CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL F. CAPOTORTI
VAN 1 APRIL 1981 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1.
In de beide prejudiciële zaken waarin ik thans heb te concluderen, rijzen dezelfde problemen, de uitlegging van artikel 195, id est het bekende verbod van discriminerende nationale belastingen, betreffende. De desbetreffende vragen worden u gesteld door de Corte d'Appello te Milaan, voor welke instantie twee procedures aanhangig zijn, waarin de firma's Essevi te Milaan en Salengo te Genua zich keren tegen de Italiaanse Administratie der Staatsfinanciën; allereerst verlangden zij veroordeling van verweerster tot terugbetaling van de accijnsbedragen, door de firma Salengo tussen 1960 en 1971 en door de firma Essevi tussen 1962 en 1967 voldaan over ingevoerde partijen Franse cognac; hun desbetreffende vorderingen waren door de Milaanse rechtbank bij vonnissen van1 juni en 7 oktober 1978 toegewezen. De Corte d'Appello Milaan had echter in de tweede plaats na te gaan of de regeling inzake de belasting op gedistilleerd, zoals die in — later gewijzigde — Italiaanse wetten uit het jaar 1936 besloten ligt, zich met genoemd artikel 95 verdraagt; dit verklaart dat in casu de procedure van artikel 177 van het EEG-Verdrag is ingeleid.
Met betrekking tot de omstreden fiscale last zij erop gewezen dat het bedrag ervan geëvenredigd was aan de hoeveelheid zuivere alcohol die in de onderscheiden produkten voorkomt en. dat gedistilleerd uit wijn in beginsel niet belast was, terwijl er voor andere soorten gedistilleerd verlaagde tarieven golden. Deze vrijstellingen en verlagingen golden echter alleen voor zover de Administratie der Staatsfinanciën tevoren, in het produktiestadium, had vastgesteld welke grondstoffen er waren gebruikt, waardoor in de praktijk alleen nationaal gedistilleerd voor deze voordelen in aanmerking kwam.
Op 4 november 1965 had de Commissie de Italiaanse regering in kennis gesteld van haar opvatting dat men, door over ingevoerde alcoholhoudende produkten de produktiebelasting en de accijns te heffen onder bezwarender omstandigheden dan voor de overeenkomstige nationale produkten voorzien, met artikel 95 van het EEG-Verdrag in strijd kwam. Nadat de Italiaanse regering in haar antwoord van 12 februari 1966 de belastingdifferentiatie ten aanzien van gedistilleerd had trachten te rechtvaardigen onder inroeping van de bedoeling de afzet van bepaalde agrarische grondstoffen voor de alcoholproduktie te bevorderen, lichtte de Commissie haar standpunt nader toe in een brief van 8 mei 1968. Na de agrarische problemen die zich in Italië ten aanzien van gedistilleerd voordoen, te hebben erkend, gaf de Commissie als haar zienswijze te kennen dat „de gedifferentieerde belastingheffing die in de Italiaanse wetgeving is voorzien en die het gevolg is van de toepassing van de accijns, voorlopig kan blijven bestaan, aangezien de accijns in zekere zin een instrument van het Italiaanse landbouwbeleid in de sector alcohol is, waardoor voor allerlei soorten gedistilleerde dranken, ongeacht de kosten van de grondstof, een afzetmogelijkheid op de markt kan worden gevonden”. De Italiaanse regering werd dan ook verzocht de regeling alleen voor de produktiebelasting te wijzigen. In het met redenen omkleed advies van 28 februari 1969 werd dit standpunt bevestigd: Italië mocht voorshands de gedifferentieerde accijns handhaven en de Italiaanse regering werd slechts in drie gevallen van verlaging der produktiebelasting schending van artikel 95 verweten.
