CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL
F. CAPOTORTI
VAN 18 JUNI 1981 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1.
Het beroep waarmee de onderhavige zaak aanhangig is gemaakt valt uiteen in verschillende door een functionaris tegen de Commissie ingestelde vorderingen, die in hoofdzaak betrekking hebben op de inschaling, de betaling van achterstallig salaris, de erkenning van pensioenrechten en de regeling van de verzekeringsrechtelijke positie. Voor het ogenblik behoeft echter alleen te worden beslist of de door verweerster opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid gegrond is, en in de onderhavige conclusie zal ik me dan ook met dit probleem bezig houden.
Ik zal beginnen mit een samenvatting van de feiten.
Verzoekster, mejuffrouw Maria Mascetti, sedert 1961 als functionaris verbonden aan een inrichting van het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek (GCO) te Ispra, verscheen op 18 november 1974 niet op haar werk omdat de Italiaanse justitie tegen haar een strafvervolging had ingesteld terzake van een politiek misdrijf en zij zich wilde onttrekken aan een tegen haar uitgevaardigd bevel tot inhechtenisneming. De administratie achtte haar afwezigheid regelmatig voor wat het tijdvak van 18 november tot en met 14 december 1974 betreft, daar dit werd gedekt door het restant van haar gewone verlof voor 1974; voor het tijdvak gelegen na 14 december 1974 achtte zij de afwezigheid echter ongerechtvaardigd, waarop zij (bij brief van 9 januari 1975) de betaling van haar bezoldiging schorste. Bij op 30 januari 1975 ter Directie van het GCO ingekomen brief verzocht Mascetti in het genot te worden gesteld van onbezoldigd verlof om redenen van persoonlijke aard; tegen de afwijzing van dit verzoek door de administratie verzette zij zich via een klacht en vervolgens via beroep in rechte. Bij arrest van 16 december 1976 (zaak 2/76, Jurispr. 1976, blz. 1975) wees het Hof het beroep af met de verklaring dat de administratie bij de beoordeling van verzoeken om verlof van personeelsleden over een vergaande discretionaire bevoegdheid beschikt.
Bij brief van 23 maart 1977 nodigde de directie van het GCO te Ispra Mascetti uit, binnen 6 maanden een aanstellingsovereenkomst als tijdelijk functionaris te sluiten, waarbij zij per 30 oktober 1976 zou worden ingeschaald in categorie C, rang 1, salaristrap 7, „voor de uitoefening van de functie van hoofdsecretaresse.” Dit voorstel werd gedaan krachtens de overgangsbepalingen van verordening nr. 2615/76 van de Raad van 21 oktober 1976 (PB L 299 van 1976, blz. 1), volgens welke de aan een inrichting van het GCO verbonden functionarissen die op 30 oktober 1976 in dienst waren, dienden te worden uitgenodigd tot het sluiten van een aanstellingsovereenkomst als tijdelijk functionaris. Bij brief van 2 juli 1977 deelde Mascetti het GCO mee, dat zij het aanbod om een overeenkomst te sluiten aanvaardde; bij een andere brief, van 5 augustus, gaf zij de administratie te kennen dat zij voor de ondertekening niet persoonlijk naar Ispra kon komen, omdat zij zich „op Italiaans grondgebied niet vrij kon bewegen.” Daarop deelde de directie van het GCO haar bij brief van 10 oktober mee dat de ondertekening van de overeenkomst in de zetel van de dienst diende te geschieden, gevolgd door een onmiddellijke aanvaarding van haar functie.
Daarop verzocht verzoekster bij brief van. 14 november 1977 om uitbetaling van de haar op grond van de ontbinding van haar overeenkomst als aan een inrichting verbonden funtionaris verschuldigde bedragen, om toezending van de nieuwe arbeidsovereenkomst voor de ondertekening, alsmede om analoge toepassing op haar geval van artikel 88 Ambtenarenstatuut (dat de schorsing regelt van de functionaris tegen wie een strafrechtelijke vervolging is ingesteld) met betaling van achterstallig salaris bij wege van een voorschot op haar totale maandelijkse bezoldigingen vanaf het tijdstip van de schorsing van de betaling daarvan tot de datum van het verzoek. Bij brief van 15 februari 1978 nodigde de administratie verzoekster nogmaals uit, de overeenkomst als tijdelijk functionaris te sluiten zodra zij in staat was daaraan naar behoren uitvoering te geven. Met betrekking tot de anciënniteitsuitkering die haar verschuldigd was voor haar tot 10 december 1974 verrichte werkzaamheden als aan een inrichting verbonden functionaris verklaarde de administratie de nodige stappen te hebben ondernomen voor de betaling daarvan. Bij brief van 15 november 1978 werd betrokkene voorts meegedeeld dat de soziale zekerheidspremies tot en met 31 december 1974 aan het INPS en het INAM te Varese waren betaald.
