CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL
F. CAPOTORTI
VAN 4 JUNI 1981 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne beren Rechters,
1.
In deze prejudiciële zaak gaat het in hoofdzaak om de uitlegging van de term vlokken van andere granen dan gerst en haver, zoals gebezigd in de communautaire voorschriften betreffende het stelsel van heffingen en restituties voor op basis van granen en rijst verwerkte produkten (artikel 5, lid 1, B, b, van 's Raads verordening nr. 141/64 van 21 oktober 1964).
Laat ons de feiten kort samenvatten. De in de Bondsrepubliek Duitsland werkzame firma Ludwig Wünsche & Co., die zich op de graanhandel toelegt, had in het tijdvak 21 juni — 18 augustus 1965 sorgho-vlokken uitgevoerd en daarvoor restituties ontvangen, in dier voege dat zij bij uitvoer van 100 kg vlokken 180 kg sorgho mocht invoeren zonder deswege een heffing verschuldigd te zijn.
De Bundesanstalt für landwirtschaftliche Marktordnung herriep bij beschikking van 8 december 1976 het besluit tot toekenning dier restituties, omdat de uitgevoerde waar niet uit vlokken, maar uit geplette granen zou hebben bestaan; tegenover een uitvoer van 100 kg van dat produkt kon zij derhalve slechts vergunning verlenen tot een onbelaste invoer van 102 kg sorgho. Tegen die weigeringsbeschikking kwam de firma Wünsche in beroep bij het Finanzgericht Hessen, dat bij beschikking van 25 juni 1980 ons Hof de navolgende vragen stelde :
„a)
Verschillen ‚sorgho-vlokken’ (art. 1 d van verordening nr. 19 juncto de bijlage) als bedoeld in artikel 5, lid 1, B, b, van verordening nr. 141/64 (asgehalte, berekend naar het gewicht van de droge stof, hoogstens 2 %) alleen door het asgehalte van sorgho- vlokken als bedoeld in artikel 5, lid 1, B, c, dier verordening of moeten sorgho-vlokken met hoogstens 2 % as bovendien gepeld zijn?
b)
Kon er in zoverre (vraag a) voor exporten in 1965 voor de uitlegging reeds te rade worden gegaan met de toelichtingen bij de IDR-Nomenclatuur, volgens welke er slechts bij gepelde produkten van vlokken sprake kan zijn (toelichting 62 nr. 11.02)?
c)
Betekende‚pellen’ volgens genoemde toelichtingen (nr. 3 bij post 11.02) ook voor sorgho als ‚onbedekte’ graansoort, dat de zaadwand met inbegrip van de aleuroncellen op zodanige wijze moet zijn verwijderd, dat het meelllichaam ‚doorgaans’ zichtbaar wordt? Betekent ‚doorgaans’: goeddeels (voor meer dan 50 % of voor het overgrote deel (voor meer dan 75 %) ?
d)
mocht er (annvullenderwijze of, bij ontkennende beantwoording van vragen a-c, uitsluitend) ter uitlegging van de term ‚vlokken’ te rade worden gegaan met de voorlaatste alinea van de considerans van verordeningen nrs. 55/62 en 141/64 en met artikel 2, lid 1, van verordening nr. 92/62 en artikel 15, lid 1, van verordening nr. 141/64, volgens welke de restitutie bij verwerkte produkten zich heeft te richten naar de heffing, geldende voor de ter vervaardiging dier produkten nodige basisprodukten?”
2.
Tot goed begrip van de verwijzingen naar het gemeenschapsrecht die in de eerste vraag voorkomen, zij er alleereerst aan herinnerd dat s' Raads verordening nr. 19 van 4 april 1962 houdende de geleidelijke totstandbrenging van een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen, voor het handelsverkeer tussen Lid-Staten onderling en tussen Lid-Staten en derde landen een heffingsstelsel bracht (artikel 1) en voorts, „teneinde de uitvoer naar derde landen op basis van de wereldmarktprijzen mogelijk te maken”, de Lid-Staten toestond het verschil tussen die prijzen en de prijzen in de uitvoerende Lid-Staat door exportrestituties te overbruggen (artikel 20, lid 2). Op de lijst van produkten die onder de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen vallen (artikel 1, d) zijn vermeld „de verwerkte produkten” die zijn opgenomen in de bijlage bij deze verordening, dus ook „geplette granen (vlokken daaronder begrepen)” in de zin van de desbetreffende categorie van onderverdeling 11.02 van het gemeenschappelijk douanetarief.