Zes jaar later, namelijk in een brief van 31 juli 1975, vestigde de Commissie opnieuw de aandacht van de Italiaanse regering op de kwestie van de gedifferentieerde belastingheffing op gedistilleerd, stellende dat die differentiatie volgens het arrest van het Hof van 10 december 1974 (zaak 48/74, Charmasson, Jurispr. 1974, blz. 1383) in geen enkel geval door de beugel kon. In bedoeld arrest had het Hof alle belemmeringen van het handelsverkeer, ook voor zover deel uitmakende van een nationale marktordening voor bepaalde landbouwprodukten, na het einde van de overgangsperiode met het Verdrag onverenigbaar verklaard en daarmee de deur geopend voor acties van particulieren die bij verwijdering dier obstakels belang hadden. De Commissie wees er dan ook op, dat alle Lid-Staten gehouden waren maatregelen die zich volgens genoemd arrest niet met het gemeenschapsrecht verdragen, in te trekken.
Bij besluitwet nr. 46 van 18 maart 1976 (artikel 20) werd voor bepaalde soorten geïmporteerd gedistilleerd een nieuwe regeling ingevoerd. Bij brief van 18 juni 1976 wees de Commissie er de Italiaanse regering evenwel op, dat zij, door ingevoerde produkten zwaarder te belasten dan soortgelijke nationale produkten, nog steeds met artikel 95 in strijd handelde. Harerzijds verklaarde de Italiaanse regering, in een brief van 28 juli 1976, bij gebreke van een gemeenschappelijk beleid te dezen de accijns op gedistilleerd te beschouwen als een maatregel ter egalisatie van de ongelijke produktiekosten van uit verschillende grondstoffen verkregen gedistilleerd, dat wil zeggen als een geoorloofd middel van agrarisch beleid. De Commissie verwierp evenwel de in die brief aangedragen argumenten en bracht op 31 juli 1978 een met redenen omkleed advies uit, waarin zij vaststelde dat „de Italiaanse Republiek de krachtens het Verdrag op haar rustende verplichtingen had geschonden door bij de heffing van de produktiebelasting, van de accijns en van de bijzondere accijns op ingevoerd gedistilleerd van oorsprong uit andere Lid-Staten, fiscale discriminaties te handhaven”.
2.
Mede omdat het gewicht dat moet worden toegekend aan het aanvankelijk door de Commissie ingenomen standpunt, een der omstreden kwesties is, heb ik gemeend wat langer te moeten stilstaan bij de langdurige schermutselingen, met het thans ten principale gestelde probleem als inzet, tussen de Commissie en de Italiaanse regering. Ik sprak van langdurige schermutselingen — zij duurden 13 jaar! —; er zij aan toegevoegd dat zij ook tot niets hebben geleid, immers de Commissie is, om de naleving van het met redenen omkleed advies van 31 juli 1978 af te dwingen, niet eenmaal in het geweer gekomen. Op nationaal niveau werden er echter, zoals reeds gereleveerd, door de firma's Essevi en Salengo rechtsvorderingen aanhangig gemaakt bij de rechtbank te Milaan, die in voor de eisende partijen gunstige zin besliste; in hoger beroep is het dan tot de onderhavige procedure gekomen. Er is echter nog een omstandigheid die de aandacht verdient. Hangende het beroep, heeft de Corte di Cassazione op 1 maart 1979, in verenigde vergadering van al haar kamers uitspraak doende in gelijkliggende zaken (arresten nrs. 1317 en 1321), onder meer overwogen dat, „wat betreft de EEG-importen van uit wijn verkregen gedistilleerd, althans vóór het op 28 februari 1969 door de Commissie van de Europese Gemeenschappen uitgebrachte met redenen omkleed advies, de gedifferentieerde belasting waartoe de toepassing van de accijns van 60000 lire per hl zuivere alcohol leidde, niet diende te worden gerekend tot de fiscale kosten van het ingevoerde produkt”. Tot staving van deze stelling wees de Corte di Cassazione erop, dat de Commissie in haar krachtens artikel 169 van het EEG-Verdrag tot de Italiaanse Republiek gerichte, met redenen omkleed advies, uitdrukkelijk had erkend dat Italië de accijns in de sector gedistilleerd mocht gebruiken als een instrument van landbouwbeleid, en in verband daarmee de gedifferentieerde belasting ten belope van 60000 lire per hl zuivere alcohol, voorlopig mocht handhaven. De Corte di Cassazione merkte voorts op, dat een steunmaatregel door de nationale rechter niet met de gemeenschappelijke markt onverenigbaar mag worden verklaard, als er niet alleen geen andersluidende verklaring van de Commissie te vinden is, doch de Commissie de maatregel zelfs met zoveel woorden met het Verdrag verenigbaar heeft bevonden.