Inmiddels had de Corte di Assise te Rome verzoekster bij vonnis van 14 juli 1978 volledig vrijgesproken van de beschuldigingen die tot haar strafvervolging hadden geleid. Bijgevolg was zij in staat op 6 november 1978 haar werkzaamheden bij het GCO te Ispra te hervatten. Op 30 november 1978 ondertekende zij in de zetel van het GCO een eerste arbeidsovereenkomst als tijdelijk functionaris, waarvan artikel 3 bepaalde dat zij zou worden ingeschaald in categorie C, rang 1, salaristrap 6 en waarbij haar diensttijd in de rang zou ingaan op 1 december 1978 en haar salarisanciënniteit op 1 september 1977. Betrokkene maakte bezwaar tegen deze clausule. De administratie stemde er vervolgens in toe een tweede overeenkomst te sluiten, die werd ondertekend op 24 april 1979; daarbij werd Mascetti per 1 november 1977 ingeschaald in salaristrap 7, terwijl haar diensttijd in de rang inging op 30 oktober 1976.
Voor een beter begrip van de redenen van deze inschaling zij erop gewezen dat artikel 2, lid 4, van genoemde verordening nr. 2615/76 van de Raad bepaalde dat indien een aan een inrichting verbonden functionaris (zoals Mascetti) als tijdelijk functionaris werd aangesteld, bij de berekening van de diensttijd van de aldus aangestelde functionaris het aantal dienstjaren in aanmerking moest worden genomen dat hij voorheen als aan een inrichting verbonden functionaris had volbracht.
Ook na de tweede overeenkomst diende Mascetti echter een verzoek om rectificatie in: bij brief van 26 mei 1977 concludeerde zij dat haar anciënniteit in salaristrap 7 diende in te gaan op 1 oktober 1975 en niet op 1 november 1977, en verzocht zij om dienovereenkomstige wijziging van de overeenkomst. Bij brief van 10 augustus 1979 bevestigde de administratie dat betrokkene per 1 november 1977 recht had op een anciënniteit in salaristrap 7, onder verwijzing naar het ter zake op 26 juli 1979 door de juridische dienst uitgebrachte advies, volgens hetwelk de op 30 oktober 1976 bestaande salarisanciënniteit eerst weer kon ingaan vanaf de daadwerkelijke hervatting van de werkzaamheden, dat wil zeggen vanaf december 1978 (de administratie deed verzoekster op 2 oktober 1979 een afschrift van dit advies toekomen).
Op 7 november 1979 tenslotte richtte Mascetti zich nogmaals tot de administratie met het verzoek: a) haar loopbaan volledig te herstellen, zonder onderbreking van de continuïteit en met behoud van alle tweejaarlijkse salaristrappen; b) haar alle over het tijdvak van haar afwezigheid verschuldigde bezoldigingen te betalen; c) haar alle sociale zekerheidspremies te betalen waarvan de betaling op 31 december 1974 was geschorst: d) haar de anciënniteitsuitkering voor de door haar als aan een inrichting verbonden functionaris verrichte diensten te betalen voor zover die haar nog verschuldigd was omdat bij de berekening van de uitkering geen rekening was gehouden met de diensttijd tussen 10 december 1974 en 30 oktober 1976. Een antwoord op deze nota bleef uit, waarop betrokkene op 13 juni 1980 beroep in rechte heeft ingesteld tegen de Commissie (waaronder het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek te Ispra valt). In haar vezoekschrift concludeert zij dat het den Hove behage a) de weigering van de Commissie om de periode van verzoeksters gedwongen afwezigheid in alle opzichten als diensttijd aan te merken nietig te verklaren en b) te verklaren dat de Commissie gehouden is haar loopbaan te herstellen alsmede de dienovereenkomstige, in de klacht van 7 november 1977 gespecificeerde vermogensrechten te betalen.
Zoals gezegd heeft de Commissie in de procedure voor het Hof de exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen en heeft het Hof besloten zich hierover uit te spreken zonder daarbij op de zaak ten principale in te gaan.
2.