Wat de regeling voor op basis van granen en rijst verwerkte produkten betreft, is vervolgens in 's Raads verordening nr. 141/64 een stelsel van heffingen en restituties voorzien, terwijl in artikel 5, lid 1 — ter vaststelling van het variabel element der heffingen — wederom produkten van post ex 11.02 van het gemeenschappelijk tarief zijn genoemd, met inbegrip van „geplette granen (vlokken daaronder begrepen)”, waaronder de drie soorten vlokken van letter B: vlokken van gerst of haver (B, a) vlokken van andere granen (B, b) en „overige gevallen” (B, c). Men bedenke dat het belang dezer indeling was gelegen in de voor de onderscheiden groepen voorziene hoeveelheid van het basisprodukt, waarover de heffingen en restituties werden berekend : bij gerst en haver werden, voor de verlening de restituties, 200 kg van het basisprodukt die vrij van heffingen mochten worden ingevoerd, gerelateerd aan 100 kg uitgevoerde vlokken; voor de vlokken van andere granen bedroeg het verhoudingsgetal 180/100 maar in de „overige gevallen” 102/100. Anderzijds werd, voor zover het om „vlokken van andere granen” (groep B, b) ging, in de hierbedoelde regeling de voorwaarde gesteld dat het asgehalte, over de droge stof berekend, 2 % of minder moet bedragen. In verband hiermede wenst de rechter in het bodemgeschil thans te weten of sorgho-vlokken in groep B, b mogen worden ondergebracht zodra zij aan die voorwaarde voldoen.
De rechter in het bodemgeschil zelf wijdde beschouwingen aan de andere mogelijkheid, namelijk dat de hierbedoelde vlokken ook moeten worden gepeld. Daarvoor spreekt een in 's Hofs rechtspraak te vinden belangrijk precedent, namelijk het arrest, op 8 april 1976 gewezen in de zaak Merkur/Hauptzollamt Hamburg-Jonas (106/75, Jurispr. 1976, blz. 531).
Ook in die zaak was de indeling aan de orde van een onder post 11.02 vallende waar, die door de exportfirma was omschreven als vlokken van gerst maar door de Duitse douane als geplette gerst was ingedeeld, terwijl het eveneens om de exportrestituties ging. Om de waar onder post 11.02 E I b van het gemeenschappelijk douanetarief (vlokken van gerst) te kunnen brengen, moest nu juist worden uitgemaakt of de produktie van vlokken medebrengt dat de korrel niet slechts moet zijn gebroken of geplet, maar ook een pelbewerking moet hebben ondergaan waarbij een gedeelte van de zaadwand is verwijderd. Het Hof overwoog dat „gerstvlokken ... worden vervaardigd van korrels die een pelbewerking hebben ondergaan maar waarbij zij zijn ontdaan van een deel van de zaadwand”, terwijl „geplette gerstkorrels... alleen en behandeling ondergaan waardoor zijn van vorm veranderen, doch niet worden ontdaan van het merendeel van hun kafjes die volgens de toelichtingen van Brussel stevig aan de zaadkorrel vastzitten, ook nog na het dorsen en het wannen” (r.o. 4).
Uit de laatste zin blijkt ten duidelijkste dat het Hof rekening houdt met de toelichtingen bij de Nomenclatuur van de Internationale Douaneraad (ook wel Nomenclatuur van Brussel genaamd); het Hof herinnerde voorts aan toelichting nr. 3 bij post 11.02, waarin gepelde granen worden omschreven als granen die zijn bewerkt om de zaadwand (de huid onder het kafje) geheel of gedeeltelijk te verwijderen, en waar het gaat om bedekte gerst, als granen waarvan de kafjes zijn afgeslepen, kafjes welke bij die soort van gerst stevig aan de zaadkorrel vastzitten, ook nog na het dorsen en het wannen. In hetzelfde arrest werd voorts gereleveerd dat volgens toelichting nr. 6 van de Nomenclatuur van Brussel, dezelfde post 11.02 betreffende, onder vlokken zijn te verstaan „gepelde en vervolgens geplette korrels die vaak nog een gedeelte van de zaadwand hebben behouden.” (r.o. 4).