Ofschoon de Corte d'Appello te Milaan in zijn verwijzingsbeschikking met zoveel woorden refereert aan de arresten nrs. 1317 en 1321/79 van de Corte di Cassazione, blijft zij de verenigbaarheid van de accijns op gedistilleerd met het gemeenschapsrecht in twijfel trekken. Voor de formulering van de krachtens artikel 177 EEG-Verdrag gestelde vragen werd evenwel aansluiting gezocht bij de overwegingen waardoor Italië's hoogste rechter zich had laten leiden.
3.
De eerste der twee door het Hof te beantwoorden vragen luidt als volgt: „Heeft Italië, in aanmerking genomen het rechtsgevolg dat moet worden toegekend aan bovengenoemde adviezen van de Commissie in de zin van artikel 169 EEG-Verdrag, artikel 95 EEG-Verdrag geschonden door op uit andere Lid-Staten ingevoerde gedistilleerde dranken een stelsel van belastingen toe te passen dat een accijns tot een bedrag van 60000 lire per hl zuivere alcohol (per maart 1976 90000 lire) omvat, niet niet is voorzien voor of wordt toegepast op gelijksoortige binnenlandse produkten?”
Het is wel duidelijk dat deze vraag in tweeën moet worden gesplitst: om te beginnen moet het effect worden bepaald van adviezen, door de Commissie krachtens artikel 169 EEG-Verdrag uitgebracht. Het antwoord is eenvoudig: zulke adviezen zijn stellig niet verbindend (vgl. artikel 189, laatste alinea) en vormen slechts een fase van de procedure volgens welke aan de Lid-Staten een verwijt kan worden gemaakt van door de Commissie gesignaleerde overtredingen van het Verdrag; zij zijn te beschouwen als een der eerste noodzakelijke stappen alvorens de Commissie zich tot het Hof van Justitie kan wenden terzake dat „de Lid-Staat dit advies niet binnen de dooide Commissie vastgestelde termijn opvolgt” (artikel 169, tweede alinea).