Tot staving van de exceptie heeft de Commissie voor de onderscheiden onderdelen van de vordering verschillende argumenten aangevoerd. Ik zal dan ook de ontvankelijkheid van elk onderdeel afzonderlijk onderzoeken.
Verzoeksters voornaamste klacht betreft haar anciënniteit in salaristrap 7. Zoals bekend heeft de administratie deze laten ingaan op 1 november 1977 en zulks neergelegd in artikel 3 van de op 19 april 1979 aan betrokkene overgelegde ontwerp - overeenkomst die op 24 april daaropvolgend is ondertekend.
Volgens de Commissie vormt de onderhavige overeenkomst — voor zover daarin verzoeksters salarisanciënniteit wordt vastgesteld — een handeling waardoor deze zich bezwaard kan achten in de zin van artikel 90 Ambtenarenstatuut. In deze opvatting zou de administratie, toen zij verzoekster in kennis stelde van de ontwerpovereenkomst, een besluit hebben genomen inzake haar salarisanciënniteit waardoor haar vermogensrechtelijke positie nadelig kon worden beïnvloed. Dientengevolge stond het aan Mascetti, ter bescherming van haar eigen belangen, tegen dit besluit tijdig een klacht in te dienen als bedoeld in artikel 90 Ambtenarenstatuut. De Commissie merkt ter zake op dat zelfs indien men verzoeksters brief van 26 mei 1979 als een klacht zou willen aanmerken het op 13 juni 1980 ingestelde beroep in rechte niettemin tardief moet worden geacht: de administratie heeft de brief van 26 mei 1979 immers afwijzend beantwoord in de nota's van 10 augustus en 5 oktober 1979, en betrokkene heeft vervolgens meer dan acht maanden laten verstrijken alvorens beroep in rechte in te stellen.
Het komt mij echter voor dat de door de administratie in de overeenkomst neergelegde clausule betreffende verzoeksters salarisanciënniteit niet de nodige kenmerken vertoont van een voor een functionaris bezwarende handeling in de zin van artikel 90 Ambtenarenstatuut, zulks op grond van de aan de ondertekening van de overeenkomst voorafgegane en latere omstandigheden.
Zoals gezegd werd Mascetti door de administratie voor het eerst een nieuwe arbeidsovereenkomst als tijdelijk functionaris aangeboden bij brief van 23 maart 1977, waarin betrokkene een inschaling in catergorie C, rang 1, salaristrap 7 per 30 oktober 1976 werd voorgesteld. Ook indien de anciënniteit in de rang en in de salaristrap niet was gepreciseerd, dan moest het toch om een op laatstgenoemde dan wel vroegere datum ingaande anciënniteit gaan; anders zou de zinsnede „ingaande op 30 oktober 1976” iedere betekenis ontberen. Op 30 november 1978 werd de eerste overeenkomst ondertekend, volgens welke de diensttijd in de rang inging op 1 december 1978 en die in salaristrap 6 op 1 september 1977. Vijf maanden later, nadat verzoekster daartegen bezwaar had aangetekend (ik neem aan mondeling, daar stukken hierover ontbreken), kwam de administratie op haar standpunt terug en kende zij verzoekster een diensttijd in de rang toe ingaande op 30 oktober 1976 (dat wil zeggen vanaf de reeds in de brief van 23 maart 1977 genoemde datum), alsmede een diensttijd in salaristrap 7 per 1 november 1977. Bijgevolg kan worden aangenomen dat de administratie dit laatste standpunt heeft ingenomen in het kader van een reeks contacten met verzoekster en in afwijking van twee eerdere voorstellen.
Dit weifelachtig optreden van de administratie wordt bevestigd in haar brief van 11 juni 1979, waarin het GCO te Ispra niet zozeer direkt haar standpunt kenbaar maakte, zoals het in eerdere stadia had gedaan, doch Mascetti meedeelde dat haar verzoeken ter beoordeling aan de bevoegde instanties van de Commissie waren voorgelegd. Eerst in haar nota van 10 augustus 1979 voerde de administratie tenslotte ter rechtvaardiging van haar berekening van verzoeksters salarisanciënniteit aan, dat de op 30 november 1976 bestaande anciënniteit (referentiedatum voor de vaststelling van de indeling van voormalige aan een inrichting verbonden functionarissen in het nieuwe Statuut van tijdelijke functionarissen: vgl. artikel 2 van genoemde verordening nr. 2615/76) eerst weer kon ingaan na de daadwerkelijke hervatting van de werkzaamheden.