3.
In het arrest van 8 april 1976 is dus voldoende duidelijk omschreven wat in de post bedoeld in genoemd artikel 5 van verordening nr. 141/64 met haar omstreden onderverdeling, waarin sprake is van vlokken van andere granen dan gerst en haver, onder vlokken van granen is te verstaan. Houdt men zich aan de uitlegging, door het Hof in dat arrest gegeven, dan zal in antwoord op de eerste vraag van de Duitse rechter moeten worden uitgesproken dat, willen sorgho-vlokken onder letter B, b van lid 1 van artikel 5 kunnen worden gebracht, de korrels een pelbewerking moeten hebben ondergaan en de vlokken niet meer dan 2 % as mogen bevatten.
De rechter a quo ontwikkelde bezwaren tegen die oplossing. In de verwijzingsbeschikking heeft hij erop gewezen dat de betekenis van de term vlokken van granen alleen mag worden vastgesteld op grondslag van de bepalingen van de omstreden communautaire verordeningen (en wel in de eerste plaats op grond van genoemde artikelen 1, d, van verordening nr. 19/62 en 5 van verordening nr. 141/64), zonder dat er bij de uitlegging, als hulpmiddel, gebruik zou mogen worden gemaakt van de toelichtingen bij de IDR-Nomenclatuur. Het gemeenschapsrecht zou te dezen voldoende duidelijk zijn, zodat ter vaststelling van de betekenis van de term vlokken van granen, uitsluitend met een bepaald aspercentage zou mogen worden gewerkt, maar geen pelbewerking zou mogen verlangd. Met de toelichtingen van de IDR-Nomenclatuur zou slechts mogen worden gewerkt bij een — in casu ontbrekende — dubbelzinning tekst.
Ik kan die opvatting niet delen. Het Hof vond reeds gelegenheid uit te spreken dat de toelichtingen van de Nomenclatuur van Brussel voor de indeling der waren onder de posten van het douanetarief als een passend uitleggingsmiddel zijn te beschouwen (arresten, op 8 december 1970 en 15 december 1971 onderscheidelijk gewezen in de zaak 14/70, Bakels, Jurispr. 1970, blz. 1001 en in de zaak 21/71, Brodersen, Jurispr. 1971, blz. 1069). Met name zij gewezen op de in eerstgenoemd arrest voorkomende overweging dat „zolang op de tariefposten van het gemeenschappelijk douanetarief geen communautaire verklarende toelichtingen werden gegeven, het inachtnemen van genoemde toelichtingen en adviezen (van de Internationale Douaneraad te Brussel) een nuttig middel vormt ter verzekering van een uniforme uitlegging en toepassing van het gemeenschappelijk buitentarief aan alle grenzen van de gemeenschappelijke markt”. Juist dit uitleggingscriterium moet in casu toepassing vinden: In artikel 5 van verordening nr. 141/64 wordt de term „vlokken van granen” gebezigd, in verband waarmede post 11.02 van het gemeenschappelijk douanetarief wordt vermeld, zonder dat evenwel gegevens ter vaststelling van de betekenis van de term vlokken wordt verschaft, en wij weten dat de toelichtingen op het gemeenschappelijk douanetarief destijds nog niet bestonden. Waar het asgehalte volgens genoemd artikel 5 een bepaalde waarde niet mag overschrijden, blijft de vraag naar de tarifaire betekenis van de term vlokken van granen onbeantwoord. Ik ben dan ook van mening dat er ter uitlegging van die term, aan de toelichtingen bij de IDR-Nomenclatuur mag worden gerefereerd.
Het leidt in zoverre geen twijfel welk antwoord ik meen in overweging te moeten geven, als de rechter in bodemgeschil vraagt naar de mogelijkheid die toelichtingen met betrekking tot een casuspositie als zich in 1965 heeft voorgedaan, als „hulpmiddel” bij de uitlegging te gebruiken. Dit ontmoet mijns inziens geen enkel bezwaar; voor de interpretatieve waarde van de toelichtingen van Brussel spreekt mijn inziens ook dat ze met de latere toelichtingen op het gemeenschappelijk douanetarief wezenlijk overeenstemmen.