Naar wij weten, is in casu bij het stellen van de vraag naar het rechtsgevolg van adviezen als bedoeld in artikel 169, gelet op het gedeelte van het advies van 28 februari 1979 waarin de Commissie verklaarde dat Italië de bestaande differentiaties bij de heffing van de accijns op gedistilleerd voorlopig mocht handhaven. Mag in zulk een verklaring een toestemming worden gelezen? Mijns inziens: neen. Een bevoegdheid der Commissie om tot bepaalde gedragingen toestemming te verlenen, moet met zoveel woorden in het Verdrag zijn voorzien, en buiten een daartoe strekkende bepaling om, mag de Commissie een staat in geen geval, ook niet voorlopig, vrijstellen van de nakoming der hem in artikel 95 opgelegde verplichtingen, hetgeen temeer spreekt wanneer het gaat om rechtstreeks toepasselijke bepalingen, welker naleving ook door particulieren kan worden gevorderd. In feite kan aan een verklaring als vervat in het met redenen omklede besluit van 28 februari 1969, betreffende de accijns op gedistilleerd, alleen worden afgelezen dat de Commissie de handelwijze van een Lid-Staat die het Verdrag zou hebben geschonden, althans gedurende enige tijd ten dele gerechtvaardigd heeft geacht — zodat in zoverre de procedure van artikel 169 niet zou moeten gevolgd —; de betrokken staat verkrijgt daarmede evenwel niet het recht zulk een handelwijze voort te zetten, hetgeen de schijn zou wekken alsof de door de Commissie aan het Verdrag gegeven uitlegging bedoelde staat van iedere mogelijke aansprakelijkheid ontsloeg. Voor het onderhavige geval zij erop gewezen dat het Hof op 15 oktober 1969, rechtdoende in zaak 16/69 (Commissie t. Italiaanse Republiek, Jurispr. 1969, blz. 377), had uitgemaakt dat gedistilleerd niet tot de landbouwprodukten behoort, hetgeen wíl zeggen dat een met artikel 95 onverenigbare belastingdiscriminatie, als het om gedistilleerd gaat, niet kan worden gerechtvaardigd met de voor agrarische produkten gegeven mogelijkheid van bepaalde verdragsbepalingen af te wijken. Die uitspraak haalde een streep door de redenering der Commissie, die een gedifferentieerde accijns op alcohol (althans op alcohol, voorkomend in gedistilleerde dranken) gerechtvaardigd achtte, hetgeen de Italiaanse regering had moeten stemmen tot nadenken over de gedragslijn, door haar bij de belasting van gedistilleerd gevolgd.
Nog steeds met betrekking tot het rechtsgevolg van door de Commissie krachtens artikel 169 uitgebrachte adviezen, zij erop gewezen dat zij in ieder geval vallen onder de bij inbreuken te volgen procedure en dat gevallen waarin zulke adviezen worden uitgebracht, niet mogen worden verward met gevallen waarin de Commissie haar standpunt ten aanzien van steunmaatregelen heeft te bepalen. Tussen de opmerkingen, door de Commissie gemaakt overeenkomstig artikel 93, lid 3, en de adviezen bedoeld in artikel 169, bestaat een duidelijk onderscheid, dat beantwoordt aan het duidelijke verschil tussen de procedure die moet worden gevolgd, wil een steunmaatregel met de gemeenschappelijke markt verenigbaar worden verklaard, en de op vaststelling van schending van het Verdrag gerichte procedure. Verklaart de Commissie om haar moverende redenen een bepaalde belastingmaatregel voorshands niet met het Verdrag strijdig te achten, dan mag zulk een uitlating mijns inziens dan ook niet worden aangemerkt als een verklaring waarbij zulk een maatregel, als steunmaatregel, met het Verdrag verenigbaar verklaard wordt. In casu is ook niet gebleken dat de Italiaanse regering, in de briefwisseling welke zij vóór het met redenen omkleed advies van 28 februari 1969 met de Commissie voerde, de hierbedoelde belasting ooit als steunmaatregel in die zin van de artikelen 92 en 93 heeft aangemerkt, noch ook dat bij de Commissie, wanneer zij in het tijdvak tussen 8 mei 1968 en 28 februari 1969 haar standpunt had te bepalen, de bedoeling heeft voorgezeten de handhaving van de hierbedoelde accijns onder voormelde verdragsbepalingen te brengen. Naar wij zagen, achtte de Commissie bedoelde accijns geoorloofd, uitgaande van de onjuiste veronderstelling dat gedistilleerd een landbouwprodukt was, terwijl zij er, blijkens het arrest-Charmasson ten onrechte, van uitging dat het, in afwachting van een gemeenschappelijke marktordening, de staten vrijstond om na het verstrijken van de overgangsperiode ten behoeve van bepaalde nationale produkten sommige maatregelen voorlopig te handhaven, ook al mocht daardoor het vrije verkeer der produkten in de gemeenschappelijke markt worden belemmerd. Het moet derhalve uitgesloten worden geacht dat de standpunten, door de Commissie ingenomen met betrekking tot de vraag of de Italiaanse accijns op gedistilleerd geoorloofd was, ex post binnen de werkingssfeer van de artikelen 92 en 93 van het Verdrag kunnen worden gebracht.