Gezien het voorgaande ben ik van mening dat de clausule in de overeenkomst betreffende de salarisanciënniteit op zichzelf genomen nog niet als de weergave van een besluit van de administratie kon worden beschouwd. Gezien de omstandigheden waaronder de onderhavige clausule werd opgesteld, kon verzoekster haar niet beschouwen als een definitief en duidelijk standpunt. Eerst in een tweede stadium, toen de administratie Mascetti bij brief van 10 augustus 1979 (bevestigd bij brief van 2 oktober) de redenen meedeelde waarom zij haar anciënniteit in salaristrap 7 niet verder wilde vervroegen dan tot 1 november 1977, kon worden gesproken van een besluit waartegen Mascetti zich behoorlijk kon verweren, eerst met haar klacht van 7 november en vervolgens met haar beroep in rechte.
Maar aangenomen zelfs dat het bezwarende besluit dateert van de dag waarop de overeenkomst werd voorgesteld, dan was het op dat moment niettemin geenszins met redenen omkleed. Daarvan was eerst sprake in de brieven van augustus en oktober 1979, die derhalve ook in dit verband van wezenlijk belang zijn. Eerst deze brieven gaven verzoekster een duidelijk beeld van het standpunt van de administratie en stelden haar in staat de opportuniteit van een beroep op de in het Ambtenarenstatuut voorziene waarborgen te beoordelen. In dit verband zij opgemerkt dat volgens de rechtspraak van het Hof de motiveringsplicht bedoeld in artikel 25, tweede alinea, Ambtenarenstatuut [onder meer] „ten doel heeft, de betrokkene in staat te stellen te beoordelen of het besluit een gebrek vertoont waardoor zijn wettigheid kan worden betwist” (arrest van 28 mei 1980, gevoegde zaken 33 en 75/79, Kuhner, Jurispr. 1980, blz. 1677, inz. r.o. 15). Hieruit volgt dat er een noodzakelijk verband bestaat tussen de motivering van het besluit en de mogelijkheid de daadwerkelijke betekenis ervan te beoordelen ter voorbereiding van de passende rechtsmiddelen. Over de omstandigheid dat een besluit met redenen moet zijn omkleed opdat het als „bezwarende handeling” in de zin van het Ambtenarenstatuut kan worden aangemerkt, heeft het Hof zich voorts onlangs zeer duidelijk uitgesproken in her arrest van 20 november 1980 (zaak 806/79, Gerin, nog niet gepubliceerd). In die zaak ging het om de vraag of een voorgedrukt, met de hand ingevuld formulier dat afkomstig was van de administratie en dat de zinsnede bevatte: „Uw zoon (naam) wordt per 1 januari 1978 niet meer als ten laste komend kind aangemerkt”, kon worden aangemerkt als een bezwarend besluit. Het Hof heeft daarop afwijzend beschikt en geoordeeld dat het om een korte formulering ging die niet met redenen was omkleed; in dezelfde zaak heeft het Hof evenwel een later, met redenen omkleed besluit als bezwarende handeling aangemerkt. Dit standpunt berust stellig op het feit dat de verplichting om besluiten die de rechten van functionarissen en ambtenaren kunnen benadelen met redenen te omkleden, is opgelegd bij artikel 25, tweede alinea, Ambtenarenstatuut en wordt bevestigd in artikel 90, lid 1, daarvan. Bovengenoemde arresten zijn echter vooral van belang voorzover het Hof heeft geoordeeld dat de motiveringsplicht ten doel heeft, een bewuste beoordeling mogelijk te maken van de draagwijdte van elke handeling en van de opportuniteit om daartegen op te komen.
In deze gedachtengang dient de brief die Mascetti op 7 november 1977 aan de administratie zond — en die zoals gezegd onder meer het verzoek bevatte haar salarisanciënniteit te vervroegen — te worden aangemerkt als een tijdig ingediende klacht tegen de bezwarende besluiten van de administratie, vervat in de brief van 10 augustus. En dit wordt niet anders indien men de brief van de administratie van 2 oktober 1979 als een zuivere bevestiging van die van 10 augustus beschouwt; de klacht is immers ingediend vóór het verstrijken van de op 10 augustus ingegane termijn van drie maanden.
3.
Nog steeds ter staving van de niet-ontvankelijkheid van het onderdeel van de vordering dat betrekking heeft op de salarisanciënniteit, betoogt de Commissie dat verzoekster door ondertekening van de aanstellingsovereenkomst heeft ingestemd met de daarin aangegeven datum van ingang van deze anciënniteit. Mascetti zou de (tweede versie) van de overeenkomst hebben ondertekend zonder enig bezwaar of voorbehoud te maken, en derhalve ten volle hebben aanvaard.