4.
Tot de eerste vraag terugkerend, wil ik er allereerst aan herinneren dat graankorrels, om tot „vlokken” te worden verwerkt, moeten worden verbrijzeld of geplet en een deel van de „pellicule” moeten behouden. Hoe is de uitdrukking „conservant encore une partie de leur pellicule” te verstaan? Het Hof leest de bepaling in die zin dat de korrels een pelbewerking moeten hebben ondergaan, en wel „van een deel van de huid onder het kafje (zaadwand) moeten zijn ontdaan” (r.o. 4 van het aangehaalde arrest van 8 april 1976). Het Hof kwam tot dit resultaat door toelichting nr. 6 in verband te brengen met toelichting nr. 3, waarin sprake is van „granen die zijn gepeld ... om de zaadwand (pellicule) geheel of gedeeltelijk te verwijderen”. Dit argument komt mij overtuigend voor: redelijkerwijze mag het er voor worden gehouden dat, waar in toelichting 6 van het behoud van een deel van de „pellicule” wordt gesproken, het woord „pellicule” in dezelfde zin wordt gebezigd als in de voorafgaande toelichting nr. 3, blijkens welke op de zaadwand wordt gedoeld.
De raadsman van de firma Wünsche heeft betoogd dat korrels van „onbedekte” graansoorten als sorgho, reeds worden gepeld door de schilletjes om de kiemen, kafjes genaamd, te verwijderen. Duidelijkheidshalve zij opgemerkt dat er van „onbedekte” graansoorten sprake is, als de kafjes reeds bij het wannen worden verwijderd, en van „bedekte” graansoorten als de kafjes na het wannen nog stevig aan de korrel blijven vastzitten. Ik ben evenwel van mening dat de uitlegging van de firma Wünsche niet kan worden aanvaard, omdat zij in strijd komt met de tekst van toelichting 6, volgens welke tenminste een deel van de zaadwand moet zijn verwijderd, wil er van vlokken kunnen worden gesproken.
De raadsman van de firma Wünsche heeft zich, tot staving van haar standpunt, in hoofdzaak van twee argumenten bediend: de verwijdering van de zaadwand zou aan de voedingswaarde van het produkt afbreuk doen, en het in artikel 5 van verordening nr. 141/64 verlangde lage asgehalte zou ook reeds door verwijdering van de kafjes kunnen worden verkregen. Met betrekking tot eerstgenoemd argument ben ik van mening dat de duidelijke bewoordingen van een tekst als de toelichtingen van Brussel, niet met behulp van argumenten, aan de voedingsfysiologische functie van het produkt ontleend, kunnen worden opzij gezet. Met betrekking tot het tweede argument wil ik erop wijzen dat het asgehalte van watervrije sorgho, waarvan alleen de kafjes zijn verwijderd, volgens de door de raadsman van de firma Wünsche overgelegde technische gegevens van het expertisebureau Vorwerck de dato 2 februari 1980, in bepaalde gevallen boven de 2 % kan liggen: door de waar te pellen — id est door te zorgen voor een verdere daling van het asgehalte dan door verwijdering van de kafjes alleen wordt bereikt — wordt de naleving van de tariefbepaling beter gewaarborgd.
5.
Kortom, klemmende redenen om af te wijken van de uitlegging, door het Hof in voormeld arrest-Merkur van 8 april 1976 gegeven, acht ik niet aanwezig. Bedoelde uitlegging vindt bevestiging in het criterium, waarvan in de communautaire regeling wordt uitgegaan bij de vaststelling der restituties voor verwerkte produkten, namelijk het bedrag, geheven van de basisprodukten welke ter vervaardiging van het verwerkte produkt nodig zijn. Het fabricageprocédé wordt aldus met het restitutiebedrag in verband gebracht, in die zin dat de restitutie voor het verwerkte produkt hoger wordt naarmate de verwerking van het basisprodukt complexer wordt en meer verliezen oplevert. Dat in de hierbedoelde regeling dit criterium wordt aangehouden kan worden afgeleid uit de considerans van verordening nr. 55 van 30 juni 1962 betreffende op basis van granen verwerkte produkten, alsook uit de considerans van de vervolgens vastgestelde verordening nr. 141/64 (beide verordeningen worden door de rechter in het bodemgeschil in zijn vierde vraag ter sprake gebracht); in beide consideransen wordt met zoveel woorden gezegd dat de restituties moeten „overeenkomen met de invloed van de heffingen die zijn vastgesteld voor de daarin verwerkte basisprodukten op de kostprijzen van de verwerkte produkten” (men zie met name de derde overweging van de considerans van verordening nr. 141/64).