4.
Het tweede gedeelte van de eerste vraag is op zodanige wijze geformuleerd, dat er in het kader van een prejudiciële procedure eigenlijk geen antwoord op kan worden gegeven: de rechter in het bodemgeschil mag er niet op rekenen dat het Hof krachtens artikel 177 een concreet geval waarin het Verdrag mogelijkerwijs door een Lid-Staat is geschonden, tot oplossing brengt. Maar als zo vaak, kan de vraag ook in algemene zin worden opgevat; het gaat er dan om, of het volgens artikel 95 ook door de beugel kan dat een Lid-Staat op gedistilleerd dat uit andere Lid-Staten werd geïmporteerd, een stelsel van belasting toepast, dat een fiscale last omvat die niet is voorzien voor of niet wordt toegepast op het overeenkomstige nationale produkt.
Het antwoord zal, naar het mij voorkomt, ontkennend moeten luiden. De discriminerende aard van een belastingstelsel als hierbedoeld, springt in het oog. Men zou zich, met voorbijzien aan de duidelijke grenzen van het vraagpunt en met de specifieke casuspositie voor ogen, kunnen afvragen of er van een met artikel 95 strijdige fiscale discriminatie mag worden gesproken, wanneer het verschil in behandeling geen gevolg is van het nationale belastingsvoorschrift als zodanig, maar van het feit dat er in dit voorschrift vrijstellingen en verlagingen worden voorzien die in de praktijk alleen voor nationale produkten gelden. Artikel 95 is te dezen echter expliciet en verbiedt op de produkten van andere Lid-Staten, al dan niet rechtstreeks, hogere binnenlandse belastingen toe te passen dan al dan niet rechtstreeks op gelijksoortige nationale produkten worden geheven. Is het zo gelegen dat er door wie voor zulke verlagingen of vrijstellingen in aanmerking wenst te komen, moet zijn voldaan aan voorwaarden die in feite alleen kunnen worden vervuld wanneer het om nationale produkten gaat, dan heeft men een voorbeeld van indirect discriminerende belastingheffing bij de hand.
5.
In de tweede' plaats verzoekt de Corte d'Appello te Milaan u, uit te maken „of Italië toestemming kon worden verleend om na het begin van de tweede etappe — welke volgens de derde alinea van artikel 95 de uiterste termijn vormt voor de afschaffing van nationale regels die in strijd zijn met het in de eerste en tweede alinea vervatte fiscale gelijkheidsbeginsel — in afwijking van die bepaling een voorheen bestaande discriminatie bij de belasting van gedistilleerde dranken te handhaven”.
Dat artikel 95, derde alinea, definitief verbindend is, behoeft wel geen betoog: uiterlijk aan het begin van de tweede etappe waren de Lid-Staten gehouden de bepalingen die bij de inwerkingtreding van het Verdrag bestonden en met de eerste en de tweede alinea van het artikel in strijd waren, af te schaffen of te herzien. Een „voorheen bestaande regeling” (om met de rechter in het bodemgeschil te spreken) waaraan gevolgen voor de invoer van gedistilleerd verbonden waren, moest worden ingetrokken: artikel 95 biedt geen mogelijkheid tot afwijking. Er behoeft dus alleen nog maar te worden nagegaan of elders in het Verdrag een niet-nakoming van het fiscale nondiscriminatiebeginsel wordt toegestaan; dit geeft aanleiding nader stil te staan bij het standpunt van de Italiaanse regering, die meent dat bepaalde aan nationale produkten toegekende belastingvoordelen, die op steunmatregelen ten behoeve van de nationale produktie blijken neer te komen, niet aan artikel 95, maar aan de artikelen 92 en 93 EEG-Verdrag moeten worden getoetst. En ofschoon de Corte d'Appello te Milaan aan die bepalingen in het geheel niet heeft gerefereerd — zodat zij mag worden geacht een uitlegging voor de beslissing van het aan haar oordeel onderworpen geschil niet van belang te hebben geacht —, meen ik dat het de voorkeur verdient om voormelde vraag in ruime zin te verstaan en het standpunt, door de Italiaanse regering bij de behandeling van het bodemgeschil bepleit, mede in ons onderzoek te betrekken.