Na aldus te hebben ingestemd met het in de overeenkomst vervatte administratieve besluit, zou zij dit nadien niet meer in rechte kunnen bestrijden.
Dit argument kan dunkt mij niet slagen, en wel om twee goede redenen. In de eerste plaats herinner ik aan hetgeen ik heb gezegd bij het onderzoek van het andere aspect van de exceptie van niet-ontvankelijkheid — de te late instelling van het beroep in rechte —, te weten dat het in de overeenkomst weergegeven standpunt van de administratie niet kan worden aangemerkt als bezwarend besluit in de zin van artikel 90 Ambtenarenstatuut, hetzij omdat het een nog niet duidelijk bepaald standpunt betrof, hetzij omdat het in het geheel niet met redenen was omkleed. Indien dit zo is — en dat neem ik aan — dan heeft de eventuele aanvaarding van het uit de overeenkomst blijkende standpunt van de administratie geen invloed op de mogelijkheid van de functionaris, een klacht in te dienen. Dit probleem zou enkel kunnen rijzen indien de beweerde instemming betrekking bleek te hebben op het besluit van 10 augustus 1977: maar zoals gezegd is hiertegen tijdig opgekomen met de klacht van 7 november 1979.
In de tweede plaats mag niet uit het oog worden verloren dat instemming bestaat in aanvaarding van de rechtsgevolgen van het besluit waartegen het beroep zou moeten worden gericht; door instemming wordt afstand gedaan van de rechten ter bescherming waarvan de betrokkene geldig zou hebben kunnen opkomen. Opdat het gedrag van een justitiabele kan worden uitgelegd als een afstand van bepaalde rechten, is het onontbeerlijk dat dit gedrag eenduidig is, in de zin dat het duidelijk en ontegenzeggelijk de wil van de betrokkene kenbaar maakt om afstand te doen van een recht. In casu kan uit de omstandigheid dat Mascetti een aanstellingsovereenkomst heeft ondertekend die een clausule bevatte over de datum van ingang van haar salarisanciënniteit, niet eenduidig worden afgeleid dat zij afstand wilde doen van enige vordering met betrekking tot deze datum van ingang, die was gebaseerd op haar vroegere betrekkingen met de administratie.
Het is duidelijk dat Mascetti in werkelijkheid overging tot ondertekening van de overeenkomst als tijdelijk functionaris, doordat zij vóór alles haar arbeidsverhouding met het GCO te Ispra wilde regelen na jaren van afwezigheid en nadat zij een dergelijke overeenkomst niet onmiddellijk na de inwerkingtreding van verordening nr. 2615/76 had kunnen sluiten. Mitsdien valt niet aan te nemen dat zij door ondertekening van de overeenkomst afstand wilde doen van een langere diensttijd in de salaristrap, hoewel zij zich ten volle bewust was van haar rechten. Volgens mij moet veeleer worden aangenomen dat zij niet heeft geaarzeld de overeenkomst te sluiten op grond dat zij haar arbeidsverhouding wilde regelen, terwijl zij voor wat haar salarisanciënniteit betreft de mogelijkheid aanwezig achtte van een correctie in haar voordeel. Dit wordt bevestigd door de reeks contacten tussen het GCO en verzoekster van vóór en na 24 april 1979, waarbij de kwestie van verzoeksters salarisanciënniteit ter sprake kwam: het feit dat de ondertekening plaatsvond terwijl dit overleg gaande was, wettigt de conclusie dat verzoekster geen afstand wilde doen van bepaalde rechten.
4.
Ik kom thans toe aan de ontvankelijkheid van de onderdelen van het verzoekschrift betreffende de betaling van verzoeksters bezoldiging, haar pensioenrechten, haar sociale zekerheidspremies en de anciënniteitsuitkering voor haar werkzaamheden als aan een inrichting verbonden functionaris. Al deze onderdelen berusten op een gemeenschappelijke grondslag: de vordering van verzoekster dat verweerster het tijdvak waarin Mascetti afwezig was om zich aan een bevel tot inhechtenisneming te onttrekken, als diensttijd aanmerkt.