In de lijn hiervan ligt ook de restitutieregeling, vervat in beide voormelde verordeningen en andere communautaire rechtsbronnen betreffende de rechtsregeling voor op basis van granen verwerkte produkten. In artikel 2 van verordening nr. 92 van de Commissie van 25 juli 1962 (betreffende de restitutie, voor de uitvoer voor de op basis van granen verwerkte produkten) is vastgesteld dat, wanneer het gaat om verwerkte produkten, kennelijk met inbegrip van vlokken, „de restitutie ten opzichte van derde landen [kan] worden verleend in de vorm van een vergunning, waarop met vrijdom van heffing de hoeveelheid basisprodukt kan worden ingevoerd die op grond van artikel 16 van verordening nr. 55 van de Raad vastgesteld werd ... ”. De verwijzing naar artikel 16 van verordening nr. 55 brengt mede dat de restitutie voor verwerkte produkten niet hoger mag zijn dan de restitutie die kan worden toegekend bij uitvoer van de hoeveelheid basisprodukt die ter berekening van het variabel element in aanmerking werd genomen. In artikel 15 van verordening nr. 141/64 is vervolgens bepaald dat de Lid-Staten bij de verlening van de restitutie „met name rekening ... houden met de toestand op de wereldmarkt en de prijzen van de basisprodukten”.
Ik vond reeds gelegenheid erop te wijzen dat het bedrag van de restituties voor vlokken van andere graansoorten in verordening nr. 141/64 is vastgesteld volgens het verhoudingsgetal 180/100, hetgeen wil zeggen dat men bij uitvoer van 100 kg vlokken een restitutie ontving in de vorm van een vergunning om, met vrijdom van heffing, 180 kg basisprodukt te importeren. Aan de vaststelling van een zo hoog verhoudingscijfer lag kennelijk de veronderstelling ten grondslag dat er, bij de verwerking tot vlokken, vrij veel van het basisprodukt verloren gaat; het aanhouden van zulk een verhoudingsgetal zou zinloos zijn geweest, indien de verwerking uitsluitend zou bestaan in het verwijderen van de kafjes en het pletten of verbrijzelen der korrels. Wil er voor de breuk 180/100 althans een gedeeltelijke rechtvaardiging worden gevonden, dan moet het er logischerwijze voor worden gehouden dat er van het basisprodukt nog meer verloren gaat, waarbij rederlijkerwijs aan de verwijdering van de zaadwand valt te denken.
Nu ik tot deze slotsom ben gekomen, kan ik ook mijn standpunt bepalen ten aanzien van de vierde vraag van de Duitse rechter, waarin het er om gaat of, ter uitlegging van de term vlokken, in aanmerking mag worden genomen dat de restitutie zich volgens verordeningen nrs. 55/1962, 92/1962 en 141/1964 heeft te richten naar de heffing, geldende voor de ter vervaardiging dier produkten nodige basisprodukten. Na al hetgeen ik heb opgemerkt, is het wel duidelijk dat de door mij voorgestane uitlegging van de term vlokken mijns inziens juist in de voorgeschreven wijze van berekening deirestituties een bevestiging vindt. Welbeschouwd gaat het evenwel in de vierde vraag niet om de betekenis van een gemeenschapsrecht, maar om het uitleggingsprocédé, volgens hetwelk de betekenis van de in artikel 5 van verordening nr. 141/64 gebezigde term vlokken tot klaarheid moet worden gebracht. Om de uitlegging van die bepaling ging het in de eerste vraag, en zij is ook als de kern van het geschil te beschouwen; ik heb mij er reeds over uitgesproken en tot staving van mijn zienswijze de nodige argumenten aangevoerd. In de vierde vraag wordt eigenlijk alleen maar aandacht voor één dier argumenten gevraagd, en wel voor het argument dat ik zojuist in mijn beschouwingen betrok. De vraag draagt mijns inziens dan ook geen zelfstandig karakter, zo het Hof er naar ik meen na beantwoording van de hoofdvraag, niet nader bij stil hoeft te staan.