De regering meent dat er in een geval als het onderhavige van steunverlening aan de nationale produktie zou mogen worden gesproken, niet omdat de hogere revenuen, door de belasting van het nationale produkt verkregen, aan bedoelde produktie ten goede komt, maar omdat bedoelde produktie een geringere fiscale last te dragen krijgt. Er zou zich dus een andere casuspositie voordoen dan in zaak 73/79 (Commissie t. Italiaanse Republiek), waarin het Hof op 21 mei 1980 in die zin uitspraak deed, dat discriminerende fiscale praktijken niet aan de toepassing van artikel 95 worden onttrokken door het feit dat zij tevens als een wijze van financiering van door de overheid getroffen steunmaatregelen kunnen worden aangemerkt.
Ik wijs er in verband hiermede op, dat wie aan de Lid-Staten de mogelijkheid biedt aan artikel 95 te ontkomen door een gedifferentieerde belasting aan te merken als een op steunverlening aan een sector van de nationale economie gerichte beleidsmaatregel, een objectieve kwalificatie van met artikel 95 strijdige belastingstelsels wellicht onmogelijk zou maken. Het onderscheid tussen fiscale discriminaties die uitsluitend bedoeld zijn om de nationale produktie tegen buitenlandse concurrentie te beschermen, en gedifferentieerde fiscale regelingen, bedoeld om in het kader van 's lands algemeen economisch beleid een bepaalde marktsector te steunen, schept door zijn vaagheid ernstig gevaar van misbruik. Uit de aard der zaak leidt iedere belasting die discriminatie ten nadele van bepaalde ingevoerde produkten inhoudt, tot bevoordeling van concurrerende nationale produkten, zodat er van het verlenen van steun aan de nationale produktie zou kunnen worden gesproken. Zouden discriminerende fiscale praktijken die een Lid-Staat wenst aan te merken als aspecten van een op ondersteuning van een bepaalde sector gericht beleid, geacht moeten worden niet door artikel 95 te worden bestreken, dan zou de toepasselijkheid van het artikel wezenlijk worden ingeperkt.
Mijn voormelde bedenkingen lijken mij ook in de lijn van 's Hofs jurisprudentie te liggen. Ik herinner er in de eerste plaats aan dat u in het arrest van 22 maart 1977 (zaak 74/76, Iannelli) hebt overwogen dat artikel 95 van het Verdrag interne belastingen van welke aard ook betreft, zodat „een belasting of heffing niet buiten het toepassingsgebied van dit artikel [valt] vanwege het feit dat zij door of ten behoeve van een van de staat onderscheiden openbaar lichaam wordt opgelegd, een bijzondere belasting is dan wel een bijzondere bestemming heeft” (Jurispr. 1977, blz. 576). Waar het Hof zich in dit geval uitsprak over lasten die deel uitmaken van een stelsel van door de staat getroffen steunmaatregelen, mag worden aangenomen dat een dicriminerende fiscale last niet reeds omdat zij met een steunregeling in verband staat, buiten het toepassingsgebied van artikel 95 mag worden gebracht. Nog onlangs, in het arrest op 10 oktober 1978 gewezen in de zaak-Hansen (148/77), hebt u overwogen dat „wanneer een nationale belastingregeling de produktie van bepaalde soorten gedistilleerde dranken of bepaalde groepen producenten door middel van belastingvrijstellingen of toekenning van lagere tarieven begunstigt, deze voordelen, zelfs wanneer zij slechts een gering deel van de nationale produktie ten goede komen of om bijzondere redenen van sociale aard worden verleend, zich moeten uitstrekken tot uit de Gemeenschap ingevoerde gedistilleerde dranken die ... aan dezelfde voorwaarden voldoen” (r.o. 20, Jurispr. 1978, blz. 1807). Ik wijs erop dat u het in hetzelfde arrest verkieslijk hebt geacht het door de nationale rechter opgeworpen probleem te onderzoeken in het licht van artikel 95, en niet aan de hand van de bepalingen inzake steunmaatregelen van de artikelen 92 tot en met 94, „waar deze laatste bepalingen ... berusten op dezelfde grondgedachte als artikel 95, namelijk de afschaffing van overheidsinterventies — waaronder ook belastingverminderingen — die de normale voorwaarden voor de handel tussen Lid-Staten kunnen vervalsen” (r.o. 14).