Voor wat betreft het verzoek om betaling van de gedurende haar afwezigheid van vier jaar geschorste bezoldiging, breng ik in herinnering dat de administratie van het GCO te Ispra Mascetti bij brief van 9 januari 1975 heeft meegedeeld dat zij de betaling van de bezoldiging met onmiddellijke ingang had geschorst op grond dat haar afwezigheid ongerechtvaardigd was. De administratie deed zulks door analoge toepassing op het geval van Mascetti, een aan een inrichting verbonden functionaris, van artikel 60 Ambtenarenstatuut, volgens hetwelk „iedere onregelmatige afwezigheid” (dat wil zeggen niet gerechtvaardigd of toegestaan) „die naar behoren is vastgesteld, op het vakantieverlof in mindering (wordt) gebracht” met als gevolg dat „indien de ambtenaar geen recht meer op zodanig verlof heeft, ... hij over het desbetreffende tijdvak geen bezoldiging (ontvangt)”. Tegen dit besluit van de administratie heeft verzoekster destijds geen klacht ingediend, maar volgens mij kan dit verzuim niet automatisch tot niet-ontvankelijkheid van het onderhavige beroep leiden. Immers bijna vier jaar na dit besluit heeft zich een novum voorgedaan waarmee geen rekening kon worden gehouden: ik doel hier op het feit dat Mascetti door de Corte di Assise te Rome bij vonnis van 14 juli 1978 is vrijgesproken.
Dit feit bracht een fundamentele wijziging in verzoeksters positie; haar afwezigheid seder 1974 werd thans immers in een ander licht gesteld daar deze gerechtvaardigd was door de noodzaak om een onrechtmatige gevangenneming te ontlopen. Het zou derhalve begrijpelijk en redelijk zijn geweest indien verzoekster haar vordering tot betaling van de bezoldiging opnieuw indiende met een verzoek aan de administratie, haar geval opnieuw in overweging te nemen in het licht van de nieuwe situatie. Weliswaar heeft verzoekster metterdaad een daartoe strekkend verzoek ingediend, doch te laat. Immers, in geval van een novum gaat de termijn voor het indienen van een klacht weliswaar opnieuw in, doch in casu verstreek de nieuwe termijn drie maanden nadat verzoekster haar werkzaamheden had hervat, dus uiterlijk op 6 februari 1979. Verzoeksters klacht betreffende onder meer de gedurende haar afwezigheid geschorste bezoldiging is evenwel eerst op 7 november 1979 en bijgevolg duidelijk te laat ingediend, zodat ook het daaropvolgende beroep in rechte met-ontvankelijk is.
Een analoge redenering kan worden gevolgd met betrekking tot de aanspraken op pensioenrechten en sociale zekerheidspremies. Indien de betaling van de bezoldiging overeenkomstig artikel 60 Ambtenarenstatuut wordt geschorst, komen ook de pensioenrechten en de verzekeringspremies te vervallen, zodat Mascetti vorengenoemde vorderingen had moeten indienen binnen dezelfde — door haar vrijspraak opnieuw ingegane — termijn als die waarbinnen zij, zoals gezegd, haar vordering inzake de bezoldiging had moeten indienen. Maar verzoeksters klacht, die alle vorderingen bevatte die later ook in rechte naar voren zijn gebracht, is eerst ingediend op 7 november 1979, toen de nieuwe termijn reeds lang was verstreken. Het vervolgens ingestelde beroep in rechte moet derhalve niet-ontvankelijk worden geacht wegens het ontbreken van een voorafgaande tijdig ingediende administratieve klacht.
Met betrekking tot de vordering inzake de verzoekster in 1978 betaalde uitkering wegens beëindiging van haar werkzaamheden als aan een inrichting verbonden functionaris (zie de brief van de directie van het GCO te Ispra van 15 februari 1978), zij opgemerkt dat — nog steeds om bovengenoemde redenen — Mascetti de afwikkeling daarvan uiterlijk binnen drie maanden na hervatting van haar werkzaamheden had moeten aanvechten. De klacht van 7 november 1979 was dus ook vanuit dit oogpunt bezien tardief, en aan het daarop ingestelde beroep in rechte kleeft hetzelfde gebrek.
5.
Om bovengenoemde redenen geef ik het Hof in overweging, het door Maria Mascetti bij op 13 juni 1980 ingediende beroepschrift tegen de Commissie ingestelde beroep ontvankelijk te verklaren voor wat de datum van ingang van haar anciënniteit in salaristrap 7 betreft, en het niet-ontvankelijk te verklaren voor wat de overige onderdelen betreft. De beslissing omtrent de kosten ware aan te houden tot de definitieve uitspraak.
( 1 ) Vertaald uit het Italiaans.
Full & Egal Universal Law Academy