6.
Bespreking vraagt thans nog de derde vraag van de Duitse rechter. Hij wenst te weten hoe de derde toelichting van de Nomenclatuur van Brussel is te verstaan, voor zover daarin wordt gezegd dat na het pellen „het meellichaam doorgaans (,généralemenť) zichtbaar is.” De rechter in het bodemgeschil wenst met name te weten of „doorgaans” betekent „goeddeels” (voor meer dan 50 %) dan wel „voor het overgrote deel” (voor meer dan 75 %).
De raadsman van de firma Wünsche wijst erop dat er om een korrel meerdere beschermende lagen zitten: aan de buitenkant zitten de kafjes, die al of niet gemakkelijk van de korrel kunnen worden verwijderd; dan is er een ander vliesje, de zaadwand, terwijl een derde vlies de korrel onmiddellijk omsluit. Zelfs dooide totale verwijdering van de zaadwand komt het, altijd nog door het derde vlies omsloten, meellichaam niet bloot te liggen; de firma Wünsche ontleent aan een en ander een argument ten betoge dat genoemde toelichting nr. 3 onjuist is geredigeerd. Geeft men zich evenwel. voldoende rekenschap van het redeverband, dan kan mijns inziens al gauw worden vastgesteld dat deze toelichting in alle gevallen althans de gedeeltelijke verwijdering van de zaadwand verlangt, terwijl anderzijds na het pellen het meellichaam doorgaans, dat wil zeggen in de meeste gevallen, zichtbaar moet worden, hetgeen wil zeggen dat met de zaadwand ook het daaronder gelegen vlies wordt verwijderd.
Het komt mij daarom voor dat het bijwoord „doorgaans” in casu niet wordt gebruikt ten aanduiding van de hoeveeleid van de zaadwand die moet worden verwijderd, wil er van pellen in de zin van het tarief kunnen worden gesproken, maar ter aanduiding van de frequentie waarmede het meellichaam bij het pellen zichtbaar wordt. Volgens de toelichtingen gebeurt dit in de meeste gevallen; soms blijft het meellichaam echter na de pelbewerking onzichtbaar. Deze „structurele” uitlegging verdient mijns inziens de voorkeur, omdat zij de mogelijkheid biedt de bezwaren, tegen de logische opbouw der toelichting ingebracht, uit de weg te gaan.
7.
Ik concludeer dat het Hof de vragen, door het Finanzgericht Hessen bij beschikking van 25 juni 1980 gesteld, als volgt zal beantwoorden:
1.
Onder andere vlokken dan gerst- en havervlokken als bedoeld in de artikelen 1, lid d, van 's Raads verordening nr. 1962 — met bijlage — en 5, lid 1, B, b van 's Raads verordening nr. 141/64, zijn te verstaan geplette graankorrels die een pelbewerking hebben ondergaan en waarvan het asgehalte de 2 °/o niet te boven gaat. Onder pellen is te verstaan een behandeling van de korrel, waarbij de zaadwand althans ten dele wordt verwijderd en waarbij het meellichaam in de meeste gevallen zichtbaar wordt. Dit geldt ook voor „onbedekte” graansoorten als sorgho.
2.
Voor de uitlegging van de term andere vlokken dan gerst- en havervlokken, zoals die te vinden is in de communautaire regeling voor op basis van granen en rijst verwerkte produkten ('s Raads verordening nr. 141/64 van 21 oktober 1964) zijn de toelichtingen, voorzien in het Verdrag van Brussel inzake de Nomenclatuur voor de indeling van ware volgens het gemeenschappelijk douanetarief, ook voor exporten die in 1965 hebben plaatsgehad, als een waardevol hulpmiddel te beschouwen.
( 1 ) Vertaald uil het Italiaans.
Full & Egal Universal Law Academy