In samenhang met deze precedenten bezien, komt ook voormeld arrest van21 mei 1980 in zaak 73/79 (Commissie t. Italiaanse Republiek), volgens hetwelk de mogelijke onverenigbaarheid van een steunmaatregel met artikel 95 een geldige reden voor opheffing van de maatregel kan opleveren, in het juiste licht te staan. Bedoelde uitspraak geldt noodzakelijkerwijze, wanneer de steunmaatregel op zodanige wijze wordt gefinancierd, dat concurrerende buitenlandse produkten die niet voor steun in aanmerking komen, zwaarder worden belast of wanneer de revenuen van een belasting die op niet-discriminerende wijze van nationale en ingevoerde produkten wordt geheven, bestemd is om de steunverlening ten behoeve van bedoelde nationale produkten te financieren. In het onderhavige geval zou steunverlening aan de nationale produktie alleen maar de toepassing hebben betekend van een stelsel van fiscale faciliteiten (vrijstellingen of verlagingen) die in feite alleen aan nationale produkten ten goede komen. Ook al was er dus op steunverlening aan deze produkten op zichzelf niets af te dingen geweest, door bedoelde steun te verwezenlijken met behulp van een discriminerende belastingheffing ten nadele van ingevoerde produkten, wordt de maatregel nochtans met artikel 95 onverenigbaar, id est verboden.
6.
Op grond van een en ander geef ik het Hof in overweging, de vragen door de Corte d'Appello te Milaan ter fine van een prejudiciële beslissing gesteld, te beantwoorden als volgt:
1.
Met redenen omklede adviezen, door de Commissie overeenkomstig artikel 169 van het EEG-Verdrag gegeven, zijn niet verbindend; op de aan zulke adviezen verbonden gevolgen blijft de in dat artikel omschreven, voor de betwisting van inbreuken voorziene procedure van toepassing.
2.
Het discriminatieverbod van artikel 95 van het EEG-Verdrag geldt voor iedere fiscale regeling die er al dan niet rechtstreeks (eventueel langs de weg van in feite alleen voor nationale produkten geldende vrijstellingen of verlagingen) in feite toe leidt, dat ingevoerde produkten zwaarder worden belast dan de overeenkomstige nationale produkten.
3.
Vanaf het begin van de tweede etappe van de overgangsperiode, bedoeld in artikel 8 EEG-Verdrag, verbiedt artikel 95 definitief de toepassing van nationale belastingen van discriminerende aard.
4.
Dat volgens de staat die de belasting heft, in een stelsel van fiscale vrijstellingen, bedoeld om de nationale produktie te bevorderen, een door haar gevoerd globaal beleid, gericht op steunverlening aan noodlijdende sectoren van de nationale economie, tot uitdrukking komt, doet zulk een stelsel niet ontkomen aan het discriminatieverbod van artikel 95.
( 1 ) Vertaald uit het Italiaans.
Full & Egal Universal Law Academy