeh heffing op ingevoerde produkten drukt, wordt betaald op het moment van grensoverschrijding (zoals in de derde vraag van de Belgische rechter wordt gepreciseerd) en verband houdt met specifieke controles die op ingevoerde goederen worden verricht, ook wanneer een in enige opzichten analoge, maar qua mechanisme autonome heffing die op ongelijke criteria berust, een gedeelte van de overeenkomstige nationale produkten belast. Een dergelijke situatie valt onder artikel 9, hetwelk heffingen van gelijke werking als douanerechten verbiedt. Terecht heeft uw Hof zich veelvuldig in deze zin uitgelaten juist inzake op ingevoerde goederen geheven keuringsrechten: verwezen zij naar het arrest van 14 december 1972 in zaak 29/72, Marimex (Jurispr. 1972, blz. 1309, dictum), de reeds genoemde beslissing van 5 februari 1976 in de zaak Bresciani (rechtsoverweging 7 en punt 1 van het dictum), het arrest van 15 december 1976 in zaak 35/76, Simmenthal (Jurispr. 1976, blz. 1871, punt 3 van het dictum). En het is voor de oplossing van de onderhavige zaak buitengewoon interessant erop te wijzen dat in de genoemde rechtspraak het feit dat de heffing aan de grens wordt opgelegd veelzeggend wordt geacht, hetzij als onderscheidend element tussen de door artikel 9 verboden en de onder artikel 95 vallende geldelijke lasten (zie genoemd arrest in zaak 35/76, Simmenthal, punten 3 en 4 van het dictum) hetzij in verband met het doel zelf van artikel 9: „voorkomen dat in de handel tussen Lid-Staten enigerlei geldelijke last zou worden opgelegd wegens het overschrijden der grenzen van een staat door goederen die in de gemeenschap circuleren” (zie genoemd arrest Bresciani, overweging 8).
Uit het voorgaande volgt dat de keuringsrechten waarvan de Belgische rechter de kenmerken in de derde vraag heeft omschreven, juist op grond van deze kenmerken niet kunnen worden geacht deel uit te maken van een algemeen stelsel van binnenlandse belastingen dat onder het bepaalde in artikel 95 valt en derhalve met het verbod van artikel 9 onverenigbare heffingen van gelijke werking als invoerrechten vormen.
De heffing van keuringsrechten als de onderhavige moet worden geacht aan het verbod van artikel 9 onttrokken te zijn wanneer de controle op eenvormige wijze door een gemeenschapsbepaling zou zijn opgelegd (dit geval is onderzocht in het arrest van het Hof van 25 januari 1977 in zaak 46/76, Bauhuis, Jurispr. 1977, blz. 5) of wanneer de controle naar haar aard een dienst aan de individuele importeur zou zijn (zie genoemd arrest van 8 november 1979 in de zaak Denkavit, overweging 30). Maar de eerste hypothese is in casu volstrekt uitgesloten: de door de verwijzende rechter geformuleerde vragen hebben ongetwijfeld betrekking op een controlestelsel dat door een Lid-Staat, los van enig communautair voorschrift is ingevoerd. Wat de tweede mogelijkheid betreft herinner ik aan wat het Hof in het genoemde arrest van 5 februari 1976 in de zaak Bresciani heeft overwogen: „dat immers het bestuurlijk handelen van de staat tot handhaving van een in het algemeen belang opgelegd veterinair keuringsstelsel niet kan worden beschouwd als een aan de importeur bewezen dienst, die de oplegging van een geldelijke last als tegenprestatie zou kunnen rechtvaardigen” (rechtsoverweging 10). Ook in casu hebben wij te doen met een ter bescherming van het algemeen belang ingevoerd keuringsstelsel, zodat dezelfde argumentatie geldt als in de zaak Bresciani.
Tenslotte wil ik nog opmerken dat de omstandigheden waarop de Belgische regering zich beroept ter rechtvaardiging van het verschil in niveau tussen de voor „nationale” vis en de voor ingevoerde vis geheven keuringsrechten in geval het produkt bewerkt is, in casu volstrekt irrelevant zijn. Enerzijds behoef ik wel niet meer te herhalen dat het onderzoek van de prejudiciële vragen op basis van artikel 177 op algemene wijze moet worden gevoerd en derhalve moet losstaan van de bijzondere motivering van de door een bepaalde regering gevolgde gedragslijn. Anderzijds zou het verschil in niveau tussen de keuringsrechten stellig niet volstaan om ze binnen de sfeer van artikel 9 of van artikel 95 te doen vallen: hoogstens vormt dit verschil een van de omstandigheden die te zamen de ongelijkheid aantonen tussen het belastingstelsel voor binnenlandse vis en dat voor ingevoerde vis. Maar andere, reeds genoemde, omstandigheden vormen zeker een sterker bewijs voor het verschil tussen de twee regelingen: het voorwerp en de modaliteiten van de controle die tot de keuringsrechten aanleiding geeft, het moment en de plaats van de keuring, het moment waarop de betalingsverplichting ontstaat, en het beperkte toepassingsgebied van de keuringsrechten wat binnenlandse vis betreft.
5.
Mijn standpunt inzake de derde vraag maakt een onderzoek van de vierde, die uitdrukkelijk gesteld is voor het geval de betrokken keuringsrechten worden aangemerkt als binnenlandse belastingen in de zin van artikel 95, overbodig.
Op grond van vorenstaande argumenten concludeer ik derhalve dat het Hof op de door de Rechtbank van eerste aanleg te Brugge bij beschikking van 5 maart 1980 gestelde vragen antwoorde als volgt:
1.
Artikel 30 EEG-Verdrag moet aldus worden uitgelegd dat een verplichte en systematische sanitaire controle aan de grens, bij de invoer van uit een andere Lid-Staat afkomstige vis, in beginsel een heffing van gelijke werking als een kwantitatieve beperking vormt.
2.
Met betrekking tot een licht bederfelijke waar als vis kan artikel 36 EEG-Verdrag in specifieke gevallen ook een sanitaire controle bij de invoer rechtvaardigen wanneer het produkt reeds een analoge controle in het land van herkomst heeft ondergaan en is voorzien van een attest van de bevoegde gezondheidsinstantie van dat land, waaruit blijkt dat de vis op de dag van verzending voor consumptie geschikt werd bevonden, maar alleen wanneer in concreto redenen bestaan die aanleiding kunnen geven tot gerede twijfel of de toestand van het produkt op het moment van inklaring overeenstemt met de in de eerste controle vastgestelde toestand. In elk geval mag de sanitaire controle bij invoer niet gepaard gaan met overmatig beperkende formaliteiten, noch met voorwaarden die een willekeurige discriminatie vormen ten opzichte van het controlesysteem dat op vis van binnenlandse herkomst wordt toegepast.
3.
De geldelijke lasten die op de importeurs van bepaalde produkten rusten in het kader van een systeem van verplichte sanitaire controle aan de grens, vallen in de categorie heffingen van gelijke werking als douanerechten, ondanks het feit dat voor de overeenkomstige nationale produkten gelijke keuringsrechten moeten worden betaald, tenzij het gaat om een heffing die zonder onderscheid, volgens dezelfde criteria, op ingevoerde en binnenlandse produkten wordt gelegd.
( 1 ) Vertaald uit het Italiaans.
Full & Egal Universal Law Academy